Marxisme en vervreemding (deel 2 van de brochure door George Novack)

De fetisj van het kapitalisme

Vervreemding is zoals alle relaties een tweezijdig gegeven en haar werking heeft tegengestelde gevolgen. Wat weggenomen wordt van de bezitslozen wordt toegeëigend door de onteigenaars. Met de godsdienst wordt de zwakheid van de mensen op aarde aangevuld met de alomtegenwoordigheid van de goddelijkheid die alle capaciteiten die de mens niet heeft, wordt toegemeten. Zijn vertegenwoordigers in de samenleving, van de sjamaan tot de geestelijken, gebruiken die situatie in hun voordeel.

Op economisch vlak is het slavendom van de arbeider de basis voor de vrijheid van de meester, de armoede van de meerderheid zorgt voor de rijkdom van enkelingen. Op politiek vlak komt de afwezigheid van een volks inbreng tot uiting in het despotisme van de staat.

In de “Economische en filosofische manuscripten” van 1844 gaat Marx voor het eerst in op het mysterie van geld. In een kapitalistische samenleving, zo merkt hij op, heeft het geld de plaats van de religie ingenomen als belangrijkste bron van vervreemding, net zoals het de goddelijkheid heeft verdrongen als belangrijke object van aanbidding en aantrekking. Het geld als rijkdom staat als een wrede tiran tussen de noden van de mens en de voldoening van die noden. Wie geld bezit, kan de meest exorbitante verlangens vervullen, terwijl een armzalig individu zelfs niet kan instaan voor elementaire behoeften als voedsel, kledij en onderdak.

Geld heeft de magische macht om dingen in hun tegendeel om te zetten. “Geld! Geel, schitterend, waardevol goud”, kan, zoals Shakespeare zei, “zwart of wit zijn; juist of fout; nobel of bescheiden; oud of jong; laf of moedig.” De persoon zonder artistieke zin kan schilderijen kopen en thuis ophangen, of ze veilig verbergen terwijl de maker en de kunstliefhebber ze dan niet kunnen zien en er niet van kunnen genieten. De meest gemene mens kan bewondering en aanhangers kopen, terwijl waardevolle individuen niet opgemerkt worden.

Onder het kapitalisme komt alles op het terrein van uitwisseling en wordt alles het voorwerp van koop- en verkoopactiviteiten, de waarde van een mens kan geschat worden, niet door zijn capaciteiten of activiteiten, maar door zijn bankrekening. Een mens is “waard” wat hij bezit en een miljonair is onvergelijkbaar meer “waard” dan een arme luis. Een Rotschild wordt hoog aangeschreven terwijl Marx gehaat wordt. Alle menselijke waarden en standaarden worden verwrongen.

Later beschrijft Marx in het eerste hoofdstuk van “Het Kapitaal” wat de geheimen zijn van deze magische krachten van het geld door na te gaan wat de waarde is van een waar gedurende haar evolutie. De fetisj van het geld komt voort uit de fetisj van de waarde van een waar zoals deze uitgedrukt wordt in de verhouding tussen verschillende producenten. De fetisj van het kapitaal dat het leven en de arbeid van de mens overheerst, is de ultieme uitdrukking van deze fetisj van de waren.

Als geld in de vorm van kapitaal de belangrijkste fetisj is van de burgerlijke samenleving, dan is de staat die de economische voorwaarden van kapitalistische uitbuiting oplegt slechts nipt het tweede belangrijkste element. De macht van de staat komt het sterkst tot uiting in haar macht om straffen op te leggen, belastingen te eisen en jongeren verplicht naar het leger te sturen. De identiteit van gewone burgers kan enkel aangetoond worden met documenten die opgemaakt zijn door regeringsvertegenwoordigers. De mens heeft een geboorteakte en een diploma dat aantoont dat hij de school doorlopen heeft. Er worden aktes opgemaakt als de mens huwt of uit de echt scheidt.

De overheersing van geld en de staat over het leven van de mens is in laatste instantie terug te brengen tot de relatieve armoede van de sociale orde.

Vervreemding tussen staat en samenleving

De vervreemding die ingebouwd is in de economische grondslagen van het kapitalisme komt op tal van wijzen tot uiting in andere onderdelen van de sociale structuur. Ze worden samengebundeld in de tegenstelling tussen de staat en de leden van de samenleving. De eenheid van het VS-kapitalisme is bijvoorbeeld vervat in een staatsorganisatie die gedomineerd en geleid wordt door vertegenwoordigers van de leidende monopolisten.

De vervreemding van deze regering van de bevolking in onze dollardemocratie is het belangrijkste onderwerp van een recente studie over de heersers en de overheerste bevolking door professor C. Wright Mills in “De Machtselite”. Dit werk begint als volgt: “De macht van de gewone burger wordt bepaald door de dagelijkse wereld waarin ze leven, maar zelfs op vlak van hun job, familie en buurt, worden ze in veel gevallen schijnbaar gestuurd door krachten die ze noch begrijpen noch controleren. ‘Grote veranderingen’ gaan aan hun controle voorbij, maar hebben desalniettemin een invloed op hun gedrag en inzichten. Het kader van de moderne samenleving maakt hen tot een onderdeel van projecten die niet van hen zijn, maar langs alle kanten worden dergelijke veranderingen aan de mannen en vrouwen van de massasamenleving opgelegd, terwijl de mens hierop aanvoelt dat hij geen doel heeft in een tijdperk waarin hij geen macht heeft.”

Mills beschrijft de enorme polarisatie van macht in onze samenleving door te verklaren dat de grote bedrijven, staatsmannen en diegenen die de machtselite vormen bij de machteloze massa overkomen als “alles wat wij niet zijn”. Het moet echter benadrukt worden dat, zelfs onder de huidige conformiteit, de bevolking niet zo inert is als ingeschat wordt door Mills en zijn collega academici en sociologen. De strijd van de zwarte bevolking voor gelijkheid en de stakingen van industriële arbeiders zijn een indicatie van het feit dat er onder het oppervlak heel wat ongenoegen aan het opborrelen is.

Maar het kan niet ontkend worden dat de arbeidskracht in veel gevallen niet volledig gebruikt wordt, niet georganiseerd wordt en op een verkeerde wijze geleid wordt waardoor het potentieel niet altijd tot uiting komt, ook niet voor wie over de arbeidskracht beschikt. Het beleid van vakbondsleiders helpt in veel gevallen de vertegenwoordigers van de “machtselite” bij het vermijden dat de bevolking de immense politieke kracht zou opmerken die ze zouden kunnen hebben. Ze houden de arbeidersklasse vervreemd van haar gerechtvaardigde plaats in het Amerikaanse politieke leven als leider en organisator van de hele natie. Die rol wordt bij gebrek aan andere krachten overgedragen aan de kapitalistische partijen.

Het feit dat de arbeidersklasse geen beschikking heeft over haar historische plaats kan echter niet eeuwig volgehouden worden. Vroeg of laat zal de arbeidersbeweging verplicht zijn om los te komen van haar onderwerping aan politieke organisatie van een andere klasse en zal de arbeidersbeweging haar eigen onafhankelijke partij vormen. Dit zal het begin vormen van een proces van politieke zelf-realisatie, een aanval op de overheersende positie die nu ingenomen wordt door de kapitalistische minderheid. Als vandaag de verschillende partijen staan voor andere belangen dan die van de massa’s, dan kan de strijd voor het socialisme voor een omkering zorgen en ervoor zorgen dat diegenen die vandaag niets zijn het voor het zeggen hebben.

Vervreemding tussen wetenschap en samenleving

De elementaire klassentegenstellingen op economisch en politiek vlak verstoren ook de verhoudingen in alle andere domeinen van het leven onder het kapitalisme, van emotionele reacties tegenover elkaar tot de meest algemene opvattingen. Dit wordt duidelijk en komt tot uitdrukking op vlak van kunst en literatuur in een burgerlijke samenleving. De vervreemding van de creatieve kunstenaar van zijn burgerlijke milieu, die hem doet schipperen tussen pure commercialisering en wrede onverschilligheid, heeft in veel gevallen geleid tot schandalen. De protestoproepen in werken zoals van hedendaagse Amerikaanse schrijvers als Henry Miller en Norman Mailer zijn daar een getuige van.

Er is vandaag een nieuw element dat toegevoegd wordt aan deze tegenstelling tussen de intellectuelen en de heersende klasse. Dat was de breuk die er plots kwam tussen de wetenschappers en het kapitaal met het ontwikkelen en inzetten van de atoombom.

De kapitalistische samenleving was in haar progressieve periode de basis voor het ontwikkelen van de moderne natuurwetenschappen en gedurende eeuwen hebben de wetenschap en de samenleving elkaar vooruit geholpen. De meeste wetenschappers in de Engelssprekende wereld gingen dermate uit van de harmonie tussen beide elementen dat ze hun werk uitvoerden zonder enige bezorgdheid over de sociale gevolgen en de uiteindelijke consequenties. De kettingreactie die voortkwam door de ontwikkeling van nucleaire energie verstoorde deze situatie op ernstige wijze.

Vanaf 1942 staan nucleaire fysici voor een verscheurend dilemma. Enerzijds wilden ze de ontdekking en het onderzoek verder zetten om de waarheid te ontdekken over kernenergie. Maar het leger gebruikte hun arbeid met als resultaat dat het werd ingezet tegen de bedoelingen van de wetenschappers in. De “vrijheid van wetenschap” werd een hol begrip toen de resultaten van onderzoeken geheim werden gehouden en de atoomgeleerden geïsoleerd werden van hun omgeving omwille van het “staatsbelang”.

De wetenschappers werden deel van een militaire machine met het oog op imperialistische doeleinden, net zoals de fabrieksarbeiders deel uitmaken van het apparaat om winst te maken. In plaats van bij te dragen aan de creatie van een beter leven, leidden hun ontdekkingen tot een snellere dood. Hun grotere controle over materie en energie werd tenietgedaan door een compleet gebrek aan controle over het sociaal gebruik ervan.

Wat is er meer onmenselijk voor een wetenschapper dan het verworden tot een agent van de vernietiging van zijn eigen soort en diegene die een hypotheek legt op het toekomstige leven? Het hoeft geen verwondering te wekken dat de meest gevoelige en sociale wetenschappers daar tegen ingaan omdat ze zelf geraakt worden. Een aantal wetenschappers heeft geweigerd om als “bewuste tegenstanders” deel te nemen aan oorlogswerk, anderen hadden te leiden onder zenuwinzinkingen en sommigen pleegden zelfs zelfmoord.

Diegenen die zich organiseerden rond “The Bulletin of the Atomic Scientists” (het bulletin van atoomgeleerden), hebben zonder succes gezocht naar een effectieve politieke oplossing. Sommigen spreken over hun “collectieve schuld”, alhoewel ze slachtoffers zijn en geen daders. De verantwoordelijkheid voor de aanwending van hun ontdekkingen ligt volledig bij de heersende imperialisten die de wetenschappers in hun vervreemde positie hebben geleid.

Deze diagnose bevat ook een aanwijzing van de enige manier waarop ze die vervreemding kunnen ontkomen. Dat is door de krachten te bundelen met diegenen die zich verzetten tegen het imperialisme en samen de strijd aan te gaan.

Het humanisme van Erich Fromm

Terwijl de fysieke gezondheid van de bevolking in de Westerse wereld sterk verbeterd is, zijn de mentale en emotionele omstandigheden er op achteruit gegaan. Dat was de stelling van het recent gepubliceerde boek “The Sane Society” (“De gezonde samenleving”) van Erich Fromm die de psychopathologie van het moderne leven onderzoekt. Zijn werk is bijzonder pertinent omwille van het socialistische humanisme dat hij aanhangt als psychologische tegenhanger van het humanisme dat te vinden is bij “Dissent” en “The New Reasoner”. Fromm gaat terecht in tegen diegenen die vertrekken van het idee dat het kapitalisme rationeel zou zijn waarbij de individuen zich moeten “aanpassen”, dat wil zeggen zich moeten onderwerpen aan de vereisten van het systeem. Fromm stelt daarentegen dat het systeem op zich irrationeel is, wat duidelijk wordt in de gevolgen van het systeem. Als de mensen op een productieve en vreedzame wijze willen leven, moet komaf gemaakt worden met het kapitalisme.

Fromm leent het concept van vervreemding uit de vroege werken van Marx en gebruikt deze als centraal begrip in zijn analyse over wat verkeerd loopt in de 20e eeuwse samenleving en de gevolgen daarvan voor de bevolking. Hij doet heel wat scherpe observaties over de wijze waarop het kapitalisme de menselijke persoonlijkheid beïnvloedt.

Hij wil het kapitalisme bekritiseren vanuit een socialistisch standpunt en als bewonderaar van Marx. Maar hij keert Marx ondersteboven als hij verklaart dat Marx een mensbeeld had dat “in essentie een religieus en moreel” concept was. Fromm probeert zelf om het materialisme te vervangen door morele argumenten als theoretische basis voor het socialisme.

De voormalige psycho-analist ontkent dat de basisreden voor de ziekte van de moderne samenleving haar oorsprong vindt in de productiewijze, zoals geleerd wordt door het marxisme. De ziekte van de samenleving kan volgens Fromm evenzeer worden toegeschreven aan spirituele en psychologische redenen. Socialisme met versterkt worden met de wijsheid van de grote religieuze leiders die geleerd hebben dat interne aard van de mens moet veranderd worden, net zoals de externe omstandigheden moeten worden gewijzigd. Hij gaat akkoord met de gospels: “Het hemelse rijk bevindt zich in jou, het socialisme en zeker het marxisme, hebben de noodzaak van interne veranderingen in de mens benadrukt, zonder deze veranderingen kan economische verandering nooit leiden tot de ‘goede samenleving’”.

Volgens Fromm is het nodig dat er “gelijktijdige veranderingen zijn op vlak van industriële en politieke organisatie, van spirituele en psychologische oriëntatie, van karakter en van culturele activiteiten”. Zijn praktische programma om een oplossing te bieden voor de problemen van de huidige samenleving verzet zich tegen de machtsverovering door de arbeiders, de nationalisatie van de industrie en de geplande economie. Dat leidt volgens hem tot een totalitair regime.

Fromm stelt de oprichting voor van kleine landbouw en industriële “werkgemeenschappen” als plaatsen waar de voorwaarden gecreëerd worden om het goede leven te bereiken. De kapitalistische samenleving moet opnieuw opgebouwd worden en de mensheid werpt zich opnieuw op door middel van utopische kolonies zoals diegene die verdedigd werden door Owen, Fourier, Proudhon en Kropotkin.

Het “gemeenschapssocialisme” van deze humanist blijkt een bleek kopie te zijn van de utopische fantasieën in de vorige eeuw. Het is een vlucht vanuit de reële feiten van de moderne technologie die een grootschalige productie vereisen op wereldvlak om de bevolking in stand te houden. Het is ook een vlucht van de dringende taken om in te gaan tegen de negatieve elementen van de kapitalistische reactie en het stalinisme, aangezien het afstand neemt van de theorie en de praktijk van het revolutionaire marxisme. Dat is nochtans de enige sociale beweging, klassenmacht en politiek programma, dat effectief komaf kan maken met de heerschappij van het monopoliekapitalisme en het bureaucratisch stalinisme, om zo de basis te leggen voor een vrije en gelijke samenleving.

Is vervreemding eeuwigdurend?

Is de vervreemding waaronder de mens te lijden heeft iets onoverkomelijk? Dat is alvast de stelling van de katholieke kerk, pessimistische protestantse theologen zoals Reinhold Niebuhr, existentialistische aanhangers van Kierkegaard en een aantal aanhangers van Freud. Ze stellen de mens voor als eeuwig verscheurd door onverzoenbare doelstellingen en impulsen, gedoemd tot wanhoop en ontgoocheling in een aanhoudende oorlog tussen zijn diepste spirituele aspiraties en zijn beperkingen als sterfelijke mens.

De historisch materialisten verzetten zich tegen deze predikanten. De mensheid heeft geen eeuwige onoverkoombare tekortkomingen die moeten gecompenseerd worden door de fictieve verzachtingen van de kerk, de mythische intuïtie van idealistische filosofen of de eindeloos herhaalde en steeds falende inspanningen inzake zelftranscendentie van de existentialisten. De echte vervreemding die de mens onderdrukt, heeft een historische oorsprong en materiële oorzaken. In plaats van eeuwigdurende vormen van vervreemding, hebben we al aangegeven hoe de vorm van vervreemding wijzigt doorheen de sociale ontwikkeling, van de strijd tussen samenleving en natuur tot het conflict binnen de sociale structuur.

Die interne sociale tegenstellingen zijn niet eeuwig. Ze komen niet voort uit een intrinsiek en onvermijdbaar kwaad in de aard van de mens. Ze komen voort uit specifieke historische en sociale omstandigheden die kunnen verklaard worden.

Nu de mens een superieure positie heeft gewonnen tegenover de natuur door de triomfen van de technologie en de wetenschap, zal de volgende grote stap erop gericht zijn om de collectieve controle te verwerven over de samenleving. Er is volgens het marxisme maar één bewuste kracht die in de huidige samenleving sterk genoeg is om deze taak op te nemen. En dat is de kracht van de vervreemde arbeid die zich in de arbeidersklasse bevindt.

De materiële middelen om de mensheid te bevrijden kunnen enkel tot stand komen door middel van een wereldwijde socialistische revolutie die de politieke en economische macht concentreert in de handen van de arbeiders en hun gezinnen. Een geplande economie op socialistische basis en dat op een internationale schaal, zal de mens niet alleen in staat stellen om de controle te verwerven over de levensmiddelen, het zal ook de collectieve controle onmetelijk versterken. De heropbouw van sociale relaties zal de heerschappij over de natuur voor sociale doeleinden vervolledigen en daarmee de voorwaarden afschaffen die in het verleden de onderwerping van de ene mens aan de andere mogelijk, en zelfs noodzakelijk, maakten.

Eens voorzien wordt in het bevredigen van ieders basisbehoeften, zal er overvloed zijn en kan de arbeidstijd die nodig is om te voorzien in de levensmiddelen beperkt worden tot een minimum. Dat zal de basis vormen voor de vernietiging van iedere vorm van vervreemding en voor een bredere ontwikkeling van alle individuen, niet ten koste van anderen, maar op een harmonieuze wijze.

De afschaffing van de private eigendom moet gevolgd worden door het wegvegen van de nationale grenzen. De toename van de productiecapaciteiten zullen de weg voorbereiden voor de eliminatie van de traditionele tegenstellingen tussen handarbeiders en hoofdarbeiders, tussen inwoners van de stad en die van het platteland, tussen ontwikkelde en onderontwikkelde naties.

Dat zijn de noodzakelijke elementen om te bouwen aan een harmonieus en stabiel systeem van sociale verhoudingen. Als alle opgelegde ongelijkheden op vlak van sociale status, levens- en arbeidsvoorwaarden, toegang tot middelen van zelfontwikkeling,… verdwijnen, dan zullen de uitdrukkingen van die materiële ongelijkheden in de vervreemding van één deel van de samenleving van een ander eveneens verdwijnen. Dat zal de basis zijn voor de vorming van harmonieuze individuen die niet langer strijd leveren met elkaar – of met zichzelf.

Dat zijn de vooruitzichten voor een socialistische revolutie en haar reorganisatie van de samenleving, zoals uitgewerkt door het marxisme.

Belangrijkste oorzaak van vervreemding in de gedeformeerde arbeiderstaten

Dat was ook het doel waar de Sovjetunie naar streefde als resultaat van de eerste succesvolle arbeidersrevolutie. Heel wat communisten dachten dat de Sovjetunie in die richting ging onder het stalinistische regime. Had Stalin niet gezegd dat het socialisme al gerealiseerd was in de Sovjetunie en dat het land nu op weg was naar het hogere stadium van het communisme?

Chroetsjev heeft die beweringen overgenomen. Maar zijn eigen onthullingen op het 20ste partijcongres en de uitbarstingen van oppositie in het Oostblok sindsdien hebben de illusie doorbroken dat er reeds een socialistische samenleving gevormd was. De verkeerde ideologische grondslag van de Communistische Partij wordt ontmaskerd. Hoe kunnen de brokken terug gelijmd worden?

Eerst en vooral moet gekeken worden wat de actuele situatie is in de Sovjetunie en hoe marxisten daar tegenover staan. Op hun eigen manier proberen een aantal “humane” socialisten dit te doen. Thompson, redacteur van New Reasoner, schreef: “Het werd aangenomen dat alle vormen van menselijke onderdrukking uiteindelijk gebaseerd waren op economische uitbuiting die voortkomt uit de private eigendom van de productiemiddelen en dat eens deze gesocialiseerd werden, het einde van andere vormen van onderdrukking snel zou volgen.” (mijn cursief)

Deze voorstelling van het historisch materialisme behoudt haar juistheid, ook al wordt het bekritiseerd door de humanisten. Wat ging er dan fout? Op zich is deze historische veralgemening abstract en moet het ingevuld worden met de bestaande feiten en de staat van de ontwikkeling om concreet en nuttig te worden. De kern van de zaak ligt in het gebruik van het woord “snel”. Tussen het einde van de kapitalistische privé-eigendom en de ontwikkeling van de genationaliseerde productiemiddelen tot een niveau van socialistische overvloed moet er een overgangsperiode zijn waarin een aantal elementen van de vroegere burgerlijke orde nog aanwezig zijn en vermengd worden met de instellingen van de nieuwe samenleving in opbouw.

In het geval van de Sovjetunie was die tussenperiode noch kort noch zo gunstig als voorzien door Marx en Lenin. Deze historische periode heeft zich reeds uitgerokken over vier moeilijke decennia en is nog verre van vervolledigd. Het is de taak van een wetenschappelijke socialist om de echte omstandigheden van de economische en sociale ontwikkeling van de eerste arbeidersstaat gedurende deze 40 jaar te bestuderen in het kader van de algemene richtlijnen van de marxistische methode. Er moet een inzicht komen in de mate waarin de materiële omstandigheden de theoretische normen hebben benaderd, waar tekort geschoten is en waarom, om dan te zien welke middelen nodig zijn om de kloof te overbruggen tussen de bestaande situatie en een ideale standaard.

Thompson en zijn mede humanisten, gebruiken echter een compleet andere methode nu de negatieve elementen van het stalinisme plots voor hen duidelijk worden. De brengen enkele historische algemeenheden naar voor uit de losse pols, terwijl deze algemeenheden een enorme rijkdom aan ervaring en analyse van sociale ontwikkelingen in zich dragen die aangevuld zijn door hun uitdrukkingen in de realiteit. Het is niet de eerste keer dat goed bedoelende radicalen uit het lood geslagen worden door de tegenstelling tussen wat een arbeidersstaat zou moeten zijn en de politieke degeneratie onder het stalinistische regime. Ze gaan daarbij zowel in tegen de theoretische basis als tegen de bestaande realiteit. Nadat ze gedurende lange tijd opgingen in illusies, kunnen ze nu niet om met de objectieve historische feiten van de Sovjetunie.

Marxistische sociologie daarentegen vereist dat de feiten zoals ze zijn als startpunt worden genomen voor theorie en actie. Wat zijn die feiten?

In juni 1957 bezwoer Chroetsjev op de televisie dat er geen tegenstellingen bestonden in de Sovjetsamenleving. Dit was niet geloofwaardiger dan zijn bewering dat alles goed ging met de nieuwe “collectieve leiding” – kortelings voor Molotov, Malenkov, Kaganovitsj en andere leidinggevende figuren werden buitengewerkt. De meer voorzichtige Mao Tse Tung gaf toe dat er bepaalde tegenstellingen kunnen bestaan tussen de regering en de bevolking van een arbeidersstaat, maar stelde dat deze in China, en bij uitbreiding in de Sovjetunie, enkel op een niet-gewelddadige wijze tot uiting komen.

De tegenstellingen tussen de bureaucraten en de massa’s in de Sovjetunie hebben almachtige staten gecreëerd, wat een uitdrukking is van de valsheid van de theoretische vooronderstellingen van de leiders in Moskou en Peking. Hoe kan de vervreemding tussen de heersers en de overheersten uitgelegd worden?

Het feit dat de arbeiders de macht namen en het publiek bezit van de productiemiddelen, kan op zichzelf niet het socialisme invoeren, zeker niet in achtergestelde landen. Die verworvenheden leggen slechts de politieke en legale basis voor de opbouw van de nieuwe samenleving. Om tot een socialistische maatschappij te komen, moeten de productiekrachten ontwikkeld worden tot een niveau waarbij de consumptiegoederen goedkoper en op grotere schaal aanwezig zijn dan onder het meest ontwikkelde kapitalisme.

Dat kan niet bereikt worden binnen de grenzen van één land, zoals de orthodoxe stalinisten beweren, of door het bijeenvoegen van verschillende nationale eenheden die elk hun “eigen weg naar het socialisme” volgen, zoals de dissidente stalinisten beweren. Het tekort aan consumptiegoederen komt voort uit de inferieure productiviteit van een economie die afgesloten is van de grondstoffen op wereldvlak, en het vormt de basis voor de groei en het instandhouden van een bureaucratische kaste binnen zelfs de meest “liberale” arbeidersstaten.

In principe zijn de belangrijkste oorzaken van de vervreemding van arbeid onder het kapitalisme – het privaat bezit van de productiemiddelen en de anarchie van het winstsysteem – uitgeroeid in de Sovjetlanden. Door de nationalisatie van de sleutelsectoren van de industrie, de controle op de buitenlandse handel en de geplande economie, zijn de arbeiders niet langer afgescheiden van de materiële productiemiddelen maar zijn ze ermee verbonden op een nieuwe en hogere wijze.

Deze antikapitalistische maatregelen en methoden maken evenwel geen einde aan de problemen van de Sovjeteconomie. Verre van. Om de sociale vervreemding die overgeërfd is uit het verleden uit te roeien, hebben de arbeidersstaten niet enkel een machtige zware industrie nodig maar ook een economie met een goed oog voor proporties zodat kan voldaan worden aan de behoeftes van de bevolking en een stijgende levensstandaard kan aanbieden aan alle delen van de bevolking.

In geen enkel bestaand post-kapitalistisch land is de economie dermate ontwikkeld dat het dit punt benadert. Deze landen hebben zelfs nog niet de productiviteit van de meest ontwikkelde kapitalistische landen op vlak van overvloed en cultuur bereikt. De blijvende tekorten hebben geleid tot intense strijd tussen de verschillende delen van de bevolking met het oog op de verdeling van het beperkte nationale inkomen. In deze strijd heeft de bureaucratische kaste alle instrumenten van politieke macht ingezet om de leiding te behouden. De heersers beslissen wie wat krijgt en hoeveel iedereen krijgt. Ze vergeten daarbij nooit om zichzelf aan de kop van de tafel te plaatsen.

Er is geen uitbuiting van arbeid zoals in een kapitalistische samenleving. Maar er zijn scherpe tegenstellingen tussen diegenen die veel hebben, een kleine minderheid, en de ‘have-nots’, de meerderheid van de werkende bevolking. De manifeste ongelijkheid in de verdeling van de beschikbare goederen ondermijnt de solidariteit tussen verschillende delen van de bevolking en verscherpt de verschillen in hun levensstandaard, zelfs daar waar deze wat verbeterd is. In dat opzicht ontsnapt het product van de arbeid nog steeds aan de controle van de producenten zelf. Als het op het terrein van de verdeling komt, staat hun productie onder de controle van een niet-gecontroleerde bureaucratie. Op die manier staat de productie, geconcentreerd in de handen van een omnipotente administratie, opnieuw tegenover de massa’s als een vreemde en tegengestelde kracht.

Dat is de belangrijkste bron, de materiële basis, voor de vervreemding van de heersers en de overheersten in de gedegenereerde en gedeformeerde arbeidersstaten in de Sovjetzone. Hun tegenstellingen vormen de uitdrukking van de groei van twee tegengestelde krachten in de economische structuur: één die overgedragen werd vanuit het burgerlijke verleden, het andere in de vorm van de voorbereiding op de socialistische toekomst. De socialistische basis voor de genationaliseerde industrie en de geplande economie op vlak van de productie worden onderworpen aan bureaucratisch bepaalde burgerlijke normen die beslissend zijn voor de slechte verdelen en de onaangepaste voorraden van consumptiegoederen.

De ontwikkeling van die twee tegengestelde tendensen is verantwoordelijk voor de breuk die dreigt uit te groeien tot explosieve conflicten.

De extreem bureaucratische staat en de arbeiders

Waarom hebben de arbeiders niet zelf de controle over hun producten in handen genomen? Omdat ze ofwel de directe democratische controle over het staatsapparaat hebben verloren, zoals in de Sovjetunie, of die controle nog moeten verwerven zoals in de Oost-Europese satellietstaten en China. Terwijl de arbeiders een hogere levensstandaard zouden moeten genieten onder het socialisme vergeleken met het kapitalisme, zo zouden ze ook veel meer moeten deelnemen aan de administratie van de publieke functies, meer vrijheid genieten en meer rechten hebben dan onder de meest democratische burgerlijke regimes.

Er was een voorsmaakje, en een belofte, dat dit het geval zou zijn in de ontwikkelende democratie dat de eerste vijf jaren van de Sovjetrepubliek kenmerkte. De daaropvolgende politieke overwinning van de bureaucratie reduceerde de democratische werking van de Communistische Partij, de vakbonden, de Sovjets, de jongerenorganisaties en culturele groepen, het leger en de andere instellingen tot er zowat niets van over bleef. De machten en de rechten die verondersteld werden gegarandeerd te zijn door de Sovjetgrondwet werden in de praktijk tenietgedaan door een gecentraliseerde kaste die regeerde door middel van Stalins dictatuur.

Dit autocratisch systeem van politieke repressie versterkte de economische onderdrukking. Met het spionagesysteem en de geheime politie, de gevangenissen en concentratiekampen, werden de strafrechtelijke machten van de staat niet zozeer ingezet tegen de krachten van de omvergeworpen orde, maar wel tegen de arbeiders de dragers van de nieuwe orde waren.

De ultra-bureaucratische staat was geen agentschap dat de beslissingen van de bevolking doorvoerde, maar een instrument dat inging tegen de arbeiders en boeren, de intellectuelen en boeren, en ook tegen een aantal nationale minderheden. Tegenover die lagen was de staat een parasitaire, onderdrukkende en vijandige kracht die moet omvergeworpen worden.

Organisatie van de industrie

Lenin wou, net zoals het programma van de Bolsjewieken het bepaalde, dat de arbeiders de controle en het beheer van de industrie zouden overnemen met hun verkozen vertegenwoordigers. In plaats daarvan werd de verdeling van economische functies die er onder het kapitalisme voor zorgt dat de arbeiders geen initiatief kunnen nemen en hun talenten niet volledig tot uiting kunnen laten komen, gewoon overgenomen met nieuwe vormen onder de bureaucratische slechte aanpak van de Sovjeteconomie.

“Het universele brein” dat de productie overheerst wordt niet langer gevormd door de kapitalisten, maar het zijn ook nog niet de arbeiders die deze rol spelen zoals het hoort in een echte Sovjet-democratie. De hiërarchie van bureaucraten kende alle belangrijke beslissingsmacht aan zichzelf toe met de opeenvolgende vijfjarenplannen. Er werden bevelen gegeven vanuit de centrale commandopost in Moskou, en dat zelfs inzake de kleinste details. Alle wetenschap en rechtspraak werd gecontroleerd door aangestelde functionarissen. Chroetsjevs recente decentralisatie van het industriële management heeft geleid tot een aantal aanpassingen, maar zonder fundamentele veranderingen.

De arbeiders beschikken niet vrij over hun energie in het arbeidsproces. Ze nemen geen initiatief voor de planning, nemen geen deel aan de opmaak ervan, beslissen niet over de productie, de voorraden, de toekenning van de productie of de resultaten ervan. Ze worden teruggebracht tot de rol van passieve objecten die onderworpen zijn aan de harde druk om hun taak steeds beter uit te voeren.

De arbeiders worden opgejaagd op hun werk door een gedetailleerd en willekeurig geheel van werknormen. Tot aan de recente hervormingen waren ze gebonden aan hun jobs in de fabrieken door werkboekjes en interne paspoorten waarbij er stevige straffen stonden voor inbreuken op de regels of zelfs om een paar minuten te laat te komen op het werk. Er was geen stakingsrecht tegen onaanvaardbare condities.

Inmiddels zien de arbeiders een toename van het aantal parasieten in leidinggevende posities en een enorm wanbeheer van de enorme rijkdommen van het land. Verslagen van Sovjetvertegenwoordigers zelf geven voorbeelden van de industriële desorganisatie.

Het productieplan dat collectief zou moeten aangenomen en uitgevoerd worden door de producerende massa’s, wordt hierdoor als iets vreemd opgelegd aan hen door functionarissen die geen besef hebben van de wensen en de welvaart van de massa’s.

Dictatuur van de leugen

De Sovjet-bureaucratie is op zichzelf een levendige uitdrukking van een gigantisch bedrog. Deze geprivilegieerde, anti-socialistische kracht is verplicht om zich voor te doen als de vertegenwoordiger en verderzetting van de grootste beweging voor gelijkheid en rechtvaardigheid die er ooit geweest is, terwijl het regime geen rekening houdt met zelfs de meest elementaire behoeften en gevoelens van de werkende bevolking. Die enorme tegenstelling tussen de progressieve voorstelling en het reactionaire beleid, zijn het sleutelelement van de hypocrisie en het bedrog dat de stalinistische regimes kenmerkt.

Hun dictatuur van de leugen heeft een invloed op ieder onderdeel van het leven in de Sovjetunie. Van de top tot aan de basis wordt de bevolking gedwongen een dubbel leven te leiden: één voor het publieke leven waarbij men zich aanpast aan de officiële partijlijn van het ogenblik; en een ander leven gekenmerkt door onderdrukking en frustratie over de onmogelijkheid om hun echte opvattingen en gevoelens te uiten tenzij ze bereid zijn overhandigd te worden aan de inquisitie.

De bevolking werd vervreemd van het regime dat hen vervreemdde van hun diepste opvattingen en gevoelens. “Het ergste aan ons systeem was niet de armoede, het gebrek aan basismiddelen, maar het feit dat dit systeem ons leven in een grote leugen omvormt, waarbij we moeten luisteren naar leugens, ieder uur van iedere dag leugens aanhoren en daardoor gedwongen worden om op onze beurt te liegen”, zo verklaarde een anonieme intellectueel uit Boedapest aan een Duitse journalist.

De afkeer hiervan was één van de belangrijkste redenen voor de opstanden van de Hongaarse en Poolse intellectuelen en jongeren. Het was ook één van de centrale thema’s in de werken van de nieuwe kritische generatie van Sovjet-schrijvers. Zij proberen zo goed mogelijk het protest te formuleren tegen de dominantie over de culturele, wetenschappelijke en artistieke activiteiten, tegen de verstikkende houding van dubbelspraak en dubbel handelen, tegen de officiële regels die niet enkel een rem betekenen voor creatief werk, maar zelfs een normaal bestaan moeilijk maken.

In de “volksdemocratieën” van Oost-Europa, de Baltische landen, de Oekraïne en andere onderdrukte naties binnen de Sovjetunie zelf is er een gevoel van afkeer tegen een Groot-Russisch regime dat los van bijzondere behoeften, tradities, autonomie en belangen van onderdrukte naties regeert.

Idolatrie van het individu

Godsdienst is in essentie het gevolg van een gebrek aan controle van de mens over de natuur en de samenleving. De socialistische beweging stelt zich tot doel om de materiële voorwaarden die dergelijke fictie en de bijhorende verstikkende invloed op het leven van de mens mogelijk maken, teniet te doen.

De invloed van de orthodoxe godsdienst is sterk aan banden gelegd door het atheïstisch onderwijs in de Sovjetunie sinds de revolutie. Maar in plaats van de godsdienst is er een seculiere “idolatrie van het individu” gekomen met de vergoddelijking van Stalin. Deze heropleving van idolatrie is vreemd en paradoxaal omdat het niet voortkomt van de minst ontwikkelde delen van de bevolking, maar van de top van de heersende Communistische Partij die gevormd was in de materialistische filosofie van het marxisme. Het strijdlied van de arbeidersklasse, de Internationale, stelt: “Wij zijn ’t moe naar and’rer wil te leven”. Maar de bevolking van de Sovjetunie en de communistische partijen werden geïndoctrineerd door de mythe van de onfaalbaarheid van de almachtige “redder” in het Kremlin.

Hoe was het mogelijk dat de praktijken van het Romeinse en het Byzantijnse rijk, waar de heersers vergoddelijkt werden, gewoon gekopieerd werden in de eerste arbeidersstaat?

Het antwoord vinden we niet bij uitzonderlijke kenmerken van Stalin, maar eerder in de rol die hij speelde voor de geprivilegieerde bureaucratische kaste. Toen die kaste zichzelf had opgeworpen als enige heersende macht, kon het geen democratie meer toelaten in de eigen kringen laat staan in het gehele land. Het was noodzakelijk om andere middelen te vinden om de interne problemen en conflicten op te lossen. De middelen moesten in overeenstemming gebracht worden met de methode van heersen: autocratisch, gewelddadig en gebaseerd op bedrog.

Stalin nam de centrale leiding op zich en behield deze voor een lange tijd omdat hij het best in staat was om op te treden als wrede, almachtige heerser. Net zoals de bureaucratie alles in het land besliste, besliste de “man van staal” over alles binnen de bureaucratie.

De macht van de goden, en zelfs hun bestaan, was in essentie afgeleid van de machteloosheid van de bevolking tegenover de samenleving en de natuur. De almachtige kracht van Stalin was gebaseerd op het compleet wegnemen van de macht van de bevolking. De persoonsverheerlijking die zo nadrukkelijk aanwezig was gedurende decennia, was het eindresultaat hiervan. Het opwerpen van Stalin tot bovenmenselijke hoogtes was de andere zijde van de politieke degradatie van de arbeiders in de Sovjetunie.

Het neerhalen van de verheerlijkte Stalin heeft ook een omgekeerd proces op gang gebracht: een versterking van de macht van de arbeidersklasse en een verzwakking van de positie van de bureaucratie als gevolg van de na-oorlogse ontwikkelingen. Stalins opvolgers proberen – zonder veel succes – de meer onpersoonlijke idolatrie voor de bureaucratie te vervangen door iets als “een collectieve leiding” om zo de persoonsverheerlijking aan te pakken.

Als de bevolking zelf opstaat, lijken de machtige en grote heersers niet meer zo groot. Als de arbeiders hun zelfvertrouwen kunnen terugwinnen en hun collectieve kracht voelen, zal hun vroegere onderwerping aan de kunstmatige idolen verdwijnen. De woedende revolutionaire in Boedapest die een standbeeld van Stalin neerhaalden op de eerste dag van hun opstand toonden daarmee het symbolische lot dat ze in petto hebben voor alle bureaucratische heersers.

De oplossing tegenover de bureaucratie

De ervaring van de postkapitalistische regimes de voorbije 40 jaar toont aan dat er een reëel gevaar is van bureaucratische afwijkingen en degeneratie van arbeidersstaten in de overgangsperiode van kapitalisme naar socialisme.

Dat gevaar komt niet voort uit één of ander inherent kwaad in de menselijke natuur waardoor er een onbevredigbare dorst naar macht is, zoals wel eens beweerd wordt door moralisten. Het komt voort uit de materiële voorwaarden, uit het feit dat de productiekrachten niet in staat zijn om te voorzien in de behoeften van de bevolking, zelfs niet onder de meest progressieve sociale vorm. Deze economische situatie maakt het mogelijk dat specialisten in de administratie zichzelf opwerken op de rug van de massa’s en hun regime gedurende een tijd omvormen tot een instrument van onderdrukking. Hoe armer en meer onderontwikkeld een land is, hoe groter dit gevaar. Terwijl overproductie de vloek van een kapitalistische economie is, is onderproductie de vloek van de gesocialiseerde economie.

De redenen en het karakter van de ziekte die de eerste arbeidersstaten heeft geïnfecteerd, vormen meteen ook een indicatie voor de maatregelen die moeten genomen worden om het tegen te gaan, in de mate dat dit onder de huidige omstandigheden mogelijk is. De enige manier om tot een gezonde arbeidersstaat te komen is niets minder dan de democratische controle over zowel de regering als de economie door de massa’s van de werkende bevolking.

De echte macht moet uitgeoefend worden in raden die vrij verkozen zijn door handarbeiders en hoofdarbeiders uit steden en platteland. Hun democratische rechten moeten ook de vrijheid omvatten van organisatie en propaganda door alle partijen die de verworvenheden van de revolutie respecteren, vrijheid van media, het verkiezen van alle publieke functionarissen met de permanente afzetbaarheid van vertegenwoordigers op alle niveau’s.

Er moeten politieke hervormingen komen zoals het herstel van democratie binnen de arbeiderspartijen waarbij de leiding en haar beleid gecontroleerd wordt door de leden; een beperking van het inkomen van functionarissen tot dat van een gemiddelde arbeider; het opnemen van de bevolking in de administratie van publieke functies; de afschaffing van de geheime politie, interne paspoorten, arbeidskampen voor politieke tegenstanders en andere uitspattingen.

Op economisch vlak moeten de arbeiders de controle hebben over de nationale planning en haar uitvoering op alle niveau’s zodat op tijd aanpassingen kunnen gedaan worden op basis van de reële ervaringen aan de basis. De lonen en andere distributiemiddelen moeten aangepast worden teneinde ongelijkheid tot een minimum te herleiden. De vakbonden moeten stakingsrecht krijgen om de arbeiders te beschermen tegen fouten en een verkeerde aanpak van hun regering.

Alle nationale minderheden moeten het recht hebben om onafhankelijk te worden of deel uit te maken van een federatie op vrijwillige en vriendschappelijke basis en in een gelijke associatie van staten.

Zo’n maatregelen zouden leiden tot een revolutionaire verandering in de structuur en de werking van de bestaande arbeidersstaten, een welkome verandering van bureaucratische autocratie naar arbeidersdemocratie.

Hoe kan zo’n omvorming gerealiseerd worden? Niet door toegevingen van bovenaf door een “verlicht absolutisme” of een angstige toplaag, maar door directe actie van de arbeiders zelf. Zij zullen met revolutionaire middelen de macht van de heersers die eigenlijk aan hen toebehoort en die hen ontnomen werd door de bureaucraten, terug moeten afnemen.

Stalinisme en kapitalisme

De “humane” socialisten stellen het stalinisme gelijk met het kapitalisme omdat beiden de mens zouden onderwerpen en de creatieve capaciteiten van de mens zouden opofferen aan de Moloch van de economische noodzaak. We gaan akkoord dat de stalinistische regimes, ondanks een tegengestelde economische basis, heel wat gelijkenissen vertoont met de staten in de kapitalistische wereld. Maar die gelijkaardige elementen komen niet voort uit een gemeenschappelijke onderwerping van de mens. Er is een verschillende oorsprong.

Onder het mom van de verdediging van de vrije persoonlijkheid tegen de dwang, komen de neo-humanisten in realiteit op tegen de feiten waarop de theorie van het historisch materialisme zich baseert. Alle samenlevingen hebben enorme economische beperkingen gekend, en dit zal zo blijven tot aan een communistisch systeem. Hoe minder productief een samenleving is, en hoe beperkter de levensmiddelen en de cultuur, hoe harder deze vormen van beperking zijn. De mensenmassa moet werken onder deze omstandigheden tot zij de productiekrachten opdrijft tot een niveau waarbij kan voorzien worden in ieders behoeften en dat met een werkweek van 10 uur of minder.

Deze vermindering van de noodzakelijke arbeid zal de mensen bevrijden van het traditionele sociale gewicht dat ze moeten torsen en zal hen toelaten om de meeste tijd te gebruiken voor sociale doeleinden en persoonlijke interesses en hobby’s. Recente ontwikkelingen in wetenschap, technologie en industrie – van nucleaire energie tot automatiseringen – maken zo’n doelstelling mogelijk. Maar is onze samenleving is daar nog ver van verwijderd.

De middelen voor zo’n vrijheid kunnen niet ontwikkeld worden onder het kapitalisme. Ze moeten nog gecreëerd worden in de overgangsmaatschappijen die het kapitalisme hebben verworpen. Zolang de arbeiders lange werkdagen moet kloppen om te voorzien in hun basisbehoeften en zolang ze met elkaar moeten concurreren, kunnen ze zich niet inlaten met de algemene zaken van de samenleving of hun eigen creatieve capaciteiten volledig ontwikkelen als vrije mensen. Sociale functies als de regering, het beheer van de industrie, de wetenschap en kunst zullen blijven toevertrouwd worden aan specialisten. Deze specialisten zullen gebruik maken van hun leidinggevende positie om zichzelf boven de massa te plaatsen om die massa te domineren.

Het is op deze economische en sociale voorwaarden dat de ultra-bureaucratische politieregimes tot stand gekomen zijn in de arbeidersstaten. Net zoals onder het kapitalisme, maar op een andere wijze, kent een geprivilegieerde minderheid welvaart op de rug van de arbeid van de meerderheid.

Het kwaad van het stalinisme komt niet voort uit een erkenning van de materiële beperkingen van de productie en een handelen in overeenstemming met die beperkingen. Zelfs de meest gezonde arbeidersstaat zou met die beperkingen moeten rekening houden. De misdaden van het stalinisme bestaan uit het feit dat de belangen en verlangens van de geprivilegieerde functionarissen boven de welvaart van de bevolking worden geplaatst en boven de noden van de ontwikkeling naar het socialisme, door de ongelijkheid te versterken in plaats van bewust en consistent ertegen in te gaan, door de privileges van de aristocraten en de ontberingen van de bevolking te verbergen, door de democratische rechten van de arbeiders te ontnemen – en dat nog proberen te verkopen als “socialisme”.

De taak om komaf te maken met de heerschappij van de bureaucratie in de anti-kapitalistische landen is onlosmakelijk verbonden met de taak om een einde te maken aan de burgerlijke heerschappij in de kapitalistische landen. De rol van de hiërarchie in het Kremlin op buitenlands vlak is even negatief als in het binnenland. Als de dreiging van imperialistische interventie de bureaucratie geholpen heeft om aan de macht te blijven, dan is het internationaal beleid van het Kemlin op zijn beurt een belangrijke politieke factor om het kapitalisme te redden tegenover bewegingen van de arbeiders.

Door een beleid van klassencollaboratie op te leggen aan de communistische partijen, heeft Stalin een aantal wankele kapitalistische regimes in West-Europa gered aan het einde van WO 2. Op hetzelfde congres waar Chroetsjev een geheim verslag bracht van de misdaden van Stalin (waarbij er wel een aantal werden vergeten), deed Chroetsjev een beleidsverklaring over de “nieuwe wegen naar het socialisme”, waarbij hij in essentie Stalins politiek meer expliciet naar voor bracht. Hij stelde dat Lenins analyse over het imperialistisch stadium van het kapitalisme en de revolutionaire strijd ertegen voorbijgestreefd was door de nieuwe wereldsituatie. Volgens Chroetsjev waren er geen conflicten binnen de Sovjetsamenleving, maar zelfs de tegenstellingen tussen de kapitalistische reactie en de arbeiders waren zachter geworden. De bestaande kapitalistische regimes zouden nu onder bepaalde voorwaarden op magische wijze omgevormd worden tot Volksdemocratieën en dit met behulp van reformistische methoden en via parlementaire weg.

De stalinistische bureaucratie en de partijen die zij controleert, volgen niet de weg van het leiden van revolutionaire activiteiten van de massa om de macht te veroveren. Ze zoeken eerder naar een akkoord met het Westerse kapitalisme om de huidige wereldkaart vast te leggen.

Het feit dat de kapitalistische heersers afhankelijk zijn van het stalinistische opportunisme, en het opportunisme van de stalinisten tegenover “vredelievende” kapitalisten, waarbij beiden elkaar in stand houden op de rug van de arbeidersklasse, kan enkel doorbroken worden door een internationale beweging van de massa’s die ingaat tegen het imperialisme en tegen het stalinisme.

Naar de vernietiging van de vervreemding

De kwestie van vervreemding valt uiteindelijk samen met het oude probleem van de verhouding tussen menselijke vrijheid en sociale noodzaak. Het socialisme beloofde vrijheid, zeggen de nieuwe humanisten, maar kijk eens naar het verschrikkelijke despotisme dat ontwikkeld is onder het stalinisme. “Zijn de mensen gedoemd om de slaaf te zijn van de tijden waarin ze leven, zelfs indien ze na een enorme en onvermoeibare inspanning, zo hoog opgeklommen zijn dat ze de meesters van de tijd geworden zijn?”, zo vraagt de gevangen genomen ex-communistische leider en nieuwbakken sociaal-democraat Milovan Djilas zich af in de autobiografie over zijn jeugd, “Land zonder rechtvaardigheid”.

Hoe beantwoordt het historisch materialisme die vraag? De omvang van de menselijke vrijheid in het verleden was in sterke mate bepaald door de graad van effectieve controle die door de samenleving werd uitgeoefend op de materiële levensomstandigheden. De geleerde wiens dagtaak voornamelijk bestond uit het zoeken naar voedsel, had weinig tijd om iets anders te doen. Dezelfde beperking van de menselijke activiteiten en culturele ontwikkeling, is voor de overgrote meerderheid van de mensen blijven bestaan gedurende de beschaving – en dat omwille van dezelfde economische redenen.

Als de mensen vandaag lijden onder de tirannie van het geld of onder de tirannie van de staat, is dit omdat hun productiesystemen, los van de eigendomsvormen, niet in staat zijn om met hun huidige ontwikkelingsniveau in te staan voor alle fysieke en culturele noden van de bevolking. Om deze vorm van sociale dwang van zich af te gooien, is het nodig om de kracht van de sociale productie te versterken – en om daartoe in staat te zijn, is het nodig om komaf te maken met de reactionaire sociale krachten die dit verhinderen.

Wetenschappelijke socialisten kunnen akkoord gaan met de nieuwe humanisten over de noodzaak om de hoogste morele normen na te streven. Ze erkennen dat de behoefte aan rechtvaardigheid, tolerantie, gelijkheid en zelfrespect evenzeer een onderdeel van het beschaafde leven zijn geworden als de basisbehoeften zoals voedsel, kledij en onderdak. Het marxisme zou niet kunnen dienen als filosofische basis van de meest verlichte mensen indien deze eisen niet in aanmerkingen zouden worden genomen.

Maar dat is slechts één zijde van het probleem. Totdat de materiële basisbehoeften voor iedereen gegarandeerd zijn, zullen de activiteiten beperkt worden en de sociale verhoudingen ontmenselijkt blijven. De krachten van de reactie, wiens normen en regels bepaald worden door de wil om haar macht, eigendom en privileges ten alle prijzen te verdedigen, beslisten het morele klimaat veel meer dan hun tegenstanders met meer verheven doelstellingen.

Het zou veel “humaner” zijn indien de Westerse imperialisten rustig zouden de aftocht blazen uit hun kolonies, in plaats van de strijd over de controle ervan aan te gaan. Maar de acties zoals van de Fransen in Algerije tonen nogmaals aan dat meedogenloze terreur voor de vreedzame rede komt in dit systeem.

Vanuit een economisch, cultureel en ethisch standpunt, zou het beter zijn indien de grote financiële magnaten hun nutteloosheid zouden erkennen en hun bezittingen en macht met een wederzijds akkoord zouden overdragen aan de socialistische arbeidersbeweging. Tot nu toe heeft de geschiedenis evenwel geen dergelijke eenvoudige oplossingen aangeboden voor de overgang van kapitalisme naar socialisme.

De centrale taak voor het Sovjetvolk is om komaf te maken met de monsterlijke totalitaire politieke structuur. Het beste zou natuurlijk zijn dat de stalinistische leiders hun rol als onderdrukkende heersende klasse vrijwillig opgeven, onafhankelijkheid verlenen aan de satellietstaten en de macht volledig overdragen aan de bevolking. Maar zoals het geval van Hongarije aangeeft, is het weinig waarschijnlijk dat dit op vrijwillige, geleidelijke of gemakkelijke basis zou kunnen.

“Humane” en “redelijke” oplossingen voor de fundamentele sociale problemen van onze tijd, worden afgeblokt door de bolwerken van reactie. Dat is waarom de antikapitalistische revoluties in de ontwikkelde landen, de anti-imperialistische bewegingen in de kolonies en de anti-bureaucratische strijd in de Sovjetzone conclusies zullen moeten trekken om tot overwinningen te kunnen komen zodat de tegenstellingen die de mensheid teisteren kunnen geëlimineerd worden.

Meer dan een eeuw geleden benadrukte Marx dat de mens geen echte humane standaard kan bereiken vooraleer hij leeft onder echt humane omstandigheden. Slechts wanneer de materiële condities van het bestaan radicaal omgevormd worden, als alle tijd beschikbaar wordt voor vrij gekozen activiteiten, dan kan een einde gemaakt worden aan de tegengestelde verhoudingen die de mens vandaag teisteren.

Het socialisme wil de heerschappij van de rede introduceren bij alle menselijke activiteiten. De vervreemdingen waaronder de mens te lijden heeft, worden veroorzaakt en versterkt door het onbewuste optreden van oncontroleerbare natuurlijke en sociale krachten. Het socialisme zal komaf maken met de bronnen van vervreemding door alle oncontroleerbare krachten die de mens beperken en frustreren, onder de bewuste controle van de mensheid te plaatsen zodat een vrije ontwikkeling mogelijk wordt.

Dit proces zal beginnen met de eliminatie van het irrationele, de anarchie en de onaangepastheid van de economische grondslagen en de vervanging daarvan door een geplande productie van de levensnoodzakelijkheden en de middelen voor culturele ontwikkeling. In dit tijdperk van nucleaire energie, elektronica en automatisering, kan het verbond tussen arbeidersrepublieken in de geïndustrialiseerde landen en die in minder ontwikkelde landen, op korte termijn de productiekrachten dermate ontwikkelen dat er overvloed is voor iedereen.

Naarmate deze economische doelstelling benaderd wordt, zullen de voorwaarden gecreëerd worden om alle overheidsinmengingen over het gedrag en de activiteiten van de mensen af te bouwen, wat zal culmineren in de afschaffing van de macht van de ene mens over de andere. De universele verhoging van de levensstandaard, het onderwijs,… zullen de tegenstelling tussen arbeiders en intellectuelen doen verdwijnen in die zin dat alle intelligentie kan aangewend worden voor het werk en alle werk kan verricht worden met de grootst mogelijke intelligentie. In deze nieuwe vorm van sociale productie, kan de arbeid genietbaar en belangrijke worden in plaats van een beproeving.

De vooruitgang van de wetenschap zal de voorwaarden creëren voor verbeteringen van de mensheid op alle vlakken. Het uiteindelijke doel van het socialisme is humanistisch in de hoogste en diepste betekenis. Het is niets minder dan het herschapen van de mens op een bewuste en wetenschappelijk geplande wijze.

De socialistische wetenschappers zullen niet enkel tot de ruimte doordringen, ze zullen binnendringen tot de meest verborgen plaatsen van de materie, en sterke vooruitgang maken op vlak van de kennis van levende materie. Ze zullen systematisch onderzoek voeren naar de obscure machten die een invloed hebben op hun eigen lichaam en psyche.

Met de kennis en macht die aldus verworven wordt, zal de mensheid vrije creatieve wezens voortbrengen waarvan het potentieel nu al aanwezig is. De mensen zullen hun natuurlijke omgeven herscheppen, hun organismen en wederzijdse relaties nieuwe vorm geven. Voor de mensen zullen er gelukkigere tijden aanbreken met welvaart als de eerste wet van het menselijk bestaan.

Arbeidstijd en vrije tijd

Iedere economie is een economie van arbeidstijd waarbij de menselijke vrijheid op de laatste plaats komt in vergelijking met de verplichte arbeid. De besteding van tijd en energie om te voorzien in de materiële bestaansmiddelen is een overblijfsel van het dierenrijk dat de mens verhindert om een volledig menselijk leven te leiden. De mens zal onder deze vervreemding leiden zolang het nodig is om zich in te laten met sociaal noodzakelijke arbeid.

De Bijbel stelt: “In het zweet van uw aanzicht, zult gij het brood tot u nemen.” Dit was inderdaad het lot van de mens gedurende eeuwen. De leden van de primitieve gemeenschappen waren de slaven van de arbeidstijd, net zoals de leden van een klassensamenleving dat vandaag zijn. De wilde mens werkte echter enkel voor zichzelf en niet om anderen te verrijken.

De arbeidskracht in een klassensamenleving moet extra rijkdom produceren voor diegenen die de productiemiddelen bezitten en dat boven op de productie om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. De arbeiders worden dubbel uitgebuit omwille van de meerarbeid die nodig is boven op de noodzakelijke arbeidstijd. De loonarbeiders zijn verplicht om een steeds grotere meerwaarde te produceren voor de heersers van het kapitaal waardoor ze meer intensief moeten werken dan gelijk welke andere klasse.

Het is niet de socialist, maar de kapitalist die de arbeid aanziet als de essentie van de mensheid en het eeuwig lot. Onder het kapitalisme wordt de loonarbeider niet behandeld als een medemens, maar als een nuttig instrument voor de productie van meerwaarde. Hij is een gevangene die levenslag veroordeeld wordt tot harde arbeid.

Het marxisme hecht veel belang aan arbeidsactiviteit en erkent dat de productie van rijkdom verder gaat dan het voorzien in de middelen om te overleven, maar tevens de materiële basis vormt voor iedere vooruitgang op vlak van beschaving. Maar het marxisme verheerlijkt de arbeid niet. Terwijl er enorme prestaties kunnen geleverd worden, is het werken om te overleven niet de hoogste vorm van menselijke ontwikkeling of de ultieme loopbaan van de mens. Integendeel, verplichte arbeid is een teken van sociale armoede en onderdrukking. Vrije tijd is voor alles een kenmerk van een oprecht menselijk bestaan.

De noodzaak van arbeid blijft bestaan, en zou zelfs een tijd na het omverwerpen van het kapitalisme aan belang kunnen winnen. Alhoewel mensen niet meer werken voor de uitbuiters, maar voor de collectieve economie, produceren ze nog niet genoeg om te ontsnappen aan de tirannie van de arbeidstijd. Onder die voorwaarden blijft de arbeidstijd een maatstaf voor rijkdom en de organisator van haar distributie.

In tegenstelling tot de situatie onder het kapitalisme, zal naarmate de productiekrachten groter worden, de arbeider minder uren moeten werken. Als de productie van alle materiële levensbehoeften en cultuurmiddelen overgenomen wordt door automatische methoden en mechanismen, met slechts een minimum aan overzicht en controle, dan zal de mensheid bevrijd zijn om haar menselijke capaciteiten en verhoudingen ten volle tot uiting te laten komen.

De voorgeschiedenis van de mensheid zal ten einde komen en haar ontwikkeling op een echt menselijke basis zal van start gaan, als de rijkdom op alle vlakken zal heersen en er overvloed zal zijn, zal de verplichte arbeid slechts een beperkt aanhangsel van de vrije tijd vormen. De vrije tijd waar allen van genieten zal de maatstaf voor rijkdom zijn, de garantie van gelijkheid en harmonie, de bron van onbeperkte vooruitgang en de vernietiging van vervreemding. Dat is het doel van het socialisme, de belofte van het communisme.

Print Friendly, PDF & Email