Hoe werd de slavenhandel afgeschaft?

Een goede 200 jaar geleden werd de slavenhandel door het Britse parlement afgeschaft. Voorheen was de handel in slaven tussen het westen van Afrika en Amerika gedurende zo’n 300 tot 400 jaar een uitdrukking geweest van één van de meest barbaarse vormen van uitbuiting in de geschiedenis. Het gevangen nemen en verkopen van Afrikanen maakte een aantal handelaars rijk. De kopers gebruikten de arbeid van hun slaven om eveneens rijk te worden. Op welke basis werd de slavenhandel afgeschaft?

De accumulatie van rijkdom speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van het kapitalisme in Europa. Het neveneffect van de onderdrukking van slaven en de erfenis van de slavenhandel zijn nog steeds zichtbaar aanwezig. De brutale vorm van gedwongen migratie verschilde van andere vormen van slavernij in Europa en Afrika tijdens de Middeleeuwen of de oude beschavingen.

Er zijn bewijzen dat de slavenmarkten die in verschillende delen van Europa en Afrika bestonden in die tijd in eerste instantie werden gebruikt als bestraffingsmethode tegen onder meer schuldenaars die niet konden afbetalen of voor krijgsgevangenen. De eerste Europese slaven die naar de Caraïben werden gedeporteerd moesten daar werken in de plantages die grondstoffen leverden voor de Europese consumptie.

De eigenaars van deze slaven hadden problemen omdat de slaven ontsnapten of niet wilden werken. Zelfs het gebruik van mensen die in ruil voor een schuld of hun vrijlating een tijd zouden werken het Amerikaanse continent, leverde problemen op voor de “eigenaars” omdat veel contracten niet werden nageleefd.

Het gebruik van slaven uit West-Afrika door de Portugezen ontstond bijna toevallig, maar in de 17de eeuw werd het de favoriete methode om arbeiders te leveren voor de Amerikaanse plantages.

De eigenaars van de plantages ontwikkelden een gewelddadig systeem om hun gedesoriënteerde en makkelijk herkenbare onderdanen te onderdrukken. Ze ontwikkelden tevens een ideologie, het racisme, om zichzelf een superieure positie toe te kennen en een rechtvaardiging te bieden voor de eigen acties. Er wordt geschat dat de Britse slavenhandelaars 12 miljoen pond winst maakten (dat komt vandaag overeen met 900 miljoen pond) met de verkoop van 2,5 miljoen Afrikanen.

Het leven van de Afrikanen werd door de handelaars en de plantagehouders gezien als goederen. Velen kwamen om tijdens de overtocht tussen Afrika en het Amerikaanse continent. In sommige gevallen liep het aantal doden op tot 45% van de boot, gemiddeld bedroeg het zowat 30%.

De levensverwachting op de plantages was amper beter. In 1764 waren in Barbados 70.706 slaven en er werden in de periode tot 1780 nog eens 41.480 extra slaven aangevoerd met schepen. In 1783 werd een nieuwe telling gehouden en er bleken 62.258 slaven minder te zijn dan negen jaar eerder!

Dodelijke handel

Deze mensenhandel werd niet door iedereen gesteund in de 18de eeuw, maar de rijken waren machtige verdedigers van deze praktijken. De slavenhandel zorgde er bijvoorbeeld voor dat de Britse stad Bristol een winkelstad werd. Liverpool werd van een vissersdorpje omgevormd tot een internationale handelsstad waarbij de bevolking 5.000 in 1700 tot 34.000 in 1779. In een periode van zestig jaar werden 229.525 Afrikanen verhandeld met schepen die vanuit de haven Liverpool vertrokken. De slaven waren eigendom van enkele rijke individuen en er bestonden zelfs groepen van kleine handelaars die zich verenigden met aandeelhouders om toch maar een graantje te kunnen meepikken.

De handel was niet zonder gevaar voor wie er aan deelnam. De gevangen genomen slaven onderworpen zich niet zomaar aan hun lot. Er waren heel wat verslagen van schepen waar de slaven in opstand kwamen. Er was zelfs een geval waarbij de slaven het volledige schip in handen kregen en de bemanning overboord hadden geworpen.

Het slavensysteem in de plantages vereiste een vorm van lokale milities om de controle te houden op de slaven. Bij ernstige problemen werd de zeemacht ingezet. Eén van de eerste slavenopstanden vond plaats in Barbados in 1683 waarbij er zelfs een Engelstalige geschreven oproep circuleerde waarin andere slaven werden opgeroepen om deel te nemen aan de rebellie.

In Jamaica ging er zelden een decennium voorbij zonder een opstand en vaak werd het volledige plantagesysteem bedreigd. In een aantal gevallen moest vrede worden gesloten met de rebellen en werden ze toegelaten om hun eigen gemeenschappen te organiseren.

Om een einde te maken aan de slavernij had de strijd van de slaven versterking nodig van andere klassen in het centrum van het imperialisme. 200 jaar na de afschaffing van de slavenhandel werd heel wat aandachtig geschonken aan de rol van William Wilberforce die campagne voerde voor de afschaffing van de slavenhandel in het parlement. BBC-presentator Melvin Bragg riep Wilberforce recent nog uit tot de grootste Engelse politicus ooit omwille van dat werk.

De argumenten haalde Wilberforce bij zijn goede vriend, William Pitt de Jongere, de premier. Die stelde dat de slavenhandel moest afgeschaft worden omdat het duurder was dan het gebruik van gewone arbeiders. Pitt bracht zijn argumentatie als aanhanger van de vrije markt econoom Adam Smith na het verlies van de Britse kolonies in Amerika als gevolg van de Onafhankelijkheidsoorlog.

De belangrijkste bekommernis van Pitt was dat de Britse slavenhandelaars een groot deel van hun slaven verkochten in Franse kolonies, in het bijzonder Saint-Domingue (nu Haiti), waarbij een rivaliserende macht werd versterkt. Wilberforce sloot zich aan bij een reeds bestaande campagne, de Abolition Society, op een ogenblik (1787) dat dit vooral een lobbygroep was.

Wilberforce legde vooral nadruk op het schrijven van parlementaire teksten. Intussen was er onder de vroege arbeidersklasse en de armen een openheid voor radicale verandering. Onder hen waren er ook zowat 10.000 zwarten: ex-slaven, dienstpersoneel en weggelopen mensen. De regering van Pitt slaagde er niet in om de gewenste grondwetswijzigingen (onder meer rond het stemrecht dat toen nog beperkt was tot een uiterst klein deel van de bevolking) door te voeren en zag de afschaffing van de slavernij als een mogelijkheid om de aandacht af te leiden.

Binnen het jaar nadat een petitie werd gelanceerd kwamen er massale meetings in steden en dorpen waarbij er ooggetuigenverslagen kwamen van ex-slaven zoals Olaudah Equiano die aansloten bij de algemene bekommernissen van de arbeiders en armen. In Manchester tekenden 10.000 mannen (vrouwen werden niet aangemoedigd om te tekenen, ook al probeerden heel wat vrouwen om dat wel te doen) de petitie, dat was toen meer dan de helft van de mannelijke volwassenen in de stad. Ondanks die steun werd de eerste motie van Wilberforce in het parlement afgekeurd in 1789. Grotere gebeurtenissen zouden evenwel leiden tot een nieuwe ontwikkeling.

Franse revolutie

Tegen de jaren 1780 werd de Franse kolonie Saint-Domingue het meest welvarende Caribische eiland. Het produceerde meer suiker, koffie en tabak dan alle andere eilanden. En dat niet allen op het vlak van kwantiteit, maar ook van kwaliteit. Dit verrijkte Frankrijk en de handelaars die zaken deden op het eiland.

Net zoals Liverpool, Bristol en Londen groeiden als gevolg van de slavenhandel, was er ook een opkomst van de Franse steden Nantes, Bordeaux en Marseille. Tegen 1789 zorgden de onderliggende spanningen tussen de rijkdom van deze nieuwe handelarenklasse en de monarchie voor een uitbarsting toen de massa’s de Bastille bestormden en het startsein gaven voor de Franse revolutie.

Deze revolutie maakte een einde aan het feodalisme in Frankrijk en legde de basis voor een moderne kapitalistische samenleving. Dat was een burgerlijke revolutie, geen socialistische. Maar het waren wel de arme massa’s, de sans-culottes, die het revolutionaire proces steeds opnieuw vooruit dreven.

In de kolonies verdeelde de revolutie de blanken in twee kampen. De vrije en soms rijke inwoners van Saint-Domingue van gemengde afkomst (toen gekend als “mulatten”) kozen kant en kwamen op voor hun rechten. De blanken beriepen zich op terreur en geweld tegen de “mulatten” en de zwarte meerderheidsbevolking. Verdeeldheid onder de blanken gaf de anderen echter de kans om op te komen voor vrijheid.

Vooral de “mulatten” waren tegen eind 1789 erg actief met oproepen aan de Grondwetgevende Vergadering in Frankrijk om op gelijke voet met de blanken te worden behandeld. Ze wilden echter nog steeds arbeiders op het eiland hebben en kwamen niet op voor gelijke rechten voor de zwarten.

De Grondwetgevende Vergadering werd gedomineerd door de rechterzijde van de revolutie die rechten wou toekennen aan de nieuwe rijke kapitalisten, maar erg bang was van het potentieel van de massa’s die de Bastille hadden bestormd. Na heel wat onderhandelingen werd uiteindelijk aan een uiterst beperkt deel van de mensen van gemengde afkomst rechten toegekend.

De verdeeldheid in de heersende klassen tussen de royalisten en de aristocraten aan de ene kant en de nieuwe opkomende kapitalisten aan de andere kant, gaf net als in alle revoluties zelfvertrouwen aan de massa’s. Dat was het geval voor de arbeiders en de boeren in Frankrijk, maar ook voor de zwarten in Saint-Domingue die dachten dat ze tot op het bot voor hun eisen konden opkomen.

Tegen 1791 kwam het tot een uitbarsting en een klassenoorlog in Saint-Domingue waarbij blanken, zwarten en gemengde mensen een specifieke plaats innamen. Toussaint L’Ouverture werd al snel de leider van de slaven. Zijn leger ondernam tal van initiatieven en volgde verschillende methoden om voor emancipatie op te komen.

Het revolutionaire Frankrijk kwam ook internationaal onder druk te staan. Het Britse imperialisme wilde dominantie in het Caribische gebied en moest daarbij concurreren met de Fransen. De Britten begonnen een oorlog om de Franse kolonies en Saint-Domingue in het bijzonder te veroveren. De Britse premier Pitt begon over zijn standpunt voor de afschaffing van de slavenhandel te twijfelen toen hij de mogelijkheid van een Brits Saint-Domingue in rekenschap bracht.

Saint-Domingue werd opgesplitst in drie delen. De nieuwe gouverneur werd gevangen genomen door de Britten en zag geen andere mogelijkheid dan het erkennen van de afschaffing van de slavernij in 1793. Hij bracht het leger van Toussaint L’Ouverture onder zijn controle. De Franse massa’s hadden ook hun belangen verdedigd waardoor er in 1794 een linkse meerderheid was in het parlement en de Jacobijnen besloten om de slavernij af te schaffen.

Caribische revolte

Er speelde zich een revolutionair drama af in Saint-Domingue. Maar het waren vooral de gevolgen van de Franse Revolutie die nazinderden in het Franse Caribisch gebied. Er waren slavenopstanden in Martinique, Guadeloupe en Tobago. Het vaandel met de slogans “Vrijheid, Broederlijkheid en Gelijkheid” inspireerde ook de slaven.

In Saint Luca namen de slaven het eiland tussen 1795 en 1796 over nadat de Britse troepen het land waren uitgezet. De Britten konden pas opnieuw de controle verwerven toen ze beloofden dat het slavenleger onderdeel zou worden van een West-Afrikaans regiment. De jongeren in de dorpen zongen in de jaren 1930 en 1940 nog steeds de Marseillaise, het lied van de Franse revolutie. Ook Britse arbeiders en radicalen schaarden zich achter de Franse revolutie en steunden Tom Paine toen die over de Rechten van de Mens schreef.

De oorlog met Frankrijk verzwakte de Britse parlementaire steun voor de afschaffing van de slavernij. Het parlement stemde repressieve maatregelen om het verzet tegen de oorlog onder de arbeiders en armen in de kiem te smoren. In 1795 waren er drie grote betogingen op drie weken tijd waarbij telkens meer dan 150.00 betogers de straat op trokken met slogans als “Weg met Pitt”, “Geen oorlog” en “Geen koning”.

Wilberforce steunde het buitenlandse beleid van Pitt tegenover Frankrijk en zijn interne beleid van repressie. In deze periode beperkte hij zich tot het aanpassen van zijn moties om het debat over de afschaffing van de slavernij in het parlement te blijven voeren.

De Franse revolutie maakte geen einde aan de Franse geschiedenis. Tien jaar na de revolutie kwam Napoleon Bonaparte aan de macht. Heel wat verworvenheden van de revolutie voor de sans-culottes werden terug geschroefd. Maar de verandering van een feodaal eigendomssysteem naar een kapitalistisch systeem bleef behouden. Napoleon voerde de slavernij opnieuw in. Toussaint L’Ouverture had al in 1797 in een brief aan het Franse Directoraat voorspeld wat de reactie van de slaven in Saint-Domingue zou zijn op een dergelijke maatregel:

“Denken ze dat mensen die de deugden van de vrijheid hebben geproefd kalm zullen toekijken als hen deze vrijheid wordt ontnomen? Ze aanvaardden hun ketenen slechts zolang als ze geen andere en betere levensomstandigheden kenden naast slavernij. Maar vandaag ligt dat achter ons. Als ze over duizend levens zouden beschikken, zouden ze deze allemaal nog eerder opofferen dan opnieuw de slavernij te aanvaarden.”

De zwarte massa’s van Saint-Domingue begonnen een opstand die leidde tot het einde van het Franse bewind en tot onafhankelijkheid. Het koloniale kroonjuweel van Frankrijk dat de Britten zo graag hadden ingepikt, zou voortaan geen slavernij meer kennen.

De radicale beweging in Groot-Brittannië keerde zich opnieuw naar de parlementaire weg. Tegen 1806 werden meer radicale parlementsleden verkozen, ook al ging het telkens om radicalen binnen de kapitalistische logica. Het Britse imperialisme werd niet langer beconcurreerd vanuit Saint-Domingue en richtte de aandacht en de winsthonger steeds meer op India in de plaats van de Caraïben.

De Franse marine was afgemaakt in Saint-Domingue en vormde niet langer een zelfde bedreiging voor de Britse politiek en de Britse belangen. In het Caribische gebied was het duidelijk dat de constante dreiging van revolte zou blijven toenemen indien er nieuwe slaven zouden worden ingevoerd vanuit Afrika. De afschaffing van de slavenhandel werd in het parlement gestemd in 1807 en doorgevoerd in 1808.

Erfenis van de beweging

Tienduizenden Afrikanen bleven decennialang gevangen genomen en verhandeld worden. Achterpoortjes in de wet en illegale activiteiten met smokkelaars zorgden ervoor dat de handel werd verder gezet. Alles werd in het werk gezet om de vraag van de kolonisten naar plantageslaven in te willigen.

De slavenhandel en slavernij zelf werd in Groot-Brittannië uiteindelijk afgeschaft in 1833 als gevolg van de acties van de arbeiders en de aanhoudende opstanden en het verzet van de zwarte dwangarbeiders.

Sindsdien kwam het nooit tot excuses van de heersende klasse voor de slavernij. Er wordt gevreesd dat dit zou leiden tot grote schadeclaims. In 1833 werd 20 miljoen pond (het equivalent van 1,5 miljard pond vandaag) aan compensaties betaald aan de slavenhouders. De verschrikkelijke erfenis van de slavernij – racistische ideologie, de vernietiging van Afrikaanse beschavingen en gemeenschappen, de dood of het transport van tussen 10 en 30 miljoen mensen, de vernietiging van het zwarte gezinsleven in de kolonies – laat tot vandaag haar sporen na.

Wat wij vooral uit de beweging voor de afschaffing van de slavernij onthouden is het feit dat de massa’s en in het bijzonder de arbeiders kunnen strijden voor fundamentele veranderingen. Vandaag kan enkel de socialistische controle en het democratische gebruik van de enorme rijkdom op de wereld een einde maken aan de uitbuiting en verdeeldheid.

Dossier door Hugo Pierre

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie