Trotskisme in Sri Lanka: tussen enorm potentieel en politiek falen

Als voortzetting van het oprechte bolsjewisme was de Linkse Oppositie en wat doorgaans het ‘trotskisme’ genoemd wordt nooit beperkt tot een Westerse politieke stroming. De revolutionairen binnen de Tweede Internationale vochten reeds tegen koloniale onderdrukking en ze bleven dit doen toen ze de Derde Internationale en uiteindelijk de Vierde Internationale vormden. Naast Bolivia en Vietnam wordt daarbij vaak naar Sri Lanka gekeken. De geschiedenis van het trotskisme in Sri Lanka toont zowel een enorm potentieel als de gevolgen van politieke zwaktes. In dit artikel bieden we geen volledig overzicht van deze geschiedenis, maar belichten we enkele hoogte- en dieptepunten.

Organiseren van de onderdrukten in een onafhankelijke arbeiderspartij

De centrale grondleggers van de Lanka Sama Samaja Party (LSSP) waren van betere afkomst. Het waren studenten die in Amerika en Groot-Brittannië kennis maakten met het communisme en het trotskisme. Daarin werd een grote rol gespeeld door voortrekkers als CLR James en Ajit K. Roy, de eerste was van Trinidad afkomst en de tweede van Bengalen. Een groep studenten rond Philip Gunawardena en NM Perera richtte in 1935 de LSSP op rond een programma van basiseisen voor de sociale meerderheid van de bevolking. Ondanks hun betere afkomst en hogere studies voelden Gunawardena en Perera zich thuis onder de werkenden en de meest onderdrukten en speelden ze een rol in de opkomende arbeidersstrijd. Onder de stichtende leden van de LSSP waren er ook enkele arbeiders en zowel Sinhalezen als Tamils.

In de jaren 1920 ontwikkelde er naast religieus-nationalistisch antikoloniaal verzet ook een arbeidersstrijd die eisen stelde. Er was een algemene staking in Colombo in 1923 met 20.000 deelnemers, een havenstaking in 1928 en een tramstaking een jaar later. Daarin groeide de Ceylon Workers Union van de sociaaldemocratische leider A.E. Goonesinha. Die militante strijd zette de arbeidersbeweging op de kaart, maar het politiek beperkte programma van Goonesinha en co bepaalde de limieten ervan. Na de tramstaking van 1929 sloot de vakbond een akkoord met de bazen om af te zien van plotse stakingen in ruil voor erkenning van de vakbond. Met de wereldwijde economische depressie begin jaren 1930 werd verder afstand genomen van ‘radicale’ methoden en eisen.

De revolutionaire studenten uit het buitenland en hun strijdmakkers in de jongerenliga’s in Ceylon wierpen zich ook binnen de syndicale beweging steeds meer op. Tijdens een staking van de 1400 arbeiders van de Wellawata Spinning and Weaving Mills in 1933 wierpen ze zich als leiders op. Colvin R de Silva, Gunawardena en anderen zetten in die staking een nieuwe vakbond op die wel bereid was om te strijden tegen loonsverlagingen. De Ceylon Workers Union probeerde de staking te breken door zelf op zoek te gaan naar stakingsbrekers en daarbij volop in te spelen op communautaire tegenstellingen. De staking duurde van februari tot juli en haalde uiteindelijk een overwinning.

Samen met radicaliserende jongeren hadden de revolutionaire studenten een grote impact in de jongerenliga’s die naar links geduwd werden. Via die weg speelden ze een rol in enkele afdelingen van de Suriya-Ma beweging, een campagne om rond 11 november bloemen te verkopen ten voordele van Sri Lankezen die in het leger hadden gediend tijdens de Eerste Wereldoorlog. Deze beweging werd steeds meer anti-imperialistisch en speelde een actieve rol in hulpverlening tijdens overstromingen in oktober 1934 en tijdens de malaria-epidemie van 1934-35 waarin 1 miljoen mensen ziek werden en er minstens 125.000 stierven. Activisten trokken naar de hardst getroffen regio’s om voedsel te verdelen. NM Perera werd bekend als ‘Parippu Mahathmaya’ ofte ‘mister Dhal’ omwille van de linzen die hij verdeelde.

Op basis van deze ervaringen onder de werkenden en onderdrukten lanceerden een 20-tal activisten op 18 december 1935 een nieuwe socialistische partij, de Lanka Sama Samaja Party, om deel te nemen aan de verkiezingen van 1936. Twee van de vier LSSP-kandidaten raakten verkozen: N.M. Perera en Philip Gunawardena. Begin 1937 telde de partij al 700 leden en kwam het partijblad op 8000 exemplaren uit. Tegen 1940 waren er 3000 leden.

De 22 eisen van het LSSP-programma weerspiegelden deze betrokkenheid bij strijd. Van de afschaffing van kinderarbeid over gratis maaltijden voor kinderen op school over gratis toegang tot graaslanden in elk plattelandsdistrict tot hogere minimumlonen, een 8-urige werkdag en elementen van sociale zekerheid. Als grote principes worden de socialisatie van de productiemiddelen, nationale onafhankelijkheid en de strijd tegen onderdrukking op basis van klasse, ras, kaste, afkomst en gender vooropgesteld.

De sterktes van dit programma komen voort uit de betrokkenheid bij strijd. Er zijn echter ook enorme beperkingen. Zo spreekt de LSSP zich niet uitdrukkelijk uit voor socialisme en wordt als naam het neutralere ‘sama samaja’ gekozen. De partij probeert zowel aanhangers van de Linkse Oppositie als stalinisten te verenigen, waarbij het geen duidelijk standpunt inneemt over de tactiek van het Volksfront. Die zette de revolutionaire mogelijkheden in Frankrijk en vervolgens Spanje op een zijspoor, wat ruimte liet voor de contrarevolutie en uiteindelijk de Tweede Wereldoorlog.

Een groot deel van de LSSP-leiding beschouwde zichzelf als trotskist, maar kwam daar amper mee naar buiten om de stalinistische minderheid in de partij niet af te stoten. Uiteindelijk kwam de breuk met de stalinisten er pas na het Stalin-Hitler pact toen de Tweede Wereldoorlog eigenlijk al begonnen was. Gunawardena stelde terecht: “Dit is een oorlog tussen imperialisten. Het is ook een oorlog voor de verdelen en herverdeling van kolonies en semi-kolonies. Wij zijn tegen elke imperialistische oorlog en tegen uitbuiting. Klassenstrijd stopt niet omdat een land in oorlog is.” De nefaste politiek van het stalinisme tegenover antikoloniale strijd was nochtans al veel eerder duidelijk. Niet alleen was er de ervaring van de Chinese revolutie van 1925-27, er waren ook recentere voorbeelden van verraad. Er waren de Moskouse schijnprocessen. Toen het Franse Volksfront in mei 1936 de verkiezingen won, riep de Communistische Partij de onderdrukte massa’s in de kolonies op tot passiviteit en het opgeven van de strijd voor nationale bevrijding. Nochtans was de overwinning van het Volksfront mee het resultaat van massale strijdbewegingen met ook stakingen in onder meer Algerije en een opgang van vakbonden en strijd in Indochina. Comintern-topman Manuilsky verklaarde in 1939 aan de Indische massa’s dat het recht op onafhankelijkheid ondergeschikt was aan het verslaan van het fascisme.   

Trotski merkte in een brief aan LSSP voortrekster Selina M Perera op: “De stalinisten in India steunen rechtstreeks de burgerlijke en kleinburgerlijke nationale partijen en doen er alles aan om de arbeiders en boeren via deze partijen te onderwerpen. Wat we moeten doen is een absoluut onafhankelijke proletarische partij oprichten met een duidelijk klassenprogramma.” (‘Letter on India’, 24 november 1939, Collected works 1939-40, p.104)

Internationale revolutionaire strijd tegen oorlog

Een stakingsgolf begin 1940 en de anti-oorlogspropaganda van de LSSP gaven aanleiding tot repressie. Op 18 juni werden Colvin R de Silva, N.M. Perera, E. Samarakkody en Philip Gunawardena opgepakt. Ze ontwikkelden een goede politieke relatie met de cipiers en konden meermaals een avond weg uit de gevangenis om deel te nemen aan vergaderingen van trotskistische leiders uit Ceylon en India. De LSSP probeerde een rol te spelen in het versterken van de Indische revolutionairen. Het deed dit vanuit een internationalistisch standpunt en het besef dat een revolutionaire omverwerping van het imperialisme en het kapitalisme in India cruciaal zou zijn voor de revolutie in Sri Lanka.

In het Manifest van de Vierde Internationale over de Imperialistische Oorlog (mei 1940) werd India aangewezen als één van de zwakste schakels van het imperialisme. “Het enige dat India kan samenvoegen is de agrarische revolutie onder de vlag van nationale onafhankelijkheid. Een revolutie onder leiding van de arbeidersklasse zal niet alleen gericht zijn tegen de Britse overheersing, maar ook tegen de Indiase prinsen, buitenlandse concessies, de toplaag van de nationale burgerij en de leiders van het Nationaal Congres, evenals tegen de leiders van de Moslimliga. Het is de dringende taak van de Vierde Internationale om een stabiele en krachtige afdeling in India te creëren.”

In 1942 ontsnapten de LSSP-leiders uit de gevangenis en trokken ze naar India waar ze mee bouwden aan de in 1941 opgerichte Bolshevik-Leninist Party of India, Burma and Ceylon (BLPI). Die partij verenigde groepen in verschillende delen van India, onder meer de Revolutionary Communist Party in Kolkatta die nauw verbonden was met de Britse trotskisten, en de Sri Lankese LSSP die leden van Tamil afkomst naar Chennai en Madurai stuurde en waarvan de leiders in Mumbai verbleven. In tegenstelling tot wat de naam laat vermoeden was er geen werking in Burma. Perera en Gunewardena zouden in 1943 opnieuw opgepakt worden in Mumbai en in 1944 in Kandy berecht worden. In 1942 kwamen ze net op tijd in India voor de stakingsgolf die door het land trok tijdens de ‘Quit India’ beweging die door Gandhi was opgestart. Die beweging leidde tot een golf van spontane stakingen. Die gingen gepaard met bloedige repressie en werden afgekeurd door de Communistische Partij. De BLPI kwam actief tussen in het protest en vestigde een reputatie. Het nieuws van deze beweging werd enthousiast onthaald door de internationale trotskistische beweging, onder meer de WIL in Groot-Brittannië en de Amerikaanse SWP. Het bevestigde het perspectief van revolutionair potentieel die een einde zou maken aan de imperialistische overheersing, de oorlog en het kapitalisme.

Het programma van de BLPI was meer afgewerkt dan dat van de LSSP uit 1935, met een grotere nadruk op socialisme en een scherpere overgangsbenadering. Er waren echter ook enorme beperkingen, zo werd niet ingegaan op de kastendiscriminatie (wel prominent in het LSSP-programma van 1935) of de communautaire kwestie, die na de oorlog zou aangegrepen worden voor een bloedige opdeling van India waarbij het sectair geweld door het imperialisme en de nationale burgerij werd ingezet als antwoord op het sterke arbeidersprotest aan het einde van de oorlog. De BLPI had er geen antwoord op. De meerderheid rond Colvin R de Silva betwistte op het partijcongres van 1944 het recht op zelfbeschikking van de moslimbevolking omwille van een “gebrek aan gemeenschappelijke historische traditie, taal, cultuur of ras, of inzake geografische en economische factoren.” Een minderheid, waaronder Anthony Pillai (afkomstig uit Jaffna en mede-oprichter van de LSSP in 1935), verdedigde daartegenover het recht op zelfbeschikking “zonder enige reserve.”

De trotskisten speelden een prominente rol in de protestgolf op het einde van de Tweede Wereldoorlog. Dit was in het bijzonder het geval in Chennai en Madurai, waar de BLPI militanten na de repressie van 1942 zich concentreerden op een invloed op de werkplaatsen. In Chennai leidden de trotskisten een staking van 7000 arbeiders in 1945 en hadden ze tien van de 40 leden in de vakbondsleiding, een jaar later werd Pillai verkozen als voorzitter van de 14.000 leden tellende Madras Labour Union (MLU). De trotskisten waren toonaangevend in de algemene staking van maart 1947 in Chennai waarin 40.000 betogers de straat optrokken en uiteindelijk meer dan 100.000 arbeiders staakten. De staking zou meer dan drie maanden duren. Pillai werd een nationaal bekende vakbondsleider en politieke activist die in 1948 samen met zes andere militanten van de MLU vlot verkozen raakte in de gemeenteraad van Chennai terwijl de CPI geen kandidaten had.

In 1946 organiseerden de trotskisten in Madurai een meeting met duizenden textielarbeiders en een jaar later een meeting met tot 15.000 aanwezigen om de uit Groot-Brittannië teruggekeerde Ajit Roy te horen spreken. Ook elders was er een impact. In Mumbai waren de trotskisten in februari 1946 de eersten om op te roepen tot een algemene staking als ondersteuning van de muiterij onder de mariniers.

De Britse kolonisten stimuleerden bewust de communautaire spanningen als reactie op de stakingsgolf meteen na de oorlog, die onder meer sterk stond bij het personeel van post, spoor en banken en waarbij er honderden meetings en massaprotesten waren.

In het tussenkomen in het revolutionair potentieel blonken de trotskisten uit, maar de zwakheden rond onder meer de nationale kwestie en de verwarring rond de eis van een grondwetgevende vergadering, beperkten het antwoord op de onvermijdelijke terugslag in de jaren nadien.

De vooraanstaande rol in arbeidersstrijd ging bovendien niet gepaard met een consistent uitbouwen van een sterke revolutionaire partij. Het aantal BLPI-leden stond totaal niet in verhouding tot de invloed van de leiders ervan in de arbeidersbeweging. In alle verwarring was er de daaropvolgende jaren een versplintering van de Indische trotskisten, zelfs indien velen van hen een belangrijke rol in de arbeidersbeweging bleven spelen.

Welke onafhankelijkheid?

Philip Gunawardena en N.M. Perera richtten in 1945 de LSSP terug op, waarop ze uit de BLPI werden gesloten. Een poging tot fusie mislukte op basis van de valse beschuldiging van de LSSP-leiders dat Doric de Souza een Britse politie-agent was. De BLPI-afdeling in Sri Lanka doopte zichzelf om tot de Bolshevik Samasamaja Party (BSP) en werd geleid door Colvin R de Silva en Leslie Goonewardene. Beide partijen waren erg actief in de syndicale strijd van 1946-47 die de kracht van de arbeidersbeweging toonde, zelfs indien het niet tot overwinningen kwam. Ze haalden samen 15 van de 101 zetels in het parlement van Ceylon in 1947.

Ten tijde van de onafhankelijkheid in 1948 was er veel debat. De LSSP van Philip Gunawardena en NM Perera, de grootste van de twee socialistische partijen, was geneigd om de onafhankelijkheid toe te juichen. Meer nog: achter de schermen werd toen al geprobeerd tot een akkoord te komen met een deel van de zogenaamd progressieve burgerlijke politiek rond wat de Sri Lanka Freedom Party (SLFP) van SWRD Bandaranaika zou worden, een partij die verschillende keren de LSSP en de Communistische Partij in een coalitie zou opnemen. De LSSP stelde in 1948 dat er een terugtocht van de klassenstrijd was na de nederlagen van de syndicale strijd in 1946-47. De partij beweerde dat er in een periode van terugtocht minder ruimte was voor een klassenstandpunt. In die context kon de politieke onafhankelijkheid maar beter toegejuicht worden, zelfs indien er geen economische onafhankelijkheid was. De LSSP-leiders zagen niet in dat de arbeidersstrijd van 1946-47 slechts een voorbode was van grotere strijdbewegingen, met de werkende klasse die haar stempel op de gebeurtenissen begint te drukken. Er was net nood aan een duidelijk klassenstandpunt. Dit had de partij beter voorbereid op de strijd in de jaren 1950, met de grote Hartal (algemene staking gecombineerd met de sluiting van kleine handelszaken) van 1953. In plaats van zich daarop te baseren om de revolutionaire positie te versterken, trad de in 1950 herenigde LSSP in 1964 toe tot een regering onder Bandaranaike. Wellicht vonden de LSSP-leiders het vanuit een regeringspositie nog minder evident om een klassenprogramma en bijhorende acties te ontwikkelen.

De BSP nam in 1948 een ander standpunt in. Voortrekker Colvin R de Silva: “Er is verandering. Maar de essentie van deze verandering ligt niet in de overgang van een koloniale naar een onafhankelijke status, maar in de verandering van het Britse imperialisme van directe heerschappij naar indirecte heerschappij.” Zijn partij nam samen met de Communistische Partij het initiatief tot massaprotest op de dag van de onafhankelijkheid, waarbij tot 50.000 betogers op straat kwamen om ‘echte onafhankelijkheid’ te eisen. Dit toonde het potentieel voor een onafhankelijk klassenstandpunt, zelfs indien de oproep sterk focuste op verzet tegen de ‘fake onafhankelijkheid’ zonder veel nadruk op wat echte onafhankelijkheid zou inhouden met een overgangsbenadering tussen de dagelijkse strijd en wat socialisme voor de massa’s betekent. Uiteindelijk zou de BSP terug fusioneren met de LSSP en zouden voormalige BSP-leiders evengoed minister worden in regeringen met burgerlijke coalitiepartners.

Die fusie vormde voor Gunawardena de reden om uit de partij te vertrekken en zijn eigen partij op te zetten, de Viplavakari Lanka Sama Samaja Party (VLSSP). In 1956 werd hij minister van landbouw, voedsel en coöperatieven in de regering-Bandaranaika, die op dat ogenblik de ‘Sinhala only’ wet oplegt waarmee enkel het Singalees als officiële taal werd erkend. Zijn VLSSP werd in 1959 omgedoopt tot de Mahajana Eksath Peramuna (MEP), die vaag links was, en waar hij opgevolgd werd door zijn zoon Dinesh Gunawardena die in juli 2022 als premier werd aangesteld na het door protest afgedwongen vertrek van de familie-Rajapaksa.  

“Eén taal, twee landen. Twee talen, één land”

In de stakingsgolf van 1946-47 en vooral in de nationale algemene staking van 1953 speelde de LSSP een belangrijke rol. De rechtse United National Party (UNP) won de verkiezingen van 1952 en voerde harde maatregelen door zoals de verhoging van de prijs van rijst met bijna 200% en besparingen op sociale uitgaven. De staking hiertegen werd gedragen door militanten van de LSSP, de CP en de partij van Gunawardena. Onder druk van onderuit bleef de staking op veel plaatsen niet beperkt tot één dag, het protest werd tegen de LSSP-leiding in doorgezet. De staking brak het beleid van de regering en leverde de LSSP een enorme reputatie op, die onder meer leidde tot een overwinning in de gemeenteraadsverkiezingen van 1954 in Colombo waar de LSSP een meerderheid behaalde. Er was echter veel meer mogelijk geweest mits een scherp revolutionair perspectief.

Tegenover de opgang van de arbeidersbeweging deden de burgerij en de kleinburgerij beroep op de nationale kwestie. De erfenis van het Britse kolonialisme leefde ook in de verdeel-en-heerspolitiek verder. De vraag welke taal erkend zou worden, verhitte de gemoederen. De SLFP van Bandaranaika pleitte voor ‘Sinhala Only’, met eventueel de mogelijkheid van de erkenning van Tamil als een regionale taal. Het argument hiervoor was dat de Sinhalezen een meerderheid vormden.

De LSSP nam aanvankelijk een correct standpunt in. Het verklaarde dat de keuze ging tussen de erkenning van beide landstalen zodat Ceylon één land kon blijven, of dat er uiteindelijk strijd zou ontstaan om tot twee landen te komen. “Eén taal, twee landen. Twee laten, één land,” vatte dit samen. N.M. Perera verklaarde in het parlement: “Democratie is niet alleen het tellen van hoofden. Als dat zo zou zijn, als democratie op die manier moet worden geïnterpreteerd, dan zou het voor de meerderheid van dit Huis heel eenvoudig zijn om een resolutie aan te nemen dat in de toekomst alleen Singalees sprekende mensen een baan krijgen in overheidsdienst. Zou dat democratie zijn? Dat zou een ontkenning zijn, een aanfluiting van de democratie.” Dat is een correcte positie, die nog sterker was geweest indien het aangevuld werd met offensieve campagnes voor toegang tot taalonderwijs. Het is trouwens ook doorheen gezamenlijke strijd voor sociale eisen dat eenheid wordt versterkt, zoals werd aangetoond in onder meer de Hartal van 1953.

Tegelijk zochten de LSSP-leiders naar akkoorden met de SLFP van Bandaranaika vanuit het idee dat dit de rechtse UNP zou stoppen. De SLFP deed zich anti-imperialistisch voor en zelfs het chauvinistische voorstel van ‘Sinhala Only’ werd voorgesteld als een afrekening met het Britse kolonialisme. De LSSP raakte verward door de opkomst van de SLFP en deed in de realiteit afstand van de theorie van de permanente revolutie door hoop te vestigen in een burgerlijke partij. De verkiezingsnederlaag van 1952 zorgde al voor de eerste voorzichtige voorstellen in de richting van samenwerking.

In 1956 verloor de LSSP haar meerderheid in de gemeenteraad van Colombo, onder meer omdat het standpunt voor gelijkheid van talen onpopulair was. Na de moord op Bandaranaika in 1959 was de angst voor een terugkeer van de UNP groot, wat de LSSP nog verder in die richting duwde. Het was slechts een kwestie van tijd vooraleer dit ook een effect zou hebben op het standpunt over taalgelijkheid.

Mogelijkheden om in te spelen op radicalisatie onder jongeren en werkenden, zowel onder Tamils als onder de Sinhalese bevolking, werden gemist. Er werd eerder gezocht naar een samenwerking met de stalinistische Communistische Partij en de partij van Gunawardena, waarbij het programma erg afgezwakt werd. Er werd afstand gedaan van de gelijkheid van talen, maar bijvoorbeeld ook van de eis van volledige burgerrechten voor de Indische Tamils die in de Hill Countries werken. Niets stond een regeringsdeelname van de LSSP in 1964 nog in de weg.

De weduwe van Bandaranaike werd de eerste vrouwelijke premier van het land (en zelfs internationaal). Ze was helder over de redenen waarom links in de regering werd opgenomen: “Verstoringen en vooral stakingen moeten worden uitgebannen. De ontwikkeling van het land moet doorgaan. Sommige mensen denken dat deze problemen kunnen worden uitgebannen door een dictatuur in te stellen. Anderen zeggen dat de arbeiders met geweer en bajonet aan het werk gezet moeten worden. Mijn conclusie is dat geen van deze oplossingen ons brengt waar we heen willen. Daarom heb ik besloten gesprekken te beginnen met de leiders van de arbeidersklasse, in het bijzonder Gunawardena en M.N. Perera.”

Regering-Bandaranaike met Colvin R da Silva en Gunawardena in 1972

Het probleem van de LSSP was er één van politieke berekeningen die enkel vertrokken van de krachtsverhoudingen aan de top en niet van de kracht van de arbeidersbeweging van onderuit. Het ritme van de strijd werd niet begrepen in 1946-47 waardoor de LSSP amper voorbereid was op de Hartal van 1953. Dat die succesvolle staking de SLFP electoraal vooruit stuwde tegenover de UNP werd verkeerd gezien als een signaal om met de LSSP meer aansluiting met de SLFP op te zoeken. Het argument om rechts te stoppen, werd stilaan gebruikt om eigen standpunten overboord te gooien. Dit ondermijnde meteen ook de aantrekkelijkheid van de linkerzijde. De internationale leiding van het Verenigd Secretariaat van de Vierde Internationale had jarenlang gezwegen in plaats van het debat aan te gaan.

Nasleep

De revolutionairen binnen de LSSP zouden uiteindelijk een eigen partij vormen, de NSSP (Nava Sama Samaja Party), die een belangrijke rol speelde in de algemene staking van 1980. Ook op die nieuwe opgang van arbeidersstrijd reageerde het establishment met communautaire verdeeldheid. In ‘Black July’ 1983 waren er pogroms tegen de Tamil bevolking. Het was het begin van een lange burgeroorlog die eindigde met het bloedbad tegen de Tamil bevolking onder Rajapaksa in 2009. De staking van 1980 was ongetwijfeld te haastig georganiseerd zonder voldoende opbouw om de zwakke punten te kunnen versterken. De repressie die volgde zorgde voor verwarring in de NSSP met een deel van de leiding die in 1985 nog sprak over een ‘aanhoudende revolutionair momentum’, lang na de nederlaag en na Black July.

In die moeilijke periode was het niet evident om een onafhankelijk klassenstandpunt in te nemen. De NSSP was een tijdlang aangesloten bij het CWI, de voorloper van ISA. Er waren echter grote meningsverschillen. Een meerderheid van de NSSP-leiding had in 1987 illusies in Indische ‘vredestroepen’ om het conflict te ontmijnen en het recht op zelfbeschikking van de Tamils te garanderen. De Indische tussenkomst was echter vooral gericht op de Indische economische belangen en de stabiliteit van het Singalese regime. De NSSP kende nieuwe splitsingen, waarbij wat nadien de United Socialist Party werd deel bleef uitmaken van het CWI. De bekendste NSSP-leiders Vikramabahu ‘Bahu’ Karunaratne en Vasudeva Nanayakkara eindigden als aanhangers van burgerlijke partijen. Vasu steunde het front van de SLFP van de familie-Rajapaksa. Bahu was in 2020 kandidaat voor de rechtse UNP.

Slechts een handvol revolutionairen overleefde deze periode, maar had moeite om hierna aansluiting te vinden bij de strijd tegen onderdrukking en uitbuiting vandaag. Bij de splitsing in het CWI in 2019 deed de leiding van de United Socialist Party zelfs geen ernstige poging om te luisteren naar het standpunt van de internationale meerderheid die verder ging als CWI Majority en vervolgens International Socialist Alternative. Nochtans leert de geschiedenis van het Sri Lankese trotskisme dat grondig politiek debat en telkens hernieuwde verfijning van het programma en de inzichten essentieel is om niet alleen een heldhaftige rol te spelen, maar om effectief een einde te maken aan het kapitalisme.

Dit vind je misschien ook leuk...