Historisch: Van waar komt het fascisme? Mussolini en Hitler als uitdrukking van wanhoop

Als we een beeld willen schetsen van wat fascisme inhoudt, is het belangrijk om niet alleen naar inhoudelijke standpunten te kijken maar ook naar de krachten in de samenleving die in staat zijn om in specifieke omstandigheden die inhoudelijke standpunten tot een materiële factor om te vormen. In die zin is het nuttig om de voorbeelden van het klassieke fascisme in Italië en Duitsland kort te beschrijven.

Dat het fascisme meer is dan “één figuur” die op basis van een “populistische boodschap” aansluiting vindt bij bredere lagen van de bevolking, werd duidelijk gemaakt in Italië in de jaren 1920 en Duitsland in de jaren 1920-30. Toen Hitler en zijn kleine groep aanhangers in 1923 probeerden aan de macht te komen via een staatsgreep in München, werd dit een totale mislukking. Nochtans bracht Hitler op dat ogenblik een gelijkaardige boodschap op een gelijkaardige wijze die 10 jaar later wel tot een overwinning voor het fascisme zou leiden. Wat was het verschil tussen 1923 en 1933? Het belangrijkste verschil werd gevormd door de uitbouw van een actieve sociale basis door de nazi’s, wat mee mogelijk werd door de financiële steun vanuit de burgerij en door de zwakheden in het antwoord van de arbeidersklasse op de ontwikkeling van de nazi’s.

Italië: Fascio di Combattimento

Met wortels in het 19e eeuwse conservatieve nationalisme, werd vlak na Wereldoorlog 1 de eerste fascistische organisatie in Italië opgezet met de beweging ‘Fascio di Combattimento’ van Mussolini (Fascio di Combattimento staat voor “bundeling van strijders”, met het idee om alle “gezonde Italianen” samen te brengen om het Italiaanse volk haar eer en glorie te bezorgen…).

Vlak na de oorlog kwam Italië in een economische depressie terecht met massale werkloosheid en een groot ongenoegen, zeker onder de kleinburgerij die de oorlog volop had gesteund. Mussolini baseerde zich op deze laag om een beweging op te bouwen rond een nationalistisch programma dat “solidaristisch” was.

Met solidarisme wordt bedoeld dat er geen tegenstelling zou zijn tussen arbeiders en patroons. De enige fundamentele tegenstellingen die aanwezig zijn, zouden volgens de solidaristen deze zijn tussen verschillende volkeren. Het “volk” zou een eigen identiteit hebben waardoor de verdeeldheid die er is tussen arm en rijk, tussen arbeider en kapitalist, niet relevant zou zijn. Dit leidde ertoe dat de fascisten zich sterk verzetten tegen stakingen, vakbonden en arbeidersstrijd in het algemeen.

De Italiaanse fascisten slaagden erin terrein te winnen op basis van belangrijke nederlagen van de arbeidersbeweging. Na de oorlog was de Russische Revolutie een inspiratiebron voor de ontwakende arbeidersbeweging in het land.

Geconfronteerd met een sociale catastrofe als gevolg van een oorlog, waarin gevochten werd om de belangen van een kleine nationale elite te verdedigen, was er een grote beweging met fabrieksbezettingen en betogingen. In 1919 waren er 1.663 stakingsacties in Italië, in 1920 waren dat er reeds 1.881. De dokwerkers staakten, net zoals 800.000 arbeiders in de staalsector.

Tegen 1920 was de beweging op een hoogtepunt, maar deze bleef steken op het niveau van fabrieksbezettingen die niet onderling verbonden werden in een landelijke strijd met de eerste stappen om nationaal de macht in handen te nemen en het Sovjetvoorbeeld in Rusland te volgen.

Het belangrijkste probleem was het gebrek aan een politiek verlengstuk: er was een arbeiderspartij nodig om op basis van de beweging een programma en activiteit te ontwikkelen waarmee het een impact kon hebben en waardoor het met correcte eisen de beweging vooruit kon stuwen. De sociaal-democraten waren te bang om conclusies te trekken uit de beweging en trokken zich terug. In de zomer van 1920 riepen ze op om de bedrijfsbezettingen te stoppen. De communisten stonden nog erg zwak en waren nog steeds te nauw verbonden aan de sociaal-democratische PSI. Ze waren niet in staat om een grote impact te hebben bij gebrek aan een duidelijk programma. Achteraf stelde Mussolini terecht dat in 1919-1920 de PSI geen gebruik maakte van een “unieke revolutionaire situatie”.

