Socialisme en de zin van het leven

Essay door George Novack uit 1972, vertaald door Andrej

 

Het humanisme plaatst de mens, en niet God of de natuur, centraal in haar wereldbeeld. En ze maakt van de lotsbestemming van de mensheid op aarde haar prioriteit. De materialist Feuerbach verwoordde het als volgt: “Mijn wereldbeeld kan in twee woorden samengevat worden: natuur en mens. Het wezen waar de mens van afstamt en tegelijk zijn bestaan aan dankt, is niet een mythische onbepaalde dubbelzinnige God uit de hemelen, maar het wezen van de natuur dat duidelijk, tastbaar en voelbaar is. En het wezen waardoor en waarin de natuur haar rationaliteit, persoonlijkheid en haar bewustzijn vertaalt, is de mens. Volgens mij kwam de onbewuste natuur eerst als eeuwige wezen, het is te zeggen: het kwam eerst in de tijd maar niet in belangrijkheid. Het kwam fysisch eerst, maar niet moreel. De mens met zijn bewustzijn komt in de tijd op de tweede plaats, maar in belang op de eerste plaats.”

De natuur komt qua tijd op de eerste plaats. Dit betekent dat het onjuist en misleidend zou zijn om het universum te benaderen vanuit een antropomorfisch oogpunt, vermits het universum of het wezen van de natuur al bestond voor het ontstaan van de mens, daar zelfs los van staat en de mens er een product van is. De mens kent de hoogste rang, zegt Feuerbach. Dit betekent dat het correct en noodzakelijk is om de sociale evolutie en de daaraan gekoppelde fenomenen met de hoogst mogelijke menselijke criteria in kaart te brengen.

De jonge Marx gaf een revolutionaire kleur aan deze filosofische stelling wanneer hij in zijn ‘Kritiek op Hegels’ Rechtsfilosofie’ in 1843 schreef: “De kritiek op de religie eindigt met de leer dat de mens het hoogste wezen is voor de mens, dus met de categorische imperatief de verhoudingen te revolutioneren waarin de mens een vernederd, geknecht, verlaten, verachtelijk wezen is.”

Onder de vragen die de humanistische filosofie moet beantwoorden, is er een niet onbelangrijke vraag die de meeste denkende personen zich al stelden: wat is de zin van het leven? Wat is het doel van het menselijke bestaan?

Filosofen en theologen worstelen al eeuwen met deze diepgaande vraag naar de zin en betekenis van het leven. De geschiedenis van de wijsbegeerte zorgde voor een ruim assortiment antwoorden om uit te kiezen. Sommige sceptici en misantropen beweren dat de zoektocht naar een antwoord op de vraag naar het de zin van het leven nutteloos is omdat de loop van de menselijke ontwikkeling nergens toe leidt. Het is zoals Macbeth verklaarde: “een verhaal verteld door een idioot, vol geroep en woede, maar zonder betekenis.” We staan verbijsterd en verloren voor wat Samuel Beckett de zinloosheid en hachelijkheid van het bestaan noemde.

Volgens deze filosofen is de enige zin die aan het menselijk bestaan kan gegeven worden van louter subjectieve aard. Betekenis wordt gegeven door de beslissingen en daden van het geïsoleerde individu en de waarden die zij of hij daar op willekeurige basis aan geeft.

Deze uitschakeling van iedere intrinsieke betekenis van het menselijke bestaan, is volgens hen het onvermijdelijke resultaat van het verdwijnen van het geloof in een alwetende godheid. Als God dood is en de mensen niet langer Zijn kinderen zijn, naar Zijn ontwerp en voorbestemd om Zijn wil uit te voeren, zoals de christelijke mythe het veronderstelt, dan hebben de beproevingen en triomfen van de mensheid niet lager een universele betekenis. Ofwel houdt men vast aan het geloof in een goddelijke voorzienigheid en voorbestemdheid, ofwel is de mensheid gedoemd tot een zuiver individuele en uiteindelijk hopeloze zoektocht naar een vorm van tijdelijke betekenis tijdens het korte bestaan. Een derde mogelijkheid is er niet.

De existentialisten en positivisten zijn lang niet de enigen die beweren dat de geschiedenis geen objectieve rationele betekenis kan toegekend worden, en dat de aanspraak van het wetenschappelijk socialisme op de het ontrafelen van een dergelijke betekenis van de geschiedenis ongegrond is. Een aantal humanistische denkers in Oost-Europa hebben in hun verwerping van het stalinistische despotisme en dogmatisme ook de leer van het marxisme overboord gegooid om een niet-materialistische positie in deze kwestie aan te nemen.

Tijdens zijn vlucht naar het scepticisme, opperde de Poolse filosoof Leszek Kolakowski dat de mens onvermijdelijk gaat zoeken naar een betekenis in de geschiedenis, maar dat we onvoldoende wetenschappelijk gereedschap hebben om dat te doen. Er zou geen uitweg uit deze netelige situatie zijn.

Elke geschiedenistheorie, waaronder ook de marxistische, is volgens Kolakowski niets anders dan een rechtvaardiging van God of een mythe. Het is een geloofsdaad waarin men kan geloven en waarnaar men kan handelen, maar er is geen rationale rechtvaardiging of empirische basis voor. De Amerikaanse dichter Carl Sandburg vatte hetzelfde idee samen in een kernachtig beeld: “Het verleden is een emmer vol asse.”

Vanuit deze verwerping van historische noodzakelijkheid glijdt Kolakowski af naar een irrationele subjectivistische interpretatie van de geschiedenis die niets met het marxisme gemeen heeft en eerder grenst aan het existentialistische beeld. Maar ook al zijn gebeurtenissen uit het verleden ondoorzichtig en onbegrijpelijk, er kan door de daden van de hedendaagse mens in het scheppen van de toekomst steeds een retrospectieve betekenis aan worden gegeven.

Het verleden wordt voorgesteld als een reeks gebeurtenissen zonder enige structuur, die naargelang de wens van een individu in de vorm die met het project van dit individu overeenstemt, gekneed kunnen worden. Vanuit deze hypothese kan dus gesteld worden dat indien de Amerikaanse geschiedenis resulteerde in de vernietiging van de Britse dominantie en de slavernij en met de triomf van het democratische kapitalisme, deze feiten geen betekenis op zich hebben en op verschillende manieren geïnterpreteerd kunnen worden. Een reactionair die alle progressieve elementen in deze gebeurtenissen wil ontkennen, heeft evenveel – of even weinig – objectieve rechtvaardiging hiervoor als iemand die de progressieve elementen wil bevestigen. Wetenschappelijke inzichten in historische processen kunnen, volgens deze denkwijze, geen rol spelen in het uitklaren van tegengestelde standpunten.

Hebben de menselijke activiteiten en verwezenlijkingen enige betekenisvolle zin voor ons of zijn ze zo chaotisch, onbepaald en onlogisch dat ze enkel willekeurig geïnterpreteerd kunnen worden op individuele basis? De dialectische materialist probeert niet doorheen openbaringen van een spook-God of doorheen het project van een wanhopige of net hoopvolle persoonlijkheid een antwoord op die vraag te vinden, maar wel door een wetenschappelijk inzicht te verwerven op de voorgezette ontwikkeling van de natuur en de samenleving.

De evolutietheorie is even stevig onderbouwd als elke andere wetenschappelijke ontdekking. Het bewijst dat de mensheid tegelijk een deel en een product van de natuur is, net zoals alle leven. Moleculaire biologie heeft aangetoond dat cellen van de eenvoudigste tot de meest complexe organismen bestaan uit hetzelfde genetische basismateriaal. Een eerste benadering van het probleem door naar de organische evolutie te kijken, is nuttiger dan als een verloren kind rond te dwalen in de mist van religieuze fantasie of dan vast te lopen in existentialistische futiliteit.

Maar tegelijk kan de studie van de natuur op zich geen voldoende antwoorden bieden. Dat antwoord kan er enkel komen met een wetenschappelijk begrip van de ontwikkeling van de samenleving en de drijvende krachten ervan. De natuurwetten van anorganische of organische fenomenen opereren willekeurig en doelloos. Natuurlijke ontwikkelingen hebben geen vooropgestelde planning of gericht doel, zelfs indien na zowat vijf miljard jaar als gevolg van de fysieke en biologische omstandigheden de eerste mensachtigen op de planeet opdoken.

Feuerbach stelde dat de teleologie – de doctrine die de natuur intentie oplegt – voortkomt uit het christelijke idealisme dat de natuur afleidt van een wezen die met een doel en een bewustzijn optreedt. Er is geen immanente teleologie in de kosmos die met voorbedachten rade de mensheid creëerde en in de verzuchtingen ervan voorziet, zoals Socrates dit geloofde. Menselijke wezens kwamen toevallig op het toneel door processen van materiële evolutie die niet op voorhand vastlagen.

Het gebrek aan van een bewust doel van de natuur werd duizenden jaren geleden voor het eerst vastgesteld en bediscussieerd door wijsgeren uit het oosten en het westen. De ‘Liezi’, een post-Confuciaanse verzameling van filosofische fragmenten die vaak uit de vierde en de derde eeuw voor onze tijdrekening komen, bevat het volgende verhaal dat eeuwen voor de moderne evolutionaire theorie inging tegen de religieuze en idealistische concepten van de natuur.

“Het Huis van Tien hield in de staat Chi een groot offerfeest met duizenden gasten. Halfweg het feest werd vis en wilde eend geofferd. De gastheer sprak de mensen met een zucht toe en prees de welwillendheid van de natuur die hen overvloedig voorzag van graan, vis en eend. Zijn toespraak werd warm onthaald door een applaus.

“Maar toen stond een 12 jarig jongetje, de zoon van het huis van Pao, recht en richtte zich tot de gastheer met de woorden: ‘Wat u zegt is onjuist. Alle wezens op aarde coëxisteren met de mens op basis van gelijkheid. Ze veroveren en bidden op anderen op basis van een grotere kracht of intelligentie. Geen enkele soort bestaat met als doel om anderen te dienen. De mensen aanbidden ook datgene dat ze niet kunnen veroveren. Hoe kunnen we zeggen dat de natuur deze dieren voor ons heeft gemaakt? Drinken muggen niet van ons bloed en eten tijgers en wolven ons vlees niet? Moeten we dan zeggen dat de natuur de mens heeft voortgebracht voor de muggen, tijgers en wolven?”

De existentialisten hebben gelijk als ze beweren dat de betekenis van het leven alleen door de mens zelf kan bepaald worden. Betekenis en gebrek aan betekenis komen voort uit de verhoudingen tussen subject en object, tussen de mensen en hun omgeving.

Maar op andere vlakken gaan de existentialisten te kort door de bocht. Ze slagen er niet in om te zien dat betekenis, doel en bewuste handelingen materiële oorzaken hebben en een historische oorsprong in de overgang van aap naar mensachtige wezen, ze zien niet dat dit onderdeel van het leven een steeds grotere objectieve inhoud heeft gegeven aan de activiteiten, verwezenlijkingen en ambities van de mensheid.

De betekenis van het menselijke bestaan kan niet afgeleid worden van een niet bestaande god of vanuit een vooraf bestaande natuur. Het kan enkel afgeleid worden van een analyse van de geschiedenis van de mensheid en haar verwezenlijkingen die ons lot op deze planeet mee vorm geven.

De vraag naar het belang van het verleden is niet enkel relevant op vlak van filosofie, geschiedenis, sociologie en politiek – het dringt door tot de kern van de moraal. Omdat existentialisten de sociale evolutie aan iedere betekenis hebben onttrokken, vinden ze geen andere basis voor morele oordelen dan bij het individu. Maar moraal heeft, zoals elk aspect van het leven, een eigen geschiedenis en kent een eigen objectieve basis in de samenleving. Haar wortels zijn terug te vinden in de collectieve strijd van de mensheid tegen de elementen van de natuur en in de klassenstrijd doorheen de beschaving.

Vooraleer we op onze vraag over de betekenis van het leven en de morele waarde ervan kunnen antwoorden, moeten we een correct en omvattend beeld hebben op de ontwikkeling van de samenleving, het verslag van het werk van de mensheid, de som van alle activiteiten. De mogelijkheid van bewuste doelen ontstond en ontwikkelde als integraal onderdeel van de specifieke menselijke capaciteit om productiemiddelen te creëren op basis van arbeid. Het maken van gereedschap was onmogelijk als er niet voorafgaand een duidelijke voorstelling van het ontwerp aanwezig was en dus ook het inzicht in het praktische nut ervan. Deze capaciteit en het vermogen om bewuste handelingen uit te voeren zijn het resultaat van de creatieve praktijk en maken het voor de mensen mogelijk om de betekenis te zien van wat ze in specifieke gevallen en op specifieke vlakken deden.

Hoewel de verscheidenheid van betekenissen groter werd naarmate de samenleving ontwikkelde, bleef het toch te beperkt voor de mensen om een meer algemene betekenis te zien voor al hun activiteiten als menselijke soort. Een miljoen (of meer) jaren van sociaal-historische ervaringen en ontwikkelingen waren nodig vooraleer de nodige voorwaarden aanwezig waren voor dit soort inzichten.

In de 19de eeuw werd de betekenis van de menselijke ontwikkeling doorheen de geschiedenis duidelijker door de ontdekkingen van het historisch materialisme.

Het marxisme legde uit dat mensen geschiedenis begonnen te maken toen ze het vermogen verwierven om samen te werken in de productie van levensmiddelen. In het proces van omvorming van hun bestaansvoorwaarden pasten ze zichzelf steeds opnieuw aan. De materiële basis voor het maken van geschiedenis en de belangrijkste bron van vooruitgang, bestond uit de ontwikkeling van sociale productiekrachten en alle kennis en cultuur die daaruit voortkwam.

Mensen zijn het onderwerp van de geschiedenis – en de geschiedenis verkreeg een algemene objectieve betekenis doorheen de opeenvolgende stadia van ontwikkeling door wat de mens deed. Het uiteindelijke resultaat van de collectieve inspanningen doorheen de millennia was de ontdekking van heel wat nieuwe menselijke capaciteiten doorheen de ontwikkeling van productiekrachten. De aard van deze capaciteiten kon niet op voorhand worden ingecalculeerd en kan ook niet geïnterpreteerd worden zonder kennis van de stuwende krachten in de historische ontwikkelingen die schijnbaar chaotisch verlopen.

Individuele handelingen en delen van collectieve ondernemingen mogen dan al doelbewust gebeuren, de algemene ontwikkeling van de sociale productieve krachten en de verhoudingen die daaruit voortkomen, ontwikkelen op een totaal onbewuste en ongeplande wijze. Marx omschreef dit fenomeen als ‘natuur-geschiedenis’. Het resultaat werd niet op voorhand bepaald of versterkt door een vooraf gesteld doel. De gevolgen voor de mensheid werden bepaald door wetten en krachten waar de mens geen controle op of begrip van had, met tal van tegenstellingen en overlappende doelstellingen. Er was geen centraal overkoepelend orgaan – menselijk of goddelijk – dat de loop van de gebeurtenissen bewust voorzag of er richting aan gaf.

De beschaving in het algemeen kon niet onder de bewuste controle van haar leden worden gebracht vooraleer drie voorwaarden vervuld waren: (1) de productiecapaciteit moest op basis van wetenschap en technologie tot een kwalitatief hoger niveau worden gebracht; (2) de wetten van historische ontwikkeling moesten begrepen worden; en (3) er was nood aan een sociale kracht die bewust kan handelen in overeenstemming met deze wetten om de economische, politieke en culturele overhand te verkrijgen.

De opeenvolgende vormen van sociale organisatie, van de stammensamenleving over het feodalisme, kenden een tekort aan materiële middelen, collectieve kennis en de sociale krachten voor zo’n onderneming. Deze voorwaarden waren pas aanwezig door de opkomst van het kapitalisme.

Bij het prille begin van de moderne wetenschap en het burgerlijke tijdperk waren er twee vooruitziende filosofen in West-Europa die de brede waaier aan mogelijkheden die ontstond verwelkomden. De eerste propagandist van de wetenschap, Francis Bacon, bevestigde dat zijn nieuwe ontdekkingsmethode ertoe zou leiden dat menselijke kennis zou samenvallen met menselijke macht. De twee elementen zouden elkaar versterken om het universum volledig te veroveren voor de mensheid. “Het ware en wettige doel van de wetenschap is niet anders dan dit: het menselijk leven verrijken met nieuwe ontdekkingen en machten”, schreef hij in The New Organon.

Descartes voorspelde dat zijn nieuwe techniek van twijfel die leidt tot onweerlegbare principes de mensheid “meester en bezitters van de natuur kon maken” en bijgevolg arbeid overbodig zou maken, de gezondheid verbeteren, de levensduur verlengen en alle verschrikkingen uit de vorige tijden zou uitroeien.

Hun voorspellingen werden deels gerealiseerd met de verwezenlijkingen van de natuurwetenschappen en de industrie. Hiermee verkreeg de mensheid een grotere controle op de fysieke wereld en enorme mogelijkheden om rijkdom te produceren.

Maar tegelijk zorgden de concurrentie en de anarchie van het kapitalistische systeem ervoor dat een ordentelijke en rationele vooruitgang van economische groei of een groeiende sociale ongelijkheid niet gerealiseerd werden. De kapitalistische samenleving zorgde voor een nieuwe ontwikkeling van de productiekrachten. Maar de socialistische beweging van de arbeidersklasse was de eerste die zowel het wetenschappelijk begrip als een bewust georganiseerde kracht voortbracht waarmee de verdere sociale ontwikkeling kon verbonden worden met de doelstellingen en verwachtingen van de werkende massa’s.

In de inleiding voor zijn “Lezingen over de filosofie van de geschiedenis”, samengesteld in 1830, schrijft Hegel: “Ook al wordt de geschiedenis gezien als een slachtbank voor het geluk van de mensheid, de wijsheid van de staten en de deugden van de individuen, dan nog komt de noodzakelijke vraag: met welk uiteindelijk doel werden deze ongelofelijke offers gebracht?” Hegel antwoordde dat het ultieme doel van de universele geschiedenis de realisatie van de vrijheid in de Absolute Idee was, zijn filosofisch synoniem voor God. Voor Hegel belichaamden de Pruisische grondwettelijke monarchie en het liberaal protestantisme die absolute idee.

Het marxisme ziet af van elke theologische of idealistische versie of perversie van de geschiedenis die deze ziet als de vervulling van een goddelijk geleide missie voor de redding van de mensheid. Volgens de materialistische opvatting van de geschiedenis is de mensheid zelf door haar eigen inspanningen ontwikkeld en dit doorheen opeenvolgende productiemethoden en sociale stelsels van de voedselverzamelaars tot de kapitalistische industrialisatie die de collectieve krachten van de mensheid hebben vergroot.

De mogelijkheden die de menselijke samenleving en haar leden in elke specifieke fase van de historische ontwikkeling kunnen bereiken, worden niet willekeurig bepaald door de mensen maar worden bepaald door de ontwikkeling van de productiekrachten waarover de samenleving beschikt en de positie die deze in de loop van de historische vooruitgang innemen. De doelstellingen kregen een concrete invulling in iedere periode van ontwikkeling. Ieder tijdperk stelt een reeks specifieke taken die moeten vervuld worden en die min of meer duidelijk waargenomen worden en al dan niet met succes worden gerealiseerd door de mensen die in dit tijdperk leven. Deze doelstellingen konden pas overstegen of vervangen worden door andere en grotere doelstellingen op het ogenblik dat een nieuw tijdperk van vooruitgang was aangebroken door de revolutionaire gevolgen van de verdere groei van de productiekrachten.

Op bepaalde ogenblikken, zoals in de Middeleeuwen, dachten de mensen dat het uiteindelijke doel van het menselijke leven voor hen bekend was. Het was echter een illusie. Maar hoe absoluut het doel van de mensheid op een specifiek ogenblik van sociale ontwikkeling ook mag lijken, het gaat steeds om in essentie relatieve, voorlopige en veranderende doelstellingen die steeds onderhevig zijn aan de blijvende uitbreiding (en zoals soms het geval was, inkrimping) van de sociale machten.

Een volledig begrip van het menselijke lot is vandaag, in deze vroege fase van evolutie, nog niet mogelijk. Onze soort heeft amper de mogelijkheid gekregen om de eigen unieke mogelijkheden te ontwikkelen. En ieder verder belang kan van de kaart geveegd worden als het menselijke leven stopt door een natuurlijke of door de mens veroorzaakte catastrofe die de planeet om zeep helpt.

Maar ondertussen is het mogelijk om te begrijpen wat de verwezenlijkingen van de wereldgeschiedenis inhielden en wat ongeveer hun belang voor ons op dit punt is. Als in elke fase de mogelijkheden en capaciteiten voor menselijke vooruitgang bepaald worden door de reële mogelijkheden en de materiële voorwaarden, dan bestaat de voornaamste taak in het heden erin om voort te bouwen op de verwezenlijkingen van onze voorgangers en de inherente beperkingen die ze niet konden overstijgen. In een klassensamenleving was het onmogelijk om de belangenconflicten rond de sociale surplus van rijkdom en de bijhorende gevolgen te ontwijken. Deze tegenstelling is niet langer onvermijdbaar.

Het werk van de mensheid en de waarde ervan bestaan uit het opdrijven van de productiekrachten tot op een niveau waarop de behoeften en wensen van iedere mens voor de ontwikkeling van zijn capaciteiten en zijn levensvreugde ingevuld worden. Dit feit bepaalt het hoogste doel van een verlichte mensheid. Er moet een einde worden gesteld aan het private bezit van de bronnen van rijkdom en de privileges en machten die hiermee gepaard gaan, om zo te kunnen bouwen aan een samenleving van overvloed waarin er een einde komt aan de tirannie van de arbeid, geld en de staat, een samenleving waarin de vervreemding die deze elementen voortbrengen wordt afgeworpen en waarin het potentieel van een vrije samenleving wordt gerealiseerd.

Dit bevrijdende vooruitzicht hangt af van de aanhoudende vooruitgang van wetenschap en technologie en de gelijke verdelen van de resultaten hiervan. Dit kan enkel verzekerd worden door een rationeel georganiseerde samenleving die zal voortkomen uit de wereldwijde socialistische revolutie.

Existentialisten wantrouwen zowel de natuur- als de sociale wetenschappen en weigeren de bevindingen ervan als leidraad voor het leven te erkennen. Dat is een uitdrukking van de reactionaire koers van hun filosofie. Wetenschap en de technologische toepassingen ervan zijn de meest energieke factoren in de moderne samenleving. Ze zijn inherent vernieuwend in hun gevolgen. Wie bang is van de stuwkracht hiervan ziet de progressieve mogelijkheden van onze tijd niet.

Sommige wetenschappers in de kapitalistische landen twijfelen eraan dat de grenzen van de wetenschap onbeperkt zijn. Toen de professor Dr Bentley Grass op pensioen ging als voorzitter van de American Association for the Advancement of Science stelde hij in een toespraak dat de horizon van de kennis beperkt is. Hij beweerde op de jaarlijkse bijeenkomst van de vereniging, op 29 december 1970, dat de snelle groei in wetenschappelijke kennis van de afgelopen eeuw niet langer kon blijven duren. Binnen een generatie of twee zal de wetenschappelijke vooruitgang wellicht stoppen, beweerde hij. Een jaar later maakte Dr Werner Heisenberg, een van de grondleggers van de moderne atoomfysica, een gelijkaardige opmerking bij zijn zeventigste verjaardag. Hij verklaarde dat de ultieme mogelijkheden bereikt waren met het onderzoek van de interne werking van materie.

Ondanks dergelijke beweringen zijn er geen inherente of waarneembare beperkingen voor de vooruitgang van de wetenschap of van de resultaten ervan. De wetenschap blijft de grenzen van het verleden terugdringen en gaat steeds dieper in op de oorsprong en de oorzaken van dingen waarbij de grenzen van vroegere kennis worden overstegen en ook de visies en vooruitzichten van vroegere onderzoekers achterhaald geraken. Een voorbeeld van de onderschatting van het ritme en het potentieel zagen we bij Charles Darwin, die zelf de wetenschap van het leven had omgevormd door de oorsprong van de soorten uit te leggen. Hij had dan wel een vermoeden dat het leven voortkwam uit een traag proces van chemische ontwikkeling, maar schreef in een brief aan een vriend: “Het is klinkklare onzin om nu over de oorsprong van het leven na te denken, je zou even goed kunnen nadenken over de oorsprong van de materie.”

Nochtans slaagden wetenschappers er sindsdien in om steeds meer geheimen van de oorsprong van het leven en de oorsprong van chemische elementen te ontdekken. Er wordt onverdroten gezocht naar de oorsprong van het universum en er wordt gezocht naar tekenen van leven op andere planeten. Deze vooruitgang komt er minder dan een eeuw na de dood van Darwin. Het geeft aan hoe gevaarlijk het is om op voorhand grenzen te bepalen voor de uitbreiding van de menselijke kennis of zijn vooruitziende machten. Die zijn immers onbeperkt.

Het duurde minder dan vijftig jaar om van de ontdekking van de radioactiviteit door Bequerel in 1896 tot het technisch gebruik van nucleaire processen te komen in de jaren 1940. Dit geeft aan hoe snel onder invloed van de moderne wetenschap voorheen onbekende natuurkrachten kunnen omgevormd worden tot directe productiekrachten die in staat zijn om de industrie te veranderen. Wetenschap stond voorheen in de schaduw van de technologie en de industrie, maar trekt het nu vooruit.

Het is echter een ding om vertrouwen te hebben in de wetenschappelijke mogelijkheden, maar een ander om te vertrouwen op de kapitalistische verhoudingen die de wetenschap aan banden leggen en beperken. De twee botsen met elkaar: elk aspect van wetenschappelijke inspanningen is intrinsiek sociaal en publiek; het kapitalisme is echter gebaseerd op private ondernemingen. Een van de doelen van de antikapitalistische revolutie zal zijn om de wetenschap en technologie te bevrijden uit de dwangbuis van de private belangen zodat de wetenschapper niet langer gegijzeld wordt door de winstjagers en hun oorlogsmachines maar integendeel dienaars worden van de welvaart van de mensheid.

G.E. Moore, een parochiale filosoof aan Cambridge, beschreef in zijn ‘Principia Ethica’ dat de meest waardevolle menselijke ervaringen in het plezier van vriendschap en in het genot van mooie dingen liggen. Een concept waarbij het hoogste goed niet verder gaat dan persoonlijke affectie en esthetische verrukkingen, wapent de mensheid niet voor de dringende taak om de wereld te veranderen.

De centrale betekenis van het leven vandaag bestaat erin dat het leven moet ontdaan worden van alle ballast van de klassenmaatschappij waardoor er geen vrije en volledige ontwikkeling van de mens mogelijk is. Dit moet vervangen worden door rationele menselijke verhoudingen zodat iedereen daadwerkelijk vrienden kan zijn en effectief van mooie dingen kan genieten.

De Poolse filosoof Adam Schaff stelde dat het ultieme doel van socialisme bestaat uit het bereiken van een gelukkig leven voor de volledige mensheid. “Sociaal eudemonisme betekent dat het uiteindelijke doel van het leven bestaat uit het grootste geluk voor de breedst mogelijke lagen van de bevolking”, schreef hij in ‘Marxism and the Human Individual’. Een dergelijke definitie legt wat teveel nadruk op de statische en psychologische aspecten van het ‘goede leven’. De Franse communistische filosoof Roger Garaudy komt dichter bij de kern van de zaak als hij stelt dat het communisme tot doel heeft om van iedere persoon een centrum van creatieve initiatieven te maken. Hij verwijst daarbij Marx die het in het ‘Communistisch Manifest’ heeft over “een associatie waarin de vrije ontwikkeling van ieder de voorwaarde is voor de vrije ontwikkeling van allen.”

Het socialistische ideaal is tot op de kern dynamisch. Het genot van dingen en het geheel van activiteiten die mensen plezier en voldoening geven, zijn onlosmakelijk verbonden met het toepassen en uitbreiden van de mogelijkheden van de mensheid. Hoe meer latente mogelijkheden tot uiting komen en ten dienste van de mensheid worden geplaatst, hoe meer mens we zullen worden.

De Stoïcijnen leerden dat de filosofie moet ontdekken wat binnen de grenzen van de menselijke mogelijkheden ligt en wat daarbuiten ligt, zodat een wijze persoon zich aan deze grenzen kan aanpassen. Dat kan al snel een recept voor aanvaarding van het status quo vormen. Het marxisme baseert zich op het echte potentieel van een bevrijde mensheid en houdt vol dat wat vandaag mogelijk zou zijn, slechts een springplank is naar wat daarna mogelijk wordt.

Het vermenselijken van onze soort begon met de uittrede van de mensachtigen uit het dierenrijk maar staat nog steeds in de kinderschoenen. Het ritme waarmee dit gebeurt is relatief traag omwille van de onverbiddelijke noodzaak om te werken om te overleven. Dat is de sociale tegenhanger van de onophoudelijke zoektocht van dieren naar eten. Eens deze verplichting om iedere dag te werken om de maag te vullen weg valt, dan kan het proces van vermenselijking met rasse schreden vooruit spurten.

Voor zover ons beperkte zicht vandaag kan reiken, is het dwingende doel van de mensheid om een einde te maken aan de klassensamenleving en om de voorwaarden te creëren die op de sterkst mogelijke wijze het openbloeien van de collectieve creativiteit mogelijk maken, een kenmerk dat zich oorspronkelijk manifesteerde bij de overgang van de mensaap naar de mens en dat zich sindsdien steeds manifesteerde in de verdere ontwikkeling van onze soort.

Op dit ogenblik kan een jonge rebel die niet volledig overtuigd is opwerpen: “Het is allemaal goed en wel voor historisch materialisten om hun wetenschappelijke analyse van historische processen naar voor te brengen en de gevolgen ervan te duiden. Maar dat lijkt allemaal zo koud en onpersoonlijk. Waar bevindt zich mijn plaats als individu die naar verbetering streeft binnen dit algemene kader? Ik moet toegeven dat het existentialisme heel wat beperkingen heeft, maar het besteedt ten minste aandacht aan dit aspect van het leven dat voor mij zo belangrijk is.”

Het existentialisme beweert dat mensen steeds kunnen en zouden moeten kiezen wat ze willen doen, en dit los van de objectieve omstandigheden. Ze zouden alles kunnen doen, maar moeten dan zelf de gevolgen ervan dragen en zullen uiteindelijk onvermijdelijk ontgoochelingen oplopen. Volgens deze filosofie moet er altijd een onoverbrugbare en ontroostbare kloof zijn tussen wat een individu wil en wat hij of zij uiteindelijk bereikt in deze absurde wereld. Het leven is immers één grote oplichterij. Dat is niets anders dan een pessimistisch credo.

Het marxisme vertrekt van een totaal andere analyse en een veel optimistischer beeld. Het klopt dat de meeste mensen een positie en functie in het leven hebben die hen toevallig is toebedeeld en waar ze zelf weinig of geen controle over hebben. De mogelijkheid van zelfbeschikking binnen het sterk door omstandigheden bepaalde leven is bijzonder beperkt. Zelfs met uitzonderlijke inspanningen kunnen ze weinig doen om hun situatie aan te passen en hun lot te veranderen door individuele vastberadenheid en inspanningen op zich. Dit gebrek aan vrijheid kan leiden tot morbide wanhoop.

Wat moet er dan gedaan worden? Het betekent niet dat we willens nillens gedoemd zijn om de slaaf van de omstandigheden te zijn of de hulpeloze en hopeloze slachtoffers van de omgeving waarin we toevallig door onze geboorte of door de loop der gebeurtenissen beland zijn. Het betekent ook niet dat we moedwillig vooruit moeten spurten, los van de omstandigheden, zoals een gokker die zijn of haar volledige lot laat afhangen van een geluksnummer en uiteindelijk bankroet eindigt.

