1960-1980: van de golden sixties tot de eerste elementen van afbraak van de welvaartstaat

De ‘Golden sixties’

De jaren 1960 werden gekenmerkt door een periode van economische groei aan de ene kant, en de ervaring van de Grote Staking van 60-61 aan de andere kant. Er werd geprobeerd om de sociale verhoudingen te stabiliseren door middel van een rooms-rode regering die de ‘bevriende’ vakbonden ACV en ABVV kalm moest houden. Er was een groei van het ACV op basis van de relatieve rust in deze periode, maar beide vakbonden groeiden naar elkaar toe. Ondanks de rustige periode, waren de verkiezingen van 1965 toch opvallend. De CVP verloor 7% en de BSP zelfs 8,5%. Toch werd de regering gewoon verder gezet, ondanks tegenkantingen bij de BSP (zo steunde slechts 36% van de Waalse BSP-leden een regeringsdeelname).

Op sociaal vlak wordt de rust doorbroken door de mijnwerkers die in actie komen tegen de sluitingen van verschillende mijnen. Eind 1965 werd de sluiting van de mijn van Zwartberg aangekondigd. Tegen het standpunt van de vakbondsleiding in, werd gestaakt. Het conflict verliep bijzonder woelig, er viel zelfs een dode! De politie schoot op de betogende mijnwerkers. Een mijnwerker werd in de benen geschoten, waarop een migrante arbeider onmiddellijk hulp wou bieden aan de neergeschoten collega. Hierop werd deze migrant doodgeschoten door de politie. Uiteindelijk leidde het mijnwerkersprotest ertoe dat een akkoord werd gesloten om geen verdere sluitingen door te voeren tenzij nadat voorzien werd in vervangende tewerkstelling voor de mijnwerkers.

Behalve de mijnwerkers, kwamen ook een aantal andere sectoren in actie. Zo was er de bekende staking van de vrouwen bij FN-Herstal in 1966 die opkwamen voor een gelijk loon voor gelijk werk. De acties in deze periode ontstonden veelal spontaan en tegen de vakbondsleiding in. Er kwam kritiek op de vakbondsbureaucratie en het gebrek aan interne democratie en strijdbaarheid. Het ABVV hield enkel in woorden vast aan de noodzaak van een democratisch socialistische maatschappij. Het ACV kreeg te maken met linkse kritiek op de makke koers vanuit de WB en de AJ.

Mei 1968

De studentenrevolte in Frankrijk in 1968 was een uitdrukking van een algemene radicalisatie onder jongeren in deze periode. Het jongerenprotest was een voorbode van een bredere mobilisatie en radicalisatie van de arbeidersklasse. Ook bij ons kwamen studenten eind jaren 1960 in beweging. In Leuven gebeurde dit met de beweging rond “Leuven Vlaams” waarbij het vertrek van de ouderwetse Franstalige Leuvense universiteitsafdeling werd geëist. Dat was een slag in het gezicht van het conservatieve establishment aan de Leuvense universiteit. Het studentenprotest ging echter verder dan enkel het ontwikkelen van eisen rond het Vlaamse karakter van de Leuvense unief, het was een onderdeel van een algemene radicalisatie waarbij het volledige systeem in vraag werd gesteld.

De studenten organiseerden eigen radicale organisaties, waaronder de Studentenvakbeweging (SVB) onder leiding van figuren als Paul Goossens en Kris Merckx. Er waren grote protestbijeenkomsten, betogingen,… De repressie van de overheid hield de beweging niet tegen, integendeel. Uiteindelijk kwam de regering-Van den Boeynants in februari 1968 zelfs ten val onder druk van de studentenbeweging.

De studentenbeweging van eind jaren 1960 ontwikkelde los van de arbeidersbeweging en had een geforceerde kijk op hoe banden met de arbeidersbeweging konden ontstaan. Er waren illusies in het feit dat dit kon door studenten in de fabrieken te sturen of door bedrijfspamfletten van buitenaf te verspreiden. De intellectuelen zouden de socialistische ideeën gaan indragen in de arbeidersklasse… Dat element was aanwezig bij zowel de maoïstisch geïnspireerde groepen als bij heel wat andere studentengroepen. Die taktiek had hier en daar wat succes, onder meer de maoïstische aanwezigheid in de Limburgse mijnen, maar het maakte ook duidelijk dat de radicaal-linkse organisaties geen methode ontwikkelden om bredere lagen van de arbeidersklasse effectief te bereiken en delen ervan te overtuigen.

De crisis van de jaren 1970

De jaren 1970 werden gekenmerkt door economische crisis. Reeds in 1971 waren er in België elementen van een economische crisis, onder meer door de devaluatie van de dollar waarmee de VS probeerde de crisis voor zich uit te schuiven. Dit bevestigde het perspectief dat de jaren 1960 een tijdelijk fenomeen van economische groei zagen, maar dat het kapitalisme onvermijdelijk ooit opnieuw op haar grenzen zou botsen en een klassieke overproductiecrisis zou kennen. De burgerij reageerde op de economische crisis met een regering waarin alle drie de traditionele partijen waren opgenomen. Deze tripartite voerde een patroonsvriendelijk beleid, maar bood geen antwoord op de economische situatie. Op papier leek het een sterke regering, maar in werkelijkheid was de tripartite vooral een uitdrukking van de zwakte van de burgerij en het gebrek aan een antwoord. De regering kwam al snel ten val en dit over een communautair thema (het statuut van Voeren). Dat was echter slechts een excuus om niet te vallen over de echte problemen.

De BSP begon onder druk te komen van haar basis waar er protest was tegen de regeringsdeelname en tegen de rol van de technocratie (de posities van BSP’ers in de ambtenarij en de overheidsbedrijven). De partij probeerde de kritiek te weerleggen door de sociale elementen van de verzorgingsstaat te claimen, ook al waren die elementen afgedwongen door sociale strijd en de economische situatie. Tussen 1951 en 1975 was er een verdubbeling van de koopkracht en een gevoelige verbetering van de sociale zekerheid, maar dat kan bezwaarlijk toegeschreven worden aan de BSP-leiding.

De BSP kwam ook in de problemen omdat de partij op geen enkele wijze betrokken was in de jongerenprotesten van eind jaren 1960. De partij aanvaardde in realiteit het kapitalisme en de leiding wou zich opwerpen als de beste verdediger van het kapitalistisch systeem, ook al moesten – onder druk van de basis – de leiders geregeld met linkse retoriek naar voor komen. Dat was bijvoorbeeld het geval op het ideologisch congres van de partij in 1974. In tegenstelling tot vandaag beschikte de BSP in deze periode nog over een uitgebreide en actieve basis waarmee rekening moest worden gehouden. De druk van de basis werd versterkt door de ervaringen van de arbeidersbeweging op internationaal vlak (revoluties in Chili, Portugal, Griekenland,…; de oorlog in Vietnam;…).

Welk antwoord op de crisis?

De rooms-blauwe regering Tindemans-De Clercq (1974-77) probeerde op de economische crisis te antwoorden met een beleid van loonmatiging en besparingen. Dit leidde tot heel wat verzet, onder meer met de vrijdagstakingen in 1977. Uiteindelijk kwam de regering ten val onder druk van het arbeidersverzet en kwamen de socialisten in de regering (tot in 1981). Hierop werd geprobeerd een antwoord te bieden op de crisis door het voeren van een Keynesiaanse politiek. Na de recessie van 1981 werd teruggegrepen naar een harde besparingspolitiek zonder de socialisten in de regering.

De gevolgen van de crisis en de recessie waren enorm. Zowel in 1974 als in 1981 was er sprake van een recessie (een aanhoudende negatieve groei van de economie) waarbij de werkloosheid telkens verdubbelde (er was een stijging van 89.858 werklozen begin 1974 tot een half miljoen in 1982). De regering viel tal van verworvenheden aan, waaronder de koppeling van de lonen aan de index (in 1976) of de sociale zekerheid door middel van de herstelwet. Het asociale beleid dwong de vakbonden tot actie, zo was er eind december 1975 een interprofessionele 1-urenstaking van beide vakbonden. De vrijdagstakingen in 1977 waren gericht tegen het Egmontpact dat een besparingsplan omvatte. Op 25 februari 1977 waren er 150.000 stakers in Henegouwen, 80.000 in West-Vlaanderen,… Bij het spoor was er de eerste staking sinds 1960-61. Charleroi ging volledig plat. Op 4 maart waren er reeds 350.000 stakers en op 9 maart viel de regering.

Communautaire discussies

De ontwikkeling van de economische crisis ging samen met de ontwikkeling van communautaire problemen in het land. De tegenstellingen tussen Vlaanderen en Wallonië werden gebruikt om regeringscrises uit te lokken en de aandacht af te leiden van de sociale problemen. De communautaire tegenstellingen gingen echter geleidelijk aan een eigen leven leiden en hadden belangrijke politieke gevolgen. De opname van de communautaire partijen VU en FDF in de regering na de verkiezingen van 1977 was een uitdrukking van het belang dat dit thema had gekregen. Ook had het gevolgen voor bvb de BSP dat in 1977 wordt opgesplitst in een Nederlandstalige en een Franstalige partij. Zelfs binnen het ACV ontstonden spanningen tussen het Franstalige CSC en het Nederlandstalige ACV waarbij het in 1979 zelfs komt tot een gezamenlijke betoging van ABVV/FGTB en CSC (zonder ACV) in Namen.

Jaren 80: vredesbeweging en verzet tegen besparingen

Na de studentenbeweging van eind jaren 1960 en de jaren 1970, kwam in de jaren 1980 de vredesbeweging sterk op de voorgrond met grootschalige protestacties tegen de komst van Amerikaanse bommen in België. In oktober 1983 waren er zelfs 400.000 betogers!

In de jaren 1980 was er een poging van de burgerij om orde op zaken te stellen door middel van een hard besparingsbeleid op de kap van de werkende bevolking. Na 1981 kwam er een rooms-blauwe regering onder leiding van Wilfried Martens waarbij de regering zichzelf volmachten toekende om een neoliberaal beleid te voeren. Dit gebeurde onder meer door een muntdevaluatie, loonsinleveringen, het uitschakelen van de index, meer flexibele jobstatuten,… Dit beleid zorgde voor een toename van sociale problemen. Het aantal bestaansminimumtrekkers steeg tussen 1976 en 1986 met 460%, het aantal OCMW-uitkeringen met 1.543%! Werklozen verloren één derde tot de helft van hun koopkracht.

Het neoliberaal beleid van Martens leidde tot heel wat verzet. De belangrijkste bewegingen waren de ambtenarenstaking van 1983 tegen de aanvallen op de openbare diensten (de regering wou duizenden jobs weg bij het onderwijs, het spoor, de RTT en Sabena), en de staking van 1986 tegen de besparingen van het St. Annaplan. Eind mei 1986 betoogden ruim 150.000 mensen in een betoging van het ABVV tegen het St. Annaplan. De radicalisatie bij het ABVV zorgde ervoor dat na de verkiezingen van 1987 en een lange regeringscrisis gekozen wordt voor een rooms-rode regering. Die regering zette echter het neoliberale beleid verder, wat leidde tot heel wat ongenoegen.

> Inhoudstafel

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie