Het overgangsprogramma. De doodsstrijd van het kapitalisme en de taken van de Vierde Internationale (DEEL 2)

11. Verbond van arbeiders en boeren

In het dorp is de landarbeider de wapenbroeder en bondgenoot van de industrie-arbeider. Ze zijn twee delen van één en dezelfde klasse en hun belangen zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Het programma van de overgangseisen is, met hier en daar enige veranderingen, hetzelfde voor het proletariaat van het platteland als voor de industrie-arbeider.

De boeren (farmers) vertegenwoordigen een andere klasse: de landelijke kleinburgerij. Die kleinburgerij bestaat uit verschillende lagen, vanaf half-proletarisch tot en met uitbuitende elementen. In overeenstemming daarmee is de politieke taak van het industrieel proletariaat, de klassenstrijd in het dorp te brengen. Slechts zo zal het de bondgenoten van de vijanden kunnen scheiden.

De eigenaardigheden van de nationale ontwikkeling van ieder land uiten zich het schrilst in de toestand van de boeren en gedeeltelijk van deze stedelijke kleinburgerij (ambachtslieden en handelaars), daar deze klassen, hoe talrijk ze ook zijn, in wezen overblijfselen van pré-kapitalistische productiemethodes zijn. De afdelingen van de Vierde Internationale moeten zo concreet mogelijk een aan de voorwaarden van ieder land aangepast programma van overgangseisen uitwerken voor de boeren (farmers) en de stedelijke kleinburgerij.

De meer ontwikkelde arbeiders moeten leren een duidelijk en concreet antwoord te geven op de vragen van hun toekomstige bondgenoten.

Zolang de boer een kleine, “onafhankelijke” producent blijft, heeft hij goedkoop krediet nodig, betaalbare prijzen voor landbouwmachines en meststoffen, gunstige transportvoorwaarden en een eerlijke organisatie van de afzet van de landbouwproducten. Intussen bestelen de banken, trusts en handelaars van alle kanten de boeren. Alleen de boeren zelf kunnen, met de hulp van de arbeiders, deze plundering een halt toeroepen. Er moeten comités van kleine boeren gevormd worden, en zij moeten gemeenschappelijk met arbeiderscomités en de comités van de bankbedienden de controle over de transport-, krediet- en handelsoperaties, die de landbouw betreffen, zelf in handen nemen.

De groot-burgerij verwijst valselijk naar de “onmogelijke” eisen van de arbeiders, om van het probleem van de goederenprijzen kunstmatig een wig te maken, die ze dan tussen de arbeiders en de boeren en tussen de arbeiders en de kleinburgerij van de stad drijft. De boeren, ambachtslieden en kleine handelaars kunnen, in tegenstelling tot de arbeiders, bedienden en kleine ambtenaren, geen loons- of salarisverhogingen vragen, die evenredig is met het stijgen van de prijzen. De officiële bureaucratische strijd tegen de duurte dient slechts om de massa te bedriegen. De boeren, ambachtslieden en winkeliers moeten zich echter als consumenten, hand in hand met de arbeiders, actief in de prijspolitiek mengen. Op de klachten van de kapitalisten over productie-, transport- en handelskosten antwoorden de consumenten: “Toon ons de boeken, wij verlangen controle over de prijspolitiek.” Organen van deze controle zullen prijscomités zijn, bestaande uit afgevaardigden van de fabrieken, van de vakbonden, van de coöperaties, van de boerenorganisaties, van de kleine man in de stad, van de huisvrouwen enz. Op deze manier zullen de arbeiders de boeren kunnen bewijzen, dat niet de hoge lonen de oorzaak van de hoge prijzen zijn, maar dat het de grote winsten van de kapitalisten en de zogenaamde kosten van de kapitalistische anarchie zijn

Het programma van de nationalisatie van de grond en de collectivisatie van de landbouw moet zo opgesteld worden, dat het radicaal de gedachte aan een onteigening van de kleine boeren of aan een dwangmatige collectivisering uitschakelt. De boer zal zolang eigenaar van zijn stuk grond blijven, als hij nodig en mogelijk acht. Om in de oen van de boeren het socialistische programma te rehabiliteren, moeten de stalinistische collectiviseringsmethodes, die door de belangen van de bureaucratie en niet door die van de boeren en de arbeiders gedicteerd werden, meedogenloos aan de kaak gesteld worden.

De onteigening van de onteigenaars betekent evenmin gedwongen onteigening van de kleine ambachtslieden en winkeliers. Integendeel, bij arbeiderscontrole over banken en trusts, en zeker bij de nationalisatie van de ondernemingen, kunnen aan de stedelijke kleinburgerij veel gunstiger krediet-, koop- en afzetvoorwaarden geboden worden dan onder de onbeperkte heerschappij van het monopolie. De afhankelijkheid van het particuliere kapitaal zal plaatsmaken voor de afhankelijkheid van een staat, die tegenover zijn kleine medewerkers en agenten des te voorkomender zal zijn, naarmate de werkenden de staat steviger in handen houden.

De praktische deelname van de uitgebuite boeren aan de controle van de verschillende takken van het economische leven zal de boeren toestaan zelf over de vraag te beslissen, of, wanneer en in hoeverre de overgang naar de collectieve bewerking van de grond lonend voor hen is.

De industrie-arbeiders verplichten zich, de boeren daarbij al hun medewerking te verlenen: via de vakbonden, de fabriekscomités en in het bijzonder via de arbeiders- en boerenregering.

De coalitie, die het proletariaat niet aan de “middenklassen” in het algemeen, maar aan de uitgebuite lagen van kleinburgerij van stad en land voorstelt, tegen alle uitbuiters, dus ook de “middelgrote” kan niet op dwang, maar alleen op een vrije overeenkomst berusten, die in een bijzonder “verdrag” vastgesteld moet worden. Dit verdrag is juist het door beide partijen vrijwillig aangenomen programma van overgangseisen.

12. Strijd tegen imperialisme en oorlog

De hele wereldsituatie en bijgevolg ook het binnenlandse politiek leven van de afzonderlijke landen, staan in het dreigende teken van de wereldoorlog. De dreigende catastrofe vervult nu reeds brede massa’s der mensheid met angst. De Tweede Internationale herhaalt haar verraderspolitiek van 1914 met des te groter zelfverzekerdheid, omdat de Komintern zich nu als voornaamste verdediger van het chauvinisme opwerpt. Nauwelijks had het oorlogsgevaar concrete vormen aangenomen, of de stalinisten werden, de burgerlijke en kleinburgerlijke pacifisten verre overtreffend, de kampioenen van de zogenaamde “nationale verdediging”. Een uitzondering maken ze slechts voor de fascistische landen, d.w.z. de landen waar ze zelf geen rol spelen. De revolutionaire strijd tegen de oorlog rust op deze manier geheel op de schouders van de Vierde Internationale.

De politiek van de bolsjewiki-leninisten in dit vraagstuk is vastgelegd in de programmathesen van het Internationaal Secretariaat, die ook nog vandaag hun geldigheid bewaren (“De Vierde Internationale en de oorlog”, 1 mei 1934). Het succes van de revolutionaire partij in de eerstvolgende periode zal vooral van haar politiek in het vraagstuk van de oorlog afhangen. De juiste politiek bestaat uit twee elementen: uit de onverzoenlijke houding tegenover het imperialisme en zijn oorlogen, alsmede uit de bekwaamheid, op de eigen ervaring van de massa te steunen.

In het oorlogsvraagstuk bedriegen de bourgeoisie en haar agenten meer dan in enig ander vraagstuk het volk met abstracties, algemene formules en pathetische frasen als: “neutraliteit”, “collectieve veiligheid”, “bewapening ter verdediging van de vrede”, “nationale verdediging”, “strijd tegen het fascisme”, enz., enz. Al deze formules lopen tenslotte daarop uit, dat het vraagstuk van de oorlog, d.w.z. het lot van de volkeren, aan de imperialisten, aan hun regeringen, diplomaten, generale staven, met al hun intriges en complotten tegen de volkeren, ter beslissing blijft overgelaten.

De Vierde Internationale verwerpt met verontwaardiging al deze abstracties: “eer”, “bloed”, “ras”, die bij de democraten dezelfde rol spelen als bij de fascisten. Maar verontwaardiging is te weinig. Men moet de massa helpen, met criteria, leuzen en eisen het concrete karakter van de bedrieglijke abstracties te herkennen.

“Ontwapening”? Maar de hele vraag is, wie zal wie ontwapenen? De enige ontwapening die in staat is de oorlog te verhinderen of er een eind aan te maken, is de ontwapening van de bourgeoisie door de arbeiders. Maar om de bourgeoisie te ontwapenen in het noodzakelijk, dat de arbeiders zichzelf bewapenen.

“Neutraliteit”? Maar het proletariaat is volstrekt niet neutraal in de oorlog van Japan tegen China of van Duitsland tegen de USSR. Dus verdediging van China en de USSR? Natuurlijk, maar niet met de handen van de imperialisten, die zowel China als de USSR zullen wurgen.

“Verdediging van het vaderland”? Maar onder deze abstractie verstaat de burgerij de verdediging van haar winsten en haar roof. Wij zijn bereid, het vaderland tegen vreemde kapitalisten te verdedigen, als wij onze eigen kapitalisten neergeslagen hebben en ze verhinderen zullen vreemde landen te overvallen; als de arbeiders en boeren van ons land de werkelijke meesters zullen zijn; als de rijkdommen van het land uit de handen van een kleine minderheid op het volk zullen overgaan; als het leger van een werktuig van de uitbuiters tot een werktuig van de uitgebuitenen zal zijn geworden.

Deze grondgedachten moeten we al naar de loop van de gebeurtenissen en naar de op een bepaald ogenblik bestaande denkrichting der massa’s in afzonderlijke concrete ideeën weten te vertalen. Daarbij moet een streng onderscheid gemaakt worden tussen het pacifisme van een diplomaat, professor, journalist en het pacifisme van een timmerman, boerenarbeider of een wasvrouw. In het enge geval is het pacifisme een dekmantel van het imperialisme, in het andere geval echter een vage uiting van wantrouwen tegen het imperialisme. Als een kleine boer of een arbeider over verdediging van het vaderland spreekt, dan meent hij de verdediging van zijn huis, van zijn familie en van de families van anderen tegen overvallen, bommen en gifgassen. De kapitalist en zijn journalisten verstaan onder verdediging van het vaderland, verovering van kolonies en markten, roofzuchtige vergroting van het nationale aandeel in het wereldinkomen. Het burgerlijke pacifisme en patriottisme zijn niets meer dan bedrog. In het pacifisme en zelfs in het patriottisme van de onderdrukten ligt aan de ene kant de haat tegen de vernielende oorlog, en aan de andere kant de gehechtheid aan wat zij geloven dat hun goed is, elementen die men moet begrijpen om de noodzakelijke revolutionaire gevolgtrekkingen te maken. Men moet in staat zijn deze twee vormen van pacifisme en patriottisme tegenover elkaar te stellen als zijnde aan elkaar vijandig.

Van deze overwegingen uitgaande, ondersteunt de Vierde Internationale elke, zelfs ontoereikende eis, als hij in staat is, de massa’s enigszins tot actieve politiek te brengen, hun kritiek uit te lokken, hun controle over de kuiperijen van de burgerij te versterken.

Vanuit dit gezichtspunt heeft bv. onze Amerikaanse sectie het voorstel om een referendum over de oorlogsverklaring te houden, kritisch gesteund. Vanzelfsprekend is geen enkele democratisch hervorming in staat de regeringen te beletten de oorlog te laten uitbreken, wanneer zij dit willen. Daarvoor moet openlijk gewaarschuwd worden. Welke illusies de massa’s echter in verband met het referendum ook mogen koesteren, deze eis weerspiegelt het wantrouwen van de arbeiders en boeren tegenover de burgerlijke regering en het parlement. Zonder die illusies te steunen of te sparen, moet uit alle macht het progressieve wantrouwen van de onderdrukten tegenover de onderdrukkers gesteund worden. Hoe breder de beweging voor het referendum worden zal, des te sneller de burgerlijke pacifisten zich ervan zullen distantiëren, des te erger de verraders van de “Communistische” Internationale gecompromitteerd zullen worden, des te scherper het wantrouwen van de werkende massa tegen de imperialisten zal worden.

Met dezelfde bedoeling moet de uitbreiding van het kiesrecht tot mannen en vrouwen van achttien jaar geëist worden. Hij die morgen opgeroepen wordt, om voor het “vaderland” te sterven, moet het recht hebben, vandaag zijn stem uit te brengen. De strijd tegen de oorlog moet voor alles de revolutionaire mobilisatie van de jeugd betekenen.

Het probleem van de oorlog moet in het volle licht gesteld worden en van alle kanten bekeken worden vooral rekening houdend met het aspect dat de massa’s op een bepaald moment beroert.

De oorlog is een gigantische onderneming, in het bijzonder voor de oorlogsindustrie. Daarom zijn de “zestig families” de patriottische gangmakers en de voornaamste provocateurs van de oorlog. De arbeiderscontrole over de oorlogsindustrie is de eerste stap in de strijd tegen de oorlogsfabrikanten.

Tegenover het ordewoord van de reformisten: belasting op de oorlogswinsten, stellen wij het ordewoord: inbeslagname van de oorlogswinst en onteigening van de oorlogsindustrieën. Waar de oorlogsindustrie “genationaliseerd” werd, zoals in Frankrijk, behoudt het ordewoord van arbeiderscontrole zijn volledige kracht: het proletariaat vertrouwt de staat van de burgerij evenmin als de individuele bourgeois.

  • Geen man en geen cent voor de burgerlijke regering!
  • Geen bewapeningsprogramma, maar een programma van werken van algemeen belang!
  • Volledige onafhankelijkheid van de arbeidersorganisaties van militaire en politiële controle!

De hebzuchtige en niets ontziende klieken, die achter de rug van de volkeren hun rol spelen, moet voor eens en voor altijd de beschikkingsmacht over het lot van de volkeren uit de handen geslagen worden. Daarom eisen wij:

  • Algehele afschaffing van de geheime diplomatie. Alle verdragen en overeenkomsten moeten voor iedere arbeider en boer te beoordelen zijn.
  • Militaire instructie en bewapening van de arbeiders en boeren onder onmiddellijke controle van de arbeiders- en boerencomités.
  • Stichting van militaire scholen tot opleiding van bevelhebbers uit de kringen van de werkenden, gekozen door de arbeidersorganisaties.
  • Vervanging van het bestaande, d.w.z. in kazernes ondergebrachte leger, door een volksmilitie die voortdurend in verbinding staat met de fabrieken, mijnen en boerderijen.

De imperialistische oorlog is de voortzetting en verscherping van de burgerlijke roofpolitiek. De strijd van het proletariaat tegen de oorlog, is de voortzetting en verscherping van zijn klassenstrijd. Het uitbreken van de oorlog verandert de toestand en gedeeltelijk de methoden van de strijd tussen de klassen, niet echter zijn doel en zijn fundamentele richting.

De imperialistische burgerij beheerst de wereld. Daarom zal de komende oorlog, in zijn diepste wezen, een imperialistische oorlog zijn. De wezenlijke inhoud van de politiek van het internationale proletariaat zal derhalve de strijd tegen het imperialisme en zijn oorlog zijn. De grondslag van deze strijd is: “de hoofdvijand bevindt zich in ons eigen land” of “De nederlaag van de eigen (imperialistische) regering is het kleinste kwaad”.

Maar niet alle landen op de aarde zijn imperialistisch. Integendeel, de meeste landen zijn het slachtoffer van het imperialisme. Enkele van de koloniale of half-koloniale landen zullen zonder twijfel de oorlog trachten te benutten om het slavenjuk af te schudden. Van hun kant zal de oorlog geen imperialistische, maar een bevrijdingsoorlog zijn. Het zal de plicht van het internationale proletariaat zijn, de onderdrukte landen in de oorlog tegen hun onderdrukkers bij te staan. Ook tegenover de USSR of iedere andere arbeidersstaat, die voor of tijdens de oorlog kan ontstaan, heeft het deze plicht. De nederlaag van elke imperialistische regering in de strijd tegen de arbeidersstaat of een koloniaal land is het kleinste kwaad.

De arbeiders van een imperialistisch land kunnen een anti-imperialistisch land echter niet door middel van hun regeringen helpen, hoe op het gegeven ogenblik de diplomatieke en militaire betrekkingen tussen de beide landen ook mogen zijn. Staat de regering in een tijdelijk, en uit de aard der zaak onbetrouwbaar bondgenootschap met dit land, dan blijft het proletariaat van het imperialistische land toch verder in oppositie op klassebasis tegen zijn regering en steunt zijn niet-imperialistische “bondgenoot” met zijn methoden, d.w.z. met de methoden van de internationale klassenstrijd (agitatie voor de arbeidersstaat en het koloniale land, niet alleen tegen hun vijanden, maar ook tegen hun trouweloze bondgenoten, boycot en staking in sommige gevallen, afzien van boycot en staking in andere gevallen, enz.)

Terwijl het proletariaat een koloniaal land of de USSR in de oorlog steunt, is het niet in het minst solidair met de burgerlijke regering van het koloniale land of met de thermidoriaanse bureaucratie van de USSR. Integendeel, het handhaaft, zowel tegen de een als tegen de ander, zijn volledige politieke onafhankelijkheid. Doordat het revolutionaire proletariaat een rechtvaardige en vooruitstrevende oorlog ondersteunt, zal het de sympathie van de werkenden in de kolonies en de USSR veroveren, daar de autoriteit en de invloed van de Vierde Internationale versterken en zo des te beter de ineenstorting van de burgerlijke regering in de koloniale landen, van de reactionaire bureaucratie in de USSR teweegbrengen.

In het begin van de oorlog zullen de secties van de Vierde Internationale zich onvermijdelijk geïsoleerd voelen: iedere oorlog overrompelt de volksmassa’s en drijft ze in de armen van het staatsapparaat. De internationalisten moeten tegen de stroom op zwemmen. Evenwel, de verwoesting en de ellende van de nieuwe oorlog, die reeds in de eerste maanden de bloedige verschrikkingen van de jaren 1914-18 ver achter zich zullen laten, zullen spoedig een ontnuchtering brengen. De ontevredenheid van de massa’s en hun opstandigheid zullen sprongsgewijs groeien. De secties van de Vierde Internationale zullen vooraan in de revolutionaire branding staan. Het programma van de overgangseisen zal een brandende actualiteit krijgen. Het probleem van de verovering van de macht door het proletariaat zal in zijn gehele omvang aan de orde gesteld worden.

Voor de mensheid uit te putten en in haar bloed te smoren, vergiftigt het kapitalisme de wereldatmosfeer met de damp van de volkeren- en rassenhaat. Het anti-semitisme is tegenwoordig één van de kwaadaardigste stuiptrekkingen van de doodsstrijd van het kapitalisme.

Onverbiddelijke aan-de-kaak-stelling van de rassen-vooroordelen, van alle vormen en schakeringen van nationale arrogantie en chauvinisme, in het bijzonder van anti-semitisme, moet, als buitengewoon belangrijk opvoedend werk in de strijd tegen het imperialisme en de oorlog, tot het dagelijks werk van alle secties van de Vierde Internationale behoren. Ons fundamenteel parool blijft: Proletariërs aller landen, verenigt u!

13. Arbeiders- en boerenregering

De formule “arbeiders- en boerenregering” kwam voor de eerste maal in het jaar 1917 in de agitatie van de bolsjewiki naar voor en ze werd na de oktoberrevolutie definitief bevestigd. In dit laatste geval vertegenwoordigde ze niets meer dan de populaire benaming van de reeds gestichte dictatuur van het proletariaat. De betekenis van deze benaming bestond hoofdzakelijk hierin, dat ze de gedachte van het bondgenootschap van het proletariaat en het boerendom, dat aan de sovjetmacht ten grondslag lag, op de voorgrond schoof.

Toen de Komintern van de epigonen de door de geschiedenis begraven formule van de “democratische dictatuur van het proletariaat en het boerendom” weer leven trachtte in te blazen, gaf ze de formule van “arbeiders-en boerenregering” een geheel andere, zuiver “democratische”, d.w.z. burgerlijke inhoud, doordat zij ze tegenover de dictatuur van het proletariaat stelde. De bolsjewiki-leninisten verwerpen het ordewoord van de “arbeiders- en boerenregering” in zijn burgerlijk-democratische interpretatie, met beslistheid.

Ze beweerden en beweren, dat zolang de partij van het proletariaat ervan afziet, buiten het raam van de burgerlijke democratie te treden, haar bondgenootschap met de middenklasse zich doodeenvoudig in een ondersteuning van het kapitaal verandert, zoals met de mensjewiki en de sociaal-revolutionairen in 1917 en met de Chinese communistische partij van 1925-27 [16] het geval was, en zoals het tegenwoordig met de “Volksfronten” in Spanje, Frankrijk en andere landen gebeurt.

Van april tot september 1917 eisten de bolsjewiki van de sociaal-revolutionairen en mensjewiki dat ze het bondgenootschap met de liberale bourgeoisie zouden verbreken en zelf de macht in handen zouden nemen. Onder deze voorwaarden beloofden de bolsjewiki aan de mensjewiki en sociaal-revolutionairen, de kleinburgerlijke vertegenwoordigers van arbeiders en boeren, hun revolutionaire hulp tegen de bourgeoisie; ze weigerden echter met beslistheid, zowel in de regering van de mensjewiki en sociaal-revolutionairen te treden, alsook enige politieke verantwoordelijkheid voor haar op zich te nemen. Indien de mensjewiki en sociaal-revolutionairen werkelijk met de kadetten en het buitenlandse imperialisme gebroken hadden, dan zou de door hen gevormde “arbeiders- en boerenregering” de vestiging van de dictatuur van het proletariaat slechts hebben kunnen bespoedigen en verlichten. Maar juist daarom verzetten de toppen van de klein-burgerlijke democratie zich uit alle macht tegen de vestiging van hun eigen macht. De ervaringen van Rusland toonden, en de ervaringen van Spanje en Frankrijk bevestigden opnieuw, dat de partijen van de kleinburgerlijke democratie (sociaal-revolutionairen, sociaal-democraten, stalinisten, anarchisten) zelfs onder zeer voordelige omstandigheden niet in staat zijn, een arbeiders- en boerenregering, d.w.z. een van de bourgeoisie onafhankelijke regering, te vormen.

Niettemin was de tot de mensjewiki en sociaal-revolutionairen gerichte aansporing: “Breek met de bourgeoisie, neem de macht over!” voor de massa’s van geweldige opvoedkundige betekenis. De mensjewiki en de sociaal-revolutionairen verspeelden met hun aanhoudend verzet tegen de machtsovername, dat in de juli-dagen zo dramatisch naar voor kwam, de gunst van het volk en dit bereidde de overwinning van de bolsjewiki voor.

De centrale taak van de Vierde Internationale bestaat hierin, het proletariaat van de oude leiding te bevrijden, wier conservatisme geheel in tegenspraak is met de catastrofale toestand van het ondergaande kapitalisme, en die de voornaamste hindernis van de historische vooruitgang vormt. De voornaamste beschuldiging, die de Vierde Internationale tegen de traditionele organisaties van het proletariaat richt, is dat ze zich niet van de politiek-halfdode bourgeoisie los wil rukken. Onder deze omstandigheden is de systematische tot de oude leiding gerichte oproep: “breek met de bourgeoisie, grijp de macht!” een buitengewoon belangrijk wapen om het verraderlijk karakter van de partijen en organisaties van de Tweede, Derde en Amsterdamse Internationale [17] te ontmaskeren.

Het ordewoord van de “arbeiders-en boerenregering” gebruiken wij slechts in de zin, die het in 1917 in de mond van de bolsjewiki had, d.w.z. als anti-burgerlijk, anti-imperialistisch ordewoord, maar in geen geval in zijn “democratische” betekenis, die de epigonen het ordewoord later gaven en die het van een brug naar de socialistische revolutie veranderden in de belangrijkste hindernis op de weg er naartoe.

Van alle partijen en organisaties, die op de arbeiders en boeren steunen, en in hun naam spreken, eisen wij dat ze politiek met de bourgeoisie breken en de weg van de strijd om de macht van de arbeiders betreden. Op deze weg beloven wij hun onze volledige steun tegen de kapitalistische reactie. Tegelijkertijd ontplooien wij een onvermoeide agitatie voor de overgangseisen, die volgens onze mening het programma van de “arbeiders- en boerenregering” moeten uitmaken.

Is de vorming van een dergelijke regering door de traditionele arbeidersorganisaties mogelijk? De ervaring tot op heden toont, zoals reeds gezegd, dat het op zijn minst genomen zeer onwaarschijnlijk is. Toch mag men niet van te voren de theoretische mogelijkheid uitsluiten, dat de kleinburgerlijke partijen, waaronder ook de stalinisten, onder invloed van een geheel ongewone samenloop van omstandigheden (oorlog, nederlaag, financiële ineenstorting, stormachtige revolutionaire massabeweging, enz.) verder de weg van de breuk met de bourgeoisie op zouden kunnen gaan, dan ze zelf zouden willen.

Eén ding is zeker: zelfs, als deze onwaarschijnlijke variant zich ooit zou verwezenlijken en als de “arbeiders- en boerenregering” in de bovengenoemde betekenis werkelijk tot stand zou komen, zou ze toch slechts een korte episode op de weg naar de echte dictatuur van het proletariaat vormen.

Het is echter nutteloos, zich in gissingen te verliezen. De agitatie met het ordewoord arbeiders- en boerenregering behoudt onder alle omstandigheden grote opvoedkundige betekenis. En dit is niet toevallig: dit heel algemene ordewoord ligt in de lijn van de politieke ontwikkeling van ons tijdperk (bankroet en ontbinding van de oude burgerlijke partijen, ineenstorting van de democratie, groei van het fascisme, toenemend streven van de werkenden naar meer actieve en offensieve politiek). Elk van onze overgangseisen moet daarom naar één en dezelfde politieke slotsom voeren. De arbeiders moeten met alle traditionele partijen van de bourgeoisie breken, om met de boeren hun eigen macht te vestigen.

Men kan niet voorzien welke concrete etappes de revolutionaire mobilisatie zal doorlopen. De secties van de Vierde Internationale moeten elke nieuwe etappe kritisch beoordelen en die ordewoorden stellen, die het streven van de arbeiders naar zelfstandige politiek bevorderen, het klassekarakter van deze politiek verdiepen, de reformistische en pacifistische illusies vernietigen, de verbinding van de voorhoede met de massa’s versterken en de revolutionaire greep naar de macht voorbereiden.

14. De sovjets (18)

De fabriekscomités zijn zoals gezegd een element van de dubbele macht in de fabriek. Hun bestaan is bijgevolg slechts denkbaar bij groeiende druk van de kant van de massa’s. Datzelfde geldt voor de massa-groeperingen voor de strijd tegen de oorlog, voor comités tegen de hoge prijzen en alle andere nieuwe middelpunten der beweging, waarvan alleen het ontstaan reeds bewijst, dat de klassenstrijd buiten het raam van de traditionele organisaties van het proletariaat uitgegroeid is.

Deze nieuwe organen en middelpunten voelen echter spoedig hun gebrek aan samenhang en ook hun ontoereikendheid. Geen van de overgangseisen kan tijdens het burgerlijke regime ten volle verwezenlijkt worden. Intussen zal de verscherping van de sociale crisis niet alleen het lijden van de massa’s vergroten, maar ook hun ongeduld, hun uithoudingsvermogen en strijdvaardigheid doen groeien. Steeds weer nieuwe lagen van onderdrukten zullen de kop opsteken en hun eisen naar voor brengen. Miljoenen kleine moeizame zwoegers, aan wie de reformistische leiders nooit denken, zullen bij de arbeidersorganisaties komen aankloppen. De werklozen zullen in beweging komen. De boerenarbeiders, de geruïneerde of bijna geruïneerde boeren, de onderste lagen van de stad, de arbeidsters, de huisvrouwen, de geproletariseerde lagen van de intelligentsia, zij allen zullen groepering en leiding zoeken.

