De wortels van de crisis – arbeidswaardeleer

In dit deel leggen we uit waar de wortels van de huidige economische crisis liggen. Waarom de verzorgingsstaat die toch zo succesvol geweest was, niet langer vol te houden was. Hoe de burgerij haar economische politiek wijzigde en daarmee uiteindelijk de basis legde voor de zeepbeleconomieën. We eindigen dit deel met de beschrijving van de maatregelen waarmee de burgerij aan deze crisis onderuit wil komen en haar manisch depressief karakter, dat de burgerij eveneens kenmerkte in aanloop naar de Grote Depressie van ’29. Tenslotte geven we een snel overzicht van de reactie van de arbeidersbeweging wereldwijd.

Onze stroming karakteriseerde de periode die volgde op de crisis van ’73 – ’75 als een depressie. Niet iedereen verstaat onder “depressie” hetzelfde, bovendien is de betekenis ervan met de tijd veranderd.(1) Wij hanteren de beschrijving van Friedrich Engels in zijn inleiding op het Kapitaal, nl. een lang uitgerokken periode van economische stagnatie of neergang, gekenmerkt door structureel hoge werkloosheid. In Capitalism Unleashed publiceerde Andrew Glynn een grafiek met de werkloosheidscijfers in Europa, Japan en de VS tussen 1960 en 2004 (2) . Zowel in Europa als in Japan blijft de werkloosheidsgraad tussen 1960 en 1975 stabiel op of net onder de 2%. Vanaf ’75 verviervoudigt ze in Europa tot 8% midden de jaren ’80 en groeit verder tot 10% midden de jaren ’90. Daarna neemt ze af, maar keert nooit meer terug tot het niveau van voor de crisis, in 2007 bereikt de Europese werkloosheid een voorlopig dieptepunt van 7,4%. In Japan groeit de werkloosheid vanaf ’75 gestaag tot 5% in 2000, waarna ze afneemt tot een dieptepunt van 3,8% in 2007, in mei 2008 bedroeg ze opnieuw 4,1% (3) . In de VS daalt de werkloosheid tussen ’62 en ’70 van 6% tot minder dan 4% en neemt dan met horten en stoten toe tot bijna 10% in 1982. Na een forse afname tot minder dan 4% begin 2000 bedraagt ze vandaag 6,1%. (4)

Het zijn echter vooral de afname van de winstvoet en de systematische neiging tot overproductie die de depressie inluidden. Onder druk van steeds grotere concurrentie, waren kapitalisten verplicht steeds performantere machines te installeren, die bovendien steeds sneller afgeschreven moeten worden. Machines, gebouwen en grondstoffen worden door Marx vast kapitaal genoemd. Dat is omdat ze hun waarde overdragen in het eindproduct, maar er geen extra waarde aan toevoegen. In het geval van de grondstoffen is die waardeoverdracht soms zelfs fysiek merkbaar. Op dezelfde manier gaat de waarde van bedrijfsgebouwen en machines beetje bij beetje over op het eindproduct. De kapitalist rekent de huur die hij betaalt voor bedrijfsterreinen en gebouwen, net zoals de afschrijving voor machines en de aankoop van grondstoffen, door in de prijs van het eindproduct.

De waarde van de machines en gebouwen wordt net als die van grondstoffen bepaald door de gemiddelde hoeveelheid maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd die vereist is om ze te produceren. Rekent de grondstoffenproducent, de eigenaar van bedrijfsterreinen of de leverancier van machines, een prijs aan hoger dan de waarde van de gemiddelde hoeveelheid maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd om zijn goederen te produceren, dan vindt hij doorgaans geen koper, tenzij hij over een monopoliepositie beschikt of tot kartelafspraken komt met de concurrenten. Rekent hij, vrijwillig of onder druk van een grote klant, een prijs aan onder de waarde, dan zal hij na verloop van tijd de boeken moeten sluiten of armoede lijden. De prijs kan ook verstoord worden door een speculatieve toevloed aan geldmiddelen, waardoor hij tijdelijk fors boven de reële waarde uitstijgt. We hebben hier eigenlijk te maken met een verstoring, een geldhoeveelheid die niet correspondeert met de goederenhoeveelheid en onvermijdelijk leidt tot een inflatie-opstoot of geldontwaarding.

In zijn meerwaardetheorie legt Marx uit, dat het geheim van de kapitalistische uitbuiting hem juist zit in het feit dat de arbeider niet het resultaat van zijn arbeid, maar zijn capaciteit om te arbeiden, zijn arbeidskracht, verkoopt. Het loon, de prijs die de kapitalist daarvoor betaalt, is maatschappelijk bepaald en stemt overeen met de waarde van de gemiddelde hoeveelheid arbeidskracht vereist om zichzelf en zijn gezin te onderhouden en te reproduceren volgens de maatschappelijke norm. Met het loon bedoelen we uiteraard de totale prijs van arbeidskracht, het brutoloon inclusief het uitgestelde loon onder de vorm van sociale bijdragen en patronale lasten. Voor de kapitalist komt het erop aan het productieproces zodanig te organiseren, dat de arbeider zijn arbeidskracht langer ter beschikking stelt dan hij nodig heeft om zijn loon terug te verdienen. In de overgebleven tijd levert de arbeider onbetaalde arbeid of meerwaarde.(5) Arbeidskracht is de enige productiekracht die meer waarde oplevert dan ze zelf aan het eindproduct afstaat, de enige bron van waarde. Vandaar dat Marx arbeidskracht variabel kapitaal noemt. De verhouding tussen de hoeveelheid onbetaalde arbeid of meerwaarde en de hoeveelheid betaalde arbeid of variabel kapitaal, drukt de uitbuitingsgraad uit.

De kapitalist is echter niet zozeer in de uitbuitingsgraad geïnteresseerd, maar in de verhouding tussen zijn opbrengst, de meerwaarde, en zijn totale investering, vast en variabel kapitaal samen. Hij herinnert er ons regelmatig aan dat we ons niet kunnen inbeelden hoeveel hij wel moest investeren vooraleer de productie kon opstarten. En inderdaad, onder druk van het irrationele, ongeplande kapitalisme van de vrije concurrentie, is de arme kapitalist verplicht een steeds groter deel van zijn kapitaal te investeren in vast kapitaal, waardoor minder overblijft voor variabel, waardescheppend kapitaal. In Marx bewoordingen: de organische samenstelling van het kapitaal, de verhouding tussen vast en variabel kapitaal, wijzigt in het voordeel van het vaste, niet waardescheppende, kapitaal.. Resultaat: de hoeveelheid gerealiseerde meerwaarde per éénheid geïnvesteerd kapitaal, wat Marx de winstvoet noemt, heeft voortdurend de neiging af te nemen.(6) Bovendien heeft de overgrote meerderheid van de bevolking, juist omdat het kapitalisme gebaseerd is op het leveren van onbetaalde arbeid, onvoldoende inkomsten om alle goederen die ze produceert ook te consumeren. De kapitalisten zijn onvoldoende talrijk om die overvloed op te slorpen, voor zover ze al bereid zijn de afval die ze voor ons produceren, zelf te consumeren.

Opgang en val van de verzorgingsstaat

Het lijkt paradoxaal, maar juist omwille van de sterkte van de arbeidersbeweging leverde dat tot het begin van de jaren’70 geen al te grote problemen op. In de bloeiperiode tussen 1950 en 1975 groeiden de ontwikkelde kapitalistische landen jaarlijks met 4,9%, minstens dubbel zo veel als elke voorgaande periode. In een kwart eeuw werd meer geproduceerd dan in de voorgaande drie kwart eeuw. In de ontwikkelde kapitalistische landen groeiden de reële lonen tussen ’65 en ’73 met gemiddeld 3,5% per jaar, meer dan de productiviteit, die jaarlijks met 3,2% groeide.(7) Op tien jaar tijd waren de lonen in België vervijfvoudigd. In reële uurlonen kwam dit overeen met een stijging van 110 % tussen 1960 en 1970.(8) De gemiddelde werkloosheidsuitkering in 19 OESO-landen steeg van 28% van het gemiddelde loon in 1960 tot 35% in 1974 en 43% in 1979.(9) De dominante economische politiek, het Keynesianisme dat leidde tot de zogenaamde verzorgingsstaat, was gericht op het stimuleren van de vraag, waarmee men dacht voortaan recessies te kunnen vermijden. (10) Belangrijke verhogingen van lonen en uitkeringen en van publieke uitgaven, zowel voor diensten als infrastructuurwerken, waren de drijvende kracht achter de toepassing van nieuwe productietechnieken gericht op massaproductie.

Vroeg of laat moesten net die factoren die de groei zo sterk stimuleerden en hadden toegestaan dat het kapitalisme zichzelf leek te overtreffen, in conflict komen met de beperkingen van het kapitalisme, omslaan in hun dialectisch tegendeel en een rem zetten op de verdere ontwikkeling.(11) De burgerij kon echter niet zomaar omschakelen naar een andere economische politiek. Deels uit schrik voor de reactie van de arbeidersbeweging, deels ook omdat ze er zelf nog niet uit was. Gedurende zes jaar zocht ze naar een geschikt alternatief, maar intussen bleef de keynesiaanse economische politiek doorgaan, evenals de problemen die ermee gepaard gingen, zoals stagflatie, de combinatie van economische groeivertraging en galopperende inflatie, en oplopende overheidsschulden.

De strijd voor het herstel van de winstvoet – de monetaristen nemen over

Paul Volcker, voorzitter van de Amerikaanse Federal Reserve van aug. ’79 tot aug. ’87, zei achteraf dat ‘de belangrijkste individuele daad van de regering in de strijd tegen de inflatie, het verslaan was van de staking van de luchtverkeersleiders’.(12) Daarmee creëerde toenmalig VS-president Reagan de voorwaarde voor de omschakeling van een vraageconomie naar een aanbodeconomie. Voortaan zou men recessies niet meer bestrijden door de vraagzijde, de koopkracht te stimuleren, maar door de aanbodzijde, de producenten te stimuleren via belastingsverminderingen. Reagan was een aanhanger van de zogenaamde Laffer-curve die stelt dat het verlies aan inkomsten door belastingsvermindering ruim gecompenseerd wordt door extra inkomsten als gevolg van de economische stimulans. Onder Reagan groeide de openbare schuld van de VS weliswaar van 700 naar 3.000 miljard $.(13) Wat de staking van de luchtverkeersleiders was voor de VS, was de staking van de Britse mijnwerkers van maart ’84 tot maart ’85 voor Groot-Brittannië en in zekere zin voor heel Europa. Als Reagan de nieuwe kampioen was voor de burgerij in de VS, dan was Iron Lady Thatcher dat voor Groot-Brittannië en Europa.

Reagan en Thatcher waren allebei aanhangers van het monetarisme. De Thatcher-regering trok tussen ’79 en ’82 de reële rentevoeten op van -3% naar +4%.(14) Niet alleen werden leningen daardoor duurder, maar bovendien werd de Britse £ fors duurder, een nadeel voor de export. De werkloosheid sprong van 5% in ’79 naar 11% in ’83. Fed voorzitter Volcker, die vandaag zowat wordt beschouwd als diegene die de stagflatie verdreef, kopieerde dit beleid en dreef tussen ’79 en ’83 de reële rente op van licht negatief naar +5%. De werkloosheid steeg van 5% in ’79 naar 10% in ’82, maar de inflatie daalde tegelijk van 13% in ’80 naar 3% in ’83. Kortom: men had eindelijk de methode ontdekt en de politieke wil bijeengeraapt om de crisis af te wentelen op de arbeiders en hun gezinnen. Weldra werd de monetaristische politiek de dominante economische politiek in zowat alle ontwikkelde kapitalistische landen.

Reagan, Thatcher, Volcker en de andere sleutelfiguren in het toepassen en doen aanvaarden van de monetaristische recepten, hadden wellicht zelf niet voorzien waartoe hun politiek zou leiden. Ze hadden de aanval ingezet tegen de verworvenheden van de arbeiders. De massale werkloosheid leverde een arbeidsreserveleger op, dat weldra gebruikt werd om de lonen en arbeidscondities onder druk te zetten. Arbeidswetgeving moest versoepeld of afgeschaft worden. Men noemt dat liberalisering, officieel ‘het bevrijden van de arbeid van schadelijke beperkingen’; wij zouden zeggen ‘de vrijheid om arbeidskracht zonder beperking uit te buiten’. Staatsinterventie was ongewenst en de economische “laissez faire” zou uiteindelijk zorgen voor een trickle down-effect, waarbij ook de armsten baat zouden hebben, beweerden ze. Intussen werden openbare diensten gesaneerd, of zoals men dat noemt “geresponsabiliseerd”. Ze werden autonome bedrijven in plaats van diensten. Men bereidde ze op die manier voor op privatisering, nog zo’n kenmerk van het neoliberalisme.

Via het invoeren van flexibiliteit verminderde men de noodzakelijke arbeid – de arbeid nodig om de aankoop van arbeidskracht (de loonkost) te betalen – en dreef men de meerwaarde of de hoeveelheid onbetaalde arbeid op. Flexibilisering van de arbeidscontracten, het invoeren van deeltijds werk, tijdelijke contracten, interim en studentenarbeid, zorgden ervoor dat de productiepieken flexibel opgevangen worden en de kapitalist niet langer een overtollige hoeveelheid arbeiders moet aanhouden op niet-productieve momenten. De invoer van ploegenarbeid en volcontinu-systemen zorgt ervoor dat de machines maximaal benut worden gedurende hun “levenscyclus”. Het opdrijven van het arbeidsritme, hetzij door de machines harder te laten draaien, hetzij door “managementtechnieken” die de dode momenten, zoals plaspauzes, uit het productieproces wegsnijden. Het organiseren van concurrentie tussen filialen van eenzelfde bedrijf om de volgende bestellingen binnen te halen. Al die maatregelen waren erop gericht de winstvoet, de hoeveelheid winst per geïnvesteerde hoeveelheid kapitaal te herstellen.

De strijd voor het herstel van de winstvoet – financiële sector zwelt op

Door de val van het stalinisme en de plotse toevoer van massaal veel, voor uitbuiting beschikbare, arbeidskrachten werd het neoliberalisme enorm versterkt. Delokalisering als dreigement om voor de patroon gunstiger condities af te dwingen, bestond reeds voordien, maar eerst met de nabijheid van Oost-Europa, dan met de ontwikkeling van de groeilanden en ook met de mogelijkheid van gegevenstransporten via internet, werd het vele malen versterkt. Vooral de financiële sector profiteerde van de nieuwe ontwikkelingen. Moderne productiemethodes vergen steeds gespecialiseerder en duurder onderzoek, steeds belangrijker investeringen, die bovendien op steeds kortere termijnen moeten worden afgeschreven. Dat vergt de mobilisatie van omvangrijke kapitalen die niet altijd onmiddellijk opleveren. Door financiële spitstechnologie is men erin geslaagd steeds grotere hoeveelheden kapitaal te mobiliseren, dikwijls ook wat voorheen “sliep”. Zo schakelde men voor de pensioenstelsels steeds meer over van repartitiestelsels, waarbij de huidige werknemers de pensioenen van de huidige gepensioneerden betalen, naar kapitalisatiestelsels, waarbij een kapitaal wordt opgebouwd waaruit het latere pensioen betaald zal worden.(15) Morgan Stanley schat dat pensioenfondsen, bij ons de fiscaal bevoordeelde tweede pijler, intussen wereldwijd ongeveer 20.000 miljard $ activa beheren.

De financiële sector kende een fenomenale uitbreiding, vooral in de VS. In 1982 leverden financiële bedrijven er minder dan 5% van de totale bedrijfswinsten na belastingen, in 2007 was dat al 41%. Hun aandeel in de totale toegevoegde waarde steeg eveneens, maar in veel mindere mate, van 8% naar 16%. Dat betekent dat de winstmarges in de financiële sector proportioneel fors hoger lagen dan in de rest van de economie.(16) Hoe komt dat? De fundamentele oorzaak was de ondermijning van de winstvoet in de reële productie. Daardoor verkozen steeds meer kapitaalbezitters speculatieve beleggingen boven dure investeringen in de reële productie. De groei van de investeringen viel in alle ontwikkelde kapitalistische landen onophoudelijk terug sinds het einde van de jaren ’60. Die terugval wordt slechts gedeeltelijk, voor minder dan de helft, gecompenseerd door de zogenaamde groei-economieën.(17)

De winstgevendheid van de niet-financiële bedrijven stabiliseerde of daalde in alle ontwikkelde kapitalistische landen.(18) Vanaf het midden van de jaren ’80 vertoonde ze echter een geleidelijk herstel, zowel in Europa als in de VS. Dat was echter niet, zoals in de jaren ’60, gebaseerd op een forse toename van de productiviteit.(19) Integendeel, het was hoofdzakelijk een gevolg van brutale kostenbesparingen, forse belastingsverminderingen voor de bedrijven en een meer dan gewone bijdrage van de particuliere consumptie aan de groei op basis van goedkoop geld. In de VS herstelde de winstvoet na belastingen weliswaar tot op het niveau van de jaren ’60, maar dat was bijna uitsluitend als gevolg van fiscale geschenken aan de bedrijven. Het ging, met uitzondering van een kortstondige opleving op het einde van de jaren ’90, niet gepaard met een toename van de investeringen.(20) Integendeel, de enorme winsten, het gevolg van het opdrijven van de uitbuitingsgraad en een overdracht van collectieve middelen naar de bedrijven, werden niet productief, maar vooral speculatief aangewend.

Zeepbeleconomie

Globalisering leidde tot de afschaffing van iedere beperking op de bewegingsvrijheid van geld. De snelheid van die bewegingen werd door de technologie fors opgedreven. Kapitalisme heeft uiteraard al lang niets meer te maken met Calvinisme. De idee om de consumptie van vandaag uit te stellen en de opgespaarde middelen te investeren om de productie van morgen op te drijven en dus meer te kunnen consumeren in de toekomst, was al ten tijde van Marx naar het fabelrijk verwezen. Marx beschreef hoe in het kapitalisme het doel van het productieproces niet langer het produceren van goederen was – om meer te kunnen consumeren – maar het accumuleren van kapitaal. (21) De goederen waren niet langer het einddoel van de productie, maar slechts een middel om meer kapitaal te vergaren. Af en toe ging de burgerij in haar hebzucht echter zo ver dat ze de toekomstige accumulatie in gevaar bracht. Zo beschreef Friedrich Engels hoe de Engelse burgerij de toekomstige generaties, kinderen van nog geen 10 jaar, dreigde uit te putten in de fabrieken en de mijnschachten. (22) De uitstekende verfilming van Pieter Daens van LP Boon toont ons dat ook de Belgische burgerij in het begin van de vorige eeuw een dergelijk delirium beleefde. Financiële globalisering heeft een gelijkaardig element van roofbouw. De gezondheid van bedrijven, van hele sectoren, van hele gemeenschappen en hun omgeving, moet wijken voor de realisatie van korte termijn winsten.

Hefboomfondsen, pensioenfondsen, beleggingsmaatschappijen, verzekeringsmaatschappijen, staatsfondsen, privé-vermogens etc zijn voortdurend op zoek naar hoge rendementen. Eerst stortten ze zich op de Aziatische groeilanden, waar met lage lonen goedkope producten werden aangemaakt voor export naar het westen. Boerenpopulaties werden van het land gerukt, hypermoderne productie-eenheden werden ingeplant in nauwelijks ontwikkelde dorpen die in een mum van tijd steden werden. Het ging gepaard met een boom in immobiliën, doorgaans gefinancierd met geleend geld dat met de toekomstige winsten probleemloos afgelost zou worden, dacht men. Toen de productie tegen de grenzen van de markt botste, stortten die economieën en hun munten als kaartenhuizen in elkaar. De overheden moesten tussenkomen en de bevolking betaalde het gelag. Het overkwam Maleisië, Thailand, Zuid-Korea, Mexico, Brazilië, Rusland en veel andere landen die uiteindelijk hun munt onderuit zagen gaan.

De kapitaalstroom keerde zich om naar de “veilige havens” in Europa en de VS. Het leidde tot de zogenaamde dotcom gekte, de hype van aandelen in de informatie en communicatietechnologie. Bedrijven die nooit enige winst hadden geboekt, zagen hun aandelen genoteerd aan waarden die niets met de realiteit te maken hadden. Het verschijnsel asset-inflation, inflatie van de financiële activa, deed zich voor. Boekhoudingen werden opgesmukt om de aandeelhouders aan boord te houden, denken we maar aan de schandalen rond Enron, maar ook Lernhout en Hauspie in België. Het stimuleerde toen al de vraag naar meer toezicht. Dat kon echter niet beletten dat ook die zeepbel in 2001 barste. In overeenstemming met de politiek van de Amerikaanse overheid besliste de Federal Reserve dan maar alweer een nieuwe zeepbel te creëren om de crisis voor zich uit te duwen door de geldkranen nog meer open te draaien. De overheid bouwde haar tweelingtekort of twin deficit op, met een recordtekort op de Amerikaanse betalingsbalans van -805 miljard $ of 6,5% van het BBP in 2005 en een begrotingstekort dat in 2004 –4,7% van het BBP bereikte. Tegelijk liet de Fed de rentevoeten dalen van 6,5% in het begin van 2001 naar 1,75% eind 2001 en 1% halverwege 2003 tot half 2004. Fed-voorzitter Greenspan heeft zijn bijnaam van “serial bubble blower” hieraan te danken.

In de tekst van 2006 citeren we het IMF. Dat schreef de toenmalige groei toe aan “een uitzonderlijke samenloop … die de wereldeconomie de laatste jaren op gang hield.” Wat was die samenloop? Hoofdzakelijk de aanvoer van goedkoop geld. Waar vandaan? Niet alleen van de overheid en de Federal Reserve, dat zou niet volstaan hebben. Bovendien moeten begrotings- en handelstekorten ook ergens mee gefinancierd worden. “De afname van investeringen heeft geleid tot een spaaroverschot bij de bedrijven. Dat overschot oefende een neerwaartse druk uit op de lange termijnrente. Als gevolg daarvan, en ook het effect dat dit had op de huizenprijzen en het gezinspatrimonium, is de consumptie toegenomen.” Dit is wat we schreven in 2006. Kortom: het waren de enorme bedrijfswinsten die niet langer in de productie geherinvesteerd werden, maar integendeel als goedkope leningen aangeboden werden. Goedkope leningen stimuleerden de vraag naar woningen en dreven bijgevolg de huizenprijzen op.(23) Dat zorgde op zijn beurt voor een enorme toename van de zogenaamde tweede hypotheken of krediethypotheken, leningen gebaseerd op de waardestijging van de woning, die vooral in de VS een courante praktijk werden.

Het was één van de talloze middelen om de Amerikaanse arbeiders en hun gezinnen ertoe aan te zetten niet enkel hun huidig loon, maar ook het loon dat ze in de toekomst nog moeten verdienen nu al te spenderen. Zolang alles goed gaat, heeft men de neiging zich steeds verder te wagen. Men begon leningen te verschaffen aan mensen die niet de nodige “kredietwaardigheid” hadden. Consumentenleningen, maar ook zogenaamde ninja-hypotheken, hypotheken aan mensen met ‘no income, no job, no assets’, geen inkomen, geen werk en geen activa. Men lokte ze dikwijls met zogenaamde subprime-leningen, in het Nederlands vertaald als ‘rommelhypotheken’. Dit zijn leningen met een lage instaprente die meestal na twee of drie jaar fors toeneemt, in de veronderstelling dat men intussen, op basis van de gestegen waarde van de woning, de originele hypotheek kan herfinancieren tegen gunstiger voorwaarden. Men dacht door deze leningen in stukjes te verdelen en te verpakken in effecten het risico zodanig te kunnen spreiden dat er uiteindelijk geen risico meer overblijft.

Dagelijks vond men nieuwe financiële instrumenten uit die steeds complexer werden, maar allen tegelijk een eenvoudige weerspiegeling waren van het naïeve geloof dat het gratis feest nooit zou stoppen. Niet alleen particuliere consumenten werden aangepord om te kopen op krediet. Het werd een veralgemeende praktijk van overheden om openbare werken te financieren met obligatieleningen, die dikwijls verzekerd werden door zogenaamde kredietverbeteraars of monolines. Hefboomfondsen en andere deden overnames die voor meer dan de helft gefinancierd werden met geleend geld, de zogenaamde leveraged buyout (24) Wie niet aan het feest deelnam, was hopeloos achter op zijn tijd. Resultaat: de consumptie van de overheid en de gezinnen in de VS werd aanhoudend gestimuleerd, niet op basis van reële inkomens, maar op basis van een historisch hoog niveau van schulden. De VS voerden een derde meer in dan ze exporteren.

Socialisme voor de rijken

50. Men kan niet blijven schulden maken, vroeg of laat moet iemand voor de rekening opdraaien. We zijn er steeds van uitgegaan dat als de VS in recessie zou glijden, ze de rest van de wereld met zich mee zou sleuren. Illusies als ‘decoupling’ of ‘ontkoppeling’, de idee dat de diverse handelsblokken autonome entiteiten zijn geworden die immuun zijn voor, of toch minstens bestand zijn tegen, schokken in de andere handelsblokken, hebben we steeds afgedaan als fantasieën. De VS staat voor 25% van het wereldproduct, drie keer dat van Japan, de tweede economie op wereldvlak, vier keer dat van Duitsland, de derde economie en de grootste in EU-27. Bovenal doet de VS al jaren dienst als ‘buyer of last resort’, de markt die alles opkoopt dat men elders niet kwijt kan, voor de rest van de wereld. Particuliere consumptie staat er voor liefst 72% van het BBP, overheid en particulieren stapelen de schulden op. In 2007 hadden de gezinnen in de VS een gemiddeld spaartegoed van slechts 449 $, een vierde van dat in 2000 en een uitstaande schuld van 121650 $, bijna het dubbele van dat in 2000.

Die situatie kon niet blijven duren. De VS moesten de uitgaven intomen, maar dan wel zodanig dat de consumptie niet helemaal stil viel. We noemen dat in de tekst Na een woelig 2007 naar een explosief 2008, geschreven in januari 2008 voor onze districtscongressen “een gevaarlijke, maar noodzakelijke evenwichtsoefening.”(25) Tussen juli 2004 en juli 2006 trok de Fed de rentevoeten 17 keer op rij op, van 1% naar 5,25%, dat tarief werd dan een jaar lang aangehouden.(26) De Fed wou daarmee de onderliggende inflatie, een gevolg van het systematisch stimuleren van de economie met de uitgifte van dollarobligaties, bestrijden. De idee dat buitenlandse centrale banken hun dollarreserves te gelde zouden maken, een vlucht uit de dollar zouden veroorzaken en dat een scenario, vergelijkbaar met dat van de Aziatische groeilanden, maar dan in de VS, zich zou voordoen, was een ondraaglijke dreiging. Als de dollar waardeloos zou worden, zou dat niet alleen de VS, maar heel de wereldeconomie in een onvergelijkbare grote depressie meesleuren. Dat scenario wegwerken, was de absolute prioriteit.

De verzadiging van de woningmarkt en de toename van de rentevoeten leidden uiteindelijk tot betalingsproblemen voor de nieuwe eigenaren. De technische aspecten van de subprime-crisis, haar verspreiding naar andere sectoren en haar gevolgen hebben we al uitgebreid toegelicht in de tekst Na een woelig 2007 naar een explosief 2008. Het is niet nodig dat hier allemaal te herhalen. We willen vooral benadrukken dat de betalingsproblemen in het segment van rommelhypotheken de vonk aan het lont staken, maar de problemen net zo goed elders hadden kunnen ontstaan. Zodra de kredietgedreven groei haar limieten bereikte, sloegen alle factoren die aan die groei hadden bijgedragen om in hun dialectisch tegendeel en werden ze factoren die de crisis hielpen verdiepen. Beleggingsicoon Warren Buffet noemt de eindeloze reeks van nieuwe, innovatieve financiële instrumenten nu “financiële massavernietigingswapens”. Door effectisering herverpakte betalingsrisico’s heten voortaan “financiële clusterbommen”. In plaats van de betrouwbaarheid van obligaties te garanderen, dreigen kredietverzekeraars met het verliezen van hun kredietwaardigheid miljoenen obligaties mee te sleuren. Er ontstond een zogenaamde credit-crunch, een tekort aan liquide middelen, omdat banken geen leningen meer durven te verschaffen.

De overheid kon niet anders dan de geldkranen opnieuw open zetten. In augustus 2007 door voor honderden miljarden goedkope kredieten te beschikking te stellen, in september door de Fed-rente voor dagleningen aan private instellingen of de discontovoet te laten zakken en half september 2007 door tenslotte met een klein hartje de Federal Fund Rate, het tarief dat private banken elkaar in rekening brengen voor dagleningen, te verlagen. Op 10 augustus schreef de Tijd in haar edito nog: “De problemen van verscheidene banken tonen aan dat de gevolgen van de Amerikaanse hypotheekcrisis niet mogen worden onderschat… Maar de economische fundamenten blijven sterk. Zowel in de VS als in Europa stimuleert de sterke arbeidsmarkt de koopkracht van de gezinnen en de consumptie. Veel ondernemingen draaien op volle toeren en boeken hoge winsten. Bovendien is Europa minder dan vroeger kwetsbaar voor de bokkensprongen van de Amerikaanse economie.” Daarmee was de Tijd nog genuanceerd. Andere, minder ernstige kranten schreven over de subprime-crisis alsof het over een bagatel ging. Kortom: de meeste burgerlijke commentatoren hadden geen flauw benul van wat er zich juist afspeelde, er werden toen nogal wat bokken geschoten.

Sinds april 2008 staat de Federal Fund Rate terug op slechts 2%, ruim onder de voor dit jaar verwachte inflatie van 3%.(27) We hebben dus alweer te maken met een fors negatieve reële rentevoet. Bovendien lanceerde de Amerikaanse overheid een stimuleringspakket, feitelijk de teruggave van belastingen, ter waarde van 160 miljard $ om de consumptie te stimuleren. De Japanse overheid greep eind augustus (2008) naar een vergelijkbare maatregel. Intussen moest de Fed inspringen om een overname van de in moeilijkheden verkerende zakenbank Bear Stearns door JP Morgan mee te financieren. (28) Een maand eerder was de Britse Labour regering verplicht Northern Rock te nationaliseren omdat geen koper gevonden werd. Northern Rock is een van de grootste hypotheekverschaffers in het Verenigd Koninkrijk, het is tegelijk een spaarbank, verzekeringsmaatschappij en leningmaatschappij. De regering had de beslissing sinds september 2007 voortdurend uitgesteld om vooral niet de indruk te wekken van een terugkeer naar Old Labour.

De nationalisatie betekende dat de totale schuld van Northern Rock, geschat op 100 miljard £, aan de overheidsschuld werd toegevoegd. Die steeg van 37,7% van het BBP naar 45%! Tegen 2011 wil men een derde van de 6000 jobs bij Northern Rock schrappen. In augustus 2008 werd de noodlijdende Roskilde Bank genationaliseerd, de eerste nationalisatie van een bank sinds ’93 in Denemarken. Het gaat hier uiteraard niet om nationalisaties zoals wij dat zien. Integendeel, hier worden banken gesaneerd met geld van de gemeenschap om de rendabele delen daarna te verlappen aan de privé-sector. “Socialisme voor de rijken” noemen sommige critici dat gevat.

Poging om de crisis te exporteren

We zijn er steeds van uitgegaan dat de VS een recessie, als die zich voordeed, naar de rest van de wereld zouden proberen uit te voeren. Dat is exact wat gebeurde en aanvankelijk ook leek te lukken. Het gebeurde op verschillende manieren. Soms als “onschuldig” neveneffect, soms als gevolg van een bewuste politiek. Een van die “onschuldige” neveneffecten was het feit dat beleggers wegvluchtten uit de vastgoedmarkt naar veiliger beleggingen. Die vonden ze op de grondstoffenmarkt. Het leidde tot een forse toename van de grondstoffenprijzen, die op haar beurt zorgde voor een verspreiding van de crisis naar alle uithoeken van de wereld. Uiteraard zijn de prijsstijgingen deels te wijten aan de groeiende vraag in China, India en enkele andere landen, zowel voor olie en gas als voor voedsel en andere grondstoffen. Het klopt ook dat vooral in de oliesector en meer nog in de productie van voedsel jarenlang te weinig geïnvesteerd werd. Steeds meer voedingsgewassen worden gebruikt voor de productie van biobrandstof.

Maar dit verklaart slechts gedeeltelijk waarom de olieprijs tussen 2003 en 2006 verdubbelde. In diezelfde periode nam de vraag toe met 7 miljoen vaten per dag. Het volstaat nog minder als verklaring waarom de olieprijs sindsdien opnieuw verdubbelde, terwijl de vraag “slechts” toenam met 2,5 miljoen vaten per dag. Het element dat de prijsstijgingen zo fors deed versnellen, dat voor een opwaartse knik in de curve zorgde, dat een kwantitatieve stijging deed omslaan naar een kwalitatieve prijsexplosie, was het feit dat steeds meer grote financiële instellingen, pensioenfondsen, hefboomfondsen etc. zich aandienden op de futures-markt voor grondstoffen. Ze “investeren” er kapitalen die de grondstoffenprijzen door het plafond jagen. Grondstoffen leken goed op weg de volgende zeepbel te worden nu de vastgoed- en de aandelenmarkt leeglopen.(29) Speculatie is zeker niet de enige factor die de stijgende grondstoffenprijzen verklaart. Het is eerder de factor die nog ontbrak om een reeks kwantitatieve gegevens tot op het punt te brengen dat ze leiden tot een kwalitatieve verandering. Een andere “onschuldige” factor waardoor de crisis werd uitgevoerd naar de rest van de wereld, was het feit dat banken over de hele wereld hadden belegd in rommelhypotheken, waardoor ze nu al voor 500 miljard $ beleggingen moesten afboeken.

Een bewuste poging was de gecontroleerde, tot op zekere hoogte geënsceneerde, val van de dollar. Die was een zegen voor de Amerikaanse economie en een vloek voor de rest van de wereld. De zwakke $ (die in het tweede kwartaal van 2008 11,6% goedkoper was dan in het tweede kwartaal van 2007 in vergelijking met de munten van de ze belangrijkste handelspartners) zorgde voor een forse toename van de Amerikaanse export. In het tweede kwartaal droeg de export 2,4% bij aan de groei van het BBP. Zonder de export zou de Amerikaanse economie op jaarbasis niet gegroeid zijn met 1,9%, maar gekrompen met -0,5%. Van 13 op de Dow Jones genoteerde multinationals daalde de omzet op de thuismarkt in het tweede kwartaal van 2008 met gemiddeld -2,5%, die in de rest van de wereld steeg echter met 15%. In datzelfde kwartaal kwam men tot de onthutsende vaststelling dat de eurozone (15 landen) voor het eerst in haar bestaan een economische krimp had gekend, met -0,2%. De economieën van Duitsland, Frankrijk en Italië, kenden allen een krimp. De Nederlandse en de Spaanse economie ontsnapten maar net.(30) Europa’s tweede economie, die van het Verenigd Koninkrijk, kende een nulgroei en zou volgens de OESO, zowel in het derde als in het vierde kwartaal krimpen met -0,3 en -0,4%. Japan kende eveneens een forse krimp met 0,6%. Tot zover de ‘ontkoppeling’.

Wie daaruit dacht te besluiten dat de VS uit het dal zou klimmen en – onderliggende illusie – de rest van de wereld mee uit het moeras zou slepen, is eraan voor de moeite. Het klopt dat de olieprijzen en ook andere grondstoffenprijzen sterker dan verwacht zijn afgenomen. Men wijt dat aan de vrees voor een recessie en de bijhorende daling van de vraag. Minstens even belangrijk is echter het feit dat grondstoffenspeculanten in het “goede nieuws” over de Amerikaanse economie een geschikt moment zagen om hun winst te incasseren. Dat werd nog bevorderd doordat de Amerikaanse overheid had aangegeven de hypotheekreuzen Freddy Mc en Fanny Mae niet in de steek te zullen laten. Als blijkt dat de Amerikaanse economie het toch slechter doet, kan de beweging omkeren zodra beleggers opnieuw naar grondstoffen-futures vluchten. Hoe dan ook heeft het aanzwengelen van de dollarpompen ervoor gezorgd dat de $ op termijn nog fors naar beneden moet en de inflatie dus niet meteen weg zal zijn Maar intussen heeft de dollar opnieuw aan aantrekkelijkheid gewonnen, niet omwille van de sterkte van de Amerikaanse economie, maar door de zwakte van de rest van de wereld en vooral de garanties van ’s werelds sterkste overheid.

De burgerij is manisch depressief

Die overheid werd in september gedwongen de grootste nationalisatie uit haar geschiedenis door te voeren met het “conservatorship” van Freddy en Fanny. Beide kunnen rekenen op een kredietlijn van telkens 100 miljard $. Het leidde tot overenthousiaste reacties op de beurzen: de Amerikaanse overheid was bereid zich garant te stellen. Blijkbaar begreep men niet hoe ernstig de situatie wel moest zijn. De Amerikaanse overheid kan zich dat type ingrepen immers niet blijvend veroorloven. Een kettingreactie van faillissementen in de financiële sector zou zelfs voor de Amerikaanse overheid onhoudbaar zijn. Enkele dagen later was het zover. De aanvraag van “gerechtelijk akkoord” door Lehman Brothers om zich te beschermen tegen schuldeisers deed de paniek toeslaan. Het is een van de oudste bedrijven op Wall Street, de derde zakenbank van het land. Het aandeel zakte van 60$ in mei 2007 naar 3,45$ op het moment van de aanvraag. Tegelijk werd ’s werelds grootste beurshuis, Merill Lynch, overgenomen door Bank of America, om een vergelijkbaar scenario als dat van Lehman Brothers te vermijden. Bovendien vroeg American International Group (AIG), de grootste Amerikaanse verzekeraar naar activa, de Federal Reserve een overbruggingskrediet van 40 miljard dollar. AIG werd overgenomen en kreeg een kredietlijn van 85 miljard $!

De bewering dat China en meer in het algemeen de BRIC-landen de rol van motor van de wereldeconomie kunnen overnemen, is in stilte afgevoerd. China heeft een BBP van bijna de omvang van Duitsland, maar in plaats van voor 60%, staat de particuliere consumptie er voor slechts 30% van het BBP. Samen met India bedraagt de particuliere consumptie er zo’n 1600 miljard $, dat is bijna evenveel als die van Frankrijk. Bovenal is de Chinese groei vooral te wijten aan het feit dat China zowat de machinekamer is voor de rest van de wereld. China wordt dus buiten proportie getroffen door de inkrimping van haar belangrijkste exportmarkten. De aandelen op de beurs van Shangai verloren sinds oktober 2007 twee derde van hun waarde, de huizenmarkt krimpt en ook de importgroei is fors afgenomen, een teken dat de economie verzwakt. Bovendien heeft China steeds meer af te rekenen met concurrentie van buurlanden, waar de lonen nog lager liggen. Zo besloot Adidas zich terug te trekken wegens te hoge lonen.

Trotski legt in zijn Geschiedenis van de Russische Revolutie uit dat het materialisme het bestaan van bewustzijn, gevoelens en stemmingen niet ontkent, maar ze juist verklaart. De voorbije maanden hebben we burgerlijke economen, politici en journalisten steeds sneller zien wisselen van een euforische stemming naar paniekaanvallen. In de psychologie heeft men daar een term voor: manisch-depressief. In de geschiedenis heeft men daar een precedent voor: de situatie van 1926 tot de grote crash van ’29. In een interview voor de Amerikaanse Tv-zender ABC legt Greenspan uit waar die stemming vandaan komt: “We moeten toegeven dat het hier gaat om een evenement dat zich maar één keer om de 50 jaar of waarschijnlijk zelfs maar één keer per eeuw voordoet, er bestaat geen twijfel dat ik nooit iets gelijkaardig heb gezien. Het is ook nog niet gedaan en dat zal nog een tijdje duren.

Iedere ingreep van de Fed of andere nationale banken doet de markt opveren. De ingrepen volgen elkaar echter in steeds sneller tempo op en worden steeds drastischer. Telkens als de overheid het initiatief overneemt van de private managers en de aandeelhouders buiten spel worden gezet, is het feest. Het vertrouwen van de kapitalisten in hun eigen systeem is totaal zoek. Ze bedelen bij de overheid om hen te redden op kosten van de gemeenschap. We treden daarmee een nieuw tijdperk binnen. We staan echter nog maar aan het begin van de crisis, de voorschokken van een aankomende aardbeving. Naarmate de financiële crisis zich verspreidt naar de reële economie, zal de impact van de crisis zich tenvolle laten voelen. Trotski wees erop dat het niet bloei of neergang van de economie, maar de overgang van de ene situatie naar de andere, klassenstrijd bevordert. We komen net uit een periode waarin de hebzucht van bedrijfsleiders en aandeelhouders zelfs door burgerlijke commentatoren op de korrel genomen werd; de burgerij is het vertrouwen in haar capaciteit om het systeem te beheren verloren; de kleinburgerij en de middengroepen worden door de crisis geruïneerd; de arbeidersklasse zal haar deel van de koek opeisen.

Toegenomen klassenstrijd zal nog feller oplaaien

Nu al merken we een groeiend verzet vanwege de arbeidersklasse. Toen we in 2001 stelden dat de antiglobaliseringsbeweging de voorbode was van een dieper liggend ongenoegen bij de arbeidersklasse, het ruisen van de bladeren dat de storm aankondigt, waren velen het met ons oneens. Voor sommigen was de antiglobaliseringsbeweging een kleinburgerlijke aangelegenheid waaraan ze weigerden deel te nemen. Een communistische beweging is nodig, geen antiglobaliseringsbeweging luidde het toen uit de mond van Kris Merckx, een stelling die nadien tot in het absurde op zijn kop werd gezet. Anderen beschouwden de antiglobaliseringsbeweging als een meer vooruitstrevend alternatief op de arbeidersbeweging. Ze zagen het verband niet tussen de jonge antiglobalisten en de “conservatieve” arbeiders. Ze verweten ons een “enge” benadering, maar begrepen zelf niet de diversiteit die zo kenmerkend is voor de arbeidersklasse.

Sindsdien is er geen continent meer ter wereld waar de klassenstrijd haar sporen niet heeft nagelaten. Latijns-Amerika loopt duidelijk voorop. Daar werden de neoliberale recepten op de meest brutale manier doorgevoerd. In de geschiedenis ging de klassenstrijd meer dan eens verborgen achter religieuze, nationale of etnische conflicten, ook al omdat de heersende klasse deze tegenstellingen buitensporig uitspeelt om haar heerschappij te bewaren. In Latijns-Amerika ging de klassenstrijd gepaard met de emancipatie van de inheemse bevolking. Onder druk van de massa’s werden populistische leiders verkozen en naar links geduwd in Venezuela, Bolivië, Ecuador, Nicaragua, Paraguay.

De energie van de massa’s is echter niet onbeperkt. Als de massa’s zich niet organiseren om zelf het initiatief over te nemen in plaats van druk uit te oefenen en de populistische leiders niet breken met het kapitalisme, zal de reactie stilaan voet aan de grond krijgen. De eerste waarschuwingen hebben we al gekregen, onder meer toen Chavez nieuwe grondwet werd weggestemd, maar voorlopig is de reactie niet sterk genoeg om het initiatief over te nemen. Elders werden figuren verkozen met een links imago omdat dit de enige manier is voor de burgerij om haar belangen veilig te stellen, zoals in Brazilië, Chili en Argentinië. Net in die landen hebben we gezien hoe de arbeiders stilaan nieuwe formaties opzettenen en uittesten als PSOL en Conlutas in Brazilië. Door de misdadige tactiek van de Farc slaagt rechts erin populaire steun te verwerven in Colombia dat een bruggenhoofd is voor het Amerikaanse imperialisme.

Overal ter wereld moeten arbeiders en hun gezinnen de prijs betalen voor de nederlagen van hun klasse. Dat is uiteraard het meest manifest in het Midden-Oosten, waar klassenstrijd dikwijls verpletterd wordt in de gewapende conflicten van het imperialisme en diverse reactionaire religieuze milities. Maar zelfs daar waar die conflicten bloedig worden uitgevochten, merken we tussen twee opflakkeringen in, hoe de klasse telkens weer overeind komt als de strijdende partijen zijn uitgeput. In Libanon, Gaza en zelfs in Irak hebben we dat gezien. Egypte kende de voorbije jaren de ene stakingsgolf na de andere en zelfs in de bruggenhoofden van het imperialisme in de regio, in Israël en Turkije zijn er voortdurend opflakkeringen van klassenstrijd tegen de zwakke heersende elites.

In Afrika betaalt de klasse haar nederlagen en halve overwinningen met extreme armoede, burgeroorlog, etnische conflicten en pogroms tegen migranten en dan nog wel in Zuid-Afrika, eens het toneel van de heldhaftige anti-Apartheidsbeweging. Ook Azië deelde in etnische rellen en pogroms, in religieuze conflicten, in corruptie en grensconflicten. Maar ook in Azië begint de klasse zich steeds meer te organiseren, in veel gevallen in een elementaire vorm, soms gewoon via internetfora, soms op het niveau van het bedrijf, soms in vakbonden en ook meer en meer op politiek vlak.

De antiglobaliseringsbeweging had al eerder aangetoond dat de autoriteit van het neoliberalisme bij een belangrijke minderheid van vooral jongeren fors aangetast was. De basis daarvoor was de enorme kloof tussen arm en rijk, tussen rijke en arme naties en binnen de naties. Net de inkrimping van die kloof in de naoorlogse periode, was het belangrijkste argument tegen een mogelijke herhaling van de depressie.(31) Het rijkste percent Amerikanen bezat voor de crash van 1929 15 tot maximaal 19 % van het totale inkomen, na de crash en vooral in de naoorlogse periode zakte dit tot een dieptepunt van 7,5% in de vroege jaren ’70, maar liep sindsdien weer op om in de tweede helft van de jaren ’90 opnieuw 15% te bereiken en 18% in 2006.(32) Zelfs gerenommeerde burgerlijke economisten wezen op het gevaar dat dit de legitimiteit van de vrije markt zou aantasten. De roep om “verandering” werd steeds groter.

Het is daarop dat de democratische presidentskandidaat Obama diens campagne gebaseerd heeft. Een kapitalisme zonder de uitwasemingen die zo frappant waren tijdens de administratie van Bush. Obama dreigt echter ingelopen te worden door de gebeurtenissen. Vage beloftes konden de gemoederen beroeren, zolang de roep om verandering erop gericht was een dreigend gevaar af te wenden. Zodra de subprime-crisis echter toesloeg, 2,5 miljoen huiseigenaars van hun woning beroofde en 600.000 Amerikanen hun job koste, sloeg de nood aan vage verandering om in een behoefte aan concrete maatregelen. In september 2008 versnelde het jobverlies nog fors, waardoor in de eerste negen maand van 2008 nu al 750.000 jobs verloren gingen!

Hoe contradictorisch dat ook mag lijken, de confrontatiepolitiek van Sarah Palin (33) beantwoordt hieraan beter dan de vage beloftes van Obama. Door de draak te steken met Obama’s zogenaamde idealisme – “wat zal hij doen nadat hij de zeeën heeft tegengehouden en de aarde gered heeft” –, en diens neerkijken op arbeiders – wier drang om een wapen te dragen hij “niet begrijpt” – heeft ze de Republikeinen opnieuw hoop gegeven. Als ze morgen echter geconfronteerd wordt met de 27.000 stakers van Boeiing, die heel goed weten dat het orderboek vol staat en het bedrijf vorig jaar 13 miljard $ winst incasseerde, zal echter meer vereist zijn dan geveinsd gezond verstand en een dubbele moraal uit een provinciestadje in Alaska.

Ook in Europa drukt de radicaliteit van een voorhoede van syndicalisten, geblokkeerd door de onwil van de vakbondsleiders om hun strijd op nationaal vlak te veralgemenen, zich soms langs een politieke omweg uit. De RC in Italië, IU in Spanje, Het Links Blok in Portugal, nu ook Syriza in Griekenland, en binnenkort de LCR in Frankrijk drukken dit uit. Het ontbreekt de Duitse arbeiders, denk maar aan de staking van de machinisten voor een loonopslag, ook niet aan radicaliteit, maar aan een leiding die bereid is de confrontatie met het patronaat aan te gaan. Samen met de brutale aanvallen in het kader van Agenda 2010 onder de SPD, die nu in de peilingen tot 28% is gezakt en mathematisch niet meer in staat is een roodgroene meerderheid te vormen, verklaart dit het nieuwe fenomeen Die Linke, dat intussen ruim 10% haalt in peilingen. Het bestaan van Die Linke heeft de strijdbaarheid, het zelfvertrouwen en het politieke bewustzijn van de Duitse arbeiders op haar beurt gestimuleerd.

73. In Nederland maken de arbeiders een vergelijkbare omweg via de Socialistische Partij. Tijdens de Europese betoging tegen de Bolkestein-richtlijn in het voorjaar van 2005 verkochten we talloze nummers van ons blad aan Nederlanders, alleen al doordat er “socialistisch” op stond. Helaas is de steun voor de Nederlandse SP hoofdzakelijk passief, vooral omdat de partij er alles toe doet om dat zo te houden. Overal in Europa is de klassenstrijd opgeflakkerd. Soms via radicale stakingen in een sector zoals de machinisten in Duitsland of de verplegers in Finland. Soms via algemene stakingen, zoals in Griekenland, soms via massale betogingen. Daarbij zoeken de arbeiders afwisselend naar een oplossing op het syndicale vlak en als ze daar geblokkeerd zijn, op het politieke terrein.

De ongelijke verdeling van de rijkdom was nog enigszins draaglijk, toen er nog groei in de economie zat en althans een deel van de arbeiders de illusie mocht koesteren dat ook zij ooit eens aan de beurt zouden zijn. Met het begin van de crisis, in de wetenschap dat de patroons hun zakken goed gevuld hebben en met de winsten van de voorbije jaren zijn gaan lopen, zijn veel arbeiders niet bereid om op te draaien voor de aanstormende crisis. Het verklaart de toenemende sociale strijd en de groei van linkse formaties. Het zal zich uitdrukken in een revolte binnen de bestaande vakbonden en een vervanging van de rotte bureaucratie door nieuwe leiders die snel in de praktijk uitgetest zullen worden. Daar waar die weg is afgesloten, zullen met vallen en opstaan nieuwe formaties gevormd worden. Het zoeken naar het minste kwaad, dikwijls kenmerkend voor de voorbije jaren, zal plaats maken voor de zoektocht naar antwoorden die een reële stap vooruit kunnen betekenen. De discussie over perspectieven, programma, strategie en tactiek zal aan belang winnen.

Noten deel 2

  1. Vandaag is de standaarddefinitie voor “recessie” twee of meer kwartalen van negatieve economische groei. Die definitie laat een pak factoren buiten beschouwing. Voor de wereldeconomie brengt men bijvoorbeeld ook de bevolkingsaangroei in rekening en spreekt men al van een recessie als de groei zich onder de 2% bevindt. Bovendien is het moeilijk op basis van kwartaalcijfers het begin van een recessie vast te stellen. Het “National Bureau of Economic Research” (NBER) definieert een recessie als “de periode waarin de economische activiteit haar piek heeft bereikt en begint af te nemen tot op het moment waarop de bedrijvigheid haar dieptepunt bereikt. Als de activiteit opnieuw toeneemt, spreekt men van een expansieperiode.”
    Ook over de betekenis van “depressie” bestaan talloze interpretaties Voor Wereldoorlog II noemde men iedere economische vertraging een “depressie”. Men vond toen de term “recessie” uit, om kleinere economische inzinkingen te onderscheiden van de “Grote Depressie” van de jaren ’30. Met een depressie wordt dus een periode van economische inzinking bedoeld die langer duurt en dieper is dan een recessie. Technisch spreekt men vandaag van een depressie als de negatieve groei -10% bedraagt en van een grote depressie als die -25% bedraagt. Tussen november ’73 en maart ’75 kromp het BBP van de VS met -4,9%.
    Zie ook: https://www.thoughtco.com/difference-between-a-recession-and-depression-1145900
  2. Andrew Glyn, 2006, Capitalism Unleashed Fig. 2.1 blz. 26
  3. http://www.imf.org/external/datamapper/index.php
  4. Le Soir, 6 september 2008
  5. Zoals Marx uitlegde, slaagt de burgerij er steeds beter in haar uitbuiting te verbergen, een anoniem karakter aan te nemen. Achterhaal maar eens wie nu juist hoeveel aandelen van een bedrijf in handen heeft. Om de uitbuitingsgraad te berekenen, zouden we van het nettoresultaat van het bedrijf de afschrijvingen (als de kapitalist de machines tenminste niet versneld afschrijft), subsidies, de prijs van grondstoffen, de huur van gebouwen en terreinen en de totale loonkost moeten aftrekken, en het resultaat ervan delen door de loonkost. Het best wordt de uitbuitingsgraad nog benaderd door de verhouding tussen de personeelskosten en de toegevoegde waarde (de waarde van de geproduceerde goederen en diensten verminderd met de waarde van de in het productieproces verbruikte goederen en diensten – dus niet de aan de “productiefactor” arbeid uitgekeerde vergoedingen). De site van de federale overheid geeft daar een overzicht van, helaas slechts voor de periode ’99-’04. Om de uitbuitingsgraad te berekenen, moet men van de toegevoegde waarde de personeelskosten aftrekken (om de meerwaarde of onbetaalde arbeid te bekomen) en delen door de personeelskost of betaalde arbeid. Voor de totale industrie, goed voor 626.000 werknemers, geeft dat een gemiddelde uitbuitingsgraad van 63,4% d.w.z. dat de arbeider voor iedere 100 € betaalde arbeid, 63,4 € onbetaalde arbeid presteert. In de textiel is dat 45% en in de chemie, spijts de betere lonen, 105%. In de horeca, waar de productiviteit een stuk lager is, maar de lonen ook, bedraagt de uitbuitingsgraad 72%.
  6. Zie Philip Armstrong, Andrew Glyn, John Harrison, Capitalism since 1945, 1991, p. 248 – 251 en Andrew Glyn, Capitalism Unleashed, 2006, p. 136 – 146
  7. Philip Armstrong, Andrew Glyn, John Harrison, Capitalism since 1945, 1991, blz. 248
  8. Els Witte, Jan Craeybeckx & Alain Meynen, Politieke Geschiedenis van België, 2005, blz. 335.
  9. Andrew Glyn, Capitalism Unleashed, 2006, blz. 4
  10. In De Militant nr. 148 van februari 1996 publiceerden we een uitgebreid dossier over de verzorgingsstaat in België onder de titel “Opgang en val van de welvaartsstaat”
  11. In die periode dachten sommigen dat het kapitalisme voortaan haar fundamentele interne tegenstellingen, het privé-bezit van productiemiddelen en het bestaan van nationale staten, had overstegen. Ernest Mandel sprak van laatkapitalisme en schreef de arbeidersbeweging af als “verburgerlijkt”. Binnen de Internationale waarvan hij de belangrijkste leider was, woedde gedurende 10 jaar een verbeten discussie tussen diegenen die uitkeken naar guerrilla en diegenen die pleitten voor de opbouw van een klassieke revolutionaire partij. Men ging er zelfs zover in het westen te pleiten voor stadsguerrilla, waardoor de PCF in mei ’68 moeiteloos de “gauchisten” kon isoleren van de massa van de arbeiders. Al in het begin van de jaren ’60, toen Mandel zijn theorie van het laatkapitalisme nog maar begon te formuleren, antwoordde Ted Grant namens onze stroming met de brochure Will there be a slump.
  12. Op 3 augustus 1981 riep de vakbond van luchtverkeersleiders in de VS een staking uit voor betere arbeidscondities en een 32-uren werkweek. Daarmee overtrad de vakbond een wet van 1956 die bepaalt dat overheidsbonden geen stakingsrecht hebben, maar doorgaans niet toegepast werd. De nieuw verkozen president (4 november 1980), Ronald Reagan, riep de staking uit tot “een gevaar voor de nationale veiligheid” en beval werkhervatting. Reagan wist dat in het geheim vervangers waren opgeleid en gaf de stakers 48 uur de tijd om het werk te hervatten. Slechts 1500 van de 13.000 verkeersleiders deden dat. Op 5 augustus werden 11.345 stakende luchtverkeersleiders op staande voet ontslaan en voor een periode van drie jaar uitgesloten van overheidsbetrekkingen, een periode die achteraf werd ingekort. Ze werden oorspronkelijk vervangen door niet stakende verkeersleiders, opzichters, personeel van de staf en in sommige gevallen verkeersleiders van elders en militaire verkeersleiders, in afwachting van het opleiden van vervangers. De vakbond werd op 22 oktober haar erkenning ontnomen.
  13. Lou Cannon, Michael Beschloss. Ronald Reagan: The Presidential Portfolio: A History Illustrated from the Collection of the Ronald Reagan Library and Museum. p.128
  14. De rentevoet bepaalt de prijs waartegen geld ter beschikking wordt gesteld. Hier wordt de richtinggevende rentevoet bedoeld, dat is het tarief dat banken elkaar aanrekenen voor dagleningen.
  15. In tegenstelling tot pensioenstelsels gebaseerd op kapitalisatie, zijn repartitiestelsels ongevoelig voor schommelingen op de financiële markten. Ze houden tevens een grotere graad van solidariteit in dan de stelsels van individuele kapitalisatie. Na de grote depressie en WOII kenden repartitiestelsels bijgevolg een opleving. Ze werden beschouwd als verworvenheden van de klassenstrijd. In België werd na de oorlog een gemengd pensioenstelsel ingevoerd via de Besluitwet van 28 december 1944 Het gedeelte van financiering via repartitie werd echter steeds belangrijker. In het pensioenstelsel van de arbeiders werd de individuele kapitalisatie afgeschaft vanaf 1 januari 1954. Bij bedienden gebeurde dat geleidelijk vanaf 1957 en definitief op 1 januari 1968. Zie ook: www.vrouwenraad.be/dossiers/2006/genderwetswijzer/soc_zek_werkn.pdf
    In landen als Nederland, Denemarken en IJsland bedragen de pensioenvoorzieningen op basis van kapitalisatie meer dan 130% van het BBP van die landen. Groot-Brittannië en Ierland bevinden zich in de middenmoot van 50 tot 100% van het BBP. In Duitsland, Frankrijk, België en de meeste Zuid en Oost-Europese landen bedragen ze minder dan 20% omdat de repartitiestelsels er nog een belangrijkere rol spelen.
    De Nederlandse Bank, kwartaalbericht juni 2008
  16. Financial Times, 5 februari 2008, Why is it so hard to keep the financial sector caged?
  17. Andrew Glyn, 2006, Capitalism Unleashed, blz 86
  18. Andrew Glyn, 2006, Capitalism Unleashed, blz 136, 141, 146
  19. Zie punt 19, maar voor een meer algemeen overzicht Andrew Glyn, 2006, Capitalism Unleashed, blz.14
  20. Andrew Glyn, 2006, Capitalism Unleashed, blz 134
  21. K. Marx, loon, prijs en winst
  22. F. Engels, de toestand van de arbeidersklasse in Engeland
  23. Op 18 maart vroeg The New York Times zich af of de huizenprijzen in de VS dezelfde weg zouden afleggen als die in Japan tussen 1984 en 1999.
  24. Le Monde, 23 juni 2008, Les fonds d’investissement en quète de moralité. Leveraged buyout is een methode om een bedrijf over te nemen met minimale inzet van eigen kapitaal. De overname berust hoofdzakelijk op geleend geld. De activa of bezittingen van het overgenomen bedrijf doen dienst als onderpand. Later moet de lening door het overgenomen bedrijf worden terugbetaald. Doorgaans wordt het bedrijf grondig gereorganiseerd en opgedeeld, waarna delen worden verkocht om de leningen en obligaties af te betalen en winst te maken
  25. Deze tekst staat integraal op marxisme.be onder interne documenten
  26. La Libre Belgique publiceerde een overzichtelijke grafiek in haar editie van 23 januari 2008
  27. IMF data mapper 19 september ’08
  28. Bear Stearns was een van de grootste zakenbanken ter wereld. De bank werd in 1923 opgericht in New York. Eind 2006 werkten er 13.500 mensen.
  29. Bij futures verbinden kopers zich ertoe op een bepaald tijdstip een hoeveelheid grondstoffen voor een vastgestelde prijs te kopen, terwijl de producent van grondstoffen aanvaardt aan die prijs te leveren. De producent dekt zich op die manier in tegen te forse prijsschommelingen, de koper op de futures-markt hoopt dat de prijs tegen het moment dat de koop doorgaat, hoger zal liggen. De investeringen van grondstoffenspeculanten zouden tussen 2003 en 2008 gestegen zijn van 13 miljard $ naar 260 miljard $. Mo*, september 2008, Over geldhonger en lege magen.
  30. De Tijd, 16 augustus 2008, Europa op het randje van recessie.
  31. JK Galbraith, 1954, The Great Crash 1929
  32. The economist, 24 juli 2008, Workingman’s blues
  33. Sarah Palin is vice-presidentskandidate voor de Republikeinen, running mate voor Mc Cain

>>> Inhoud


Geef een reactie

0
    0
    Je winkelwagen
    Er zit niets in je winkelwagenKeer terug naar de winkel