1830-1885: Enorme potentieel van de arbeidersklasse wordt duidelijk, maar blijft ongeorganiseerd

Het opkomende kapitalisme leidt tot de ontwikkeling van een arbeidersklasse omwille van de aard van de productie in het nieuwe systeem. De arbeiders hebben aanvankelijk sterk te lijden onder verschrikkelijke arbeidsomstandigheden en lage lonen. Dit leidt van bij het begin tot arbeidersverzet en zelfs opstanden. Toch wordt deze periode van de geschiedenis gekenmerkt door een sterk gebrek aan eigen organisaties. Het is de verdienste van onder meer Marx en Engels om het idee van een eengemaakte organisatie (zelfs op internationaal vlak) te vestigen doorheen de oprichting van de Eerste Internationale.

Repressie tegen arbeidersverzet

De industriële revolutie zorgt ervoor dat de burgerij de touwtjes in handen neemt, maar daarbij bleven wel de repressieve instrumenten behouden om deze te kunnen inzetten tegen de arbeiders. Zo maakte de burgerij veelvuldig gebruik van de zogenaamde ‘Wet Le Chapelier’, een wet die er aanvankelijk op gericht was om collectieve afspraken bij contracten te vermijden, maar die al snel gebruikt werd om collectief overleg van arbeiders te verbieden. Deze wet werd gebruikt om gezamenlijk overleg onder arbeiders te vervolgen. Tussen 1830 en 1866 werden in België op deze basis 1.611 arbeiders vervolgd, waarvan er 946 een gevangenisstraf kregen, 144 een geldboete en 521 werden vrijgesproken. In de zogenaamde werkrechtersraden (voorloper van de arbeidsrechtbanken) zetelden enkel patronale vertegenwoordigers. Tenslotte was er ook een werkmansboekje dat verplicht was. Dit was een boekje dat de werknemer bij het indiensttreden aan de werkgever moest overhandigen zodat deze hierin nota’s kon maken. Na het einde van de tewerkstelling werd het (meestal) teruggegeven, alleszins was het nodig om een nieuwe job te kunnen beginnen. Met opmerkingen over het ‘subversief’ karakter van een werknemer in het werkmansboekje, waren de kansen op een nieuwe job natuurlijk wel uitermate beperkt.

De repressie tegenover de arbeidersbeweging is maar één element dat verklaart waarom er nog amper sprake is van arbeidersorganisaties op dit ogenblik. Het belangrijkste element is echter dat de enorme woede onder de arbeiders nog niet duidelijk gekanaliseerd wordt, bij gebrek aan een visie op de rol van een organisatie en de kracht van een georganiseerde beweging. De arbeidersklasse was dan wel een ‘klasse an sich’ (een groep mensen die omwille van haar plaats in het productieproces een specifieke maatschappelijke klasse vormt), maar nog geen ‘klasse für sich’ (een klasse die zich bewust is van haar maatschappelijke positie en van daaruit gezamenlijk in actie kan komen). Dit maakte het voor de burgerij gemakkelijker om arbeidersprotest neer te slaan, of te kanaliseren voor eigen doeleinden. Dat was bijvoorbeeld het geval met de Belgische revolutie van 1830.

Belgische revolutie van 1830: burgerij gebruikt arbeidersopstand voor eigen doeleinden

In 1830 was er een enorme woede onder de groeiende arbeidersklasse. Dit werd versterkt door de strenge winter waardoor heel wat arbeiders honger leden. De arbeidersklasse was de decennia hiervoor snel gegroeid, zo waren er in 1825 reeds zo’n 150.000 arbeiders in Oostvlaamse katoenfabrieken. Het ongenoegen leidde tot heel wat spontane acties, zo werden machines vernietigd door arbeiders in Brussel, Luik en Verviers. Dit soort acties is een uitdrukking van wanhoop, waarbij de woede gekoeld werd op de machines. Dit bracht de arbeiders echter geen stap vooruit, aangezien hiermee geen betere lonen of arbeidsomstandigheden werden afgedwongen. Het vormde enkel een aanleiding voor nog meer repressie.

Anderzijds was het een uitdrukking van een groeiend potentieel van arbeidersstrijd. Onder de oppervlakte begon de klassenstrijd over te koken en dit kwam tot uiting in soms erg gewelddadige spontane acties. De burgerij maakte een inschatting van deze situatie en probeerde om de woede te kanaliseren tegen de Nederlanders. Op dat ogenblik was het huidige Belgische grondgebied nog een onderdeel van Nederland. De burgerij deed dit enerzijds om het protest af te leiden, maar anderzijds ook om de eigen positie te versterken om een grotere rol te kunnen spelen.