Hoe moeten de verschillende eisen en vormen van strijd met elkaar in overeenstemming gebracht worden, al is het slechts binnen de grenzen van een enkele stad? De geschiedenis heeft deze vraag reeds beantwoord door de sovjets, waarin vertegenwoordigers van alle strijdbare groepen elkaar ontmoeten.

Niemand heeft tot op heden enige andere vorm van organisatie voorgesteld, meer nog, een andere vorm zou men zich nauwelijks kunnen voorstellen. De sovjets zijn niet door een vooropgesteld programma gebonden. Ze openen hun poort voor alle uitgebuitenen. Door deze poort gaan de vertegenwoordigers van de lagen die in hun gemeenschappelijk strijdgewoel meegesleept worden. De organisatie breidt zich met de beweging uit en wordt er voortdurend door vernieuwd. Alle politieke stromingen van het proletariaat kunnen op de basis van de breedste democratie om de leiding van de sovjets strijden. Het ordewoord van de sovjets is daarom de bekroning van het programma van de overgangseisen.

Sovjets kunnen slechts dan ontstaan, als de massabeweging in een openlijk revolutionair stadium treedt. Als spil, waarrond tientallen miljoen werkenden zich in hun strijd tegen de uitbuiters verzamelen, worden de sovjets vanaf het ogenblik van hun ontstaan rivalen en tegenstanders van de plaatselijke autoriteiten en vervolgens ook van de centrale regering. Vormt het fabriekscomité een element van de dubbele macht in de fabriek, de sovjets openen een periode van dubbele macht in het land.

De situatie van dubbele macht is op haar beurt het hoogtepunt van de overgangsperiode. Twee regimes, het burgerlijke en het proletarische, staan vijandig tegenover elkaar. Onvermijdelijk moeten ze met elkaar in strijd geraken. Van de afloop van deze strijd hangt het lot van de maatschappij af. In het geval van een nederlaag van de revolutie vestigt de bourgeoisie haar fascistische dictatuur. In het geval van de overwinning is het resultaat: macht van de sovjets, d.w.z. dictatuur van het proletariaat en de socialistische wederopbouw van de maatschappij.

15. Onderontwikkelde landen en het overgangsprogramma

De koloniale en half-koloniale landen zijn uit de aard van de zaak onderontwikkelde landen. Maar deze onderontwikkelde landen leven onder de omstandigheden van de wereldheerschappij van het imperialisme. Hun ontwikkeling is daarom een gecombineerde: ze verenigen in zich de meest primitieve vormen van economie met de modernste kapitalistische techniek en cultuur. Daarmee is ook de politiek van het proletariaat van de onderontwikkelde landen gekenmerkt: het is gedwongen de strijd voor de meest elementaire taken van de nationale onafhankelijkheid en de burgerlijke democratie met de socialistische strijd tegen het wereld-imperialisme te combineren. De eisen van de democratie, de overgangseisen en de taken van de socialistische revolutie zijn in strijd niet door historische tijdperken gescheiden, maar vloeien onmiddellijk uit elkaar voort. Nauwelijks was het Chinese proletariaat begonnen vakverenigingen te vormen, toen het reeds aan sovjets moest denken. In deze zin is het onderhavig programma in de koloniale en half-koloniale landen alleszins van toepassing, althans in die, waar het proletariaat reeds in staat is een onafhankelijke politiek te voeren.

De centrale problemen van de koloniale en half-koloniale landen zijn: de agrarische revolutie, d.w.z. de liquidatie van de feodale erfenis, en de nationale onafhankelijkheid, d.w.z. het afschudden van het imperialistische juk. Beide taken zijn nauw met elkaar verbonden.

Het is onmogelijk het democratische programma eenvoudig te verwerpen: het is nodig dat de massa’s zelf in de strijd boven dit programma uitgroeien. Het ordewoord van een nationale (of wetgevende) vergadering blijft in landen als China en India volledig van kracht. Dit ordewoord moet onophoudelijk met de taak van de nationale bevrijding en de agrarische hervorming verbonden worden. Voor alles moeten de arbeiders met dit democratische programma bewapend worden. Slechts zij kunnen de boeren wakker schudden en aaneensluiten. Op de basis van het revolutionaire democratische programma moeten de arbeiders in tegenstelling tot de “nationale” bourgeoisie gebracht worden.

In een zekere etappe van een massa-mobilisatie onder ordewoorden van de revolutionaire democratie kunnen en moeten er sovjets ontstaan. Hun historische rol in elke bepaalde periode, in het bijzonder hun verhouding tot de Nationale Vergadering, wordt bepaald door het politieke niveau van het proletariaat, door de binding tussen het proletariaat en de boeren en door het karakter van de politiek van de proletarische partij. Vroeg of laat moeten de sovjets de burgerlijke democratie omverwerpen. Alleen zij zijn in staat de democratische revolutie tot het einde te voeren en daarmee het tijdperk van de socialistische revolutie in te leiden.

Het specifieke belang van de diverse democratische eisen en overgangseisen in de strijd van het proletariaat, hun onderlinge verbinding, hun volgorde, worden door de bijzondere omstandigheden van elk onderontwikkeld land, in aanzienlijke mate door de graad van zijn onderontwikkeling bepaald. Echter, de algemene richting van de revolutionaire ontwikkeling kan door de formule van de permanente revolutie worden aangeduid, in de zin die de drie Russische revoluties (1905, februari 1917, oktober 1917) deze formule definitief verleenden.

De Komintern gaf de onderontwikkelde landen het voorbeeld, hoe men een krachtige en veelbelovende revolutie ten gronde kan richten. Gedurende de stormachtige groei van de massa-beweging in China in 1925-27 stelde de Komintern niet het ordewoord van de Nationale Vergadering en verbood ze tegelijkertijd de vorming van de sovjets. De burgerlijke Kwomingtang-partij zou volgens Stalins plan zowel de nationale vergadering als de sovjets vervangen. Na het neerslaan van de massa’s door de Kwomingtang organiseerde de Komintern in Kanton een karikatuur-sovjet. [19] Na de onvermijdelijke ineenstorting van de Kantonese opstand betrad de Komintern de weg van de partisanenoorlog en de boerensovjets, bij een volledige passiviteit van het industrie-proletariaat. Aldus in het slop geraakt, benutte de Komintern de Japans-Chinese oorlog om met één pennenstreek het “Sovjet-China” te liquideren en niet alleen het boeren-“Rode Leger”, maar ook de zogenaamde communistische partij weer aan de Kwomingtang, d.w.z. de bourgeoisie ondergeschikt te maken.

De Komintern, die de internationale proletarische revolutie in naam van de vriendschap met de democratische slavenouders verraden heeft, moet tegelijkertijd ook de bevrijdingsstrijd van de koloniale volkeren verraden, en wel met nog groter cynisme dan voor haar de Tweede Internationale deed. Eén van de taken van de politiek van Volksfronten en de “nationale verdediging” is, de honderden miljoenen tellende koloniale bevolking in kanonnenvlees voor het “democratische” imperialisme te veranderen. De banier van de bevrijdingsstrijd van de koloniale en half-koloniale volkeren, d.w.z. van meer dan de helft van de mensheid, gaat definitief over in handen van de IVe Internationale.

16. Het overgangsprogramma in de fascistische landen

De dagen dat de Komintern-strategen verkondigden dat Hitlers overwinning slechts een voorspel was van de overwinning van Thälmann [20], liggen ver achter ons. Thälmann is na meer dan vijf jaar nog niet uit de gevangenis van Hitler gekomen. Mussolini houdt Italië sinds meer dan zestien jaar in de boeien van het fascisme geslagen. In al deze jaren bleken de partijen van de Tweede en Derde Internationale onmachtig, niet slechts om een massabeweging in het leven te roepen, maar ook om een ernstige illegale organisatie te scheppen, die ook maar enigszins de vergelijking met de Russische revolutionaire partijen van de tsaristische periode zouden kunnen doorstaan.

Er bestaat niet de minste reden voor, de sterkte van de fascistische ideologie als de oorzaak van dit falen te zien. Mussolini heeft in de grond van de zaak nooit enige ideologie gehad. Hitlers “ideologie” heeft de arbeiders nooit serieus aangesproken. De bevolkingslagen die destijds door de roes van het fascisme bedwelmd waren, d.w.z. voornamelijk de middenklasse, hebben tijd genoeg gehad om te ontnuchteren.

Als desondanks de enige merkbare oppositie zich tot de protestantse en katholieke kringen beperkt, dan moet de oorzaak niet in de half-fascistische, en half-poppenkastachtige “rassen”- en “bloed”-theorie gezocht worden, maar in het verschrikkelijke failliet van de ideologieën van de democratie, van de sociaal-democratie en de Komintern.

Na de verplettering van de Parijse Commune duurde de verstikkende reactie ongeveer 8 jaar. Na de nederlaag van de Russische revolutie van 1905 bleven de arbeidersmassa’s bijna even lang in verstarring.

Intussen ging het in deze beide gevallen slechts om fysieke nederlagen, bepaald door de krachtsverhoudingen. In Rusland ging het bovendien om een nog bijna maagdelijk proletariaat. De fractie van de bolsjewiki was toen nog geen drie jaar oud. Geheel anders stonden de zaken in Duitsland, waar de leiding bij machtige partijen lag, waarvan de ene op een 70-jarig, de andere op een 15-jarig bestaan terugzag. Deze beide partijen, die miljoenen kiezers hadden, bewezen reeds voor de slag hun morele verlamming en hebben zich zonder strijd overgegeven. Zo’n catastrofe was in de geschiedenis nog niet voorgekomen. Het Duitse proletariaat werd niet in de slag door de vijand verslagen. Het werd vernietigd door de lafheid, de laagheid en het verraad van zijn eigen partijen. Geen wonder, dat het geloof in alles waarin het gedurende bijna drie generaties gewend was te geloven, verloor. Hitlers overwinning heeft van zijn kant Mussolini versterkt.

Het daadwerkelijke gebrek aan succes van het revolutionaire werk in Italië en Duitsland is niets meer dan de prijs voor de misdadige politiek van de sociaal-democratie en de Komintern. Voor illegaal werk heeft men niet alleen de sympathie van de massa’s nodig, maar daarenboven de geestdrift van haar meer vooruitstrevende lagen. Kan men echter geestdrift verwachten voor organisaties die historisch gezien bankroet zijn? Als geëmigreerde leiders treden in hoofdzaak tot in het merg gedemoraliseerde agenten van het Kremlin en de GPOE op, evenals voormalige sociaal-democratische ministers van de bourgeoisie, die ervan dromen dat de arbeiders hen door één of ander wonder weer op hun verloren plaats zullen helpen. Kan men zich deze lieden ook maar één minuut lang als de leiders van de toekomstige anti-fascistische revolutie voorstellen?

De gebeurtenissen in de wereld-arena: het neerslaan van de Oostenrijkse arbeiders, de nederlaag van de Spaanse revolutie, de ontaarding van de Sovjetstaat, konden tot dusver geen revolutionaire opbloei in Italië of Duitsland bevorderen. Voor zover de Italiaanse en Duitse arbeiders voor politieke inlichtingen, in hoofdzaak, van de radio afhankelijk zijn, kan men met zekerheid zeggen, dat de Moskouse zender, die thermidoriaanse leugenachtigheid aan domheid en brutaliteit paart, tot een belangrijke factor van de demoralisatie van de arbeiders in totalitaire staten geworden is. Zowel in dit als in ander verband is Stalin Göbbels’ handlanger.

Intussen zetten de klassentegenstellingen, die de overwinning van het fascisme brachten, hun werk ook onder de heerschappij van het fascisme voort, en ondergraaft het langzaam. De massa’s worden steeds meer ontevreden. Honderden en duizenden toegewijde arbeiders verrichten ondanks alles verder het voorzichtige werk van revolutionaire mollen. Nieuwe generaties, die de ineenstorting van de grote tradities en hoop niet direct meegemaakt hebben, groeien op. De moleculaire voorbereiding van de proletarische revolutie voltrekt zich onder een loodzwaar, totalitair deksel. Maar om de verborgen energie in openlijke bewegingen om te zetten, moet de voorhoede van het proletariaat eerst een nieuw perspectief, een nieuw programma, een nieuwe onbevlekte banier vinden.

Hier ligt de voornaamste moeilijkheid. Voor de arbeiders van de fascistische landen is het moeilijkst, zich omtrent de nieuwe programma’s te oriënteren. De verificatie van een programma geschiedt door middel van ervaring. Evenwel, juist de ervaring ontbreekt in de landen van het totalitaire despotisme. Het is heel wel mogelijk, dat er eerst een groot succes van het proletariaat in één van de “democratische” landen nodig is, om de revolutionaire beweging op het terrein van het fascisme een impuls te geven. Een soortgelijke werking kan een financiële of oorlogscatastrofe teweegbrengen. Thans moet men voornamelijk voorbereidend propagandistisch werk verrichten, dat eerst in de toekomst goede vrucht zal dragen. Eén ding kan men nu reeds met grote zekerheid zeggen: eenmaal aan de oppervlakte gekomen zal de revolutionaire beweging in de fascistische landen met één slag een grandioze omvang aannemen en in geen geval blijven staan bij pogingen om de levensgeesten van één of ander Weimar-lijk weer op te wekken.

Op dit punt begint de onverzoenlijke scheiding tussen de IVe Internationale en de oude partijen die hun bankroet fysiek overleefd hebben. Het “Volksfront” in de emigratie is het rampzaligste en verraderlijkste van alle mogelijke volksfronten. Het betekent in de grond het onmachtig weemoedig smachten naar de coalitie met een niet aanwezige liberale bourgeoisie. Zou het enige succes hebben, dan zou het slechts een reeks van nieuwe schipbreuken van het proletariaat volgens het Spaans model voorbereiden. Onbarmhartig de theorie en de praktijk van het Volksfront ontmaskeren is daarom een eerste voorwaarde voor de revolutionaire strijd tegen het fascisme.

Dit betekent natuurlijk niet dat de IVe Internationale de democratische ordewoorden afwijst. Integendeel, deze kunnen een geweldige rol spelen. Maar de formules van de democratie (vrijheid an vereniging, persvrijheid, enz.) betekenen voor haar slechts voorbijgaande en episodische ordewoorden in de zelfstandige beweging van het proletariaat, en niet een democratische strop, die door de agenten van de bourgeoisie om de hals gelegd werd (Spanje!). Zodra de beweging ergens een massakarakter krijgt, vlechten de democratische ordewoorden zich met de overgangs-ordewoorden samen; er zullen vermoedelijk fabriekscomités ontstaan, nog voor de oude bonzen, vanuit hun kantoren aan de opbouw van vakbonden beginnen: Duitsland zal met sovjets bezaaid zijn, nog voor in Weimar een nieuwe wetgevende vergadering bijeen zal zijn. Hetzelfde geldt voor Italië en de overige totalitaire en landen.

Het fascisme heeft deze landen in de politieke barbarij teruggeworpen. Maar hun sociale structuur heeft hen niet veranderd. Het fascisme is een werktuig van het financiekapitaal en niet van het feodale grootgrondbezit. Het revolutionaire programma moet gebaseerd zijn op de dialectiek van de klassenstrijd, welke ook voor de landen van het fascisme geldt, en niet op de psychologie van geschrokken bankroetiers.

De IVe Internationale verwerpt met afschuw de methoden van een politieke maskerade die de stalinisten, de voormalige helden van de “derde periode”, aanleiding geven, om beurtelings het masker van katholieken, protestanten, joden, Duitse nationalisten en liberalen op te zetten, alleen maar om hun eigen weinig aantrekkelijk gezicht te verbergen. De IVe Internationale treedt altijd en overal onder haar eigen vaandel op. Zij biedt haar programma openlijk aan het proletariaat van de fascistische landen aan. Reeds nu zijn de vooruitstrevende arbeiders van de hele wereld er onwrikbaar van overtuigd dat de val van Mussolini, Hitler, hun agenten en nabootsers ten uitvoer gebracht zal worden onder de leiding van de IVe Internationale.

> DEEL 3


Voetnoten

  • [16] Meer over China, zie: Leon Trotsky’s Collected Writings On China
  • [17] De Amsterdamse Internationale, of de 2 1/2e Internationale, probeerde een koers te varen tussen de 2e en 3e Internationale in.
  • [18] “Sovjet” is Russisch voor “raad”.
  • [19] Meer hierover vind je in Trotski’s On the Canton Insurrection. Three Letters To Preobrazhensky
  • [20] Thälmann was leider van de stalinisten in Duitsland. Hij staat symbool voor de theorie van de stalinisten dat een ‘openlijk’ fascistisch regime een stap dichter bij de revolutie zou zijn dan het ‘sociaal-fascistisch’ regime dat heerste vóór de machtsovername van Hitler. Op basis van het reactionaire bewind van de fascisten zouden de arbeiders sneller in actie komen aldus de stalinisten begin jaren ’30. De realiteit was anders.

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie