Deel 5. Partijopbouw – democratie, jongeren en interventie in de vakbeweging

Wat opvalt bij de SP is dat de nadruk sterk ligt op kwantitatieve groei. Groei van het ledental, van de parlementaire vertegenwoordigers en van de invloed. Daar is op zich niets mis mee. Zoals de tekst voor het congres van mei 1999 zegt: “Een grotere partij is nodig om beter te kunnen doen wat gedaan moet worden: fundamentele kritiek leveren op de huidige samenleving en aansprekende alternatieven schetsen. Een groeiende SP kan steeds meer ‘de echte oppositie’ worden tegen het oprukkende neoliberalisme; steeds beter de verontwaardiging over de gevolgen daarvan mobiliseren en het verzet ertegen organiseren – en daardoor nog krachtiger de noodzaak van een socialistisch alternatief benadrukken.”

Maar die groei brengt ook gevaren met zich mee. Het trekt mensen aan die graag invloed willen hebben, ongeacht de ‘geringe’ beloning die een vertegenwoordiger bij de SP ontvangt. Gemeenteraadswerk of werk in het parlement kan snel leiden tot het verlaten van principes en dus tot opportunisme. Bovendien blijft onduidelijk waartoe de groei in de ogen van de partijleiding dient? Moet de SP een soort nieuwe PvdA worden, zoals onder Joop den Uyl? Of een nieuwe linkse formatie à la de oude CPN? Wat ons betreft zou dan ook op z’n minst gekeken moeten worden, waarom die formaties verdwenen zijn, zoals de CPN, of volledig van karakter veranderd, zoals de PvdA. De PvdA van die tijd kon als klassiek reformistische sociaal-democratie leuke dingen doen voor de mensen in een periode van opbouw na de tweede wereldoorlog en van economische hoogconjunctuur. Tegenwoordig is de PvdA echter een uitgesproken pro-kapitalistische partij die enkel het huidige systeem wat socialer wil maken.

Een strijdbare arbeiderspartij zoals OFFENSIEF die voor ogen staat richt zich niet in de eerste plaats op het behalen van stemmen. Een strijdbare partij stelt in eerste instantie een groep kaders in staat om zich door voortdurende scholing en discussie immuun te maken voor de vergiftigende en voortdurende propaganda van de pers, de TV, de universitaire ‘wetenschap’ etc. Deze groep kaders kan vervolgens de strijd aangaan voor de opbouw van een oppositie op ieder terrein tegen de ondernemers en hun handlangers.

Eén van de belangrijkste strijdtonelen wordt gevormd door de vakbeweging. De congresstukken voor het 8ste congres zeggen hierover: “Veel aandacht moeten we besteden aan een intensievere samenwerking met de vakbonden. Het feit dat er vaak diepgaande meningsverschillen bestaan tussen vakbondsleiding en onze partij, moet ons noch de vakbonden ervan weerhouden om waar mogelijk samen te werken in het belang van de mensen en zaken waarvoor we ons beiden zeggen te willen inzetten.” En ook: “Wij denken dat het mogelijk is de samenwerking te verbeteren met respect voor ieders eigen verantwoordelijkheid.” Natuurlijk kan het handig zijn om soms op concrete punten samen te werken, of voorstellen voor samenwerking te doen, met de vakbonden als zodanig. De leiding van de vakbonden is echter één van de meest serieuze obstakels voor maatschappelijke verandering. Met huid en haar staat de huidige vakbondstop, evenals de nauw met haar verbonden PvdA-leiding, voor de verdediging van het kapitalistische systeem. Veel vakbondsleiders zien hun positie slechts als een opstapje naar een goedbetaalde directiebaan bij een grote onderneming.

Denk aan bijvoorbeeld voormalig Industriebondvoorman Schermer die als directeur van de SHB in Rotterdam kritische ondernemingsraadsleden ontsloeg, of AbvaKabo voorzitter Pont die overliep naar het ministerie van Binnenlandse Zaken om daar de werkgeversonderhandelaar te worden! Denk ook aan Wim Kok die na eerst vakbondsvoorzitter geweest te zijn, premier werd om vervolgens als commissaris bij grote bedrijven (ING) te eindigen.

In plaats van de ‘eigen verantwoordelijkheid’ van de vakbondsleiding in het verraden van de achterban te ‘respecteren’ zouden de leden van de SP in de vakbeweging het voortouw moeten nemen voor de organisatie van breed gebaseerde en democratisch opgezette oppositiestromingen, zoals die bijvoorbeeld in de Britse en zelfs de Amerikaanse vakbeweging al bestaan. Waar arbeiders in actie willen komen maar tegen gehouden dreigen te worden door de bondsbonzen kan de SP assistentie verlenen bij het opzetten van ad-hoc steun- en actiecomités. Een goed en recent voorbeeld daarvan is het comité “De Maat is Vol” dat is ontstaan rondom de havenstakingen in Amsterdam en Rotterdam in september 2004 en dat een belangrijke rol heeft gespeeld in de strijd die in het najaar van 2004 in Nederland heeft plaatsgevonden.

Leidend principe is het streven naar een brede, strijdbare en democratische vakbeweging, waarbij we op komen voor een zo groot mogelijke arbeiderseenheid. Dat is niet hetzelfde als de vakbeweging de rug toekeren, zoals in het verleden gedaan werd met de alternatieve vakbond Arbeidersmacht. Integendeel de SP moet juist oproepen om niet kwaad of teleurgesteld de bond te verlaten, maar om lid te worden en naast de strijd tegen de bazen de strijd voor een alternatieve bondsleiding aan te gaan. Daarnaast zal de SP meer moeite moeten doen om een aantal van de meest uitgebuite groepen in deze maatschappij te organiseren. Met name migranten, jongeren en vrouwen. Voor de organisatie van migranten zal het nodig zijn deel te nemen aan alle acties die gevoerd worden tegen racisme en fascisme, en tegen het gebruik van angst voor ‘vreemdelingen’ door partijen als VVD, CDA, LPF en de brokstukken daarvan, Geert Wilders,…. Helaas was bij de grote demonstraties in de negentiger jaren tegen racisme de SP nergens te bekennen. En toen Bolkestein met zijn 10-punten plan tegen de migratie kwam, om op grond van vooroordelen tegen buitenlanders stemmen te kunnen winnen vertelde SP secretaris Tiny Kox tegen het dagblad Trouw: “Op een vergelijking met Bolkestein zit ik niet te wachten. maar ten behoeve van de duidelijkheid moet toch gemeld worden dat de Socialistische Partij al in 1983 heel nadrukkelijk pleidooi hield voor een verantwoorde aanpassing van allochtonen aan de Nederlandse samenleving… Onze visie werd volslagen ten onrechte vertaald in aanpassen of oprotten. Inmiddels is het tij gekeerd.”

Dankzij de rol van de SP in het verdedigen van de uitkeringen en de arbeiders slaagt ze er toch al in veel stemmen van migranten te krijgen: in feite handhaaft de SP hier terecht een klassenstandpunt (het opnemen voor arbeiders in het algemeen). Maar voor een echte doorbraak zal ze toch de suggestie moeten laten vallen dat er iets bestaat als een ‘Nederlandse’ cultuur (is dat de cultuur van Wassenaar of de cultuur van de Haagse Schilderswijk?) die de voorkeur zou verdienen boven ‘de’ Turkse of ‘de’ Surinaamse cultuur. Als socialisten streven we niet naar een Nederlandse of Surinaamse cultuur, ook niet naar een multiculturele samenleving, maar naar een socialistische cultuur die de beste elementen uit iedere cultuur, met name de elementen van solidariteit, verdraagzaamheid, strijdbaarheid etc. oppakt. Ondertussen zal er ook actief geworven moeten worden onder migranten, waarbij pamfletten in de eigen taal behulpzaam kunnen zijn, maar ook politieke duidelijkheid over zaken als het nationaliteitenvraagstuk, arbeidsmigratie, internationale solidariteit en andere zaken die grote groepen migranten aangaan.

ROOD, jongeren in de Socialistische Partij

Van cruciaal belang voor de verdere opbouw van de SP is ook het organiseren van jongeren. Met het argument dat jongeren in de partij als geheel serieus genomen worden, en dus zelf ‘geen eigen organisatie willen’, is het in 1999 begonnen ROOD (“jongeren in de SP”) niet veel meer dan een commissie. Nadat de voorloper SPJ (SP-jongeren) eerder om onduidelijke redenen was ontbonden, was er gedurende enige jaren geen eigen plek voor jongeren en kwam op initiatief van Jan Marijnissen ROOD tot stand, wat echter geen onafhankelijke organisatie is. ROOD is dan ook lang betutteld door de partijleiding, waarbij het eerste bestuur van ROOD werd ‘aangewezen’. En dat terwijl een enquête onder jongeren in de partij aangaf dat er wel degelijk een wens bestaat voor een eigen organisatie. Het zijn de jongeren die nu ondanks het ontbreken van een eigen organisatie actief zijn, die het minst de behoefte aan een autonome jongerenorganisatie voelen.

In de afgelopen jaren heeft ROOD een behoorlijke groei doorgemaakt. Tegenwoordig heeft ROOD meer dan 1750 leden en afdelingen in meer dan 25 gemeenten, waar ook een SP-afdeling is. Omdat ROOD geen onafhankelijke jongerenorganisatie is, is er tot op dusver nauwelijks van een echte democratische structuur te spreken. Weliswaar is er een gekozen bestuur en worden er algemene ledenvergaderingen gehouden, maar het predikaat ‘afdeling’ wordt niet officieel erkend, alsmede het bestaan van een gekozen bestuur op lokaal niveau.

Om van ROOD daadwerkelijk een effectief wapen in handen van jongeren, die willen vechten tegen het kapitalisme, te maken, zal de organisatie meer lokaal georganiseerd moeten zijn met eigen gekozen vertegenwoordigers en een lokaal bestuur. Ook zal er meer ruimte dienen te zijn voor interne discussie en invloed door de gekozen vertegenwoordigers op het beleid dat nu voornamelijk wordt gemaakt door het bestuur. Officiële zeggenschap van vertegenwoordigers op het beleid is er momenteel niet. Aan de democratische structuur van deze jongerenvereniging van de SP dient dus nog gesleuteld te worden, alsmede aan de invloed van de jongerenorganisatie op het beleid van de SP.

Ook in andere opzichten zal nog veel moeten gebeuren aan de invloed van de gewone leden op de gang van zaken in de partij en aan het probleem dat vaak een kleine groep mensen enorm veel werk verricht, maar ook heel veel posities combineert. Zo is op dit moment de afdelingsvoorzitter automatisch afgevaardigde naar de partijraad en eigenlijk verantwoordelijk voor alles wat in een afdeling gebeurt, en zelfs soms ook nog fractievoorzitter. Dit soort verantwoordelijkheden dient beter gespreid te worden. Niet alleen om de macht te spreiden, maar ook om ervoor te zorgen dat meerdere leden ervaring opdoen met allerlei aspecten van het partijwerk. Het is een absurde situatie dat sommige ‘gestaalde kaders’ al tientallen jaren op dezelfde post zitten.

De afdelingen zouden zo eens per maand met alle leden bij elkaar moeten komen om een politieke discussie te hebben, maar ook om besluiten te nemen, over wat de gemeenteraad doet, over de standpunten die in de kamer ingenomen worden, over de interventies in de vakbeweging etc. Bovendien is de ruimte voor discussies op de congressen enorm beperkt door de tijd die ingeruimd wordt voor shows en gastsprekers en dergelijke. Vaak zijn al voor de eigenlijke interne discussie de geesten rijp gemaakt door een selecte groep leden, zowel op landelijk niveau alsook in de afdelingen. Tekenend voor de gang van zaken tijdens het congres – toch het hoogste orgaan van de partij – is de standaard twee minuten.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie