Revolutionaire verjaardag. 130 jaar sinds de geboorte van Antonio Gramsci

Antonio Gramsci wordt beschouwd als één van de grootste intellectuelen van de twintigste eeuw. Bij de 130e verjaardag van zijn geboorte is er opnieuw meer aandacht voor de figuur van Gramsci.

Antonio Gramsci is ongetwijfeld één van de populairste marxistische denkers. Hij wordt beschouwd als een van de grootste intellectuelen van de twintigste eeuw. De laatste jaren werden zijn ideeën vooral bestudeerd en gewaardeerd door de Latijns-Amerikaanse linkerzijde. Nu is er in het kader van de 100ste verjaardag van de Communistische Partij van Italië (PCI) ook in Italië opnieuw aandacht voor Gramsci.

Als marxisten moeten ook wij onze blik richten op deze grote revolutionair, wiens ideeën ons nog steeds veel kunnen leren. Het is zeker nodig om de figuur van Antonio Gramsci te bevrijden van alle vervalsingen van het stalinisme en de burgerij, die een beeld van Gramsci hebben geschapen dat gespeend is van elke revolutionaire betekenis.

De ‘Rode Periode’

Om de politieke nalatenschap van Antonio Gramsci te begrijpen, is het nodig zijn geschriften te lezen en de evolutie van zijn denken door de jaren te bestuderen. Dit dwingt ons de historische context te analyseren waarin Gramsci werkte, vanaf het ‘Rode Biënnium’ – de twee rode jaren (1919-1920) – tot aan zijn dood in een fascistische gevangenis in 1937.

Antonio Gramsci werd in 1891 op Sardinië geboren. Op zeer jonge leeftijd verhuisde hij naar Turijn; het was in de Piemontese hoofdstad dat hij voor het eerst werd aangetrokken door socialistische ideeën, en waar hij lid werd van de Italiaanse Socialistische Partij (PSI).

Na de Eerste Wereldoorlog werd Italië opgeschrikt door een twee jaar durende golf van stakingen, arbeiders- en boerenprotesten. De massale arbeidersbeweging beperkte zich niet tot economische eisen, maar had ook een revolutionair potentieel, geïnspireerd door de bolsjewistische revolutie van oktober 1917 in Rusland. De arbeiders van Noord-Italië staakten niet alleen, maar bezetten vaak ook fabrieken en kozen arbeidersraden, naar het voorbeeld van de Russische Sovjets.

Er ontstond een situatie van dubbelmacht, waarin de arbeidersraden (de socialistische staat in embryonale vorm) om de macht concurreerden met de burgerlijke staat. Bij de politieke verkiezingen van 1919 werd de PSI de belangrijkste partij van het land. “Doen zoals in Rusland,” werd de slogan van de Italiaanse arbeidersklasse. Antonio Gramsci vertegenwoordigde in deze context de meest strijdlustige en revolutionaire vleugel van de Italiaanse Socialistische Partij en speelde een rol bij de vorming van de fabrieksraden, die hij terecht zag als de organen van de toekomstige socialistische staat.

Hoewel de arbeiders erin slaagden belangrijke sociale verworvenheden af te dwingen, zoals de 8-urige werkdag, werden de revolutionaire aspiraties van de Italiaanse arbeidersklasse al snel gesmoord door de reformistische leiders van de PSI en de vakbondsbureaucratie. Het ‘Rode Biënnium’ werd verslagen.

Antonio Gramsci, Amedeo Bordiga en de gehele revolutionaire vleugel van de PSI misten de daadkracht die nodig was om met de reformisten te breken en waren daarom niet in staat om het initiatief te nemen om de arbeiders ertoe te brengen de politieke macht over te nemen. Desondanks groeide in deze periode Gramsci’s faam in de socialistische beweging enorm. In 1919 richtte hij “L’Ordine Nuovo” (De Nieuwe Orde) op, een krant die de gehele revolutionaire vleugel van de PSI in Turijn verenigde.

Italiaans fascisme

Het antwoord van de grote kapitalisten en landeigenaren op de strijd van de arbeiders en boeren en op de opmars van de socialisten was het oprichten en financieren van fascistische knokploegen. Deze fascistische knokploegen sloegen en vermoordden stakende arbeiders, boeren die het land hadden bezet, vakbondsmensen en socialisten.

Het fascisme was de prijs die de Italiaanse arbeidersbeweging moest betalen voor de nederlaag van het ‘Rode Biënnium’. Tijdens de golf van fascistisch geweld onderging de PSI, in Livorno op 21 januari 1921, de belangrijkste splitsing in haar geschiedenis. De revolutionair-marxistische vleugel van de partij onder leiding van Antonio Gramsci en Amedeo Bordiga splitste af en vormde de Communistische Partij van Italië (PCI). De PCI werd de Italiaanse afdeling van de Derde Internationale van Lenin en Trotski. De splitsing van de reformisten kwam zeker laat, want de arbeidersbeweging was inmiddels verslagen door de fascistische knokploegen, en de krachten van de reactie waren in heel Italië aan de winnende hand.

Ultralinkse opstelling van Bordiga

De PCI raakte onmiddellijk geïsoleerd van de volksmassa’s, vooral door de sektarische en ultralinkse politiek van Bordiga. De leiding van de partij was aanvankelijk in handen van de Napolitaanse revolutionair, die elke vorm van antifascistisch front met de PSI en andere krachten van de arbeidersbeweging afwees. Daarmee ging de partijleiding in tegen wat Lenin, Trotski en de leiders van de Internationale bepleitten. Zij stelden dat de PCI een eenheidsfront van arbeidersorganisaties moest vormen om het fascisme te bestrijden. Gramsci was het in deze periode weliswaar niet altijd eens met Bordiga, maar accepteerde diens sektarische politiek.

In 1922 bracht Antonio Gramsci een bezoek aan Moskou en daar, na debatten met Lenin, Trotski en andere bolsjewistische leiders, raakte hij ervan overtuigd dat Bordiga’s ultralinkse politiek verkeerd was en dat een eenheidsfrontpolitiek van links tegen het fascisme noodzakelijk was. Hij keerde terug naar Italië, vastbesloten om de politiek van de partij op dit punt te wijzigen in oppositie tegen de ‘Bordigistische’ factie.

Intussen was Mussolini aan de macht gekomen, wat het leven van de jonge Communistische Partij moeilijk maakte. De fascistische knokploegen waren in feite al begonnen met het arresteren en vermoorden van talrijke communistische militanten. Gramsci was echter in het parlement gekozen en in die hoedanigheid had hij in de beginjaren van het fascisme immuniteit. Dit duurde tot 1926, toen een nieuwe reeks dictatoriale wetten werd aangenomen die alle oppositie tegen het fascisme liquideerde, waardoor Italië uiteindelijk een totalitair regime werd.

Gramsci leidt de PCI

In de jaren 1923-1924 verdedigde Antonio Gramsci de politiek van de Internationale. Hoewel nog steeds in de minderheid, organiseerde de Gramsci-vleugel van de partij met steun van de Internationale en ook wel met enkele bureaucratische methoden een interne machtsgreep om Bordiga af te zetten. Dergelijke ondemocratische methoden zouden in de beginjaren van de Communistische Internationale ondenkbaar zijn geweest; maar de Comintern was al aan het bureaucratiseren toen het stalinisme in de Sovjet-Unie zelf sterker werd.

Gramsci’s politieke strijd tegen Bordiga was correct, en in overeenstemming met de niet-sektarische standpunten van Lenin en Trotski. Het was echter een strijd die gevoerd werd met ondemocratische methoden, dus in strijd met de bolsjewistische benadering. Op het congres van Lyon in 1926 deelde Gramsci de genadeslag uit aan de ‘Bordigistische’ leiding. In deze periode koos de Sardijnse revolutionair de kant van de stalinistische factie van de bolsjewieken, omdat hij ten onrechte dacht dat Trotski’s standpunten overeenkwamen met die van Bordiga. Ondanks deze vergissing was Gramsci nooit een stalinist. Hij steunde de politiek van de meerderheid van de Sovjetpartij, maar in een brief aan het Centraal Comité van de Russische Communistische Partij in 1926 gaf hij een scherpe kritiek op de bureaucratische en ondemocratische methoden van Stalin tegen de ‘trotskisten’. Dit was in 1926, lang voor de processen van Moskou en de grote zuiveringen, waarmee Stalin de hele oude bolsjewistische garde uitroeide.

Togliatti en Stalin

In ieder geval bracht Gramsci’s standpunt hem in conflict met een andere Italiaanse communist, Palmiro Togliatti. Die verbleef op dat moment in Moskou en was een onvoorwaardelijk aanhanger van Stalin. Hij zorgde ervoor dat Gramsci’s brief nooit het Centraal Comité van de Russische CP bereikte. In datzelfde jaar werd Gramsci gearresteerd door het fascistische regime en veroordeeld tot een lange gevangenisstraf. Hierdoor kwam de PCI onder de stalinistische leiding van Togliatti, die jarenlang één van Stalin’s belangrijkste medestanders was en medeplichtig aan veel van zijn misdaden.

Antonio Gramsci zat dan wel in de gevangenis en was ernstig ziek, maar hij gaf niet op en bleef erg productief schrijven. Zijn beroemde “Notities uit de Gevangenis”, waarschijnlijk het meest gelezen werk van Antonio Gramsci, dateren uit deze periode. Deze geschriften behandelen verschillende onderwerpen, en bevatten verschillende vernieuwende opvattingen over marxistische theorie. Zijn oordelen over Trotski zijn echter overhaast en getuigen van een gebrek aan kennis over Trotski’s ideeën, wat ongetwijfeld te wijten is aan het feit dat Gramsci in de gevangenis geïsoleerd bleef en geen toegang had tot informatie uit de buitenwereld. Bijgevolg had hij geen inzicht in wat er in de Sovjet-Unie gebeurde. Ondanks deze beperkingen was Gramsci zeer kritisch over Stalin en Togliatti, in het bijzonder met betrekking tot de ultralinkse en sektarische politiek van de ‘Derde Periode’.

Ultralinkse ‘Derde Periode’

In feite maakte de ‘gestaliniseerde’ Communistische Internationale van 1928 tot 1934 een ultralinkse fase door, waarin de Communistische Partijen de sociaaldemocratie vereenzelvigden met het fascisme, en het definieerden als ‘sociaal-fascisme’. Vanuit de gevangenis verzette Gramsci zich tegen deze krankzinnige politiek, die in 1933 in Duitsland een eenheidsfront tussen communisten en sociaaldemocraten verhinderde, waardoor de nazi’s vrijwel ongehinderd aan de macht konden komen. De kritiek die Gramsci in die tijd uitte op de stalinistische leiding van de PCI viel samen met die van de ‘trotskisten’ van de Nieuwe Italiaanse Oppositie (NOI), verbonden met Trotski’s Internationale Linkse Oppositie. De NOI werd geleid door Pietro Tresso, Alfonso Leonetti en Alberto Ravazzoli, die allen in 1930 uit de PCI waren gezet wegens hun verzet tegen het stalinisme.

De Italiaanse trotskisten deelden met Gramsci het verzet tegen de lijn van het ‘sociaal-fascisme’. Gramsci was zich daar in de gevangenis niet van bewust. Dit wil niet zeggen dat Gramsci een trotskist was geworden, maar hij was zeker geen stalinist en zijn breuk met Togliatti was scherp. Terwijl hij geïsoleerd in de gevangenis zat, keerden sommige van Gramsci’s eigen kameraden zich van hem af. De stalinisten op hun beurt vermeden Gramsci. Ze konden hem zijn afwijkende standpunten niet vergeven.

We weten niet hoe zijn gedachten zich ontwikkeld zouden hebben, omdat Gramsci, als gevolg van zijn lijden in de fascistische gevangenissen, in 1937 stierf. De fascisten hadden één van de grote geesten van de Italiaanse arbeidersklasse vermoord.

Gramsci’s politieke nalatenschap

Het belangrijkste aspect van de politieke nalatenschap van Antonio Gramsci is wat er na zijn dood gebeurde. De stalinisten van Togliatti, die hem bij leven hadden tegengewerkt, stelden zich hypocriet voor als de politieke erfgenamen van Gramsci en verdraaiden zijn gedachtegoed door hem voor te stellen als een hervormer en ‘anti-trotskist’. Vanaf 1935 verlieten de stalinisten hun ultralinkse fase en kwamen ze met de strategie van het volksfront. Die benadering verwierp het bolsjewistische eenheidsfront. Het ging om samenwerking met reformisten, maar ook met delen van de burgerij. In Italië bereikte dit beleid zijn hoogtepunt met het verzet tijdens WO II, toen de PCI onder leiding van Togliatti, op aangeven van Stalin, elk revolutionair perspectief opgaf en een politiek van nationale eenheid met de burgerlijke machten bevorderde, zelfs met de monarchie en de ex-fascisten die naar de kant van de geallieerden waren overgelopen.

In de periode meteen na de oorlog trad de PCI toe tot burgerlijke regeringen en nam deel aan de wederopbouw van de republikeinse burgerlijke staat. De repressieve apparaten van de staat bleven dezelfde als die welke tijdens het fascistische regime waren gecreëerd, en de fascisten werden niet uit het staatsapparaat gezuiverd, maar bleven aan het hoofd staan van de politie, het leger en de rechterlijke macht. Door amnestie te verlenen aan de fascisten bereikte de PCI van Togliatti misschien wel het dieptepunt in zijn geschiedenis.

Togliatti moest de door Stalin opgelegde politiek voorstellen als een Italiaanse innovatie, voortkomend uit ideeën die voor het eerst door Gramsci werden gepropageerd. De Sardijnse revolutionair werd vervolgens door Togliatti voorgesteld als een voorloper van de reformistische politiek van de stalinistische PCI, van de “parlementaire weg” naar het socialisme, en van de nationale eenheid met de burgerij.

Gramsci’s geschriften werden vervolgens uitgegeven door uitgeverijen die gecontroleerd werden door de PCI, nadat Togliatti stappen had ondernomen om alle elementen die niet voldeden aan de behoeften van de stalinisten eruit te wissen. Er werden echte vervalsingen ingevoerd, zozeer zelfs dat de zin “Trotski is de hoer van het fascisme”, die door Togliatti aan Gramsci werd toegeschreven, in werkelijkheid van Togliatti zelf kwam.

De “Notities uit de Gevangenis” waren ongetwijfeld de tekst die het meest vervalst werd door de stalinisten, die Gramsci’s vernieuwende ideeën voorstelden als een anticipatie op het reformisme van de PCI. Zo wordt bijvoorbeeld het Gramsciaanse concept van “culturele hegemonie”, dat in de notities tot uitdrukking komt, voorgesteld als Gramsci’s stap weg van het revolutionaire perspectief en als anticipatie op de parlementaire weg naar het socialisme die door de PCI werd gevolgd. In feite zal iedereen die Gramsci’s geschriften zorgvuldig leest, begrijpen dat het concept van “culturele hegemonie” helemaal niet het opgeven van het revolutionaire perspectief was, maar een poging van Gramsci om een leninistische strategie toe te passen op een Westerse context. Hetzelfde concept van hegemonie was ook aanwezig in het werk van Lenin.

Gramsci wilde betogen dat de maatschappij in ontwikkelde kapitalistische landen veel mondiger was dan in tsaristisch Rusland en dat de revolutionaire beweging daarom veel meer obstakels moest overwinnen. Dit maakte de geduldige opbouw van een culturele hegemonie van de socialistische beweging binnen de maatschappij noodzakelijk, als tegenwicht tegen de hegemonie van de burgerij. Gramsci stelde dat in het Westen de weg naar de socialistische revolutie langer en ingewikkelder zou zijn dan in Rusland en dat het daarom noodzakelijk was een ‘stellingenoorlog’ tegen het kapitaal te voeren in plaats van louter een ‘bewegingsoorlog’ zoals de bolsjewieken in Rusland hadden gedaan. Dit perspectief sloot eenheidsfronten met andere linkse krachten en strijd voor democratische doelen niet uit. Voor Gramsci was het een kwestie van het heroverwegen van revolutionaire methoden in het Westen, niet van het afzweren van de revolutie door zich aan te sluiten bij burgerlijke regeringen zoals de PCI van Togliatti deed op aanbeveling van Stalin.

Gramsci verwierp Bordiga’s ultralinkse en sektarische posities tegen een eenheidsfront. Hij stelde echter nooit voor om een volksfront met de burgerij te vormen.  Evenmin verliet hij de arbeidersklasse en revolutionaire politiek. Hij heeft nooit betoogd dat het in het Westen voor socialisten mogelijk was om langs parlementaire weg de macht te grijpen, zonder dat het nodig was de burgerlijke staat omver te werpen door middel van een revolutie. Alle politieke gevechten van Gramsci waren gericht tegen het reformisme. Al zijn ideeën en daden waren in strijd met de stalinistische benadering.

De nep-reformist

Vandaag stellen de gevestigde media, deels op basis van de leugens van Togliatti, graag dat Gramsci een reformist was. Hij wordt zelfs voorgesteld als een van de ‘vaders van het vaderland’ en van de burgerlijke Italiaanse Republiek. Ze ontdoen Gramsci van al zijn revolutionaire aspecten. Wat heeft Gramsci als enthousiaste aanhanger van de bolsjewistische revolutie en in 1920 leider van de Turijnse fabrieksraadbeweging, te maken met de valse voorstelling van een reformistische Gramsci die ons door de burgerij en de stalinisten wordt voorgehouden? De ‘reformistische’ Gramsci, die een coalitie met de burgerij voorstond, heeft nooit bestaan, behalve in de fantasieën van Togliatti en Berlinguer. Toch is dit tegenwoordig de Gramsci die de meesten kennen, de Gramsci die wordt geëerd door de burgerlijke pers, de Democratische Partij en de erfgenamen van het stalinisme en de Italiaanse reformistische linkerzijde.

Gelukkig herontdekken linkse activisten en socialisten in Latijns-Amerika en in veel andere landen een andere Gramsci, de marxistische en revolutionaire Gramsci. Gramsci was een groot revolutionair, die net als iedereen fouten maakte, maar die altijd consistent was met zijn socialistische idealen. Zijn politieke erfenis behoort toe aan de revolutionaire marxisten.

Dit vind je misschien ook leuk...