Een Europees fenomeen

Extreem-rechts is geen fenomeen dat tot ons land beperkt is. Zowat overal in Europa waren er de afgelopen decennia tal van neo-fascistische en rechts-populistische formaties actief met wisselend succes. Een beperkt overzichtje.

Frankrijk: Front National

Het Front National is in grote mate het levenswerk van voorzitter Jean-Marie Le Pen. De partij komt voort uit de radicaal-rechtse kringen van na de Tweede Wereldoorlog. Vlak na de oorlog zat extreem-rechts in het defensief, maar kon het rekenen om steun vanuit het politieke establishment in de strijd tegen het “rode gevaar” vanuit het Oosten. Om te kunnen samenwerken met voormalige collaborateurs, heeft De Gaulle bijvoorbeeld nooit echt de collaboratie veroordeeld.

Le Pen werd als student actief in de ordedienst van een omstreden advocaat (Isorni) die onder meer optrad als advocaat van Pétain, het hoofd van het collaboratiebewind in Frankrijk in WO2. Nadien trok Le Pen onder meer naar Indochina (het latere Vietnam) om te vechten tegen het communisme. Na de Franse nederlaag kwam Le Pen terug naar Frankrijk waar hij lid werd van de Poujadistische beweging.

Die populistische beweging was gesticht door Pierre Poujade als protest tegen een belasting op kleinhandel en kleine zelfstandigen. Poujade hanteerde een populistisch discours om onder de zelfstandigen steun te krijgen. Poujade kon echter ook rekenen op de steun van heel wat neo-nazi’s zoals Maurice Bardèche (wiens kritiek op Hitler eruit bestond dat volgens hem het Duitse fascisme niet puur genoeg was).

De Poujadistische beweging kon op vrij veel sympathie rekenen van de rechterzijde en behaalde in 1956 een verkiezingsoverwinning waarbij ook Le Pen verkozen werd in het parlement. De basis hiervoor was voornamelijk een anti-establishment stem en de afkeer tegenover de traditionele politici, ook al kwam een groot deel van de Poujadisten uit de beweging van president De Gaulle (zo was Poujade zelf aanvankelijk een gemeenteraadslid voor de Gaullisten). De Poujadisten dompelden hun anti-establishment imago in een sfeer van racisme en anti-semitisme. De regering van France-Mendès werd omschreven als een Joodse regering die niets te zoeken had in Frankrijk.

Het succes van de Poujadisten was van erg korte duur. Er kwamen vrij veel meningsverschillen binnen deze beweging. Zo was Le Pen tegenstander van de losse aanpak van Poujade die weigerde de beweging te organiseren. Poujade stelde dat zijn aanhangers “onder de mensen” moesten komen in plaats van zich te organiseren in lokale afdelingen. Le Pen daarentegen was voorstander van de uitbouw van een sterk partijkader. Een ander discussiepunt was de houding tegenover Algerije en de onafhankelijkheidsstrijd die daar plaats vond. Le Pen en de meeste Poujadisten waren tegenstanders van een mogelijke onafhankelijkheid. Le Pen stelde dat Algerije een kolonie moest blijven omdat dit garanties bood om het blanke ras te vrijwaren omdat zo de Algerijnen beter konden onderdrukt worden.

Na de splitsing in de Poujadistische beweging trok Le Pen naar Algerije om er als legerofficier de strijd te gaan voeren. De Fransen traden in Algerije niet bepaald zacht op, er waren harde martelingen, verschillende massa-slachtingen,… Le Pen maakte persoonlijk deel uit van die gewelddadige tussenkomst van het Franse leger. Later verklaarde hij hierover: “Ik heb gemarteld omdat het nodig was” (Le Combat, 9.11.1962). Le Pen vond dit nodig omdat een nederlaag een signaal zou zijn voor de “barbaren”. De onderdrukking van de Algerijnen was volgens hem deels “biologisch bepaald”.

Terug in Frankrijk nam Le Pen deel aan onderhandelingen over een mogelijke staatsgreep vanuit de groep rond de terroristische OAS (Organisation de l’Armée Secrète, een groep die opkwam tegen de onafhankelijkheid van Algerije), maar hij vond dit uiteindelijk een te riskante onderneming en trok zijn steun terug. In de jaren ’60 werd rechts in het defensief geduwd. Le Pen trok zich terug in zijn boekhandel en uitgeverij waar hij rechtse propaganda publiceerde. Hij werd daarvoor overigens twee maal veroordeeld (in 1965 en 1968) toen hij platen met toespraken van Hitler had geproduceerd.

Begin jaren ’70 werden door de verschillende extreem-rechtse organisaties onderhandelingen gevoerd voor het opzetten van een alliantie, een “nationalistisch front”. De belangrijkste kracht daarbij was de groep ‘Ordre Nouveau’, een organisatie met erg gewelddadige militanten die er niet voor terugschrokken om politieke tegenstanders fysiek zwaar aan te pakken. Toen het Front National als alliantie gelanceerd werd in 1972 maakte Ordre Nouveau ongeveer één derde van het lidmaatschap van het FN uit. Le Pen werd vrij vlug de leider van het FN en ondernam pogingen om vanuit de alliantie te komen tot een strak georganiseerde partij. In de jaren ’70 was dit de hoofdbezigheid van Le Pen, die oppositie van de Ordre Nouveau hieromtrent moest wegwerken.

Vanaf begin jaren ’80 begon het FN een grotere impact te krijgen bij verkiezingen. In 1981 kwam de linkse regering Mitterand aan de macht op basis van een programma dat beloofde te breken met het kapitalisme. De sociaal-democraten en communisten in de regering weigerden echter om effectief te breken met de logica van het huidig systeem en zagen zich bijgevolg gedwongen om in een periode van economische crisis zelf een liberaal beleid te voeren.

Dit vormde een belangrijke basis voor ongenoegen tegenover de sociaal-democraten en de communisten. Een ongenoegen waar het FN handig op inspeelde door zich voor te doen als diegenen die wel opkwamen voor de belangen van de Fransen. Daarenboven werd het FN geholpen door een electoraal akkoord met het RPR van Jacques Chirac. Chirac verklaarde hoe hij liever 4 FN’ers in de gemeenteraad zag dan 4 communisten.

Het FN kreeg ook enorme steun vanuit een onverwachte hoek. Mitterand wou zijn positie versterken door het kiesstelsel te veranderen (proportionele vertegenwoordiging in plaats van een meerderheidssysteem), zodat de verschillende fracties van rechts zouden scoren en de verdeeldheid van de rechterzijde zou versterken. Mitterand zag in het FN een ideaal middel om traditioneel rechts (de RPR van Chirac) te verzwakken. Mitterand was dan ook de eerste om het FN aan TV-debatten te laten deelnemen op de staatstelevisie. Het gevolg was catastrofaal: in 1986 haalde het FN 10% van de stemmen en bijgevolg ook 10% van de zetels. Mitterand had een cruciale fout gemaakt door te denken in termen van electorale rekenkunde. Het FN haalde immers veel stemmen weg van de sociaal-democratie en scoorde onder de ontgoochelde linkse kiezers.

Le Pen zette zijn electorale doorbraak verder in de jaren 1980 en 1990. In 1995 kreeg de partij de controle over enkele gemeenten in het zuiden van Frankrijk (Toulon, Orange en Marignane), in 1997 volgde het stadje Vitrolles. In 2002 slaagde Le Pen er zelfs in om door te stoten naar de tweede ronde van de Franse presidentsverkiezingen.

Deze opmars werd slechts twee keer deels doorbroken. Na de beweging van de Franse arbeidersklasse in 1995 tegen het asociale regeringsbeleid zat het FN wat in het defensief en dat speelde een belangrijke rol in interne discussies die leidden tot een afsplitsing van de tweede man van het FN, Bruno Mégret. Die afsplitsing had weinig succes, maar de interne verdeeldheid zorgde tijdelijk voor een verzwakking van het FN. Het FN kwam opnieuw in de problemen in 2007 toen het bij de presidentsverkiezingen maar matig scoorde, onder meer omdat de rechtse kandidaat Sarkozy een deel van de polariserende FN-retoriek had overgenomen. Het FN voerde een meer gematigde campagne en slaagde er niet in om een grote impact te hebben, onder meer door het gebrek aan antwoord op bewegingen tegen de invoering van een flexibel jongerenbanenplan (CPE) en ander verzet van de arbeidersbeweging. Of dit dipje van het FN slechts tijdelijk zal zijn, hangt in grote mate af van de capaciteit van de arbeidersbeweging en de linkerzijde om zelf een politiek instrument op te zetten en aldus een alternatief aan te bieden dat gebaseerd is op actief verzet in plaats van passief ongenoegen.

Nederland: snelle opgang en neergang van het Fortuynisme

Op 6 maart 2002 gooide Pim Fortuyn met Leefbaar Nederland het politieke landschap in Nederland om. Bij de gemeenteraadsverkiezingen behaalde hij 34% in Rotterdam. Overal werd gesproken van een draai naar rechts in Nederland. Nochtans waren de stemmen voor Fortuyn geen stemmen voor een nog hardere besparingspolitiek. Het waren proteststemmen tegen de verloedering en onveiligheid in de grote steden, tegen de problemen in het onderwijs, bij de ziekenzorg en het recent geprivatiseerde spoor.

De uitdieping van de kapitalistische crisis zorgde ervoor dat de traditionele normen van de politiek steeds minder gelden. De plotse doorbraak van Fortuyn was daarvan een voorbeeld. De burgerij heeft het steeds moeilijker om haar gezag te vestigen. Haar traditionele instrumenten worden gewantrouwd en zelfs gehaat. In Rotterdam verzette 60% van de bevolking zich tegen de traditionele politiek – hetzij door op Fortuyn te stemmen, hetzij door niet te stemmen.

Fortuyn had geen gestructureerde partij, geen kader met duidelijke ideeën. Hij bespeelde dezelfde thema’s als het VB, zoals racisme en onveiligheid, maar had geen fascistische achtergrond. Fortuyn probeerde niet om een gewelddadige massabeweging op te bouwen om links en de vakbonden uit te schakelen – hoewel het VB door het verschrompelen van de middenklasse ook de sociale basis niet meer heeft om de vakbonden te confronteren. Fortuyn had enkel een populistische methode en bouwde daarop een electorale zeepbel die even snel opnieuw uiteen gespat is.

In mei 2002 slaagde de LPF erin om de onvrede naar zich toe te trekken, maar al snel werd duidelijk dat de partij een verzameling ruziemakende egoïsten was die geen enkele oplossing boden voor de problemen van de bevolking. De openlijk rechtse coalitie met de LPF lanceerde een enorme aanval op bijna alle denkbare lagen van de bevolking, behalve de rijken natuurlijk. Afbraak van tijdelijk werk, de aanval op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, de massale verhoging van de ziektekostenpremies. In januari 2003 verloor de LPF het grootste deel van haar zetels en werd de partij verschrompeld. Dit werd nog versterkt bij de Europese verkiezingen van 2004.

De snelle opkomst van de LPF was een uitdrukking van het enorme wantrouwen in de traditionele politici en de instellingen van het establishment. Dit wantrouwen is niet verdwenen, wat ruimte biedt voor rechtse krachten om een electorale doorbraak te maken.

Oostenrijk: splitsing van de FPÖ

De Vrijheidspartij van Jörg Haider is officieel gesplitst nadat er reeds enige tijd spanningen waren binnen de partij. De nationale leiding van de partij heeft onder leiding van Haider en diens zuster die tevens partijvoorzitter was, de vorming van een nieuwe partij aangekondigd: de “Bündnis Zukunft Österreich” (Bond voor de toekomst van Oostenrijk). De oprichting van de BZÖ als nieuwe partij is in feite een voltrekking van een splitsing in de FPÖ waarbij grote delen van die partij niet met de nationale leiding meegaan naar de BZÖ.

Wij hebben de FPÖ steeds omschreven als een neo-fascistische partij die erin slaagde om met een populistische retoriek een stevige electorale aanhang te verwerven. Het neo-fascistische element bleek duidelijk uit het feit dat de partij geleid werd door figuren met sympathie voor het oude nazisme, of zelfs vrij openlijke neo-nazi’s. Het programma van de partij legde sterk de nadruk op zaken als de “Volksgemeinschaft”, de zogenaamde volkseenheid dat iedere vorm van klassentegenstellingen verwerpt.

Dat er een neo-fascistisch kader aanwezig was in de FPÖ en daar een belangrijke rol speelde, wordt nu duidelijk bij de splitsing van de partij. Moest de FPÖ een puur populistische kracht geweest zijn, genre LPF in Nederland, zou het voor Haider eenvoudiger geweest zijn om de FPÖ uit te zuiveren. Nu moest hij echter overgaan tot de vorming van een nieuwe partij omdat hij niet zeker was over de steun aan de basis van de partij. Bij de leiding van de partij in de regering en het nationale parlement, stelde de kwestie zich niet direct. Daar werd gekozen voor de eigen carrière waarbij een meer ‘aanvaardbare’ partij een positief gegeven is.

De splitsing in de FPÖ leidde tot het ontstaan van twee partijen: de ‘blauwe’ FPÖ en de ‘oranje’ BZÖ. De “nieuwe” FPÖ wordt geleid door figuren als europarlementslid Andreas Mölzer en heeft een meerderheid in de lokale partijafdelingen in een reeks deelstaten. Mölzer stond jarenlang aan het hoofd van het tijdschrift ‘Aula’ dat geregeld revisionistische artikels publiceerde of reclame maakte voor nazistische boeken. In 1983 haalde Haider hem binnen in de Karintische FPÖ en hij speelde samen met Haider en Kriemhild Trattnig een centrale rol in de machtsgreep binnen de FPÖ in 1986 waarbij de oude liberale leiding aan de deur werd gezet. De voormalige FPÖ-voorzitter en ex-SA’er tijdens WO2, Otto Scrinzi, maar ook Kriemhield Trattnig, spraken zich reeds scherp uit tegen de feitelijke uitsluiting van Andreas Mölzer uit de partij.

De FPÖ wordt vandaag geleid door interimvoorzitter Kabas. Die speelde jarenlang een centrale rol in de FPÖ, onder meer door het introduceren van het vreemdelingenthema in de verkiezingspropaganda van de partij. Kabas was ook nooit verlegen voor zijn banden met radicale groepjes, in 1991 gaf hij bijvoorbeeld een controversieel interview aan een openlijk neo-nazistisch blad (‘Fakten’ van Horst Jakob Rosenkranz, wiens vrouw overigens één van de FPÖ-parlementsleden is die niet overstapt naar de BZÖ).

Was het de regeringsdeelname die heeft geleid tot de splitsing van de FPÖ en de daaraan voorafgaande electorale achteruitgang? Door de radicalisatie bij het aantreden van de FPÖ in de regering (er waren betogingen met tot 300.000 deelnemers), werd ook de vakbondsleiding onder druk gezet om acties te organiseren tegen het asociale beleid. Zo was er in 2001 een betoging met 50.000 deelnemers tegen de aanvallen op de sociale zekerheid. In juni 2003 gingen meer dan 1 miljoen arbeiders in staking, de grootste staking in het land sinds de Tweede Wereldoorlog. Zelfs de politie en rijkswacht namen deel aan de protestacties. Een meerderheid van de bevolking steunde de acties, wat uiteraard de vraag deed rijzen van een politiek alternatief op de regering.

De SPÖ probeerde zichzelf naar voor te schuiven als alternatief en ook de Groenen gingen sterk vooruit door het protest tegen de conservatieve regering van christen-democraten en de FPÖ. Het is echter duidelijk dat de sociaal-democratische SPÖ geen antwoord te bieden heeft op het rechtse beleid. Ondanks de poging tot het aanmeten van een linkser imago, was de partij bereid om in 2004 in een regering met de FPÖ te stappen in deelstaat Karinthië, de thuisbasis van Jörg Haider. Daarmee wordt het anti-FPÖ gehalte van de SPÖ doorprikt.

Het is de druk van de bewegingen tegen het asociaal beleid die de FPÖ in het defensief geduwd hebben. Dit zou ook zonder regeringsdeelname het geval geweest zijn. Dit was echter slechts een tijdelijke positie. Reeds bij de verkiezingen van oktober 2006 werd dit duidelijk gemaakt. De FPÖ haalde toen 11% en de BZÖ 4%, samen goed voor 15%. Het waren bovendien niet de gematigden van de BZÖ die met het leeuwendeel van de stemmen gingen lopen, maar de “radicalen” van de FPÖ.

Italië: van Berlusconi I naar Berlusconi II en straks Berlusconi III?

Onder druk van de electorale vooruitgang op basis van een populistisch discours hebben een aantal neo-fascistische partijen sterke veranderingen ondergaan. In Italië vormde de MSI zich om tot de “post-fascistische” Nationale Alliantie, wat leidde tot de afsplitsing van een aantal radicale elementen onder leiding van Rauti. De partij van Rauti slaagde er niet in om een grote doorbraak te kennen, maar heeft wel een aantal partijkaders met zich mee gehaald.

De partij rond Berlusconi was zowat de eerste nieuwe partij die ontstond na de val van het stalinisme in het Oostblok. Forza Italia ontstond op de puinhopen van de traditionele partijen die in Italië dermate gediscrediteerd waren dat ze in staat van ontbinding waren. De christen-democraten verdwenen van het politieke toneel waardoor er niet langer een sterke conservatieve partij was. Berlusconi gebruikte zijn positie in het establishment (als eigenaar van AC Milaan en van een media-concern) om een politieke kiesmachine op te zetten die de steun genoot van een deel van de christen-democratie. Het werd geen partij als collectief orgaan van mensen die met politiek bezig zijn, maar een kiesmachine naar Amerikaans model. In die zin kan Forza Italia niet beschouwd worden als een neo-fascistische partij. Er is een sterk populistisch element, maar er is geen stevig uitgebouwd fascistisch kader dat bovendien een partijmachine uitbouwt gebaseerd op een fascistische ideologie.

In Italië kwam begin jaren ’90 de fascistische MSI in de regering. Dit gebeurde nadat alle traditionele partijen een enorme crisis hadden ondergaan. De anti-corruptie beweging zorgde ervoor dat een alliantie met de neo-fascistische MSI van Fini in de regering kwam onder leiding van Berlusconi. Hierover schreef ‘De Militant’ (dec.-jan. 94-95, nr. 137): “Het succes van de neo-fascisten was te wijten aan de uitzichtloze crisis van Italiaans economisch en politieke weefsel. De stemmen voor de Nationale Alliantie waren geen stemmen voor fascisme, maar tegen corruptie, misdaad, saneringen en werkloosheid. De neo-fascisten begrepen dat er geen basis bestond voor een open fascistische partij. Daarom verborgen ze zich achter een democratisch masker ondermeer door de verbrande naam MSI te veranderen in het neutralere Nationale Alliantie. Van een fascistische reactie met een massabasis vergelijkbaar met de jaren ’20 en ’30 was helemaal geen sprake”. Dit betekende echter niet dat we gelaten reageerden op deze situatie, er werd in De Militant tevens gewezen op de “noodzaak van een onverzoenlijke strijd tegen neo-fascisten en iedere vorm van racisme”. De sterke interne verdeeldheid in die regering en de massale mobilisaties van arbeiders eind ’94 maakten dat de regering-Berlusconi vlug ten val kwam.

Door het falen van een ernstig alternatief op het neoliberale beleid kon de coalitie rond Berlusconi nadien opnieuw aan de macht komen. De linkse ‘Olijfboomcoalitie’ vormde na de val van de eerste regering-Berlusconi een regering die gesteund werd door de Rifondazione Comunista. Deze regering slaagde er echter niet in om een breuk te maken met het neoliberale beleid dat voorheen ook reeds gevoerd werd. Dit leidde tot heel wat ontgoocheling en desillusies. De Rifondazione steunde de regering te lang, waardoor het ook heel wat kansen liet liggen om als linkse oppositie naar voor te komen. Het is door dit falen van de linkerzijde, dat Berlusconi en co. erin slaagden om terug te komen.

De tweede regering-Berlusconi zat steviger in het zadel dan in 1994. Nu zijn de massale protestacties tegen de aanvallen op de arbeidswetgeving, de pensioenen, de anti-oorlogsbetogingen,…. gewoon gepasseerd zonder enige reactie van de regering. De “linkse” oppositie van Prodi slaagde erin om nipt aan de macht te komen, maar zorgde niet voor een ander beleid. Dat leidde bovendien tot discussies in de rangen van de PRC, waardoor er geen sterke oppositie is die aan de kant van de arbeiders en hun gezinnen staat. Hierdoor wordt een derde regering-Berlusconi mogelijk.

Opkomst van de British Nationalist Party (BNP)

In het Verenigd Koninkrijk (eigenlijk in Engeland) kende de British Nationalist Party (BNP) een doorbraak bij lokale verkiezingen in 2003 en de daaropvolgende lokale verkiezingen. Volgens de socioloog Husbands slaagde de BNP er in de jaren ’80 niet in om door te breken omwille van de rol van de rechtse premier Thatcher: “Als premier rekende Thatcher af met de vakbonden en brak ze de macht van extreem-links, dat zich in het bestuur van grote steden had genesteld. Met haar vurig nationalisme sloot ze ook voor extreem-rechts de laatste toegangsweg naar de electorale macht af.” Tony Robson van het anti-fascistisch magazine Searchlight legt uit hoe de BNP vandaag wel kan groeien: “Met New Labour is het al privatiseren wat de klok slaat. Bovendien wordt er fel besnoeid bij de posterijen en de lokale besturen, die de grootste werkgevers in de regio zijn. Het maakt de mensen angstig en onzeker. Ze kijken uit naar een alternatief. En zo komen ze bij de fascisten terecht.” De Conservatieven maken bovendien het racisme van de BNP aanvaardbaar door zelf geregeld racistische uitspraken naar voor te brengen.

Europese alliantie

In 2007 werd een nieuwe fractie gevormd in het Europees parlement. Na de toetreding van een aantal Oost-Europese landen tot de EU was er de mogelijkheid om het reeds lang bestaande idee van een uiterst rechtse fractie te concretiseren. Dat daartoe met openlijke Jodenhaters, holocaust-ontkenners en nauwelijks verhulde nazi-aanbidders wordt samengewerkt, vormt blijkbaar geen probleem. Ook niet voor het Vlaams Belang dat de ondervoorzitter van de nieuwe fractie levert.

VB-parlementslid Philip Claeys is ondervoorzitter van de nieuwe Europese fractie die wordt voorgezeten door de Franse FN’er Bruno Gollnisch. Een Europese fractie moet 19 parlementsleden uit 5 verschillende landen tellen vooraleer het kan erkend worden. Dat was tot nu toe altijd een probleem aangezien bepaalde extreem-rechtse formaties niet wilden samenwerken. Er stelde zich vooral een probleem tussen de FPÖ van Haider en het FN van Le Pen. Nu Haider met zijn BZÖ is afgesplitst van de FPÖ, stond de weg open voor een nieuw samenwerkingsverband. Eind 2005 was er reeds een bijeenkomst met het oog op de vorming van een dergelijke samenwerking. De deelnemers aan die bijeenkomst lopen grotendeels gelijk met de leden van de nieuwe fractie in het Europese parlement.

De afgelopen jaren ondernam het VB verschillende pogingen om toch te komen tot een vorm van samenwerking. Nu wordt dat gerealiseerd met de fractie ‘Identiteit, Soevereiniteit en Traditie’, een fractie met 20 parlementsleden uit 7 lidstaten. De fractie meent onder andere te moeten opkomen voor de “bevestiging van de christelijke waarden, de erfenis, cultuur en tradities van de Europese beschaving”. Bij sommige deelnemers aan de fractie is de term “beschaving” echter niet gelukkig gekozen.

Het Bulgaarse lid van de nieuwe fractie is niet bepaald Joods gezind. De partijleider van Atake, Volen Siderov, schreef onder meer dat de uitroeiing van de Joden in gaskamers een “leugen” was. De partij Atake stelt voor om de Turken, Roma-zigeuners en Joden allemaal uit Bulgarije uit te wijzen. Siderov stelde naar aanleiding van de rellen in de Franse voorsteden om als “oplossing” groepen Russische hooligans over te brengen… Op de website van Atake publiceerde Siderov ooit een lijst van 1.500 Joden die hij bestempelde als onderdeel van “de pest”. Het Europarlementslid van Atake liet zich al meermaals opmerken met racistische opmerkingen en binnenkort zal een uitspraak volgen naar aanleiding van een procedure tegen het Europarlementslid wegens racistische opmerkingen tegen een Hongaars parlementslid van Roma-afkomst.

De Roemeense leden komen van de Groot-Roemeense partij (Romania Mare, 5 Europarlementsleden). Deze partij wordt geleid door Vadim Tudor die in zijn boek “A Journal of the Revolution, from Christmas to Easter” stelde: “Joden zijn zoals de wratten op een menselijk lichaam. In een ideale situatie leer je ermee leven. Maar als de wratten groeien en het gezicht beperken, of de mens verhinderen om te spreken, (…) en als de mens dan pas beslist om de wratten te laten verwijderen, dan is het te laat.” Wat verder in hetzelfde boek: “Vandaag, 45 jaar na de dramatische verandering in ons Nationaal Lot, zien we een kentering: de Hongaren, de zigeuners en de Joden hebben alle macht”. Die 45 jaar verwijst naar de nederlaag van Hitler. Tudor is vandaag niet langer actief bij de Groot-Roemeense Partij, maar zijn ideologische erfenis blijft er aanwezig.

Verder wordt de Europese fractie van het Vlaams Belang samengesteld uit zeven verkozenen van het Front National (Frankrijk), Andreas Mölzer van de Oostenrijke FPÖ, Ashley Mote van de UK Independence Party, de kleindochter van Benito Mussolini en de negationist Luca Romagnoli (die ook leider is van de extreem-rechtse hooligans van Lazio Roma) uit Italië en de drie verkozenen van het Vlaams Belang.

Toen eind 2005 ruchtbaarheid werd gegeven aan een internationale bijeenkomst waarop het Vlaams Belang, het FN (Frankrijk), FPÖ (Oostenrijk), Atake (Bulgarije), Romania Mare (Roemenië) en de Azione Sociale (Italië) aanwezig waren, stelde Dewinter dat hij de mensen van pakweg Atake niet zo kende. Marie-Rose Morel maakte wel van de gelegenheid gebruik om op de foto te poseren met Siderov.

> Inhoudstafel

 

Print Friendly, PDF & Email