Het kapitalisme-debat: de geest is uit de fles

In de krant De Morgen kroop journalist Joel De Ceulaer begin februari in zijn pen om de weldaden van het kapitalistische systeem te verdedigen. In de VS bracht Bernie Sanders – hoewel hij steun gaf aan Biden en daarmee de sociale bewegingen en werkende klasse op een dwaalspoor zette – eveneens begin dit jaar een nieuw boek uit: “Waarom het OK is om boos te zijn op het kapitalisme”.

Deel 1: armoede

Het winstsysteem met zijn vele, elkaar versterkende economische, milieu- en geopolitieke crisissen heeft zelf de voedingsbodem gecreëerd voor een hernieuwd debat over de zin en onzin van het eigen voortbestaan. De ideologen van de heersende elite erkennen in hun eigen bladen de intrede van een nieuw tijdperk van “multicrisissen” en “permacrisis” (permanente crisis). We denken dat het marxisme deze discussie – die niet meer zal verdwijnen, maar zal verdiepen – moet aangrijpen om fundamentale verandering te bepleiten. De materiële belangen van de werkende klasse en het behoud van het milieu vereisen, zo wordt steeds meer duidelijk, een breuk met dit falende systeem.

De Ceulaer bouwde zijn betoog in De Morgen op in twee artikels. Het eerste moest aantonen dat het neoliberale kapitalisme niet aan de basis ligt van een crisis van het mentale welzijn. (1) Als rode draad door De Ceulaers’ tekst loopt het idee dat “de welvaart” voor de grote meerderheid de laatste decennia nog toenam en slechts een minderheid arm is of reële problemen ervaart. We nemen aan dat hij daarmee verwijst naar België of andere ontwikkelde westerse landen.

In de neokoloniale wereld ligt de officiële armoede veel hoger dan in België, waar die in 2022 – volgens de laatste Europese armoede-indicator – ook al op 18% lag. (2) De schok van de inflatie maakt er het leven voor de middeninkomens in toenemende mate ondraaglijk. In Egypte ligt het aantal mensen dat arm is of financieel kwetsbaar op 60% volgens de Wereldbank. (3) In Libanon leeft volgens diezelfde Wereldbank meer dan 75% van de bevolking in armoede. (4) De huidige financiële crisis leidde er zelfs toe dat het spaargeld – doorgaans in dollar – er door de regering werd bevroren. In Tunesië dreigt er volgens de EU een “economische en sociale ineenstorting”. President Saied verwierp een IMF-lening die de afschaffing van subsidies inhield, omdat dit tot meer verarming zou leiden. (5) Dit zijn maar enkele voorbeelden van mensonterende condities die de basis zullen leggen voor nieuwe massale revoltes in de neokoloniale wereld – de landen die economisch worden gedomineerd door het westen, haar multinationals en financiële instellingen.

Journalisten als De Ceulaer en de wetenschapsfilosoof Maarten Boudry verwijzen – bijna als een mantra – dikwijls naar de “daling van de extreme armoede in de wereld” volgens de rapporten van de Wereldbank. Dit ter verdediging van hun geliefde wereldkapitalisme. Maar die daling is hoofdzakelijk – voor bijna 75% – terug te voeren tot de ontwikkeling van China als kapitalistische wereldmacht. (6) Een land dat veel later richting kapitalisme ontwikkelde en dus ook later dan het westerse kapitalisme op de grenzen van de winstgedreven kapitaalaccumulatie begint te botsen. Na 2008 greep de Chinese dictatuur naar schuldgedreven groei, voornamelijk in vastgoed, om kunstmatig het groeiritme aan te houden. Dit leidde tot een gigantische zeepbel op het vlak van woningen en infrastructuur. Vandaag staat China voor een langdurige tendens naar stagnatie, omwille van de schokken in de wereldeconomie waarvan het – via de export – sterk afhankelijk is en een tendens naar overaccumulatie van kapitaal, waarvan de jongerenwerkloosheid van 20% een uitdrukking is.

China bood zich sinds de jaren ’80 en ’90 aan als lageloonland, met een degelijke, onder het stalinisme opgebouwde infrastructuur en een verbod op onafhankelijke vakbonden. Dat klonk het internationale kapitaal als muziek in de oren. In de jaren 2010 begonnen de multinationals al meer uit te kijken naar lokale alternatieven, bv. in Vietnam, omdat de lonen in China bleven stijgen (met die stijgende lonen moesten wel duurdere, geprivatiseerde diensten worden betaald). De laatste jaren is er een terugval van de buitenlandse investeringen, onder impuls van de nieuwe Koude Oorlog tussen de VS en China en een proces van economische ontkoppeling.

In de westerse landen nam de armoede en financiële fragiliteit – het meer beperkte spaarvermogen – net toe sinds de langgerekte crisis van het kapitalisme in de jaren ’70. Jezelf vastklampen aan een uitzonderlijk en tijdelijk fenomeen – de omvorming van stalinistisch China naar een staatskapitalistisch model – dat niet representatief is voor een algemene trend naar groeivertraging en groeiende armoede in de dominante kapitalistische landen heet in de wetenschapsfilosofie “cherry picking”. In mensentaal: mensen een rad voor ogen draaien om zo gemakkelijker de fundamentele trends onder de mat te moffelen.

Dalende armoede op wereldvlak? Handleiding doorheen de propaganda van de rijkste 1% en hun media.

De verschuivende blik van de Wereldbank naar “extreme armoede” – in de plaats van wat het in de jaren ’80 nog definieerde als gewoon “armoede” – kan je enkel ideologisch noemen. Ze legde de lat om over te springen wel heel laag voor zichzelf, om een beleid van privatisering, vrije markten en minder sociale rechten te legitimeren. Critici wezen er reeds op dat de norm voor “extreme armoede” van de Wereldbank een pak onder de minimale voedselnormen ligt – en wat er qua inkomen mee zou overeenstemmen – voor een ontwikkeld land als de VS. Een drempel voor armoede op 1,90 dollar per dag – recent opgetrokken naar 2,15 dollar per dag – ligt absurd laag.

Een artikel van het Bretton Woods Project – een kritische waakhond vanuit NGO’s van het IMF en de Wereldbank – stelt dat, in 2011, er in de VS 5,04 dollar per dag nodig was om in een minimaal voedzaam dieet te voorzien. Terwijl de norm voor “extreme armoede” van de Wereldbank – wat alle basisbehoeften betreft, niet enkel voedsel – toen op 1,90 dollar of minder per dag lag. Wanneer 5,04 dollar per dag als drempel wordt gebruikt “leefde meer dan 80% van de mensen in Zuid-Azie en Sub-Sahara Afrika onder die drempel”. Zelfs wanneer “de helft van het VS-niveau als norm wordt gebruikt, verdubbelt het aantal mensen in armoede bijna in Oost- en Zuid-Azië”. (7)

Het geeft een idee van hoe ideologisch geladen de bepaling van dit soort armoedenormen door de Wereldbank is. Nog een andere manier om hetzelfde idee uit te drukken: wat voor zin heeft het om de triomf van de globalisering en het kapitalisme uit te roepen, op basis van een daling van de “extreme armoede” van 1,9 miljard mensen in 1990 naar 734 miljoen in 2015 (8) – overwegend door de impact van China – als 3 miljard mensen zich geen gezond dieet kunnen veroorloven? Dit is wat academisch onderzoek in samenwerking met economisten van de Wereldbank zelf uitwijst. (9) Zou een drempel voor armoede geen gezond dieet moeten toelaten? Hoe kan het dat de meest gebruikte norm voor “armoede” op wereldvlak vandaag, in de burgerlijke massamedia alvast, er een is die alleen maar de meest extreme vorm van armoede en ontbering uitdrukt?

De academicus Jason Hickel doorprikte de neoliberale verhaallijn reeds in The Guardian. (10) Grafieken – ook gebruikt door iemand als Maarten Boudry – die teruggaan tot 1820 omtrent “extreme armoede” zijn onwetenschappelijk en absurd. Voor 1981 – toen de Wereldbank ermee begon – bestaan er geen datareeksen voor extreme armoede voor de hele wereld. En het is niet logisch om terug te gaan tot 1820, toen delen van de wereld nog zelfvoorzienende landbouw kenden – zonder geld – later verwoest door het kolonialisme. Je kan niet zomaar veronderstellen dat het gros van deze samenlevingen extreem arm was en dat koloniale onteigening en gedwongen arbeid op plantages of in fabrieken “vooruitgang” betekende. Deze werkers – bv. in Afrika – gingen achteruit als loonarbeiders, zelfs in vergelijking met hun beperkte levensniveau in de landbouwgemeenschappen waarin ze voordien leefden. Het gewelddadige karakter van dit proces wordt ook uitgegomd door de fans van kapitalisme en globalisering.

Hickel toont aan dat op basis van een meer redelijke drempel van 7,40 dollar per dag het aantal armen op wereldvlak niet daalde, maar groeide naar 4,2 miljard. Als je China uit de berekening neemt – om geen appels met peren te vergelijken – dan bleef de armoede met deze norm tussen 1981 en de jaren 2010 stagneren op 60%. Zonder het aparte verhaal van China kan de kapitalistische globalisering helemaal geen succesverhaal voorleggen. Outsourcing van productie naar landen als China, India, Vietnam … trok bepaalde lagen uit de meest extreme armoede, maar droeg bij aan een verarming van de werkende klasse in het westen en – helaas – de opkomst van extreemrechtse partijen en rechts populisme in deze ontwikkelde landen.

De Wereldbank is een ideologische arm van het kapitaal, maar er bestaan bijna geen andere bronnen om cijfers over armoede wereldwijd te vergelijken. Critici van de Wereldbank zoals Hickel en anderen tonen echter aan dat – los van de omvorming van China – het wereldkapitalisme op basis van meer consistente en redelijke armoedecriteria de meerderheid van de wereldbevolking in armoede heeft gehouden.

Onderstaande grafiek, van de Wereldbank zelf, inclusief China vat in één beeld samen waarom de opiniemakers van het kapitaal – omwille van politieke en ideologische redenen – van “gewone” armoede naar “extreme armoede” moesten evolueren sinds de jaren ’80 als belangrijkste norm – zeg maar propaganda-instrument – omtrent armoede. Zelfs bij een uiterst conservatieve drempel van 4 tot 7 dollar per dag bleef, alvast tot 2008, een meerderheid van de wereldbevolking arm. (11)

Deel 2. Reële trends rond mentaal welzijn genegeerd

De Ceulaer laat in zijn artikel enkele experten aan het woord die moeten aantonen dat er van een groeiende mentale crisis geen sprake kan zijn. Het niveau van depressies zou niet hoger liggen dan de historische gemiddelden. Rond de explosie aan burn-outs haalt De Ceulaer redenen aan om het belang daarvan te minimaliseren. Mensen ervaren minder een taboe rond mentaal welzijn en daardoor wordt er gewoon meer gerapporteerd. Bij de meting ervan kan je allerlei vragen stellen, etc.

Het zit De Ceulaer vooral dwars dat critici van het neoliberalisme zoals psycholoog Paul Verhaeghe beweren dat dit systeem groeiende mentale problemen in de hand werkt, terwijl dat volgens De Ceulaer feitelijk niet het geval is. Verhaeghe zegt: het neoliberale kapitalisme is schuldig. De opiniemaker van de liberale De Morgen meent: nee, “we” zijn welvarender dan ooit en er is geen reden om aan te nemen dat het kapitalisme ons ongelukkig of mentaal zieker maakt. Of zoals De Ceulaer het stelt: “De percentages blijven hetzelfde: ongeveer 4,4 procent van de wereldbevolking is op dit moment depressief, zo’n 3,6 procent kampt op dit moment met een angststoornis.” (12)

Historisch onderzoek kan echter niet voorbijgaan aan de specifieke, recente gevolgen van asociaal beleid, zoals in België met het meer en meer onmogelijk maken van vervroegd pensioen de laatste 10 jaar. Arbeidsongeschiktheid omwille van depressie of burnout nam tussen 2016 en 2020 toe met maar liefst 40% in België, tot 112.000 mensen. (13) Dit artikel van VRT NWS haalt, in tegenstelling tot de reeks sceptici en wegmasseerders van maatschappelijk onbehagen die De Ceulaer in stelling brengt, wel een verband aan met neoliberaal asociaal beleid: “Als mensen minder makkelijk met brugpensioen kunnen gaan, zien we de gevolgen in andere systemen”. Volgens een studie uit 2019 van de KU Leuven blijkt verder dat 9,5% van de werknemers in Vlaanderen risico op burn-out loopt en is daarnaast 7,6% wellicht al opgebrand. (14) “Werkbaar werk” is voor velen niet bereikbaar in de kapitalistische race naar winst en productiviteit. Maar bij de opiniemakers van de links-liberale De Morgen weten ze nog niet of we in België kampen met een burn-out probleem.

Naast het moedwillig uitwissen van specifieke trends zoals recent in België, gaat De Ceulaer nogal lichtzinnig om met de internationale crisis van mentaal welzijn onder jongeren, vooral sinds 2010. Dat wil zeggen: na een economische en financiële crisis die jongeren het hardst van al trof. Lagere lonen voor jongeren, doorgedreven flexibiliteit, interimjobs en de gig-economie – een ander woord voor onregelmatig werk – deed bij vele tieners en twintigers de ogen open over dit kapitalistische systeem, dat zich op tal van vlakken tegen hen en hun toekomst keerde. Of het nu gaat om een degelijk inkomen, de kost van wonen, de kost van ontspanning en uitgaan … Maar liefst 37% van de jongeren onder de 30 in de eurozone werkt bijvoorbeeld met een tijdelijk contract. (15) Vooral in zuidelijk Europa is dit fenomeen extreem. Bouw zo maar eens je leven uit.

Het gebrek aan toekomst vertaalt zich in cijfers rond mentaal welzijn, zoals recent onderzoek in de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk aantoont. Het aantal tieners in de VS dat akkoord is met de stelling “het voelt niet goed om te leven” ging van iets minder dan 5% in 1990 omhoog naar 11% in 2021. (16) In Frankrijk is het aantal jongeren van 15 tot 24 jaar met symptomen van depressie tussen 2014 en 2019 meer dan verdubbeld, van 4,2% naar 10,1%. Tijdens de pandemie in mei 2020 is dit aantal nog eens meer dan verdubbeld, naar 22%! (17)

Het artikel in de Financial Times dat deze trends samenvat, verwijst niet naar het effect van de economische crisis van 2008 op jongeren. Er wordt wel gewezen op de nadelige gevolgen van extreem smartphone-gebruik op vooral het mentale welzijn van jonge meisjes en iets minder bij jongens. Extreem gsm-gebruik lijkt gevoelens van vereenzaming te versterken.

Volgens Unicef “gaat het niet goed met de mentale gezondheid van jongeren”. Het stelt in een onderzoek uit 2021 dat “19% van de Europese jongens tussen 15 en 19 jaar te kampen heeft met geestelijke gezondheidsproblemen, en ruim 16 procent van de meisjes van dezelfde leeftijd.” (18) Door te doen alsof er niets aan de hand is met het mentale welzijn van een laag van uitgeperste werkenden en door de groeiende mentale crisis onder jongeren met scepsis te overladen en zo grotendeels onder de mat te vegen, geef je op grove wijze de slachtoffers van het systeem de schuld voor hun eigen problemen.

Met LSP, Campagne ROSA en Actief Linkse Studenten & Scholieren zeggen we: de woede, ontgoocheling en verbittering tegenover een kapitalisme dat geen toekomst biedt, zijn volkomen begrijpelijk en terecht. De meerderheid van de studenten in België, 72%, combineert vandaag – in tegenstelling tot 20 of 30 jaar geleden – een studentenjob en studies, voor 29% “om hun studies te kunnen betalen”. (19) Dit in een vastlopend kapitalistisch systeem dat jongeren financieel en qua klimaatverandering in een moeilijkere positie duwt dan die van de generaties die na de Tweede Wereldoorlog opgroeiden. Geef het systeem de schuld, niet haar slachtoffers! Weg met de echte “doemprofeten”: diegenen die ons willen aanpraten dat dit miserabele, van crisis naar crisis hinkende kapitalisme de enige mogelijke toekomst biedt. Laat ons samen strijden tegen het systeem dat onze levensstandaard, de planeet en het mentale welzijn op de helling zet en voor democratische planning van de immense rijkdommen en democratisch socialisme.

In De Ceulaers’ artikel wordt ook verwezen naar internationaal geluksonderzoek. De psycholoog Bram Vervliet (KU Leuven) wordt instemmend geciteerd: “Uit geluksonderzoek blijkt dat we almaar meer tevreden zijn met ons leven.” Dat zou wel eens meer het gevolg van het dominant worden van de neoliberale ideologie – en de sociaal-wenselijke antwoorden die die in de hand werkt – kunnen zijn, dan van een reële sociale trend. Het neoliberale model legt de verantwoordelijkheid voor maatschappelijk en persoonlijk “geluk” enkel en alleen bij het individu. Als je negatief antwoordt in zo’n “geluksonderzoek”, ligt het probleem dus bij jezelf. Terwijl de kapitalistische structuren al decennia met lagere lonen, grotere flexibiliteit, grotere armoede, tweeverdienerdwang, afbraak van openbare diensten, tekorten en wachtlijsten op tal van vlakken … sociaal falen.

Als je vandaag op zo’n opinie-onderzoek naar “geluk” positief antwoordt, is dat vanuit een kader waarbij een grotere groep door de neoliberale mantra van “persoonlijke verantwoordelijkheid” werd beïnvloed – en helaas misleid – dan in de jaren ’70 of ’80. Toen werd sociaal en persoonlijk welslagen nog meer vanuit vastlopende maatschappelijke structuren bekeken. Er bestond nog een socialistisch bewustzijn bij een bredere laag van de werkende klasse – breder dan de radicale linkerzijde en haar periferie – en zelfs bij een laag van intellectuelen. Zo’n opinie-onderzoek zegt dus niet noodzakelijk iets belangwekkends omdat het de sociaal-wenselijke antwoorden – in tegenstelling tot het reële “geluk” – er moeilijk kan uitfilteren.

Het “opinie-onderzoek” op het vlak van politieke verkiezingen is veel duidelijker. Hoe slagen de kapitalistische positivo’s erin om het stelselmatige diskrediet van de systeempartijen te verklaren? Zit het maatschappelijke onbehagen op dat vlak ook alleen maar “tussen onze oren”? Als de grote meerderheid van de bevolking werkelijk alleen maar de welvaart zag toenemen – en de maatschappij enkel vooruitgaat in grote lijnen – dan is de terugval in verkiezingen voor de liberale, christendemocratische en sociaaldemocratische machtspartijen volkomen onbegrijpelijk.

Overal in de westerse wereld geraakten – gelijklopend met de fase van neoliberaal verval sinds de jaren ’80 – de traditionele machtspartijen gediscrediteerd. Extreemrechts brak door, rechts en links populisme kregen een breed publiek. En nee, het sociale onbehagen zit niet tussen onze oren, zoals de propagandisten maar al te graag beweren. Net zoals de reële stijging van de levensstandaard na WOII tot aan de jaren ’70 de materiële basis was voor meerderheidssteun aan kapitalistische beleidspartijen, zo was de ondermijning van die levensstandaard en de lonen de materiële basis voor een groeiende verwerping van deze partijen.