In de zomer van 1830 komt het ongenoegen tot een uitbarsting waarbij arbeiders massaal op straat kwamen. Daarbij waren er heel wat pro-Franse gevoelens aanwezig, vooral omwille van het voorbeeld van de verschillende Franse revoluties en de rol van de Franse arbeidersklasse daarbij. De Marseillaise, het strijdlied uit Frankrijk, werd ook hier overgenomen. Na een voorstelling van ‘De stomme van Portici’ werden regeringsgebouwen bestormd en slaagde de beweging erin de macht over te nemen. De opstand werd door de Belgische burgerij aangewend om de eigen positie te versterken door het ‘stelen’ van de arbeidersrevolutie. De revolutie werd gevoerd door de arbeiders, maar de gevolgen waren vooral voor rekening van de rijken. Er werd een nationaal conflict gecreëerd om de sociale kwestie naar de achtergrond te verdringen… Deze methode bij het ontstaan van België, zou nadien meermaals opnieuw toegepast worden!

De uiteindelijke Belgische onafhankelijk was enkel mogelijk door de steun van de bankiersfamilie Rotschild die een grote invloed had in Engeland en Frankrijk. Dit was bepalend voor de aanstelling van Leopold I als koning, de afbakening van het grondgebied (een deel van Limburg en Luxemburg moesten worden afgestaan), de verplichte neutraliteit van het land,… De inbreng van de Rotschilds bleek noodzakelijk om de Nederlandse financiële belangen te kunnen opkopen.

Dat de Belgische revolutie enkel voor de rijken verandering teweegbracht, bleek onder meer uit het feit dat politieke rechten zoals stemrecht slechts aan een uiterst kleine elite werden toegekend. Van de 4 miljoen inwoners, hadden slechts 40.000 Belgen stemrecht! Enkel wie voldoende verdiende of bezat, mocht stemmen. Voor de arbeiders die de Belgische revolutie hadden gevoerd op straat, veranderde er in de praktijk zowat niets. Dit was een pijnlijk gevolg van het gebrek aan eigen sterk uitgebouwde organisaties met een politiek perspectief waarmee leiding aan bewegingen kon worden gegegeven.

Miserie en armoede onder de arbeiders

De schrijnende toestand van de arbeidersklasse, was een internationaal gegegeven. Het was de basis waarop heel wat intellectuelen begonnen te radicaliseren en socialistische conclusies begonnen te trekken. In 1844-45 onderzocht Friedricht Engels bijvoorbeeld de toestand van de arbeidersklasse in Engeland. De miserie en armoede onder de arbeiders was enorm. België was daar zeker geen uitzondering op, integendeel. Van de 314.842 arbeiders in de industrie in 1846 waren er 66.385 kinderen. 7 jaar na de afschaffing van de kinderarbeid (1891), waren er op 842.000 arbeiders nog steeds zo’n 10% jonger dan 16 jaar. Het volledige gezin moest werken om zo net voldoende te hebben om de huishuur en iets van voedsel te betalen.

De gemiddelde arbeidsduur was tot het einde van de 19e eeuw ongeveer 14 uur per dag. Er werd 7 dagen op 7 gewerkt. Van de povere lonen ging zo’n 70% naar voedsel (voornamelijk aardappelen, zwart brood,… Vlees en vis waren zeldzaam wegens te duur). De huisvesting werd bovendien duurder door de snelle uitbreiding van de steden omwille van de ontwikkeling van de fabrieken. De huisvesting was niet bepaald luxueus, de meeste arbeiders leefden met een volledig gezin in één kamer in beluiken die eerder op een open riool leken. In de beluiken waren ziektes als tyfus en cholera wijd verspreid.

Uit een onderzoek naar de woningen in grote steden in de periode 1843-46 bleek dat een grote meerderheid van de arbeidersgezinnen leefde in één of maximum twee kamers. In Brussel ging dit om 20.546 van de 30.550 gezinnen, in Luik om 10.733 op 17.391 gezinnen,in Brugge 7.001 op 10.706 gezinnen, in Verviers om 4.251 op 5.671 gezinnen. De stijging van de huurprijzen zorgde ervoor dat in Antwerpen op het einde van de 19e eeuw reeds gemiddeld 30% van het gezinsinkomen aan huur werd besteed.

Dat de werk- en leefomstandigheden miserabel waren, had enorme gevolgen. Ook de gezondheid van de arbeidersbevolking leed eronder. Uit een studie bleek dat in het tweede kart van de 19e eeuw een gemiddelde 20-jarige textielarbeider zo’n 5 à 6 centimeter kleiner was dan leeftijdsgenoten eind 18e eeuw…

Het kapitalisme kende in deze periode nog een sterke ontwikkeling, onder meer door het opdrijven van de productiviteit (door het invoeren van een strikter arbeidsregime en langere arbeidsdagen) en door een concentratie van bedrijven. Waar in de mijnen in 1846 nog gemiddeld 100 arbeiders werkten voor één patroon, was dit in 1875 reeds 449. Bovendien was er in ongeveer dezelfde periode een verdriedubbeling van het totaal aantal mijnwerkers.

Eerste primitieve elementen van arbeidersorganisaties

Terwijl de burgerij, de oude adel en de Kerk samen beschikte over twee politieke formaties – de katholieken en de liberalen – was er geen politiek verlengstuk voor de arbeiders. Meer zelfs, er was amper sprake van eengemaakte arbeidersorganisaties op syndicaal vlak. Er waren wel arbeidersopstanden, maar door het ongeorganiseerd karakter van de arbeidersbeweging was er veel apathie, onwetendheid en passiviteit onder de arbeiders. Toch kwam het tot een aantal arbeidersopstanden, zoals het Katoenoproer in Gent in 1839 of de mijnstaking in Charleroi in 1867 (waarbij tien doden vielen door repressie van het leger in Montigny).

Er waren eerste initiatieven vanuit kleinburgerlijke hoek of onder invloed van een burgerlijk radicalisme, zoals met de Meetingbeweging van Jacob Kats. Bij deze initiatieven was er een invloed van utopisch-socialistische denkers en anarchisten zoals Proudhon (1809-1865). Proudhon analyseerde het kapitalisme, maar beperkte zijn alternatief tot het idee van coöperatieven van zelfproductie om op gedecentraliseerde wijze de macht geleidelijk over te nemen. Proudhon was bovendien tegen politiek getinte strijd, stemrecht was niet aan de orde aangezien Proudhon tegen de burgerlijke staat was… Deze opvattingen waren een uitdrukking van het ongeorganiseerd karakter van de arbeidersbeweging op dat ogenblik, maar het vormde wel geen weg vooruit. Het was immers van meet af aan duidelijk dat coöperatieven van arbeiders binnen het kapitalistisch systeem gewoon zouden weggeconcurreerd worden door de kapitalisten.

 Marx daarentegen stelde de noodzaak van klassenstrijd voorop waarbij die strijd ook over een eigen politiek instrument moet beschikken om uiteindelijk het kapitalisme te kunnen breken door een revolutionaire beweging. Marx verbleef van 1845 tot 1848 in Brussel en had een invloed op een aantal arbeiders. Dit kwam vooral omdat Marx niet enkel een analyse aanbood, maar ook een strategie om stappen vooruit te zetten. Marx was geen ‘filosoof’, maar een actieve politieke militant. Voor de marxisten was het op dat ogenblik belangrijk om het idee te vestigen van een organisatie die strijdbewegingen kon verenigingen en bovendien zou kunnen bouwen aan een politiek verlengstuk.

In die zin was de vorming van de Eerste Internationale in 1864 een immense overwinning voor de marxisten. In deze organisatie waren ook anarchisten, Engelse vakbondsactivisten en burgerlijke nationalisten actief. Maar het vestigde wel het idee van een eengemaakte organisatie. Dit had een invloed op de eerste arbeidersorganisaties in België. Zo waren er de Broederlijke Wevers en de Maatschappij van Spinners sinds 1857 in Gent, de Algemene Werkmansbond in Antwerpen (1862) of de Association Générale Ouvrière in Brussel. De Eerste Internationale had afdelingen in Brussel, Antwerpen, Gent, Verviers,… De organisatie groeide snel tot een 60-tal afdelingen en speelde bijvoorbeeld een belangrijke rol in de staking bij Cockerill in Luik in 1869. Het georganiseerd karakter zorgde voor een aantal successen. Zo werd een loonsverhoging voor de mijnwerkers in de Borinage afgedwongen en werd de 10-urendag ingevoerd in de metaal in Verviers, Brussel en Gent. Dit zorgde er tevens voor dat de Proudhonistische invloed afnam, ook bij Proudhonistische leiders in de Belgische afdeling zoals César De Paepe (1842-1890).

In haar korte bestaan, vestigde de Eerste Internationale het idee van een georganiseerde arbeidersbeweging. Na de nederlaag van de Commune van Parijs (1871), verdween de Eerste Internationale uiteindelijk wel als georganiseerde kracht. De formele ontbinding kwam er in 1876. Maar de sporen die deze organisatie naliet, zouden van beslissend belang zijn voor de verdere ontwikkeling van de arbeidersbeweging.

Inhoudstafel

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie