1968: wereldwijd jaar van revolutie

Bedrijven en campussen bezet in Frankrijk. Burgerrechtenbeweging en woede tegen de Vietnam-oorlog in de VS. Onrust in Italië, Pakistan en Noord-Ierland. Revolte in het stalinistische Tsjecho-Slowakije. Repressie in Mexico. De gebeurtenissen van 1968 zorgden voor een wereldwijde schok. Een overzicht van het jaar van revolutie door Peter Taaffe (ingekorte versie van een langer dossier uit 2008) uit Socialism Today.

Sommige jaren springen er bovenuit als historische keerpunten: 1789, 1848, 1871, 1917, 1968, 1989. Soms gaat het om keerpunt waarbij een stap achteruit wordt gezet, zoals in 1989. Andere voorbeelden worden met revolutie en verandering verbonden. 1968 hoort bij die laatste groep. Het was een bijzonder onrustig jaar waarbij de vloedgolf van massarevolte de enge grenzen van het kapitalisme begon te overspoelen en daarmee de fundamenten van het systeem bedreigde.

Het hoogtepunt was ongetwijfeld mei-juni 1968 in Frankrijk. Dat was de grootste algemene staking uit de geschiedenis toen 10 miljoen arbeiders hun bedrijven bezet hielden in een maand van revolutie. Karl Marx en Friedrich Engels schreven hoe in bepaalde historische perioden een decennium op ‘een dag’ kunnen lijken omwille van de schijnbare rust, en hoe er dagen zijn waarin de gebeurtenissen van 20 jaar kunnen samenkomen. Dat was het geval gedurende een maand in Frankrijk in 1968.

Maar het was niet de enige arena van massale sociale onrust in dat jaar van revolutie, en in mindere mate van contrarevolutie. Zelfs voor wie toen bewust leefde en deelnam aan deze gebeurtenissen, is het indrukwekkend om het aantal bewegingen en de omvang ervan in herinnering te brengen. Naast de beweging in Frankrijk was er bijvoorbeeld ook de massabeweging in Mexico die bloedig werd onderdrukt met het beruchte bloedbad van het Tlatelolco plein. De officiële dodentol bedroeg 300, maar in werkelijkheid waren het er veel meer, wellicht 1.000.

Het was ook het jaar waarin de 10.000 dagen durende oorlog in Vietnam een beslissende wending nam met het Tet-offensief van het Nationaal Bevrijdingsfront, waardoor de overtuiging groeide dat de sterkste militaire machine ter wereld afstevende op een nederlaag tegenover een boerenleger. Martin Luther King verklaarde op 4 februari met profetische woorden: “Ik hoop dat iemand zal vermelden dat Martin Luther King jr zijn leven probeerde te geven door anderen te dienen.” Hij werd twee maanden later vermoord. In maart kwam Eugene McCarthy op 230 stemmen van de Democratische kandidatuur voor de presidentsverkiezingen tegenover zetelend president Lyndon Johnson, die vervolgens aankondigde geen kandidaat te zijn om zichzelf op te volgen. Vier dagen later kondigde Robert Kennedy zijn kandidatuur aan, maar hij onderging hetzelfde lot als Martin Luther King.

In augustus stuurde de bureaucratische elite van de ‘Sovjet-Unie’ 200.000 troepen van het Warschaupact uit om een einde te maken aan de ‘Praagse lente.’ Enkele dagen later werden studenten brutaal aangepakt door de ‘democratische’ politie van burgemeester Daley in Chicago. De studenten riepen: ‘The whole world is watching’ (de hele wereld kijkt mee). Het was de ironie van de geschiedenis van dit jaar van revolutie dat de rechtse Republikeinse kandidaat Richard Nixon uiteindelijk als president werd verkozen nadat hij op hypocriete wijze beloofde om een einde te maken aan de oorlog in Vietnam. Hij had het over een ‘eervolle vrede.’ In Groot-Brittannië was er groeiend verzet tegen de rechtse Labour-regering van Harold Wilson, waarbij zowel binnenlandse als buitenlandse kwesties zoals de oorlog in Vietnam een rol speelden. Er waren tienduizenden betogers tegen de oorlog.

Er was niet alleen onrust in de ontwikkelde industriële landen. In Indonesië, China (met de zogenaamde ‘Culturele revolutie’) en Pakistan, waar de beweging van werkenden en boeren gelijkenissen vertoonde met Frankrijk, werd de samenleving geraakt door golven van verzet die uit elke hoek leken te komen.

In 1968 was er een belangrijke culturele heropleving – kunstenaars, muzikanten, studenten en de middenlagen in de samenleving werden geraakt door de beweging – maar het belangrijkste element was de terugkeer van de arbeidersklasse na een periode van sociale stabiliteit die gepaard ging met de ‘nieuwe geboorte’ van het kapitalisme na de Tweede Wereldoorlog. We mogen niet vergeten dat de revolutionaire gebeurtenissen van 1968 plaatsvonden op een ogenblik dat de economische groeiperiode van 1950-75 zichzelf nog niet uitgeput had.

De lonen in de VS waren voor de meeste werkenden gestegen, 80% van de bevolking had toegang tot gezondheidszorg en onder Johnson was er wetgeving ingevoerd rond Burgerrechten en stemrecht. Dit was echter slechts één kant van de Amerikaanse groei. Als gevolg van de torenhoge kosten van de oorlog in Vietnam werd bespaard op sociale zekerheid. Jongeren kwamen in opstand en een miljoen zwarte Amerikanen omschreven zichzelf als revolutionairen. Dit bevestigt de marxistische analyse dat revolutionaire of pré-revolutionaire situaties niet het resultaat zijn van louter economische factoren, maar dat ze ook kunnen ontwikkelen door politieke gebeurtenissen.

De oorlog in Vietnam ondermijnde de economische en sociale fundamenten van het VS-imperialisme, het machtigste ter wereld, dat niet in staat was om een beleid van ‘guns and butter’ (zowel oorlog voeren als sociale vooruitgang aan de bevolking aanbieden) te voeren. Dit maakte een einde aan het presidentschap van Johnson, wat een dramatische uitdrukking was van de vooruitgang van het bewustzijn van de massa’s in 1968. Voorheen had de onbetwistbare economische vooruitgang voor een substantieel deel van de bevolking, niet alleen in de VS maar ook in Europa, Japan en elders, de kapitalisten tot de conclusie gebracht dat de sociale stabiliteit van het systeem gegarandeerd was, behalve enkele overblijfselen uit het verleden die konden gemasseerd worden door een zorgvuldige vorm van ‘social engineering.’

Afschrijven van de arbeidersklasse

Dit ging voorbij aan het proces van verandering onder de oppervlakte. De kapitalisten waren niet de enigen die deze fout begingen. Heel wat marxisten liepen in de val van het impressionisme en stelden dat de industriële arbeidersklasse zich verzoend had met het kapitalisme. Ze schreven die arbeidersklasse af, of stelden minstens dat de arbeidersklasse op dat ogenblik geen rol zou spelen in de strijd tegen het kapitalisme.

De voorlopers van de Socialist Party, georganiseerd onder de naam Militant, betwistten dit. We verdedigden toen, en nu nog steeds, de nadruk die Marx legde op de rol van de georganiseerde arbeidersklasse in een socialistische revolutie. Het is de enige klasse die georganiseerd en gedisciplineerd wordt door grootschalige productie en die hierdoor de nodige sociale cohesie en strijdbaarheid kan ontwikkelen om de taken van de socialistische revolutie uit te voeren. Dit blijft ook vandaag het geval, ondanks de desindustrialisering in heel wat ontwikkelde economieën. De ‘nieuwe’ lagen van de arbeidersklasse omvatten onder meer ambtenaren en leraars, die onder de zweep van het neoliberalisme de methoden van de arbeidersklasse, zoals stakingen, hebben opgenomen.

De boeren zijn door de aard van hun maatschappelijke positie verdeeld in verschillende lagen. De bovenste lagen hebben de neiging om met de kapitalisten mee te gaan. Anderzijds staan de lagere lagen of kleine boeren dichter bij de werkenden. Door de economische druk hebben ze de neiging om eerder bij de arbeidersklasse aan te sluiten. Hetzelfde gebeurt met de moderne middenklasse  in zowel de steden als het op het platteland.

Voor 1968 dachten heel wat marxisten dat de arbeidersklasse conservatief was, waarbij delen ervan ‘verburgerlijkt’ waren en niet langer konden optreden als de belangrijkste hefbomen van sociale verandering. Het maakte dat elders naar uitwegen werd gezocht, onder meer bij maarschalk Tito in Joegoslavië die plots ontdekt werd als ‘onbewuste trotskist’, Mao Zedong in China of Fidel Castro. Die laatste had een centrale rol gespeeld in een erg populaire revolutie met elementen van arbeiderscontrole, maar zonder de arbeidersdemocratie die in Rusland bestond op het ogenblik van de Oktoberrevolutie.

De positie van Militant op dat ogenblik botste met de standpunten van groepen zoals het trotskistische Verenigd Secretariaat van de Vierde Internationale (VSVI). De leider van die organisatie, Ernest Mandel, sprak in april 1968 in Londen. We gingen in tegen de stelling van Mandel dat indien de Amerikaanse dollar stabiel zou blijven er in Europa de komende 20 jaar niets fundamenteel zou veranderen. Het VSVI en Mandel kwamen tot de conclusie dat het epicentrum van de wereldrevolutie minstens tijdelijk was opgeschoven naar de voormalige koloniale en semi-koloniale wereld.

Militant probeerde steeds het belang van de gebeurtenissen in deze regio’s van de wereld uit te leggen, het ging immers om twee derden van de mensheid die betrokken waren in de schitterende nationale bevrijdingsbewegingen van de jaren 1950, 1960 en 1970. Maar vanuit een wereldwijd standpunt, bleven de beslissende krachten voor socialistische verandering geconcentreerd in de ontwikkelde geïndustrialiseerde landen en deze krachten moesten zich verbinden met de bewegingen in de neokoloniale wereld.

Dit betekende niet dat we voorstelden dat de rest van de wereld moest wachten tot de arbeiders van Europa, Japan en Noord-Amerika in actie zouden komen. We gaven volledige steun, zowel in het algemeen als in daden, aan de nationale bevrijdingsstrijd, zelfs waar deze geleid werd door burgerlijke of pro-burgerlijke krachten zoals in Algerije in de strijd tegen de Franse kolonisten. Zoals de ervaring van de Bolsjewieken in Rusland voor de revoluties van 1905 en 1917 aantoonde, is het in periodes van schijnbare rust cruciaal om de rol van de arbeidersklasse als belangrijkste hefboom tot socialistische verandering te blijven benadrukken, zelfs indien dit nog niet zichtbaar is aan de oppervlakte.

Intellectuele verschuiving en capitulatie

De meeste krachten die marxistisch of trotskistisch beweerden te zijn, waren in de eerste plaats actief onder de radicaliserende studenten en intellectuelen die naar voor gekomen waren in de periode voor 1968. Intellectuelen kunnen een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van de arbeidersbeweging, de geschiedenis van de Russische arbeidersbeweging toonde dit aan. Lenin en Trotski, maar eerder ook Marx en Engels, kwamen uit de rangen van de burgerij en de kleinburgerij. Maar ze hadden persoonlijk en vooral politiek gebroken met het milieu waaruit ze kwamen.

Ze generaliseerden en vatten de ervaring van de arbeidersklasse samen in de vorm van perspectieven, programma, strategie en tactieken, maar ook organisatie. Ze hielden vast aan theoretische duidelijkheid, in het bijzonder rond de kwestie van de sociale krachten die in een revolutie betrokken zijn, het soort organisatie dat de arbeidersklasse nodig heeft, de dynamiek van revolutie en alles wat daaruit voortvloeit. Ze hadden niets gemeen met die ‘intellectuelen’, waaronder sommigen de term ‘marxisme’ claimden, die hun opvattingen en idealen wisselden zoals een mens zijn kledij wisselt, om het met Honoré de Balzac te stellen.

Marx en Engels worden vandaag zelfs door burgerlijke schrijvers omschreven als ‘inzichtrijke sociologen’, maar in hun tijd werden ze steevast afgedaan als stoorzenders, zeker door hun ‘socialistische’ tegenstanders. Dat kwam omdat ze een theoretische houvast hadden, een methode, waardoor ze resistent waren tegen de episodische sfeer en modieuze theorieën die, om het zacht uit te drukken, een complicatie kunnen vormen in de strijd voor duidelijk begrip in de arbeidersbeweging. Intellectuelen zijn geen onafhankelijke factor in de geschiedenis, maar vertegenwoordigen soms de voortrekkers en heel vaak de achterhoede van bewegingen die plaatsvinden of van ontwikkelingen onder de oppervlakte aan de basis van de samenleving.

Kijk maar naar de rol van intellectuelen na de val van het stalinisme en de ideologische campagne van de burgerij voor de ‘vrije markt.’ De overweldigende meerderheid in de intellectuele kringen in Europa en de VS, maar ook in de neokoloniale wereld, capituleerde of paste zichzelf aan een pro-kapitalistisch standpunt aan. Het was niet alleen Francis Fukuyama, maar de overweldigende meerderheid van de intellectuelen die dacht dat ‘ideologie’, en dus ook de klassenstrijd, iets uit het verleden was.

Zelfs vandaag, op een ogenblik dat de financiële architectuur van het wereldkapitalisme steeds meer afbrokkelt, schrijven magazines als de London Review of Books artikels waarin verwezen wordt naar het ‘post-ideologische tijdperk’, een nauwelijks verhulde minachting voor het socialistische project. Alain Badiou schrijft: “Marxisme, de arbeidersbeweging, massademocratie, Leninisme, de partij van het proletariaat, de socialistische staat – al deze uitvindingen uit de 20e eeuw zijn vandaag niet echt nuttig meer.” (‘The Communist Hypothesis, New Left Review, ja-feb 2008).

Als er evenwel één centrale conclusie uit 1968 kan getrokken worden, is het dat de afwezigheid van een echt massale ‘partij van het proletariaat’ cruciaal was om de Franse burgerij toe te laten de revolutie op een zijspoor te zetten. Bovendien zullen gunstige kansen in de toekomst eveneens verloren gaan indien er geen dergelijke kracht wordt opgezet. Het leidt geen twijfel dat een massale uitbarsting van bewegingen van onderuit plaatsvinden als reactie op de ergste recessie sinds de depressie van de jaren 1930. Dit zal de intellectuelen overigens dwingen om zich aan te passen, net zoals ze dit in het verleden deden en velen zullen hun posities zonder problemen bijsturen.

Waarom Frankrijk?

Een belangrijk onderdeel van het proces van socialistische revolutie is voorbereiding, zowel ideologisch, politiek als organisatorisch. De kijk van de meeste studenten en intellectuelen die aan de gebeurtenissen van 1968 deelnamen was socialistisch georiënteerd, sommigen noemden zich marxist of trotskist. Dit was een gevolg van de onrust van onderuit in de fabrieken en werkplaatsen, maar ook omdat er een ‘socialistisch’ model was, althans in economische termen, met de geplande economieën van Oost-Europa en de Sovjet-Unie, zelfs indien het ging om bureaucratische en totalitaire regimes. Desalniettemin schreven de meeste organisaties die zich op intellectuelen baseerden de arbeidersklasse af en dachten ze niet dat gebeurtenissen zoals die van mei-juni 1968 konden plaatsvinden.

Ze stonden daar niet alleen in. Op oudejaarsavond 1967 verklaarde de 78-jarige Franse president Charles De Gaulle: “Ik begroet het jaar 1968 met sereniteit.” Hij gaf uiting aan het zelfvertrouwen van het Franse kapitalisme: “Het is onmogelijk om te zien hoe Frankrijk vandaag door een crisis kan geteisterd worden zoals dit in het verleden het geval was.” Sean O’Hagan merkt op: “Zes maand later vocht De Gaulle voor zijn politiek leven en werd het Franse kapitaal na weken van studentenrellen verlamd door een plotse algemene staking. De ontwikkeling van ‘sereniteit’ tot een bijna revolutie in de eerste weken van mei, was het beslissende element van ‘1968’ in Frankrijk. In dat jaar waren er ook massaprotesten in de rest van de wereld, van Parijs tot Praag, Mexico stad tot Madrid, Chicago tot Londen.” (Observer 20 januari 2008).

Het was geen toeval dat het in Frankrijk tot een revolutionaire uitbarsting kwam en niet in de buurlanden. Indien de toen veel naar voor gebrachte theorie van de studenten als ‘gangmaker’ correct was geweest – waarbij een bewuste confrontatie met de burgerlijke staat tot een arbeidersrevolte zou leiden – dan had de beweging zich eerst in Duitsland ontwikkelt. De studentenbeweging stond daar even sterk of zelfs sterker dan in Frankrijk. De moord op studentenactivist Benno Ohnesorg in 1967 door een politie-agent leidde tot een breed gedragen studentenbeweging waarin de Sozialistische Deutsche Studentenbund (SDS, Socialistische Deutse Studentenbond) erg prominent werd.

Dit was even dreigend als de beweging die in Frankrijk zou ontwikkelen. Maar de onderliggende sociale voorwaarden waren anders. Onder het semi-dictatoriale regime van de Vijfde Republiek onder De Gaulle waren de spanningen in de arbeidersklasse fors opgelopen. Frankrijk was een land waar een ‘toevallig vallende lucifer’ tot een explosie kon leiden, om het in de termen van de tsaristische geheime politie aan de vooravond van de revolutie van 1917 te stellen.

Dit ingrediënt kwam er met de brutale repressie tegen de studenten. Het bracht miljoenen arbeiders op straat in betogingen en een algemene staking, waartoe terughoudend werd opgeroepen door de vakbondsleiders. De arbeiders begonnen hun fabrieken te bezetten en de revolutie zette door. Het waren specifieke elementen die maakten dat Frankrijk en de Franse arbeiders op dat ogenblik vooraan stonden in de revolutie.

De omstandigheden in Duitsland of Groot-Brittannië waren anders – zelfs in Italië was dit het geval, ook al zou de beweging daar in zekere zin op een hoger niveau ontwikkelen dan in Frankrijk. De ‘vonk’ van de studentenrevolte kon daar niet tot dezelfde reactie leiden als in Frankrijk. Maar indien het in Frankrijk gelukt was – en dat was mogelijk, zoals het aangetoond wordt in het boek ‘Frankrijk 1968: maand van revolutie’ door Clare Doyle – dan zouden Berlijn, Milaan en Turijn, zelfs Londen, gevolgd zijn.

Hete herfst in Italië

Paul Ginsborg, een historicus die veel over Italië publiceert, stelt dat 1968 een belangrijke impact had op de ‘hete herfst’ van 1969 in Italië: “Er was een periode van uitzonderlijke sociale strijd, het hoogseizoen van collectieve actie in de geschiedenis van de republiek. In deze periode werd de organisatie van de Italiaanse samenleving op bijna elk vlak uitgedaagd. Er was geen enkele beweging in Italië die inzake intensiteit en revolutionair potentieel op gelijke voet stond met de gebeurtenissen van mei 1968 in Frankrijk, maar de protestbeweging in Italië was de meest diepgaande en langdurige in Europa. De beweging verspreidde zich van de scholen en universiteiten naar de bedrijven en dan opnieuw naar de volledige samenleving.” (A History of Contemporary Italy, 2003).

We krijgen een beeld van de kracht van de arbeidersklasse in wat Rossana Rossanda, een van de stichtende redacteurs van de linkse krant Il Manifesto, schreef over juni 1969: “De paradox was dat de Italiaanse ‘hete herfst’ van 1969 slechts het begin was. In plaats van na de vakantie terug over te gaan tot de orde van de dag, werd het ene bedrijf na het andere bezet door de arbeiders. De grote Fiat-vestiging nam het voortouw. Ondertussen was de Italiaanse Communistische Partij (PCI) vooral bezig met onze zaak [de dreigende uitsluiting uit de PCI]. De hete herfst was de grootste en meest gesofisticeerde syndicale strijd sinds de oorlog. Het was niet slechts een staking, maar de arbeiders namen het volledige productieproces in eigen handen, waarbij de hiërarchie van het management aan de kant werd geschoven. Dit waren geen arbeiders die gestaald waren door decennia van repressie, maar jonge arbeiders die vaak niet hoger opgeleid waren en die hun vorming kregen vanuit de chaotische ontwikkeling van de samenleving waarin ze opgroeiden. Ze namen de beweging van het opkomende studentenprotest een jaar eerder over en maakten het zich eigen.

“Hadden de jonge arbeiders toen ze door de fabriekspoorten trokken om de productie over te nemen een revolutie op het oog? De beslissing trok als een lopend vuurtje van bedrijf tot bedrijf: er werd gestreden voor verandering op de werkvloer, voor de controle op de werkvloer. De gewoonte van gehoorzaamheid werd overboord gegooid. Op de algemene vergaderingen moesten de vakbondsleiders in de rij gaan staan om te spreken, net zoals de minst opgeleide arbeider dit moest doen. Dit deed denken aan wat een jaar eerder in Odéon in Parijs was gebeurd, maar zonder het gevoel van atomisering. De arbeiders waren op hun eigen terrein, ze hadden het werk tot hiertoe gedaan werd, wat ze niet konden aanvaarden en hoe het moest veranderen. De inzet was heel groot, voor het kapitaal kon er moeilijk een sterkere beproeving zijn. De media wisten het. Eerst waren die blij dat de PCI en de vakbonden voorbijgestoken werden, daarna werden ze bang.” (‘The comrade in Milan’, New Left Review ja-feb 2008).

Deze gebeurtenissen schokten de Italiaanse heersende klasse: “Symptomatisch voor het klimaat van die tijd was de getuigenis vele jaren later van een van de belangrijkste handelaars op de beurs van Milaan, Aldo Ravelli, een man die niet gemakkelijk panikeert: ‘Om een beeld te geven van de sfeer in die tijd: dat waren jaren dat ik onderzocht hoe lang ik nodig had om naar Zwitserland te ontsnappen. Ik vertrok bij mij thuis in Varese en ging te voet naar de grens’.” (Ginsborg, Italy and its Discontents 1980-2001, Palgrave Macmillan 2006). Ravelli moest die voettocht nooit maken, vooral omdat de leiders van de massale arbeidersorganisaties het kapitalisme gered hebben. Ze moesten daarbij erg voorzicht te werk gaan, er ontwikkelde een massaal verzet dat in Italië bijna een decennium zou aanhouden.

Mexico en het bloedbad bij My Lai

De gebeurtenissen in de neokoloniale wereld waren eveneens erg belangrijk. Wat in oktober 1968 in Mexico gebeurde, staat samen met de Franse en Italiaanse gebeurtenissen vooraan inzake scherpte. Er werd destijds weinig internationale ruchtbaarheid aan gegeven, maar de Mexicaanse gebeurtenissen waren de bloedigste van dat jaar. Het was bloediger dan de invasie van Tsjecho-Slowakije enkele dagen voordien. Ed Vulliamy merkte op: “Historici schrijven over de zwarte handschoenen van Amerikaanse lopers die medailles wonnen op de Olympische Spelen in Mexico. Maar ze schrijven minder over de witte handschoenen van de Olympische brigade van het Mexicaanse leger, met tanks en helikopters achter zich, waarmee op studenten, gezinnen en werkenden werd geschoten in de wijk Tlatelolco in Mexico stad op 2 oktober, een week voor de spelen.” (”True Voice of Revolution’, Observer 20 januari 2008).

De Mexicaanse heersende klasse ging de bloedige Argentijnse junta van de jaren 1970 vooraf in het laten ‘verdwijnen’ van tegenstanders door hun lijken in de zee te dumpen. Het effect van deze gebeurtenissen op het bewustzijn van de Mexicaanse bevolking was zo sterk dat “de revolutie van 1968 meer dan gelijk waar anders een blijvende impact had.” Castro bleef echter zwijgen. Hij “ondernam niets om de activisten van Mexico 1968 of hun nakomelingen te ondersteunen.” Dit was deels omdat de Mexicaanse burgerlijke regering de enige was die het Cubaanse regime erkende. Belangrijker echter was dat een nieuwe revolutie in Mexico met de arbeidersklasse in een leidinggevende rol een enorme impact zou gehad hebben in Cuba zelf en zou geleid hebben tot eisen voor echte arbeidersdemocratie. De deelnemers van de beweging kwamen op voor een ‘tweede Mexicaanse revolutie’ waarbij ze het werk van de revolutie van 1910 met Panco Villa en Emiliano Zapata wilden afwerken.

De Amerikaanse heersende klasse was bijzonder bezorgd. Het was altijd bekommerd omwille van de belangrijke positie van Mexico, zowel voor gevolgen onder de Latino bevolking in de VS als omwille van het feit dat Mexico vanuit de VS een poort naar Latijns-Amerika vormt. De Amerikaanse heersende klasse had in 1968 al voldoende problemen met de sociale onrust als gevolg van de oorlog in Vietnam. Er werden maar liefst 3.250 jonge Amerikanen naar de gevangenis gestuurd omdat ze als gewetensbezwaarde niet naar de oorlog wilden. Een kwart miljoen anderen slaagden erin om de dienstplicht te ontlopen en een miljoen jongeren pleegde misdrijven om niet in het leger te moeten. Daarvoor werden ongeveer 25.000 jongeren veroordeeld. Een studie gaf aan dat het totaal aantal potentieel dienstplichtige Amerikanen dat de dans ontsprong via allerhande wegen opliep tot 15 miljoen.

De historicus Arthur Schlesinger junior schrijft dan ook: “De oorlog in Vietnam werd vooral uitgevochten door de zonen van arme blanken en zwarten wier ouders weinig invloed hadden. De zonen van invloedrijke mensen werden beschermd omdat ze aan de universiteit zaten.” (Michael Maclear, Vietnam: The Ten Thousand Day War, St Martin’s Press 1981). Onder de laag die de dienstplicht vermeed maar wel de oorlog steunde, bevonden zich figuren als George W Bush en co.

De oorlog in Vietnam was de belangrijkste factor in de jongerenbeweging doorheen de wereld in de periode voor 1968. Het protest nam in dat jaar echter massale proporties aan. Het vreselijke geweld van de Amerikaanse heersende klasse door op laffe wijze B52-bommenwerpers met het gifgas Agent Orange te droppen, leidde onder meer tot het bloedbad van My Lai in 1968. De verschrikkelijke details van dit bloedbad werden pas later bekend. Officieel werd erkend dat tweehonderd ongewapende Vietnamese burgers om het leven kwamen, maar een bron uit het Amerikaanse leger spreekt over 700 doden. De straf voor de belangrijkste verantwoordelijke hiervoor, luitenant William Calley, bestond uit drie dagen gevangenisstraf.

Internationale omvang

De opstand van de jongeren in 1968 was een wereldwijd fenomeen, het was niet beperkt tot Parijs of Berlijn. De studentenbeweging in Italië slaagde er wellicht het beste in om zich te verbinden met de arbeidersklasse, maar ook elders in Europa werden stappen in die richting gezet. Sommigen deden de jongerenacties af als marginaal of nog, zoals de Franse socioloog Raymond Aron het stelde, als “toneel door verwende rijke kinderen.” Voor sommige deelnemers ging het ongetwijfeld om een vorm van ‘revolutionaire mazelen’ waarvan ze genezen waren vooraleer ze in de kapitalistische samenleving opgingen. Anderen wilden oprecht een breuk met de dodelijke conformiteit van de kapitalistische samenleving en de vervreemding waar Marx al over sprak. Het idee dat producenten slechts een radertje zijn in de grote machine van het kapitalisme, vond zelfs in een periode van economische groei ingang en versterkte de jongerenrevolte.

Veel van deze jongeren vormden de basis voor een nieuwe massabeweging. In Italië waren er naar schatting 100.000 leden van ‘radicaal linkse’ organisaties tussen 1968 en eind jaren 1970. Het was een periode van enorme experimenten, niet alleen op politiek vlak maar ook in de kunst, muziek en cultuur in het algemeen. Dit stelde het vooruitzicht van bevrijding voor een nieuwe generatie, een bevrijding die niet mogelijk was binnen de rigide grenzen van het kapitalisme. Er waren ‘excessen’ in de beweging, vooral door frustratie, die in Italië veroorzaakt werd door de bureaucratische stop die de PCI aan de beweging probeerde op te leggen. Maar in de grote wervelwind van ‘autonome’ bewegingen, groepen en organisaties waren er heel wat jongeren die zochten naar een duidelijker weg naar maatschappijverandering.

De PCI-leiding bleef echter kijken naar het ‘historisch compromis’ met de belangrijkste partij van de Italiaanse burgerij op dat ogenblik, de christendemocratie. Tegenover die wervelende hoofdzakelijk positieve beweging van onderuit, mobiliseerden de hoogwaardigheidsbekleders van de PCI om de autonome bewegingen aan de universiteiten te breken. Daarvoor werden soms ‘gespierde arbeiders’ ingezet. Dit leidde op zijn beurt tot ultralinkse posities, waarvan sommige extreem schadelijk waren voor de strijd voor socialisme en bevrijding. Denk maar aan de ontwikkeling van terroristische ideeën in de ‘Rode Brigades’ en andere gewapende groepen. Een generatie ging tragisch verloren voor een strijd die de Italiaanse arbeidersbeweging op een veel hoger niveau had kunnen brengen door de ontwikkeling van een massale, of toch minstens erg brede, alternatieve partij die in tegenstelling tot de PCI voor een duidelijk revolutionair, socialistisch en democratisch project stond.

De beweging in Oost-Europa was tot op zekere hoogte een spiegel van die in het westen. Dit kwam tot uiting in de Praagse Lente met de verwijdering van de hardleerse stalinisten uit de leiding van de Tsjecho-Slowaakse ‘Communistische’ Partij. De stalinist Antonin Novotný werd vervangen door Alexander Dubček, maar dit betekende niet dat het stalinisme vervangen werd door arbeidersdemocratie, wat destijds nochtans door zelfs een aantal marxisten werd beweerd. Het ‘socialisme met een menselijk gezicht’ van Dubček genoot massale steun in Tsjecho-Slowakije en daarbuiten, maar het was geen echte stap in die richting. Het lossen van de teugels van het stalinisme leidde tot heel wat politieke onrust waarin de ideeën van arbeidersdemocratie, waaronder heel wat voorstellen van Trotski, eisen voor vrije media, democratische controle en beheer van de industrie, … naar voor kwamen. Maar Dubček vertegenwoordigde het proces bureaucratische hervorming van bovenaf om revolutie van onderuit te vermijden.

Dit kon niet getolereerd worden door de stalinistische bureaucratie van Moskou. In Polen had het stalinisme in 1956 moeten aanvaarden dat Wladyslaw Gomulka aan de macht kwam. Gomulka was net als Dubček een vertegenwoordiger van een meer liberaal en nationalistisch bureaucratisch regime. Op dat ogenblik had Moskou de handen vol met de Hongaarse revolutie, waar ideeën van echte arbeidersdemocratie een dodelijke bedreiging voor de stalinistische regimes vormden. De gebeurtenissen in Tsjecho-Slowakije in 1968 vonden plaats tegen de achtergrond van een grondig gewijzigde wereldsituatie. Toelaten dat Dubček kon doorzetten, had geleid tot het openen van alle sluizen in alle Oost-Europese landen die gebukt gingen onder de wurggreep van het stalinisme.

Het neerslaan van de Praagse Lente werd daarom onvermijdelijk voor de Russisch leider Brezjnev. Het geweld werd zelfs goedgekeurd door Castro die met enige vertraging zijn steun uitsprak aan de Russische tanks in Praag. Het legde de basis voor een massale ontgoocheling in het stalinisme en het vormde een slag voor het idee van een geplande economie waarop het stalinisme zich in Tsjecho-Slowakije en de rest van Oost-Europa baseerde. Zoals nadien in Polen bleek, zou dit leiden tot toenemende steun voor een terugkeer naar het kapitalisme.

1968 vormde een internationaal keerpunt, net zoals dit het geval was met 1848 en 1917. De heersende machten vandaag willen het spook van 1968 verdrijven. Dat bleek onder meer uit de opstelling van Nicolas Sarkozy bij de veertigste verjaardag van mei ’68. In zijn verkiezingscampagne stelde hij toen dat zijn overwinning de geesten van 1968 zou verdrijven: “Mei ’68 legde intellectueel en moreel relativisme op,” stelde hij. “De erfgenamen van mei ’68 legden het idee op dat er geen verschil was tussen goed en kwaad, tussen waarheid en leugen, tussen schoonheid en lelijkheid. Deze erfenis van mei ’68 heeft cynisme in de samenleving en de politiek gebracht.” Hij beweert zelfs dat 1968 “de moraliteit van de kapitalisme hielp verzwakken, en de basis voorbereidde voor het ongebreidelde kapitalisme met gouden parachutes en malafide bazen.” (Counterpunch 4 juni 2007)

Neen, dat waren en zijn kenmerken van het kapitalisme waar de generatie van 1968, zowel toen als daarna, een einde aan probeerde te maken door op te komen voor een vervollediging van 1968 in de vorm van een socialistische maatschappijverandering. De Franse burgerij heeft gevochten tegen de Franse revolutie, de heldhaftige Communards van 1871, de massale stakingen van 1936 en ze doet dit opnieuw tegen 1968. Zoals bij die vorige gebeurtenissen zal de burgerij er niet in slagen om dit voorbeeld weg te wissen, dit voorbeeld van revolutie en bijna-revolutie. Socialisten moeten de tradities van 1968 levendig houden maar ook lessen trekken uit de beperkingen van die beweging om zo de basis te leggen voor de toekomstige socialistische maatschappijverandering.

Print Friendly, PDF & Email