Deel 3: de staat van het kapitalisme

Dalende winstmarges waren de materiële factor die het neoliberale beleid noodzakelijk maakte voor het kapitaal tegen midden jaren ’70. Het kapitalisme was in een – door de socialist Karl Marx voorspelde – crisis van winstgevendheid beland en begon kenmerken van overaccumulatie in een aantal sectoren te vertonen. Sinds de jaren ’80 volgden aanvallen op de lonen, op de koopkracht van uitkeringen voor werkloosheid, pensioenen … Vanuit een marxistisch oogpunt: de hoeveelheid onbetaalde arbeid – de meerwaarde – moest stijgen om de winstvoeten omhoog te duwen. Dit lukte maar ten koste van ondermijnde koopkracht bij de massa van de loontrekkenden.

Het gevolg van de nieuwe neoliberale periode was een patroon van kapitalistische groeiperiodes die de neiging hadden om steeds zwakker te worden. Het ritme van de investeringen na 1980 was structureel lager dan tijdens de naoorlogse groei omwille van massaal ondermijnde koopkracht en omdat de kapitalisten steeds meer naar de beurzen keken om daar financiële winsten – in de plaats van productieve – te boeken. De gaten werden intussen opgevuld met schulden.

In de VS – het belangrijkste kapitalistische land – vielen de investeringen in machines, materieel, etc. terug van 4% van het BBP in de jaren ’70 naar 3,8% in de jaren ’80, 3% in de jaren ’90 en 2,4% in de jaren 2000. (20) In de jaren 2010 werd de stokkende productiviteitsgroei – een uitdrukking van lage investeringen – een breed uitgesmeerd item in de burgerlijke media. Maar nee, dat de crisis van winstgevendheid er steeds meer een van overaccumulatie, opgepot kapitaal en het decadent opkopen van de eigen beursaandelen was geworden, konden de ideologen van het kapitaal natuurlijk niet in zoveel woorden zeggen. Decennia van loonmatiging hadden de markten fundamenteel ondermijnd.

In België werd de armoede – als je er het werk van Herman Deleeck bijneemt – in de jaren ’80 geschat op 6 à 7%. (21) Ondertussen is het aantal armen – zij die minder dan 60% van het mediaan-inkomen verdienen – gestegen naar 13,2% volgens de criteria voor geldelijke armoede en – volgens de meest recente en bredere Europese criteria – zelfs naar 18,7%. (22) Dit is een fenomeen in de hele ontwikkelde kapitalistische wereld. Maar een gesloten boek voor professionele denkers als Maarten Boudry en Joel De Ceulaer.

Klopt het dan misschien dat de brede middenlagen in de maatschappij er ondertussen wel steeds meer op vooruitgingen? In verband met de VS stelt een artikel in de Financial Times vast: “In 1985 kon een Amerikaan die een typische, voltijdse job uitoefende een gezin van 4 ondersteunen met 40 weken aan inkomen, en was die persoon in staat om te voorzien in voedzaam voedsel, een huis met 3 slaapkamers, een uitgebreide ziekteverzekering, een gezinswagen en kon men zelfs sparen om beide kinderen in een staatsuniversiteit in te schrijven. In 2022 zou voor dit alles betalen 62 weken aan inkomen vereisen, wat een probleem is, aangezien er slechts 52 weken in een jaar zijn.” (23)

Ook dit fenomeen – de daling van de reële lonen – is een internationaal fenomeen. Dezelfde neoliberale politiek had natuurlijk overal dezelfde asociale gevolgen. Het tegendeel verwachten, zou niet bijster logisch zijn. Maar… ook hier vonden burgerlijke economisten wel een weg rond. Wat ze immers meestal doen om de evolutie van de reële lonen te analyseren, is de ontwikkeling van de lonen afzetten tegen de evolutie van de consumptieprijsindex – de officiële inflatie. Klein probleempje: in de inflatie wordt de enorme stijging van de huizenprijzen niet meegerekend. De reden die de gevestigde economen daarvoor geven is: een huis dat je koopt, is niet enkel een consumptie-artikel maar ook een soort investering. Daarom tellen ze het niet mee. Hoewel de kost van wonen natuurlijk een van de grootste, zoniet de grootste maandelijkse uitgave is voor gewone werkenden. En het zijn niet de doorsnee-werkenden die zich bezighouden met korte termijn-investeringen en speculatie in huizen. Dank u, burgerlijke wetenschap en media.

Zo komt het dus dat sociologen dikwijls nog gewag maken van een stagnatie of zelfs stijging van de meeste werknemerslonen in de neoliberale periode sinds de jaren ’80. Terwijl het in werkelijkheid gaat om een fikse val van het reële loon. Voor ons typische voltijdse loon in Amerika van hierboven was een loon dat 100% van een reeks aan basisbehoeften lenigde in 1985 nog maar in staat om 64% hiervan te lenigen in 2022 (als je zou teruggaan tot het reële begin van het neoliberale beleid begin jaren ‘80 zou de terugval in reële koopkracht nog groter zijn). Vandaar de reële dwang van het tweeverdienermodel, waarin beide partners wel moeten werken. Waarbij de vrouw meer dan de man deeltijds gaat werken, onder meer omwille van de bestaande loonkloof.

Zo zou een Amerikaans koppel bv. in de plaats van 64% van een reeks basisbehoeften te consumeren dat voor 100% of zelfs meer kunnen doen – de behoeften uitbreiden – maar wel ten koste van meer stress in en druk op het gezin en op de balans werk-gezin. Nee, wat Paul Verhaeghe over de neoliberale rat race zegt, is er in veel opzichten natuurlijk vlak op: het heeft een materiële basis in de afbraak van onze reële lonen en de langgerekte crisis van het kapitalisme sinds de jaren ‘70. Waar geen gevestigde krant u ooit reëel over zal vertellen – hoe de neoliberale vork nu echt in de steel zit.

In welke mate leidde die crisis van het systeem niet alleen tot meer armoede, maar ook een ondermijning van de middengroepen? In aanzienlijke mate, vertellen de statistieken en inkomensonderzoek ons. In 2022 leefde 61% van de Amerikanen van loonbrief naar loonbrief, zonder reëel te kunnen sparen. (24) Gemiddeld had een Amerikaans gezin een totale hoeveelheid spaargeld van 8.863 dollar in 2016. Aangezien dit een gemiddelde is en vooral de rijksten kunnen sparen, heeft een meerderheid van de Amerikaanse gezinnen maar een relatief kleine buffer opgebouwd tegen financiële tegenslagen. De hoeveelheid spaargeld van de individuele Amerikanen op de mediaan lag op 4500 dollar in april 2022. (25) Elke nieuwe generatie die sinds 1980 – het moment van de neoliberale omslag naar loonmatiging en afbraak van openbare diensten – op de arbeidsmarkt kwam, kon minder spaargeld als buffer opzij zetten. 60% van de millennials – geboren tussen de vroege jaren ’80 en de late jaren ’90 – kon volgens deze studie geen onverwachte uitgave van 1000 dollar aan! (26)

De spaarquote in de VS – hoeveel Amerikanen kunnen sparen van hun beschikbaar inkomen – duikt na de crisis van het kapitalisme midden jaren ’70 en de neoliberale aanvallen op de lonen en uitkeringen naar beneden.

Dit was, evident, geen “generatiestrijd”, maar een klassenstrijd van de rijkste 1%, het kapitaal en hun media tegen de meerderheid van de bevolking, haar lonen en arbeidsvoorwaarden. Desalniettemin moet je zeggen dat, door het uitzonderlijk langgerekte karakter van de crisis – vooral omwille van het openkomen van Oost-Europa en China voor kapitalistische uitbuiting sinds de jaren ’90 – er een meer welgestelde, dikwijls oudere laag van ongeveer 25 à 30% van de bevolking bestaat – waaronder een laag van bovengemiddeld verdienende loontrekkenden – in landen als België die het neoliberale ideeëngoed is gaan overnemen. Dit verklaart de steun bij verkiezingen voor partijen als de N-VA, de Tories in Engeland, een figuur als Macron in Frankrijk … Marxisten waarschuwen echter dat ook een groot deel van deze beter verdienende of meer welvarende lagen onvermijdelijk zal geraakt worden door de economische, klimaat- en geopolitieke schokken van een kapitalisme dat op de limieten van z’n ontwikkeling botst. Kijk bijvoorbeeld naar de aderlating aan beter betaalde jobs in de technologiesector in de VS en de impact hiervan op lokale economieën in bv. San Francisco. Enkel de strijd van de werkende klasse tegen het kapitalisme kan een reële uitweg bieden voor de grote meerderheid van de bevolking, ook de kleine zelfstandigen.

De middengroepen onder druk

Om te weten of een brede meerderheid de levensstandaard zag stijgen of dalen in de neoliberale periode kan je naar twee zaken kijken: de evolutie van het mediaan gezinsinkomen en die van de mediaan rijkdom. De mediaan wordt vertegenwoordigd door het 50e gezin op 100 op de schaal van arm naar rijk. Volgens de Federal Reserve-afdeling in Saint-Louis in de VS is het reële mediaan gezinsinkomen in de VS tussen 1985 en 2020 gestegen van 56.871 dollar naar 71.186 dollar. (27) Een groei van iets meer dan 25% over 35 jaar tijd. Maar… zoals gezegd gebeurt deze berekening op basis van een consumptieprijsindex die de huizenprijsinflatie niet meerekent. Volgens de grafiek hierboven zijn de kosten voor wonen in de VS tussen 1995 en 2017 met bijna 50% gestegen! Maar die stijging – en de stijging zou nog meer uitgesproken zijn als je teruggaat tot het begin van de crisis – wordt niet adequaat in rekening gebracht in de inflatiecijfers van de Federal Reserve. Als je dat wel zou doen, kom je uit bij een scherpe daling van de reële lonen, zoals in het reeds aangehaalde voorbeeld uit de Financial Times.

Sociologen als Ive Marx in België komen op basis van dit soort eenzijdige analyses tot de conclusie dat de meeste reële gezinsinkomens – zelfs in de neoliberale periode – nog een reële stijging kenden. (28) Proletarische Factcheck: zolang de berekening van de reële lonen – in de VS, België en elders – niet de volledige inflatie weerspiegelt, in het bijzonder de explosief gestegen huizenprijzen, zijn uitspraken over een stijging van het “reële” gezinsinkomen van de meerderheid ongefundeerd en missen ze een wetenschappelijke basis. De berg aan cijfermateriaal over het verminderde spaarvermogen van de meeste gezinnen, bijvoorbeeld in de EU (zie verder), wijst erop dat we eerder te maken hebben met een daling van de meeste reële gezinsinkomens.

Laat ons kijken naar rijkdom in het algemeen. Volgens het Congressional Budget Office in de VS steeg de rijkdom van de armste helft van de gezinnen tussen 1989 en 2019 van 1,4 biljoen dollar naar 2,3 biljoen dollar. (29) Zelfs als je er rekening mee houdt dat dit vermogen over een groter aantal gezinnen wordt verdeeld in 2019, toont deze studie aan dat het waarschijnlijk is dat een meerderheid in de VS – op basis van voornamelijk huisbezit, de belangrijkste bron van vermogen voor loontrekkenden – een zekere stijging van de rijkdom kende. Grotendeels op papier echter voor deze huizenbezitters en niet in de realiteit, zolang men de woning niet verkoopt.

Dat wil zeggen: de stijging in vermogen voor de meerderheid is bijna uitsluitend het resultaat van een woningzeepbel die in alle ontwikkelde kapitalistische landen tot in het absurde werd doorgetrokken, als deel van een crisispolitiek die bij elke recessie de kredietkranen opentrok en lenen zeer goedkoop maakte. Een politiek die vandaag de scherpe omslag naar duurder lenen noodzakelijk maakt voor het systeem. Een huizenprijscorrectie en mogelijk zelfs -crash – die potentieel ingebakken zit in het beëindigen van de periode van “goedkoop lenen” en het perspectief van meer regelmatige recessies – kan de vooruitgang op papier qua vermogen voor de meerderheid ook weer beginnen wegvegen.

De armste 25% in de VS had meer schulden dan bezittingen. Het CBO stelt bovendien: “Sinds de jaren ’50 hadden opeenvolgende generaties telkens minder welvaart dan gezinnen van de voorgaande generatie op dezelfde leeftijd.” (!) Op de arbeidsmarkt terechtkomen tijdens de langgerekte crisis van het kapitalisme sinds de jaren ’70 had qua inkomen steeds zwaardere gevolgen. De meerderheid van de gezinnen zag wellicht – door het langgerekte karakter van de crisis en de zeepbel in huizenprijzen hoofdzakelijk – het eigen vermogen toenemen, maar dit ging ten koste van kleinere reserves en een kleiner spaarvermogen.

Werkenden die net na WOII opgroeiden kenden meer financiële stabiliteit, maar dit hing volledig af van het stadium van de kapitalistische cyclus op dat moment. In de komende periode zal dit systeem veel meer via schokken evolueren – een terugkeer naar de instabiele kapitalistische norm tussen 1914 en 1945 – wat de welvaart van elke generatie van werkenden of kleine zelfstandigen dreigt aan te tasten.

Uiteraard werden de groeiende armoede en de kleinere financiële buffers niet door migratie veroorzaakt – zoals uiterst-rechts en rechtse populisten beweren – maar door een verhoging van de uitbuitingsgraad door het kapitaal sinds de jaren ’80. Er is ook een laag van bovengemiddeld verdienende loontrekkenden, zelfstandigen,… die de rijkdom sterker zag stijgen. De grote sprong in rijkdom zit in de VS echter bij de rijkste 10% en daarbinnen vooral bij de rijkste 1% (zie grafiek, zelfde bron).

De feiten wijzen erop dat de aanvallen op de reële lonen de werkenden een – voor de meerderheid – verplicht tweeverdienermodel hebben opgelegd en dat zelfs in deze situatie een meerderheid van de gezinnen – in de VS alvast – niet in staat is om reëel te sparen. Het spaarvermogen werd ondermijnd in de neoliberale periode. Enkel een beperkte laag die erin slaagt om op tijd van de huizenprijsinflatie te profiteren om met profijt de eigen woning door te verkopen of mensen die tot hoogste inkomenscategorieën behoren konden deze situatie keren. Deze evoluties waren het resultaat van decennia van kapitalistische loonmatiging waarbij, in de realiteit, de lonen de stijgende prijzen niet konden volgen, om de winstmarges van de bazen weer de hoogte in te duwen.  

Misschien is de VS een extreem geval van de groeiende kloof tussen arm en rijk, van zelfs bij bovengemiddeld welvarende gezinnen een maar matige capaciteit om te sparen, etc. en is de situatie in Europa beter? Laat ons eens kijken naar het vroeger door sociaaldemocraten gevierde “Rijnlandmodel”, met zijn Europese welvaartstaat en meer uitgebreide sociale zekerheid. Hoeveel blijft daar na vier decennia van neoliberale ondermijning van koopkracht en uitkeringen van over?

In buurland Nederland is die vermeende welvaartstaat serieus afgekalfd, zo blijkt. In een artikel in de Groene Amsterdammer over “financiële fragiliteit” uit 2017 – nog voor de pandemie en de recente inflatieschok – wordt de kat de bel aangebonden: “In 2015 rapporteerde het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting dat een vijfde van de Nederlandse huishoudens momenteel geen enkele financiële reserves heeft. Nog eens dertig procent heeft een buffer van minder dan tweeduizend euro.” (…) (30)

De Groene Amsterdammer citeert de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over “De val van de middenklasse?”: “Veel van de mensen in de middengroepen weten nog altijd alle ballen in de lucht te houden. ‘Maar om die stabiliteit in inkomenspositie te verwerven, zijn wel vaker twee banen nodig, en steeds vaker betreft het flexibele banen’, stelt de WRR.” Inderdaad! En verder: “Pas als door baanverlies of andere tegenslag de balans tussen inkomsten en uitgaven uit het lood slaat, wordt de financiële kwetsbaarheid van deze groep plotseling merkbaar. Dan blijkt er sprake te zijn geweest van financieel koorddansen.”

Dit is voor het winstbeluste patronaat ook de inzet van de huidige strijd bij Delhaize: de veralgemening van een extreem lageloonmodel dat in Nederland en Duitsland al bestaat – nog meer dan in België – en leidt tot minimale of onbestaande financiële marges.

Wat met dat andere buurland, Duitsland, de economische motor van de Europese Unie? Volgens een Duitse academische studie van enkele jaren geleden – in de periode van de pandemie – kan 30,9% van de Duitsers boven de 30 jaar geen 2000 euro voor een uitzonderlijke uitgave dragen, in het economisch “sterkste” land van de EU. (31) In 2009, net na de voorgaande economische recessie, kon een onwaarschijnlijke 50,5% zich geen uitzonderlijke uitgave van 1500 euro permitteren. (idem) En dat in de vermeende motor van het Europese kapitalisme! Dit geeft een indicatie van de voorgaande neoliberale aanvallen en de veralgemening van laag betaalde jobs in Duitsland. Het toont aan hoe werkenden tussen de recessies door proberen om hun kleiner geworden financiële buffers wat te vergroten, tot de volgende economische crisis toeslaat. In Duitsland bestond daarvoor meer marge dan in de zwakkere economieën in Zuid- of Oost-Europa, zoals we hieronder zullen zien.

Een studie uit 2013 stelt dat de rijkste 10% in Duitsland 60% van het maandelijks gespaarde inkomen vertegenwoordigt. (32) De laagste 30% geeft gemiddeld meer uit dan het eigen inkomen (door op gespaard geld te teren, op krediet te kopen …), de daarop volgende vierde en vijfde decielen sparen gemiddeld minder dan 100 euro per maand en het zesde deciel ongeveer 100 euro per maand. De rijkste 1%, daarentegen, spaarde gemiddeld bijna 5000 euro van het maandelijkse inkomen.

Hoe staat het met de financiële fragiliteit meer algemeen in Europa? In 2018 stelde 1/3e van de EU-gezinnen geen “uitzonderlijke uitgave” aan te kunnen, in een studie voor de EU zelf. (33) Voor een zestal landen – waaronder Griekenland, Roemenië en Kroatië – is dat 1 op de 2. In Spanje en het Verenigd Koninkrijk ligt dit in 2018 op 35%. In Duitsland op 28%. In meer dan de helft van de EU-landen heeft het gezin op de mediaan – het 50e gezin op 100 – spaartegoeden van minder dan 5000 euro. Nog anders uitgedrukt: in meer dan de helft van de EU-landen hebben de gezinnen spaartegoeden die minder dan 2 maanden aan inkomen vertegenwoordigen.

Hoe evolueerden de mediaan spaartegoeden in de tijd? Volgens dezelfde EU-studie daalden de mediaan spaartegoeden tussen 2009-2011 en 2017 – uitgedrukt in maanden inkomen – voor meer dan de helft van de EU-landen. En dit was dan nog een studie van voor de recente inflatie- en energieschok.

Hoe staan we er in België zelf voor? Zoals gezegd was er een verdubbeling van de officiële armoede tijdens vier neoliberaal kapitalistische decennia. Een enquête uit 2017 geeft aan dat 1 op de 3 Belgen het jaar voordien niet kon sparen. (34) 29% van alle gezinnen beschikt als spaargeld over minder dan een netto maandelijks gezinsinkomen.

Een Oeso-studie uit 2019 vat een aantal van deze crisistendenzen samen. De Oeso is een representatieve club van overwegend ontwikkelde kapitalistische landen. De studie heet “Onder druk: de uitgeperste middenklasse” en waarschuwt van meet af aan dat de toegenomen financiële druk op de middengroepen de stabiliteit van het kapitalisme bedreigt. (35) De verwijzing van de Oeso naar “middenklasse” is vanuit een marxistisch standpunt grotendeels verkeerd. De middeninkomens waarnaar wordt verwezen, bestaan hoofdzakelijk uit gezinnen die afhankelijk zijn van loonarbeid. De middenklasse die nog zelf haar productiemiddelen bezit, is in vergelijking met de jaren ’30 veel kleiner geworden. De groep loontrekkenden is vandaag de grote meerderheid van de bevolking en niet “de middenklasse”.

Los daarvan zijn de resultaten die de Oeso-studie verzamelt opvallend. Het rapport bevestigt dat “de kosten voor essentiële onderdelen van een levensstijl die kenmerkend is voor de middengroepen sneller stegen dan de inflatie: de huizenprijzen groeiden 3 keer sneller dan het mediaan-gezinsinkomen gedurende de laatste 2 decennia”. (…) En zodoende: “De kost van een middenklasse-levensstijl stijgt sneller dan de middeninkomens zelf”. Verder merken de onderzoekers de volgende trend op: “Er zijn minder kansen voor mensen uit de middengroepen en hun kinderen om de sociale ladder op te klimmen en er is meer kans om naar beneden te glijden”. Exact! Dat verklaart op een materiële marxistische basis de toegenomen politieke instabiliteit en de zoektocht naar de anti-establishment uitersten. Extreemrechts draagt daarbij wel de mantel van “anti-establishment” maar is dat natuurlijk niet: overal waar het aan de macht komt, gaat de politiek in dienst van het kapitaal verder en worden dikwijls harde aanvallen ingezet op de armere lagen van de werkende klasse.

“Deze risico’s [van neerwaartse sociale mobiliteit – PD] namen tijdens de laatste 2 decennia toe in vele Oeso-landen.” (…) En verder: “De groeiende kosten van wonen en andere goederen en diensten verminderen het vermogen om te sparen en dit zet de financiële middelen van gezinnen met een middeninkomen onder druk.” In haar studies voor eigen gebruik is de burgerij alvast een stuk genuanceerder en sterker gehecht aan de waarheid dan in De Morgen, een krant die al een tijdje in handen is van de liberale mediatycoon Christian Van Thillo.

Van de 24 landen waarvoor de Oeso over gegevens beschikt, stelt 1 op de 2 gezinnen met een middeninkomen dat ze het “moeilijk hebben om de eindjes aan mekaar te knopen”. In Zuid-Europese landen ligt dat aantal hoger, in de sterkere noordelijke economieën lager. Maar op basis van dit systeem in crisis toont – bij blijvend voortbestaan van het kapitalisme – het zuiden helaas de weg die ook noordelijk Europa dreigt af te leggen. Tenzij de werkende klasse en de jongeren op basis van massastrijd het kapitalisme omverwerpen en vervangen door een systeem van economische planning, steunend op radendemocratie in de werkplaatsen en op elk niveau van een nieuwe socialistische samenleving.

Karl Marx analyseerde in het 19e eeuwse Engeland een aantal tendentiële wetten van het kapitalisme die ook in de 20e en 21e eeuw hun geldigheid niet hebben verloren. De concentratie en centralisatie van kapitaal in steeds minder handen, de neiging om meer te investeren in arbeidsuitstotende technologie dan in arbeidskrachten die de meerwaarde voortbrengen, de daardoor in historisch opzicht dalende tendens van de winstmarges (een tendens die tijdelijk kan worden gekeerd door in de lonen en uitkeringen te snijden, zoals in de neoliberale periode), een tendens naar overaccumulatie van kapitaal door de ontwikkeling van een productiecapaciteit die de markt overstijgt (versterkt door de beperking van de koopkracht van de werkenden), groeiende armoede en sterkere tegenstellingen tussen arm en rijk als gevolg van al deze processen … De ideeën van Marx zijn vandaag nog brandend actueel omdat ze een instrument bieden dat de huidige crisissen veel beter verklaart dan om het even welke andere theorie. Het is “dogmatisch” en getuigt van blindheid voor historische processen om een kapitalistische vooruitgangsmythe aan te hangen die reeds decennia door de economische en sociale feiten is achterhaald.

Zonder de door Marx geperfectioneerde arbeidswaardetheorie – door de burgerlijke “wetenschap” reeds lang overboord gegooid – kunnen de terugkerende en dieper wordende crisissen van het kapitalisme niet worden verklaard. Om de reële trends in het leven van werkenden en jongeren te kunnen analyseren en verklaren, zullen we een eigen pers en media – gebaseerd op de belangen van de arbeidersbeweging – moeten uitbouwen.

Voetnoten

  1. “De doemprofeten hebben ongelijk: we worden niet angstiger en depressiever” – Joël De Ceulaer (De Morgen, 3/2/23)  https://www.demorgen.be/meningen/de-doemprofeten-hebben-ongelijk-we-worden-niet-angstiger-en-depressiever~bb87a2be/
  2. https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/armoede-en-levensomstandigheden/risico-op-armoede-sociale-uitsluiting 
  3. “Egypt’s economic woe spreads across all classes” – Heba Saleh (Financial Times, 16/2/23) https://on.ft.com/43A8fbh
  4. “Lebanon devalues official exchange rate by 90%” – Raya Jalabi (Financial Times, 1/2/23) https://on.ft.com/3XVsBbE
  5. “Tunisia stokes fears of economic collapse after rejecting IMF ‘diktats’” – Heba Saleh (Financial Times, 6/4/23)  https://on.ft.com/43cT8nD
  6. “Lifting 800 million people out of poverty – new report looks at lessons from China’s experience” – World Bank Report, 2022. https://www.worldbank.org/en/news/press-release/2022/04/01/lifting-800-million-people-out-of-poverty-new-report-looks-at-lessons-from-china-s-experience
  7. “The new international poverty line: a case of poor measurement” – Bretton Woods Project, 5/4/2016 https://www.brettonwoodsproject.org/2016/04/the-new-international-poverty-line-a-case-of-poor-measurement/
  8. “Extreme poverty” – Wikipedia https://en.m.wikipedia.org/wiki/Extreme_poverty
  9. “3 billion people cannot afford a healthy diet” – William A. Masters, Anna Herforth, Tufts University, 9/7/21 https://theconversation.com/amp/3-billion-people-cannot-afford-a-healthy-diet-160139
  10. “Bill Gates says poverty is decreasing. He couldn’t be more wrong.” – Jason Hickel, The Guardian, 29/1/19 https://www.theguardian.com/commentisfree/2019/jan/29/bill-gates-davos-global-poverty-infographic-neoliberal
  11. “Bill Gates tweeted out a chart and sparked a huge debate about global poverty” – Dylan Matthews (Vox, 12/2/19) https://www.vox.com/platform/amp/future-perfect/2019/2/12/18215534/bill-gates-global-poverty-chart
  12. “De doemprofeten hebben ongelijk: we worden niet angstiger en depressiever” – Joël De Ceulaer (De Morgen, 3/2/23) https://www.demorgen.be/meningen/de-doemprofeten-hebben-ongelijk-we-worden-niet-angstiger-en-depressiever~bb87a2be/
  13. “Aantal burn-outs en depressies blijgt stijgen” – Philip Heymans (VRTNWS, 17/5/21) https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2021/05/17/aantal-burn-outs-en-depressies-blijft-stijgen/
  14. “Een op de zes werkende Vlamingen kampt met burn-outklachten of loopt er risico op” – KU Leuven Nieuws, 19/3/19 https://nieuws.kuleuven.be/nl/2019/een-op-de-zes-werkende-vlamingen-kampt-met-burn-outklachten-of-loopt-er-risico-op
  15. “How Spain has taken on the problem of precarious work” – Sarah O’Connor (Financial Times, 4/4/23)  https://on.ft.com/3ZGdpzc
  16. “Smartphones and social media are destroying children’s mental health” – John Burn-Murdoch (Financial Times, 10/3/23)
  17. “Crise sanitaire: hausse des syndromes dépressifs et des consultations pour ce motif” – Direction de la recherche, des études, de l’évaluation et des statistiques – Communiqué de Presse, 12/3/21 https://drees.solidarites-sante.gouv.fr/communique-de-presse/crise-sanitaire-hausse-des-syndromes-depressifs-et-des-consultations-pour-ce
  18. “Investeer in ons voor het te laat is” – Michaël Torfs (VRT NWS, 15/10/21) https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2021/10/15/zelfdoding-op-een-na-belangrijkste-doodsoorzaak-onder-europese-j/
  19. “Studenten werken vaker tijdens schooljaar” (De Standaard, 23/6/22) https://www.standaard.be/cnt/dmf20220623_94286441#:~:text=In%20Belgi%C3%AB%20werken%20studenten%20vooral,en%20zeven%20procentpunt%2C%20respectievelijk
  20. The Endless Crisis, p.29 – John-Bellamy Foster
  21. De Architectuur van de Welvaartsstaat Opnieuw Bekeken, p.329-330 – Herman Deleeck
  22. https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/armoede-en-levensomstandigheden/risico-op-armoede-sociale-uitsluiting
  23. ‘Ordinary Americans are counting the cost of thriving” – Oren Cass (Financial Times, 13/2/23)  https://on.ft.com/45eK1DU
  24. “The number of consumers living paycheck to paycheck has increased year over year across all income levels” – PR Newswire, 1/8/22 https://www.prnewswire.com/news-releases/the-number-of-consumers-living-paycheck-to-paycheck-has-increased-year-over-year-across-all-income-levels-301596552.html
  25. Mean and Median Amount of Personal Savings in the US, 2022 – Statista, 9/1/23 https://www.statista.com/statistics/1356265/mean-and-median-amount-of-savings-in-the-us-by-type/
  26. “This chart shows how much money Americans have in their savings account at every age” – Emmie Martin (12/3/19, CNBC) https://www.cnbc.com/2019/03/11/how-much-money-americans-have-in-their-savings-accounts-at-every-age.html
  27. Real Median Household Income in the United States https://fred.stlouisfed.org/series/MEHOINUSA672N
  28. “De middenklasse zaagt en klaagt maar wordt nergens zo goed bediend als in België” – Ewald Pironet (10/4/18). Ive Marx pleit in dit interview ook voor een veralgemening van lageloonjobs zoals in Nederland en Duitsland. Hoe meer financiële onzekerheid voor werkenden, hoe beter volgens deze vrijemarktdenker. https://www.knack.be/nieuws/ive-marx-de-middenklasse-zaagt-en-klaagt-maar-wordt-nergens-zo-goed-bediend-als-in-belgie/
  29. Trends in the distribution of family wealth, 1989 to 2019 – Congressional Budget Office, September 2022 https://www.cbo.gov/publication/58533
  30. “Schaatsen op dun ijs” – Sacha Hilhorst en Casper Thomas (De Groene Amsterdammer, 26/7/17) https://www.groene.nl/artikel/schaatsen-op-dun-ijs
  31. Households’ Financial Fragility during the Covid 19 Pandemic in Germany – Marius Cziriak (ZEW Discussion Paper, 2022) https://www.zew.de/en/publications/households-financial-fragility-during-the-covid-19-pandemic-in-germany-1
  32. The Distribution of Household Savings in Germany, p. 8 – Jochen Spät, Kai Daniel Schmid (Hans Böckler Stiftung, September 2016)
  33. The Financial Fragility of European Households in the Time of Covid-19 – Maria Demertzis, Marta Dominguez-Jimenez, Annamaria Lusardi (Policy Contribution, Issue 15, July 2020)
  34. “Een op de drie Belgen heeft het afgelopen jaar niet gespaard” (27/3/17, VRTNWS) https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2017/03/27/een_op_de_drie_belgenheefthetafgelopenjaarnietgespaard-1-2932090/
  35. Under Pressure: the Squeezed Middle Class – May 2019, OECD, https://www.oecd.org/social/under-pressure-the-squeezed-middle-class-689afed1-en.htm

Dit vind je misschien ook leuk...