Mensen kunnen zich boven het status quo plaatsen en een bijdrage leveren om tot verandering te komen door inzichten te verwerven in de redenen voor hun persoonlijke situatie en de pijnlijke situatie waarin de mensheid zich bevindt. En dan kunnen ze zich op die basis met anderen verenigen om samen op te treden en in te gaan tegen de reactionaire krachten die vandaag de macht misbruiken.

Er zijn vandaag twee belangrijke sociale formaties die de macht hebben. De ene heerst over de kapitalistische staten, de andere over de postkapitalistische landen. Eerst en vooral zijn er de verdedigers van het privaat bezit, de monopolies en de imperialisten. Daarnaast zijn er de verdedigers van bureaucratische dominantie. Het wegnemen van deze hindernissen op de weg naar een vrijere toekomst vormt de belangrijkste revolutionaire taak van deze generatie.

De meeste denkende mensen, en zeker idealistische jongeren, hebben het erg moeilijk met de schijnbaar onoverkomelijke afgrond tussen hun diepste verlangens en eisen aan de ene kant en de realiteit van de geschiedenis en de samenleving rond hen. Het existentialisme speelt op deze tegenstelling in door er een eeuwig en onverbeterlijk kwaad van te maken. Het predikt dat de glorie van het vrije individu erin bestaat om te rebelleren tegen de tragische menselijke omstandigheden, ook al is een nederlaag onvermijdelijk.

Sartre baseerde zich op deze premisse. Maar naarmate hij een beter inzicht kreeg in het streven van de onderdrukten, paste hij zijn perspectieven en waarden aan. Metafysische angst en gelijkaardige emoties zijn een luxe voor burgerlijke intellectuelen, stelde hij. Een dergelijke vervreemding weegt niet op tegen armoede en miserie. De jongere Sartre stelde in ‘Het zijn en het niets’ dat de mensheid niet kan gedefinieerd worden. Sindsdien heeft hij ingezien dat de mensheid eerst de materiële voorwaarden voor persoonlijke vrijheid moet verwerven en dit doorheen revolutionaire actie die een einde maakt aan uitbuiting en kolonialisme. Zonder zijn existentialistische methode te verlaten, zou de latere Sartre de boodschap van het marxisme naar voor brengen. Hij stelde terecht dat dit de dominante filosofie van deze tijd was.

Maar het marxisme neemt die plaats in omdat het aan de arbeidersklasse en alle andere progressieve elementen een weg aanbiedt om de bestaande orde te veranderen. Het leert dat revolutionaire massastrijd tegen sociaal onrecht rationeel is en resultaat kan opleveren. Deze strijd kan georganiseerd worden en tot overwinningen leiden. Het marxisme biedt een strategie voor collectieve overwinningen in plaats van de troost voor individuele nederlagen.

Als een wetenschappelijke theorie en een gids tot de actie is het revolutionaire marxisme een belangrijk hulpmiddel voor de anders geïsoleerde en gedesoriënteerde individuen in deze vervreemde samenleving. De principes en het programma – en de organisaties die er zich echt op baseren – beroepen zich op de rede van de mensen, op de fundamentele belangen en op hun gezond verlangen naar betere levensomstandigheden dan wat het kapitalisme te bieden heeft. Het is de meest verlichte en betrouwbare gids doorheen de chaos van gebeurtenissen die anders voor verwarring, overweldiging en vertwijfeling zorgen bij een individu die er alleen voor staat.

Ongeacht van wat de existentialisten leren en de sceptici bevestigen, kan het individu zijn of haar gekste ambities en grootste dromen in overeenstemming brengen met de eisen van sociale vooruitgang. De marxistische beweging biedt de methode en de middelen aan om dit te doen.

De afgelopen eeuw was het realistische humanisme en de revolutionaire kijk van het wetenschappelijk socialisme een inspiratiebron voor miljoenen mensen van alle leeftijden in alle delen van de wereld. De leer van het marxisme heeft ongeletterde boeren overtuigd naast industrie-arbeiders, studenten, intellectuelen, technici,… en het organiseerde mannen en vrouwen in actie.

Er is geen mysterie of magie verbonden aan de aantrekkingskracht en de sterkte van de marxistische ideeën. Ze stemmen overeen met de realiteit van ons bestaan, leggen de fundamentele oorzaken voor ons lijden en onze miserie uit, ze verklaren hoe we kunnen handelen om er een einde aan te maken en een betere wereld voor de mensheid tot stand te brengen. Kan een filosofie van het leven meer betekenisvol – of humanistischer – zijn dan het marxisme?

Print Friendly, PDF & Email