Als de arbeidersbeweging geen gebruik maakt van een revolutionaire situatie, proberen andere krachten terrein te winnen om een einde te maken aan die revolutionaire situatie. Het Italiaanse patronaat organiseerde zich tegen de arbeiders en deed daartoe beroep op de fascisten van Mussolini die met een toevloed van oorlogsveteranen over bereidwillige troepen beschikte die bereid waren om met fysiek geweld op te treden.

De gevolgen waren rampzalig. Tegen eind 1920 waren de meeste bedrijfsbezettingen gestopt en was er een enorme desillusie. Vooral die lagen die niet op een directe manier betrokken waren bij de acties maar er wel naartoe uitkeken als hoop op verandering, werden het sterkst getroffen door ontgoocheling. Aangezien de arbeidersbeweging er niet in geslaagd was een uitweg uit de impasse te bieden, zochten vooral de middenstanders, de uitoefeners van vrije beroepen en de boeren naar een ander middel om de orde te herstellen.

De versterking van de fascisten had onmiddellijke gevolgen. Eind november 1920 was er een gewelddadige aanval op het stadhuis van Bologna waarbij 10 doden vielen. Dit was een test voor de fascisten: Bologna stond immers gekend als een “rood bastion”. Het gebrek aan reactie tegenover de gewelddadige bezetting van het stadhuis door de fascisten, leidde ertoe dat hun zelfvertrouwen versterkte. Dat resulteerde dan weer in een opdrijven van geweld tegen arbeiders en andersdenkenden in het algemeen.

De PSI en de communisten hadden op dat ogenblik illusies in de burgerij om de fascisten te stoppen. Ze hielden hun eigen troepen tegen om de strijd aan te gaan en gingen zelfs over tot een formele “wapenstilstand”. Beide partijen deden oproepen aan de traditionele partijen om op te treden tegen de fascisten en hun geweld. Ze droegen zelf hun eigen wapens over en wat niet werd overgedragen, werd in beslag genomen door de politie.

De fascisten daarentegen werden minder geviseerd door de politie en ook niet door de traditionele partijen. Een aantal traditionele politici waren bereid om een kartel aan te gaan bij de verkiezingen van 1921. Daarmee hoopte Mussolini zijn beweging “aanvaardbaar” te maken en een grotere impact te verwerven. Dat lukte ook, dankzij het kartel verkregen de fascisten 38 verkozenen in het parlement. De burgerij dacht door middel van een kartel en een parlementaire aanwezigheid van de fascisten deze formatie onder controle te kunnen houden. De fascisten maakten er evenwel net gebruik van om hun eigen positie te versterken, ook al was er daartoe een zuivering van de eigen rangen noodzakelijk.

Bij de verkiezingen van 1921 betaalden de arbeiderspartijen een hoge prijs voor de nederlaag van de beweging van 1919-1920. De PSI verloor 7,7% en kwam uit op 24,7%. De nieuwe en jonge communistische partij haalde een bescheiden resultaat met 2,8% van de stemmen.

Sociale samenstelling van de Italiaanse fascisten in 1921:

  • 24,3% landarbeiders
  • 15,4% stedelijke arbeiders
  • 13,8% studenten
  • 12,0% boeren
  • 9,2% middenstanders
  • 6,6% vrije beroepen
  • Eind oktober 1922 slaagden de fascisten er zelfs in om naar aanleiding van een groots aangekondigde ‘Mars op Rome’ mee het bestuur in handen te nemen op vraag van het establishment dat dacht op die manier sterker te staan tegen de arbeidersbeweging die opnieuw van zich liet horen met acties. De arbeiderspartijen hadden het gevaar op dat ogenblik compleet onderschat. De communistische partij schreef tot vlak voor de Mars op Rome dat die mars er toch nooit zou komen. De PSI beperkte zich tot de mededeling dat de politie zou moeten optreden indien er onregelmatigheden zouden zijn. Van een eigen optreden van de arbeiderspartijen was er geen sprake.

    Door de zwakke tegenstand van de arbeidersbeweging, slaagden de fascisten er in om vrij snel tot een regeringspositie te komen. Vanuit die regeringspositie waren ze op dat ogenblik nog niet in staat om een openlijk fascistische dictatuur te vestigen op grote schaal, maar er kon daar wel aan gewerkt worden. Dat gebeurde door middel van geweld tegen de arbeidersbeweging. Tussen december 1921 en november 1922 werden 3.000 socialisten vermoord door fascistische troepen, de zogenaamde ‘zwarthemden’. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij aanvallen op stakingspiketten of arbeidersbijeenkomsten.

    De vorming van een coalitieregering in 1922 leidde aanvankelijk tot zware spanningen binnen de fascistische beweging, waar een aantal ‘radicalen’ ontevreden was omdat er teveel toegevingen gedaan werden aan de burgerlijke coalitiepartners. In juni 1924 moest Mussolini zelfs optreden tegen leden van zijn partij die verantwoordelijk waren voor de moord op een sociaal-democratische politicus, Giacomo Matteotti.

    Mussolini gebruikte de coalitieregering om de eigen positie te versterken en de troepen klaar te stomen voor repressie op veel grotere schaal. In 1926 verbood hij uiteindelijk alle andere politieke organisaties en werden tienduizenden antifascisten opgepakt en gevangen gezet. De vakbonden werden verboden en dagbladen die niet positief genoeg stonden tegenover de fascisten werden verboden. Vanaf eind jaren ’20 kwam er dus een openlijk fascistische dictatuur in Italië. Op sociaal vlak legde Mussolini in naam van de nationale eer harde regels op, waarbij verzet onmogelijk gemaakt werd door de fascistische repressie.

    Duitsland: NSDAP

    In Duitsland waren er heel wat gelijkenissen met de ontwikkeling in Italië. Ook hier waren er verschillende grote bewegingen van de arbeidersklasse die op een nederlaag uitliepen bij gebrek aan een duidelijk programma om komaf te maken met het rotte kapitalistische systeem dat had geleid tot oorlog en miserie voor een overgrote meerderheid van de bevolking. In 1918 werd de revolutie gestopt door de sociaal-democratische Partij (SPD) die zelf mee in de regering stapte. Ook in de jaren ’20 waren er nog tal van mogelijkheden voor revoluties, maar deze botsten op een gebrek aan leiding om een fundamentele stap vooruit te maken.


    In 1923 probeerden Hitler en co om met een putsch aan de macht te komen. Dit mislukte omdat de fascisten nog geen sterke basis hadden. Als gevolg werden de kopstukken van de putsch voor de rechtbank gebracht.

    Eind jaren ’20 ontwikkelde de stalinistische Communistische Partij (KPD) de theorie van het “sociaal-fascisme”. De KPD noemt zowat iedereen ‘fascistisch’, maar voor de sociaal-democraten en andere groepen binnen de arbeidersbeweging voegen ze daar de term ‘sociaal’ aan toe, als een soort ‘linkervleugel van het fascisme’. De stalinistische Communistische Internationale verkoos het “openlijke fascisme” van de nazi’s omdat dit ‘minder gevaarlijk’ zou zijn dan het ‘sociaal fascisme’…

    De economische recessie, met de diepe val van de economie in 1929, had een enorme impact op Duitsland waar de al erg fragiele economie in elkaar stortte. Tegen februari 1930 waren er 4 miljoen werklozen, in 1932 waren 26% van de werklozen jongeren dan 24 jaar.

    De KPD kon daarvan profiteren om zich op te werpen als radicale oppositie tegen het systeem. Maar ook de fascisten wonnen terrein, vooral omdat de KPD en de SPD heel wat mogelijkheden lieten liggen waardoor er ruimte was voor een retoriek op basis van ontgoocheling in de arbeidersbeweging. De Russische Bolsjewistische leider Trotski omschreef hoe het fascisme eigenlijk een uitdrukking was van contrarevolutionaire wanhoop nadat de revolutionaire hoop had gefaald. De Duitse socialiste Clara Zetkin stelde in 1923 reeds dat het fascisme het resultaat zou zijn indien de Russische revolutie niet werd verder gezet.

    De SPD betaalde een prijs voor het asociale beleid waarvoor het mee verantwoordelijk was. Bovendien had het in de strijd tegen de nazi’s illusies in de burgerlijke staat die wel zou optreden en de hete kastanjes uit het vuur zou halen. De stalinistische KPD zag het gevaar van het fascisme niet in. Volgens hen betekende een groei van de fascisten een ondermijning van de traditionele partijen en zou het fascisme een revolutionaire beweging versnellen. De Duitse communistische leiding deed niets anders dan verwarring creëren onder de arbeiders en legde daarmee de basis voor de tweedracht tussen sociaal-democratische en communistische arbeiders. Die verwarring ging gepaard met een onderschatting van het fascisme. Toen de nazi’s vlak voor het hoofdkwartier van de KPD betoogden, gaf de partijleiding bevel aan haar leden om niets te doen.

    Hierdoor konden de nazi’s zich versterken en ze kregen daartoe de steun van delen van de burgerij, zeker de burgerij uit de zware industrie. Hitler stelde achteraf dat hij in 1930 nooit een verkiezingsoverwinning had kunnen boeken zonder de financiële steun van de burgerij. Zonder auto’s, vliegtuigen en luidsprekers was het volgens hem niet mogelijk geweest om 107 zetels binnen te halen.

    Het gebrek aan sterke tegenstand van de arbeidersbeweging liet Hitler in ’33 toe om zonder noemenswaardige tegenstand de macht te grijpen in het land dat de sterkste georganiseerde arbeidersbeweging ter wereld had! Terwijl de – stalinistische – KP en de sociaal-democratie elkaars bijeenkomsten uit elkaar knuppelden, verpletterden de nazi’s elke oppositie. In 1933 reeds slaagde Hitler erin de vakbonden op te doeken en de leiders op te sluiten.

    Wat is fascisme?

    Doorheen de historische voorbeelden zijn een aantal belangrijke elementen van het fascisme duidelijk geworden.

    Fascisme wordt gekenmerkt door het breken van de onafhankelijke arbeidersorganisaties. Vakbonden en partijen werden verboden en de arbeidersbeweging werd geatomiseerd door de mobilisatie van lagen die losgekomen zijn van de arbeidersbeweging.

    De arbeidersklasse werd het verboden om zich te organiseren. Daartegenover plaatsen de fascisten het solidarisme en corporatisme (gemeenschappelijke organisaties van patroons en arbeiders op bedrijfsniveau). De nazi-ideoloog Gregor Strasser stelde dat het vertrekpunt van het nazisme wordt gevormd door “de geest en de inhoud van de gilden en corporaties in de middeleeuwen.” Dat maakt ook meteen de verhouding binnen die corporaties duidelijk: de arbeiders hebben er niets te zeggen.

    De klassieke fascisten hadden echter een probleem op economisch vlak. In hun retoriek moesten de fascistische krachten soms een dubbele houding aannemen. Enerzijds werd soms een links aandoende retoriek gehanteerd tegen het kapitalisme, zeker tegen het internationaal kapitalisme of pakweg de Joodse kapitalisten. Anderzijds werd soms de verdediging van kapitalisten opgenomen. De Duitse industrieel Krupp was een trouwe bondgenoot van Hitler. Om die dubbele houding te overbruggen, werd beroep gedaan op nationalisme en racisme. Het geloof in het volk en de grootsheid van dat volk werd centraal gesteld. Via die weg werd anti-kapitalisme omgeleid naar nationalisme. Goebbels stelde ooit in een toespraak dat de nazi’s wilden komen tot een socialistisch systeem, maar daartoe was verzet nodig tegen de Joodse kapitalisten: “Socialisme kan enkel bereikt worden als we ons verzetten tegen de joden. Omdat we socialisme willen, zijn we tegen de joden”. Het gebruik van de term “socialisme” wijst overigens op de pogingen om een linkse retoriek naar voor te brengen, ook al stemde dat niet overeen met de inhoud die er aan werd gegeven.

    Het omleiden van anti-kapitalisme tot nationalisme en racisme gebeurde in Italië en Duitsland op verschillende manieren, naargelang het de fascisten goed uitkwam. Zo was er in Italië een veel beperktere Joodse gemeenschap (met zo’n 50.000 tot 60.000 mensen). Dat verklaart waarom er in Italië aanvankelijk geen negatieve houding was tegenover de Joden en waarom er pas vanaf 1938 – mee onder invloed van nazi-Duitsland – repressief werd opgetreden tegen de Joden.

    Naast het economisch programma van solidarisme, zagen we in Duitsland en Italië dat er sterk nadruk werd gelegd op het nationalistische element. Het nationalisme – meestal samen met racisme – was verbonden en noodzakelijk voor het economisch solidarisme. Het nationalisme werd voorgesteld als een geloofskwestie en iets quasi sacraal. Daarmee werd ingespeeld op gevoelens van ontgoocheling nadat bredere lagen van de bevolking het slechter hadden als voorheen, of gevoelens van revanchisme die sterk leefden onder bijvoorbeeld de oorlogsveteranen.

    Daarnaast draagt het fascisme een sterk ethisch conservatisme mee (vb. tegen vrouwenrechten). Dat werd onder de fascistische dictaturen doorgetrokken met een sterke nadruk op het “normale” gezin met een vervolging van al wie anders was: mensen met een beperking, van vreemde afkomst,…

    De fascistische krachten in Italië en Duitsland konden pas na een fundamentele nederlaag van de arbeidersbeweging overgaan tot hun politiek van straatgeweld. Die nederlagen kwamen er door een gebrek aan verzet van de communistische partijleiders en illusies van de sociaal-democratische partijleiding in de burgerij en haar staatsapparaat. Zowel in Italië als Duitsland heeft de leiding van de arbeidersbeweging een verpletterende verantwoordelijkheid in het aan de macht komen van de fascisten.

    Het was op basis van de nederlagen van de arbeidersbeweging dat de middenklasse haar vertrouwen in de arbeidersklasse verloor en open begon te staan voor het alternatief van de fascistische wanhoop. Hitler erkende de rol van de middenklasse reeds vroeg. In zijn boek ‘Mein Kampf’ stelde hij dat lagen die ooit net boven het gemiddelde van de bevolking hebben uitgestoken, het veel moeilijker hebben als ze terugvallen in armoede en miserie. Samen met het lompenproletariaat (waaronder veel jongeren die nooit hadden gewerkt) en andere lagen van de bevolking die los waren gekomen van de arbeidersbeweging, vormde de middenklasse de voornaamste actieve basis voor de fascisten. Die actieve basis kon evenwel enkel worden ingezet door de steun van de grote burgerij aan de fascistische krachten.

    Vandaag zitten we in een compleet andere situatie. De slinger gaat vandaag naar links met een opkomende arbeidersbeweging die aan zelfvertrouwen wint na een moeilijke periode met het ideologisch offensief van de burgerij in de jaren 1990 (na de val van het stalinisme in Rusland en het Oostblok). De arbeidersbeweging bevindt zich in een opgaande fase en is haar eigen macht aan het ontdekken. Het zal natuurlijk nog de vraag zijn of deze opgaande fase tot succesvolle stappen vooruit en overwinningen zal leiden, maar het potentieel daarvoor is vandaag minstens even groot en misschien zelfs groter dan in de jaren 1920 en 1930.

    De arbeidersklasse staat vandaag numeriek en potentieel inhoudelijk veel sterker. De rol van de middenklasse is veel beperkter, onder meer door het wegconcurreren van de kleine zelfstandigen en winkeliers en de concentratiebeweging die eigen is aan het kapitalisme. Dat ondermijnt de mogelijkheden voor fascistische krachten om een grote actieve basis te ontwikkelen. Hierdoor ligt de nadruk sterker op het gebruik van een populistische methode en is het geweld – ook al zijn er voorbeelden van – beperkter dan destijds in Italië en Duitsland. Dat zijn allemaal factoren die het voor de fascistische krachten moeilijker maken en waardoor niet kan worden overgegaan tot gelijkaardige interventies als in de jaren 1920 en 1930. Dat is de reden waarom wij vandaag eerder de term “neofascisme” gebruiken. Er zijn fascistische elementen aanwezig in het programma en het kader van een partij als het VB, maar het ontbreekt de partij aan een sterke actieve basis die kan inspelen op de ontgoocheling in fundamentele nederlagen van de arbeidersbeweging om tot straatgeweld over te gaan.

    > Inhoudstafel

    Print Friendly, PDF & Email