Karski: ‘Ter nagedachtenis aan Rosa Luxemburg en Leo Tyszka (Jogiches)’

Onderstaande tekst bevat persoonlijke herinneringen van Julian Marchlewski, alias Karski, een Poolse revolutionair en dichte medestander van Rosa Luxemburg en Leo Jogiches. Karski leefde van 1866 tot 1925. Hij schreef onderstaande tekst in 1921, twee jaar na de dood van Luxemburg en Jogiches. We vertaalden deze tekst uit het Frans. Karski biedt een interessante inkijk in het leven en werk van Rosa en Leo, maar ook in de ontwikkeling van hun partij in Polen. Zelfs indien we het niet eens zijn met hun benadering over de nationale kwestie, is dit artikel van Karski nuttig om de context te schetsen waarin deze positie tot stand kwam.

Door dit artikel op te dragen aan de nagedachtenis van de kameraden Luxemburg en Jogiches, breng ik hun namen niet alleen samen omdat zij hetzelfde lot deelden en beiden als martelaren stierven door toedoen van de huurlingen van de verraders van het Duitse socialisme, maar vooral omdat deze twee opmerkelijke activisten nauw verbonden waren door een dertigjarige vriendschap en gemeenschappelijk ideologisch werk.

Rosa Luxemburg werd in 1870 geboren in het Poolse stadje Zamość, in een ooit vrij rijke maar verarmde Joodse familie. Rond 1880 verhuisde haar familie naar Warschau en ging Rosa naar het gymnasium. Ze had de beste jeugdherinneringen. Haar moeder was goed opgeleid. Ze las graag de werken van Poolse en Duitse dichters met haar kinderen. De beïnvloedbare Rosa, die een passie had voor poëzie, begon zelf verzen te schrijven onder invloed van deze lectuur. Zij was bijzonder gesteld op Mickiewicz: in de loop van haar latere literaire activiteiten waren er maar weinig artikelen waarin Mickiewicz niet werd geciteerd. Het gezin zat vaak in grote problemen, en soms huurden ze zelfs een woekeraar in om een paar roebels voor hun beddengoed te krijgen. Deze ellende leidde echter niet tot de gebruikelijke ontmoediging en verbittering. Ik herinner me dat Rosa Luxemburg vertelde hoe ze eens de lamp aanstak met een stuk papier dat niets meer was dan het laatste beetje geld dat haar vader met moeite had verkregen. De oude man strafte haar niet, maar troostte haar, nadat de eerste emotie voorbij was, door een grapje te maken over de kosten van zijn lucifers. Deze sfeer van goed humeur heeft zeker bijgedragen aan de intellectuele ontwikkeling van de toekomstige activiste.

Haar capaciteiten waren groot en waren al duidelijk op school. Rosa voltooide haar studies op de middelbare school glansrijk en als ze de gouden medaille niet kreeg, was dat enkel omdat de directrice haar ‘politieke gezindheid’ al vermoedde.

De vermoedens waren gegrond: onze studente behoorde tot een socialistische groep waar pamfletten van de partij “Proletariaat” werden gelezen en waar men droomde van propaganda en actie onder de arbeiders. De gendarmes keken toe en al snel, in 1888, moest de 18-jarige “samenzweerster” naar het buitenland vluchten. Haar ontsnapping werd georganiseerd door één van de meest bekwame samenzweerders van de partij uit die tijd, kameraad Kasprzak, die sindsdien is opgehangen.

Rosa Luxemburg arriveerde in Zürich. Daar woonde ze in bij het gezin van een Duitse emigrant, dokter Karl Lübeck, een sociaaldemocratische publicist. Hij was getrouwd met een Duitse vrouw, en Rosa voelde zich thuis bij hen. Lübeck was een man van grote intelligentie en enorme kennis, maar hij was zwaar verlamd. Tussen hem en de jonge studente ontstonden de beste betrekkingen. Hij dicteerde haar de artikels waarmee hij zijn brood verdiende. Daarna bracht ze lange uren in gesprek met hem door; hij leidde haar studies. Het lijdt geen twijfel dat kameraad Luxemburg in de eerste jaren van haar studentenleven veel dank verschuldigd was aan deze waardige man.

In 1891 ontmoette Rosa Luxemburg kameraad Jogiches. Ik heb geen informatie over zijn jeugd, en ik geloof dat zelfs de kameraden die vele jaren met hem werkten die niet hebben. Dit kan worden verklaard door de terughoudendheid van Jogiches om over zichzelf te praten: hij liet niemand kennismaken met zijn persoonlijke zaken. Misschien zullen vrienden die dichter bij hem stonden ons ooit vertellen over de kindertijd en jeugd van deze revolutionair.

Maar ik zal vertellen wat ik ervan kon leren. Leo-Samoylovich Jogiches werd in 1867 in Vilnius geboren in een rijke Joodse familie. Hij nam van jongs af aan deel aan de revolutionaire beweging en werd in 1888 door de gendarmerie van Vilnius gearresteerd wegens “actieve propaganda onder de arbeiders gericht tegen de autoriteiten.” Hij werd veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en bleef onder speciaal toezicht. In 1890 ging hij naar het buitenland om zijn militaire dienstplicht te ontlopen. In Zwitserland kwam hij in contact met Plechanov, maar hij brak al snel met hem. In die tijd heerste in Russische sociaaldemocratische kringen een weinig sympathieke sfeer. In Rusland kwam de beweging nog maar net op gang en onder de emigranten regeerde Plechanov naar believen. Iedereen die het persoonlijk niet met hem eens was, had afgedaan en werd de status van sociaaldemocraat ontzegd. Kameraad Jogiches was geen doetje en wilde zich niet onderwerpen aan dit regime. Andere emigranten groepeerden zich met hem en besloten al snel zelfstandig op te treden. De belangrijkste kwestie was die van de revolutionaire literatuur. De jonge emigranten en de Russische arbeiders hadden een grote behoefte aan literatuur.

Jogiches beschikte over vrij ruime middelen en na enkele medewerkers te hebben verzameld (Kritsjevski, Rjazanov, Parvus), begon hij aan de uitgave van de ‘Sociaaldemocratische Bibliotheek’. Zijn organisatorische vaardigheden waren onmiddellijk duidelijk. Hij schreef zelf niet, maar hij was een modelredacteur, nauwkeurig tot op het punt van pedanterie. De boeken in zijn bibliotheek waren prachtig uitgegeven en ook de verspreiding ervan was goed verzekerd.

Naast zijn redactiewerk wilde Jogiches de gaten in zijn kennis opvullen. Zijn intellectuele capaciteiten waren groot. Hij kon snel zijn weg vinden in de moeilijkste vragen en had een opmerkelijk geheugen en eruditie.

Het is vreemd dat kameraad Grosovski (zoals hij toen bekend stond) de partijpublicisten uitstekend adviseerde; hij was geïnteresseerd in een paar kwesties en kon het meest exacte en succesvolle plan voor zijn studie opstellen; maar schrijven, zelfs als het een krantenartikel was, was moeilijk voor hem. Hij erkende dit, en alleen absolute noodzaak kon hem dwingen de pen op te nemen.

Na kennismaking met Rosa Luxemburg raakte Jogiches geïnteresseerd in de vraagstukken van het Poolse socialisme, die haar in die tijd bezig hielden. Hij studeerde Pools, en wel zo goed, dat hij later hard kon werken aan het verwijderen van Russische uitdrukkingen uit de artikels van Poolse kameraden. Weldra gaf hij alle activiteit in de Russische beweging op en wijdde hij al zijn krachten aan de Poolse sociaaldemocratische beweging.

De vraagstukken van het Poolse socialisme waren toen uiterst complex en interessant. De revolutionaire socialistische beweging, vertegenwoordigd door de partij Proletariaat onder leiding van Ludwik Waryński en Kunicki, maakte rond 1880 een moeilijke crisis door. De partij wijdde al haar krachten aan het terrorisme en was niet in staat de arbeidersmassa’s te organiseren, die door de buitengewoon snelle ontwikkeling van het kapitalisme in Polen instinctief in de richting van een zuiver economische strijd werden gedreven. In Warschau werd een Arbeidersbond opgericht, die ernaar streefde de stakingsbeweging te leiden en die ook, volgens haar middelen, marxistische propaganda voerde. De partij Proletariaat was echter verdeeld onder invloed van de nationalistische stromingen die toen in heel Europa heersten. De emigrantengroepen aan het hoofd van de partij, die de beginselen van de beweging van de werkende massa’s verkeerd interpreteerden, lieten zich doordringen van het idee om socialisme en patriottisme te combineren. De publicisten van deze tendens beweerden: “Polen is Rusland voorbijgestreefd in zijn economische ontwikkeling, terwijl het onder het politieke juk van Rusland zit. Daarom moet het doel van de Poolse arbeidersklasse de bevrijding van het land zijn, de oprichting van een onafhankelijke Poolse staat, om de weg naar het socialisme in te slaan.”

Deze trend leidde tot de oprichting van de Poolse Socialistische Partij (Polska Partia Socjalistyczna, PPS).

In Polen werd deze tendens bestreden door de Arbeidersbond en in de emigratie, voornamelijk in Zürich, probeerde een groep jongeren zich te verzetten met een marxistisch programma. Tot deze groep behoorde kameraad Wesołowski, die sindsdien lafhartig is vermoord door de Poolse gendarmes. Er zaten studenten bij die later de gelederen van de revolutionaire activisten verlieten, maar die op andere manieren naam maakten (zoals één van de opmerkelijkste dichters van het hedendaagse Polen, W. Berent). Het was Rosa Luxemburgs taak om de theoretische basis te leggen voor het Poolse marxisme en de sociaaldemocratische beweging, en haar meest actieve en toegewijde medewerker daarbij was kameraad Jogiches-Grosovski.

De fundamentele stellingen van deze tendens waren de volgende: het kapitalisme ontwikkelt zich in het onderworpen Polen in nauwe overeenstemming met het Russische, Duitse en Oostenrijkse kapitalisme; de nauwste banden ontstaan noodzakelijkerwijs tussen de burgerij van de Poolse provincies en die van deze staten; de klassenstrijd wordt in Polen heviger en maakt een opstand die zich beperkt tot verzet tegen het nationale juk onmogelijk. De taak van de Poolse arbeidersklasse is om samen met de Russische, Duitse en Oostenrijkse arbeiders te strijden tegen de kapitalistische orde; bij deze politieke en economische strijd moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het politieke leven in elke staat, wat nauwe betrekkingen met de Russische, Duitse en Oostenrijkse socialistische partijen noodzakelijk maakt. De autonomie van de Poolse partij, die haar in staat stelt de culturele belangen van de Poolse arbeidersklasse te verdedigen, moet natuurlijk worden gewaarborgd. Alleen de gemeenschappelijke revolutie zal, door de vernietiging van de kapitalistische orde, de bevrijding van alle volkeren en dus van het Poolse volk bewerkstelligen; zolang de kapitalistische orde heerst, is de oprichting van een onafhankelijke Poolse staat niet mogelijk. De taak van de Poolse arbeiders is dus niet te strijden voor een onafhankelijk kapitalistisch Polen, maar voor de vernietiging van kapitalistische staten in het algemeen. Dit alles lijkt voor ons vandaag onbetwistbaar, maar er was een enorme hoeveelheid werk voor nodig om een weg te openen voor deze ideeën.

Rosa Luxemburg toonde onmiddellijk een opmerkelijk schrijverstalent en de gaven van een briljant theoreticus. Wij erkenden haar graag als onze gids. Kameraad Jogiches was haar meest actieve helper, hoewel alleen haar beste vrienden ervan wisten.

De nieuwe stroming moest al snel zijn eerste strijd voeren op een breed terrein. In de herfst van 1891 vernietigde de gendarmerie van de tsaar de Arbeidersbond en werden bijna alle leiders gearresteerd. De meidagdemonstratie van 1892 nam niettemin grandioze proporties aan en liet zien dat de beweging van de werkende massa’s een belangrijk gegeven was geworden in het sociale leven in Polen.

In 1893 werd het mogelijk om onze revolutionaire activiteit in de regio te vernieuwen en uit te breiden. Kameraad Wesołowski was toen één van de beste organisatoren. De leden van de Arbeidersbond en degenen die overbleven van de partij Proletariaat sloten zich aan bij de nieuwe groep en we namen de naam Sociaaldemocratische Partij van het Poolse Rijk aan. Deze naam zal velen vreemd voorkomen (wat een koppeling van woorden: socialistisch en imperium!). Het werd gekozen voor een specifiek doel. Wij wilden tot uitdrukking brengen dat wij volgens onze doctrines onze organisatie uitbreidden tot een bepaald gebied en precies tot dat deel van Polen waar de arbeidersklasse hand in hand moet strijden met de arbeidersklasse van heel Rusland. Net dat jaar was er een Internationaal Socialistisch Congres in Zürich. We besloten ons daar te laten gelden voor de arbeidersklasse van de hele wereld. De arbeiders van Warschau stuurden me een mandaat voor een afgevaardigde. De buitenlandse groepen gaven het aan Rosa Luxemburg en aan kameraad Warszawski. De leiders van de PPS voerden een woedende campagne tegen ons waarbij ze hun toevlucht namen tot de meest schandelijke middelen, door kameraad Warszawski er schaamteloos van te beschuldigen “een Russische agent” te zijn. Aangezien zich onder hen mannen bevonden die reeds lang uitstekende betrekkingen onderhielden met de leiders van de Internationale: Engels, Wilhem Liebknecht en anderen, was het voor hen gemakkelijk om ons af te doen als een kleine groep intriganten die de eenheid van het Poolse socialisme doorbraken. Ondanks de briljante toespraak van Rosa Luxemburg die deze leugen weerlegde, besloot het congres noch haar mandaat noch dat van kameraad Warszawski te bekrachtigen. Plechanov speelde in deze affaire een zeer slechte rol. Hij kende de Poolse zaken en een woord van hem, die zo’n grote populariteit genoot in de Internationale, zou volstaan hebben om de hele intrige de kop in te drukken. Maar hij zweeg liever en gaf later toe dat het hem ongelukkig leek “tegen de mening van de oude Engels in te moeten gaan.” Helaas gebeurde dit vaak in de Tweede Internationale, waar de zaken vaak werden beslist op grond van de sympathieën en antipathieën van leiders die een zekere populariteit genoten. We hadden geen succes, maar in de Internationale was er belangstelling voor de kwesties van het Poolse socialisme en de gelegenheid deed zich voor om deze kwesties in de Franse en Duitse pers aan de orde te stellen. Ook deze taak viel voornamelijk toe aan Rosa Luxemburg.

De studie van de vraagstukken van de Poolse arbeidersbeweging vorderde en de beweging werd sterker. In die tijd ging Rosa Luxemburg naar de universiteit. In 1897 diende zij voor haar doctoraat een briljant proefschrift in over de ontwikkeling van de productie in Polen. Zij onderscheidde zich niet alleen door haar gedegen kennis, maar ook door haar briljante dialectiek, die zij gebruikte in haar discussies met de hoogleraar politieke economie, Julius Wolf, een resolute tegenstander van het marxisme. We zouden deze discussies doorgaans voorbereiden. Ik zou de geachte professor voorzichtig een onderwerp binnenleiden, en dan zouden we, met alle wapens van het marxisme tot onze beschikking, hem bewijzen dat hij er niets van begreep. Wij moeten de universiteit van Zürich recht doen dat zij zich, ondanks onze propaganda, op geen enkele wijze heeft verzet tegen het behalen van een doctoraat.

In 1897 beëindigde Rosa Luxemburg haar universitaire studie en besloot naar Duitsland te verhuizen. Om de kans te krijgen activiste te worden, trouwde ze met één van de zonen van dokter Lübeck en werd zo een Duitse. Ze werkte onder de Poolse arbeiders in Poznań en Silezië en leverde tegelijkertijd bijdragen aan Duitse kranten en aan het wetenschappelijk partijorgaan Die Neue Zeit. Ik was een jaar eerder in Duitsland geweest en werkte in Dresden voor dit orgaan, waarvan Parvus de redacteur was. Maar in 1898 werden we beiden verdreven uit Saksen. Rosa Luxemburg, die was benoemd tot redacteur van de krant in Dresden, kon hier niet mee instemmen en ging al snel voor de Leipziger Volkszeitung werken, waarvan de redacteur de beste Duitse journalist van die tijd was, Schönlank. Na zijn dood was Rosa Luxemburg de enige redacteur van de krant.

Dit was het moment waarop de crisis van de Duitse arbeidersbeweging begon: Bernstein vond een brede ingang voor zijn revisionisme. Rosa Luxemburg stortte zich in de polemiek en haar opmerkelijke artikelen verduidelijkten onze tactische posities. Al snel werden tactische kwesties in heel Europa actueel. De kwestie van de deelname van socialisten aan burgerlijke regeringen (wat ‘millerandisme’ werd genoemd) stelde zich en in het algemeen was dit het begin van een bittere strijd tussen de revolutionaire en reformistische stromingen. Rosa Luxemburgs dialectische en polemische talent kwam in al haar kracht tot uiting en zij werd al snel één van de meest prominente voorvechters van de revolutionaire tendens. De Poolse partij benoemde haar tot lid van het Internationaal Bureau, en vanaf die dag is ze nooit opgehouden om revolutionaire ideeën in de breedste arena te verdedigen. Ook hier was Jogiches haar onafscheidelijke medewerker. Rosa’s goede vrienden weten dat zij nooit één van haar polemische of programmatische artikelen liet publiceren zonder dat hij ze had doorgelezen. Onze twee kameraden bleven echter geïnteresseerd in de Poolse beweging. Het logement van Rosa Luxemburg in Friedenau (een voorstad van Berlijn) was het centrum waar kameraden die uit Warschau kwamen om raad gingen. Het was ook daar dat Jogiches kwam, in wiens handen alle draden lagen die de partij in het land verbonden met de kameraden die voor haar werkten in de emigratie.

Zo gingen de jaren 1897 tot 1905 voorbij in een voortdurende strijd om revolutionaire ideeën. In deze strijd heeft Rosa Luxemburg de arbeidersklasse onschatbare diensten bewezen door geen stap terug te doen van de koers van het revolutionaire marxisme. Eén feit kenmerkt haar persoonlijkheid: ondanks haar meedogenloosheid en haar soms buitensporige hardheid in de polemiek, respecteerden en beminden haar grootste tegenstanders (onder wie Jean Jaurès en Bebel) haar. Ze had een nauwe vriendschap met Karl Kautsky, op wie zij grote invloed had en die zij aanmoedigde om weerstand te bieden tegen zijn opportunistische impulsen.

De Russische Revolutie (1905-1906) brak uit en de Poolse arbeidersklasse vormde een voorhoede in deze doodsstrijd. Jogiches haastte zich naar Warschau. Rosa was vastbesloten hem te volgen. Tevergeefs zeiden we haar dat ze in Berlijn moest blijven, waar we haar wetenschappelijk werk nodig hadden, dat ze in haar eigen land nauwelijks kon voortzetten. Ondanks ons categorisch verzet, arriveerde ze op een ochtend in Warschau met een Duits paspoort. Tyszka – het pseudoniem dat Jogiches toen had aangenomen – was ongelukkig, maar hij moest zich erbij neerleggen. Rosa Luxemburg verklaarde formeel dat ze haar post niet zou verlaten en ging met onze krant samenwerken.

Maar niet voor lang! Enkele weken later viel ze in handen van de politie, die zonder moeite haar identiteit kon vaststellen. Gelukkig was de desorganisatie van de politie toen al begonnen. Door te dreigen Rosa wreed te wreken en door de politie om te kopen, kregen we haar op borgtocht vrij, waarna de kameraden haar terugstuurden naar het buitenland. Ze protesteerde, maar deze keer waren we onverzettelijk.

Tyszka was tegelijk met haar gearresteerd. Zijn werk was geweldig. Dankzij hem was onze krant geweldig georganiseerd. Hij had de ondergrondse redactie in het centrum van de stad aan het strengste regime onderworpen. Hij schreef meestal niet zelf. Maar elk artikel (en bijna elke noot) werd geschreven volgens zijn instructies, “zodat onze uitgave,” zei hij, “uit één stuk zou bestaan.” Geen enkele regel werd naar de zetter gestuurd zonder zorgvuldig door hem te zijn nagekeken; hij hield zijn medewerkers in een ijzeren greep, liet geen vermoeidheid of ‘een bijzondere gemoedstoestand’ toe. “Je moet werken, dat is alles!” En bij het zien van hem, onvermoeibaar, van ’s morgens tot ’s avonds, onderwierp iedereen zich aan zijn opmerkelijke werkorganisatie. Maar hij beperkte zich niet tot zijn literaire samenwerking, noch liet hij de typografen en technische medewerkers los. God verhoede dat een nota werd opgesteld in een ander lettertype dan op de kopij was aangegeven! God verhoede dat een nummer niet volgens alle regels van de typografische kunst werd samengesteld! Een onnauwkeurig bericht was een onvergeeflijke misdaad. Soms kregen ongelukkige medewerkers de schuld van een vijftal nummers die een maand eerder ergens te laat waren aangekomen. Tyszka onthield alles en hield alles in de gaten, maar naast zijn redactionele werk had hij veel organisatorisch werk te doen.

Hij kende het werk van de partij tot in de kleinste details en hield zich voortdurend met alles bezig. Dit nauwgezette werk deed echter niets af aan zijn brede blik, en hij onderscheidde zich in alle theoretische zaken door zijn reserve en vooruitziende blik. In februari 1906 werd hij samen met Rosa Luxemburg gearresteerd. Hij werd geïdentificeerd, berecht en veroordeeld tot acht jaar dwangarbeid. Maar in februari 1907 slaagden kameraden erin zijn ontsnapping te organiseren. Dit werd uitgevoerd door kameraad Ganetsky. Een bewaker werd omgekocht, Tyszka kreeg een kostuum en werd meegenomen. Ik herinner me dat hij rechtstreeks van de gevangenis naar de redactie kwam, waar hij enkele dagen moest blijven voordat hij een veiliger onderkomen vond.

De zaken op de redactie waren toen niet zo goed. Bijna alle redacteurs zaten in de gevangenis. Het werd steeds moeilijker om de typografie te laten werken en onze krant had zijn elegantie verloren. Tyszka begon met mij een complete collectie te brengen; hij keek er met afschuw doorheen; zoveel typfouten! Ik vertelde hem dat de corrector soms onder zijn machine moest werken, soms in de kelder. Maar hij was niet overtuigd: “Voor proeflezen heb je hoofd en handen nodig, en zolang je een hoofd op je schouders hebt en een potlood in je handen kan je overal werken!” En inderdaad zou Tyszka zo kunnen werken. Toen ging hij aan het werk en schreef gedurende de nacht een reeks instructies die hij nuttig achtte om onze zaken te verbeteren.

Nadat hij erin geslaagd was veilig de grens over te steken – ik herinner me dat een revolutionaire officier hem naar de grens reed – bleef Tyszka geen moment stilzitten en nam hij de leiding over van de buitenlandse groep, die zijn vroegere belang herwon terwijl de contrarevolutie in Polen en Rusland triomfeerde.

Ik ontmoette Tyszka opnieuw in het buitenland op het congres van de Russische sociaaldemocratische partij in Londen in de zomer van 1907. We vochten tegen de mensjewieken en Tyszka, die al die jaren in contact was gebleven met de Russische kameraden, was natuurlijk de gids van de Poolse groep. Hij was tot in de kleinste details op de hoogte van alle Russische zaken en nam het meest actief deel aan het ingewikkelde werk dat gedaan moest worden op dit congres, waar ‘delicate’ kwesties buitensporig verwarrend werden. In deze gevallen ontpopte hij zich als een diplomaat, die zijn standpunten met vasthoudendheid verdedigde en in feite liet zijn diplomatie nooit iets los van de strikt revolutionaire tactiek. De mensjewieken en de Bundisten bekeken hem natuurlijk zeer ongunstig. Het is waar dat we soms ook ruzie hadden met de bolsjewistische kameraden met wie we het oneens waren over organisatorische kwesties. Maar dankzij Tyszka’s terughoudendheid bleven de betrekkingen tussen de bolsjewieken en de Poolse groep altijd bevredigend.

Vanaf 1907 verdiepte Rosa Luxemburg zich in Duitse zaken. De fatale periode naderde, waarin de partij er aan de buitenkant uitstekend uitzag, terwijl in werkelijkheid het gangreen haar van binnenuit wegvrat. De radicale tendens leek te hebben gewonnen. De congressen namen zeer radicale resoluties aan. Maar zij die konden zien, zagen dat dit radicalisme erger was dan enig opportunisme. De partij ontwikkelde een arrivisme, de bureaucratie nam buitensporige proporties aan. We hadden de radicale letter zonder de revolutionaire geest. Het was erg moeilijk om deze stand van zaken, die uiteindelijk zou leiden tot de morele ramp van 4 augustus 1914, te bestrijden. Onder de invloedrijke leiders had de oude Bebel niet langer zijn oude revolutionaire intuïtie, en Karl Kautsky, die nooit in contact was geweest met het partijleven, raakte steeds meer opgesloten in een boekachtig dogmatisme. De nieuwe mannen in de gelederen van de radicalen, de Scheidemanns, de Eberts, de Haases, waren in hun ziel nooit revolutionair geweest en konden niet verder kijken dan het einde van hun neus; de anderen waren niet meer dan vulgaire arrivisten. Het is niet verwonderlijk dat in deze sfeer de leiders erin slaagden Rosa Luxemburg en haar aanhangers, die voortdurend de noodklok luidden, af te schilderen als ‘gekrenkte critici’, die de rust in de partij alleen maar verstoorden “omwille van de geschillen.” Kautsky gaf uiteindelijk toe aan deze neiging. Zijn houding leidde in 1912 tot het verbreken van een langdurige vriendschap. Deze bibliotheekgeleerde had eindelijk de moed om Rosa Luxemburg en haar vrienden ‘anarcho-syndicalisten’ te noemen.

Ondanks deze vervelende bezigheden vond Rosa nog tijd voor fundamenteel wetenschappelijk werk. Ze werd aangesteld om politieke economie te doceren aan de marxistische partijschool. Niet alleen bleek ze een modellerares te zijn, maar ook schreef ze, haar lessen zeer consciëntieus voorbereidend, een opmerkelijke cursus marxistische economie, die helaas niet werd gedrukt (en het valt te vrezen dat de Noske-bandieten die in de tragische dagen van januari bij Rosa Luxemburg inbraken, dit manuscript, samen met vele andere, hebben vernietigd). In die tijd verscheen een ander belangrijk werk van Rosa: ‘De accumulatie van kapitaal’.

Dit was ook de tijd van haar meest intense propaganda-activiteit. De laster van de partijleiders tegen Rosa Luxemburg had geen effect op de massa’s. In alle steden, zelfs in de bastions van het revisionisme, hoorden de arbeiders graag ‘onze Rosa’. Haar levendig redenaarstalent had zelfs effect op degenen die door het opportunisme waren besmet. Ik herinner me een kameraad (uit Mannheim, geloof ik) die vertelde over het verbazingwekkende effect van een toespraak van Rosa Luxemburg: de arbeiders vertelden hun gebruikelijke leiders dat ze nu inzagen hoezeer ze waren misleid en eisten dat Rosa Luxemburg werd uitgenodigd om een reeks lezingen en voordrachten te houden over hun partijzaken. Zulke gevallen kwamen vaak voor.

In 1913 hield Rosa Luxemburg een antimilitaristische toespraak in Frankfurt am Main, waarvoor ze werd vervolgd en veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf. In de tijd die nodig was om in beroep te gaan bij een hogere rechtbank, hield ze nog een toespraak in Berlijn, waarin ze onder meer zei dat soldaten in de Duitse kazernes dagelijks bruut werden geslagen en mishandeld. Ze werd opnieuw vervolgd. De verdediging nam de taak op zich om de waarheid van haar beweringen te bewijzen en nodigde via de partijkranten getuigen uit zich te melden. In juni 1914, enkele weken voor het begin van de wereldoorlog, werd het proces geopend. Op de eerste dag kwamen honderden getuigen naar de rechtbank, klaar om te getuigen over de verschrikkingen van het barakleven. De verdediger verklaarde dat zijn lijst enkele duizenden namen bevatte. De regering schrok, het proces werd uitgesteld en de zaak werd uiteindelijk niet meer besproken.

Op dat moment werkte kameraad Tyszka in de Poolse en Russische partijen. In Warschau was een legaal weekblad gestart, maar omdat alle partijschrijvers moesten emigreren, was de redactie in Berlijn gevestigd en Tyszka had daar natuurlijk de leiding. Hij woonde in een hotel in Steglitz, een voorstad van Berlijn. Franz Mehring, die veel wist over de Pruisische geschiedenis, ontdekte dat dit hotel ooit het paleis was geweest van generaal Wrangel, die de revolutie van 1848 onderdrukte. Telkens als hij Tyszka zag, zei de oude man dat Wrangel zich in zijn kist moest omdraaien bij de gedachte alleen al dat een revolutionair als Tyszka nu in zijn huis woonde. Onze redactie was gevestigd in een kleine kamer in het hotel. Tyszka zou opnieuw zijn harde regime invoeren en de schuldigen hard straffen als het werk niet perfect was. Feit is dat de redactie van een Warschause krant alleen met voorbeeldige nauwkeurigheid vanuit Berlijn kon worden geleid en dat dit een grote druk op ons zette. De energie van Tyszka hield het project echter gaande, zelfs indien onze krant die regelmatig verboden werd voortdurend van naam moest veranderen om weer te verschijnen. De krant hield het bijna een jaar vol onder, als ik me goed herinner, zeven verschillende namen.

Tyszka moest in de Russische partij werken, omdat hij door de Poolse partij, die met de Russische organisaties was gefuseerd, was aangesteld als lid van het Centraal Comité. Omdat hij zo stipt was in zijn werk en het essentieel vond om de leiding van de Poolse Partij, die periodiek in Berlijn bijeenkwam, op de hoogte te houden van alles wat het algemeen belang betrof, moest hij een hele reeks aantekeningen en boeken bijhouden. Hij deed dit helemaal alleen en onder de moeilijkste omstandigheden, zo leefde hij met een buitenlands paspoort. De politie kon te allen tijde bij hem thuis binnenvallen, en daarom werd zijn ‘kantoor’ ingericht in de appartementen van Duitse kameraden waar de papieren werden bewaard, terwijl andere Duitse adressen werden gebruikt voor correspondentie. Op een dag berekenden we dat Tyszka op deze manier omging met een twaalftal appartementen. Hij gaf dit systeem niet op om redenen van samenzwering; op deze manier was het materiaal zo verspreid dat zelfs als de politie een appartement zou ontdekken, zij slechts een klein deel van de documenten zou vinden, waar zij geen voordeel uit kon halen. Ik vroeg hem op een dag: “Maar wat gebeurt er als je plotseling ziek wordt? Niemand zal eraan uitkunnen.” Hij antwoordde eenvoudig: “Ik mag niet ziek zijn.” Feit is dat zijn ongelooflijke werkvermogen en zijn ijzeren gezondheid Tyszka in staat stelden om het enorme werk dat hij deed te volbrengen.

De oorlog brak uit. Vanaf de eerste dag begon Rosa Luxemburg haar propaganda tegen de oorlog. Zij was van plan een geselecteerde groep Duitse kameraden bijeen te brengen voor gezamenlijk werk. Eerst vond ze het nodig om een manifest te publiceren, ondertekend door tenminste enkele populaire namen onder de arbeiders. Tyszka zei meteen dat er niets van zou komen.

Toch hebben we het samen met Rosa geprobeerd. Amper zeven personen kwamen op haar uitnodiging bij haar thuis bijeen om de kwestie te bespreken. Onder hen slechts twee bekende partijmilitanten: Mehring en Lentsch. Die laatste beloofde te tekenen, maar haakte een week later af. Het manifest zou enkel door Rosa Luxemburg, Clara Zetkin en Franz Mehring ondertekend worden, wat natuurlijk ontoelaatbaar was. Het project moest opgegeven worden. De lezer die niet vertrouwd is met Duitse zaken kan zich afvragen: Hoe zat het met Liebknecht? Helaas twijfelde Liebknecht nog. Pas enkele maanden later besloot hij zich resoluut tegen de oorlog te kanten.

Het was noodzakelijk om zich te richten op clandestiene activiteiten. Heel weinig kameraden waren daarop voorbereid. De kleine groep die aan het werk ging bestond uit de kameraden Luxemburg, Tyszka, Mehring, het echtpaar Duncker, Ernst Meyer, Wilhelm Pieck, Lange en ikzelf. Ik denk dat dat alles was. Mathilde Jacob en kameraad Ezerskaya gaven ons materiële technische bijstand. Onze situatie was niet schitterend, we hadden geen geld, geen partijorganisatie en bovendien hadden de Duitse militanten geen notie van clandestiene propaganda. Toch werkte alles. Tyszka en Meyer namen de organisatie van een typografie op zich. Pieck, Eberlein en Lange zorgden met behulp van hun connecties voor de middelen om de publicaties te verspreiden, maar Tyszka moest al snel de leiding van deze onderdelen van het werk overnemen. We konden een reeks anti-oorlog manifesten publiceren. We besloten ook een legale krant uit te geven, de Internationale, maar die werd vanaf het eerste nummer onderdrukt.

In februari 1915 werd de veroordeling van Rosa Luxemburg in laatste instantie bevestigd en werd zij voor een jaar gevangen gezet. Toch slaagde ze erin om – vooral met de hulp van de actieve en toegewijde Mathilde Jacob – losse bladen en een brochure met de titel ‘De crisis van de sociaaldemocratie’ te schrijven en aan ons door te geven. Ze stond erop dat de brochure onder haar naam zou worden gepubliceerd, maar wij wisten dat zij in dat geval met dwangarbeid zou worden bedreigd en we weigerden. De brochure werd daarom ondertekend met het pseudoniem Junius.

Toen haar detentie voorbij was, kwam Rosa terug bij ons. Liebknecht was nu ook bij ons, en het werk was aanzienlijk uitgebreid. Maar in juni 1916 werd Rosa Luxemburg opnieuw gevangen gezet “als administratieve maatregel.” Ik zat in die tijd in een concentratiekamp, maar ik weet dat Rosa Luxemburg ook heeft bijgedragen aan de losse vellen die verschenen onder de titel “Brieven van Spartacus”, en dat het drukken en verspreiden van deze vellen geweldig georganiseerd was, vooral dankzij de onoverwinnelijke energie van Jogiches. Door zijn grote ervaring met clandestiene activiteiten konden de Duitse autoriteiten hem niet arresteren, hoewel hij in vrij brede kring moest werken en talrijke bijeenkomsten moest bezoeken als gevolg van de arrestatie of uitzending naar het front van bijna alle beproefde militanten van de Spartacusgroep. De politie wist alleen dat een mysterieuze vreemdeling aan het hoofd van de groep stond. Uiteindelijk slaagden ze er toch in om hem te arresteren. Dat was in het voorjaar van 1918. De pogingen van kameraad Joffe om hem vrij te krijgen hadden geen succes. Jogiches werd beschouwd als een Zwitsers staatsburger (in feite had hij in 1896 burgerschapsrechten verworven in één van de kantons en hij woonde in Berlijn met zijn echte Zwitserse paspoort).

Ik zou Rosa Luxemburg niet meer ontmoeten. Ik kwam drie dagen na de ramp vanuit Moskou in Berlijn aan. Maar de verslagen van de voortrekkers in de revolutionaire strijd bevestigden waar ik niet aan twijfelde: samen met Karl Liebknecht was zij de intellectuele leider van de Spartacus-beweging, en Jogiches was haar onafscheidelijke metgezel. Ik trof hem aan terwijl hij aan het werk was. Hij was gearresteerd tijdens de opstand van januari 1919, maar had zijn vrijheid weten te herwinnen en was onmiddellijk weer aan het werk gegaan. Het was noodzakelijk de verspreide krachten te concentreren, het Centraal Comité van de Communistische/Spartacistische Partij te hervormen, de organisatie opnieuw samen te stellen.

Jogiches was opgewassen tegen de taak. Dankzij zijn energie is het werk van de partij onmiddellijk na de ramp weer begonnen. Zijn slechte lot trof hem in maart: gearresteerd tijdens de communistische opstand, werd hij lafhartig vermoord in de gevangenis.

Ik kan nu geen overzicht geven van Rosa Luxemburgs wetenschappelijke en politieke activiteiten. Het zou een heel historisch en kritisch werk vergen, temeer daar haar activiteit de Poolse en Duitse revolutionaire beweging gedurende een vrij lange periode bevruchtte, en ook voelbaar was in de internationale beweging, aangezien de voornaamste inspanningen van onze onvergetelijke kameraad sinds 1887 waren gewijd aan de strijd tegen het opportunisme dat als een internationaal gegeven werd beschouwd.

Maar ik ben zo vrij de aandacht van de lezer te vestigen op het feit dat onze onvergetelijke kameraad in haar laatste theoretische en tactische werk – haar brochure over de crisis van de sociaaldemocratie – ons waardevolle aanwijzingen voor toekomstig werk heeft nagelaten. Ik verwijs naar de “stellingen” aan het eind van deze brochure over de Internationale. Zoals ik al aangaf, is dit in 1916 in de gevangenis geschreven. Rosa Luxemburg, die de Tweede Internationale door en door kende, voorspelde duidelijk de onvermijdelijkheid van haar ineenstorting en wees op de noodzaak de Internationale opnieuw op te richten op nieuwe grondslagen. Sindsdien is er veel veranderd: de revolutie en de arbeidersheerschappij in Rusland en vervolgens in Hongarije hebben een nieuwe situatie gecreëerd. Maar over het geheel genomen blijft de gedachte van kameraad Luxemburg juist. Meer bepaald stelt ze vraag wat de grondslagen van de nieuwe internationale moeten zijn en geeft ze daar een eerste antwoord op.

De klassenstrijd van de burgerlijke staten tegen de heersende klassen en de internationale solidariteit der proletariërs van alle landen zijn twee niet van elkaar te scheiden leefregels der arbeidersklasse in haar wereldhistorische bevrijdingsacties. Er is geen socialisme buiten de internationale solidariteit van het proletariaat en er is geen socialisme, buiten de klassenstrijd. Het socialistische proletariaat kan noch in vrede, noch in oorlog, afstand doen van de klassenstrijd en de internationale solidariteit zonder zelfmoord te begaan.

In de Internationale ligt het zwaartepunt van de klassenorganisatie van de arbeidersklasse. De Internationale beschikt in vredestijd over de tactiek van de nationale secties met betrekking tot het militarisme, de koloniale politiek, de handelspolitiek, de meiviering, verder over de gehele in oorlogstijd te volgen tactiek.

We zijn nog ver verwijderd van de organisatie van een dergelijke Internationale. Maar door ernaar toe te werken, vervullen we de laatste wens van de onvergetelijke martelaar van onze zaak.

Dit vind je misschien ook leuk...