Grondslagen van het wetenschappelijk socialisme

In Vonk nummer 43 (maart-april 1983) verscheen een uitstekende algemene inleiding tot het marxisme. Ook deze tekst is geschreven door François Bliki.

Karl Marx en Friedrich Engels waren de grondleggers van het historisch materialisme (nu algemeen het marxisme genoemd) dat samen met de meerwaardetheorie de basis vormde voor het wetenschappelijk socialisme.

Marx en Engels waren geen goden die uit de hemel neergedaald waren om de arbeidersklasse de juiste theorie te komen aanbieden. Het waren mensen van vlees en bloed die hun ideeën en opvattingen slechts konden ontwikkelen op basis van de materiële omstandigheden en het ontwikkelingsniveau van de productiefactoren op het moment dat zij leefden. Het is wel de verdienste van Marx en Engels geweest dat zij als eersten een juiste analyse gemaakt hebben en hieruit de juiste besluiten getrokken hebben. Deze analyse is nu, meer dan 100 jaar later, actueler dan ooit. In dit artikel willen we ingaan op het ontstaan van het historisch materialisme, in een volgend artikel zullen we het hebben over de meerwaardetheorie.

Marx werd geboren in 1818 in Trier, een stad gelegen in de Rijnprovincie, het meest economisch ontwikkelde deel van Pruisen.

Duitsland was toen nog een feodaal land, dat versnipperd was in verschillende kleine vorstendommen. In 1789 had in Frankrijk de Revolutie plaatsgevonden die een einde maakte aan het Feodalisme, Frankrijk tot één grote natie verenigde en waar de burgerij de staatsmacht bezat en dus over democratische rechten beschikte. In Pruisen, veruit de grootste staat van het toenmalige Duitsland, voelden de kapitalisten zich geremd in hun ontwikkeling door het bestaan van verschillende staatjes met hun eigen tolmuren, belastingsystemen, … hetgeen de handel en de industriële ontwikkeling belemmerde. De intellectuelen voelden zich belemmerd in hun vrije meningsuiting en verzetten zich tegen de dominantie van de feodale heersers, de Junkers.

Marx was de zoon van een joodse advocaat (die zich om beroepsredenen “bekeerde” tot het  protestantisme). Hij ging naar de universiteit om rechten studeren, maar schakelde al vlug over tot de studie van de filosofie. In die periode werd aan alle universiteiten van Duitsland de filosofie van Hegel onderwezen. Hegel was zeer sterk onder de indruk van de Franse Revolutie gekomen, een revolutie die alle waarden van het feodalisme (waarden die altijd als vaststaand, eeuwigdurend en door god zelf gewild voorgesteld werden) omver geworpen had. De idee dat alles eeuwigdurend was en dat alles altijd zou blijven zoals het was, kreeg een flinke deuk. Dit had zijn invloed op de manier van denken en dus op de filosofie.

Hegel bracht deze idee van verandering in de filosofie onder de vorm van de dialectiek. Engels schreef later dat de grondidee van het dialectisch denken was “dat de wereld niet begrepen moet worden als een geheel van vaste gegevens, maar als geheel van processen, waarbij dingen (net zoals de weerspiegeling ervan in ons hoofd, de ideeën) die op het eerste zicht stabiel lijken, integendeel voortdurend ontstaan en weer vergaan.”

Dit was een revolutionaire verandering in de filosofie van die periode. Iedere filosoof was ervan onder de indruk. Na de dood van Hegel vormden zich overal Hegeliaanse studiegroepen die deze filosofie verder wilden uitdiepen.

Marx word Jong-Hegeliaan

Bij de Hegelianen zagen we twee stromingen ontstaan. Hegel had dan wel de dialectiek in de filosofie ingevoerd, maar alleen in het denken. Volgens Hegels waren de verschillende maatschappijvormen die we in de geschiedenis van de mensheid hadden zien ontwikkelen, het gevolg van de verschillende manier waarop de mensen dachten. Het ontwikkelingsproces van de mensheid was dus het ontwikkelingsproces van de idee, de manier van denken. Hegel was dus een dialectisch idealist.

In zijn meest bekende werk, De fenomenologie van de Geest, beschrijft hij dan de ontwikkeling van de geest van een onbewuste toestand tot de ideale toestand die dan de Absolute Geest is.

Het feit dat de filosofie van Hegel aan alle universiteiten van Duitsland mocht onderwezen worden, was niet toevallig. Want de maatschappijvorm die volgens Hegel met deze Absolute Geest overeenkwam was toevallig de absolutistische Pruisische staat.

De oud Hegelianen bleven op dit reactionaire standpunt, terwijl de jong Hegelianen het revolutionaire deel van de leer van Hegel behielden (de dialectiek) maar zich als burgerlijke democraten tegen de Pruisische staat bleven verzetten. Marx speelde heel vlug een toonaangevende rol bij de jong Hegelianen. In 1842 werd aan Marx gevraagd de uitgave van de ‘Rheinische Zeitung’ (een blad dat gefinancierd werd door de burgerlijke radicalen uit de Rijnprovincie) op zich te nemen.

In tegenstelling tot de meeste van de jong Hegelianen die het bij rustig gefilosofeer hielden, ging Marx zich onmiddellijk met concrete politieke problemen bezighouden. In zijn blad viel hij de voordelen van de Junkers en de onderdrukking van het Pruisisch staatsapparaat fel aan. Hij gaf commentaar op de rol van de kapitalistische vertegenwoordigers in het Pruisisch parlement maar nam het ook op voor de strijd van de arbeiders en boeren (bv. over het recht om hout te sprokkelen in de bossen van de koning). Al vlug moest hij echter ervaren dat de burgerij wel heel gemakkelijk radicale taal spreekt, maar dat ze bij de minste weerstand in haar schelp kruipt. Toen de Pruisische overheid in maart 1843 besliste om de Rheinische Zeitung te verbieden, gaven de “radicale” kapitalistische aandeelhouders direct toe.

In plaats van voor hun blad, dat onder de redactie van Marx een steeds grotere oplage kende, te vechten deden ze niets en lieten ze toe dat Marx gedwongen werd het land te verlaten en naar Parijs uit te wijken. De reden voor deze lafheid was duidelijk. De kapitalisten waren niet bereid tegen de feodale reactie te vechten omdat ze meer schrik hadden voor het proletariaat, zonder wie ze deze strijd niet konden winnen, dan van de feodale onderdrukking.

Parijs 

Ondertussen was Marx onder invloed van een andere Duitse filosoof gekomen: Ludwig Feuerbach. Deze was in tegenstelling tot Hegel geen idealist maar een materialist. Niet de manier van denken bepaalt de manier waarop de maatschappij gestructureerd is. Het zijn juist de materiële productievoorwaarden die de manier van denken bepalen.

In Parijs volgde Marx de activiteiten van de verschillende revolutionair democratische organisaties en vooral die van de Duitse arbeiders, de Bond Der Rechtvaardigen. In een brief aan Feuerbach schreef hij hierover: “…Broederlijkheid is voor deze mensen geen ijdel woord, maar een levenshouding. Men zou één van de bijeenkomsten moeten bijgewoond hebben om een voorstelling te hebben van de ongerepte spontaneïteit en waardigheid die bij deze afgetobde mensen tevoorschijn komt.” Marx begreep reeds heel vroeg de enorme mogelijkheden van de strijd en de politieke organisatie van de arbeiders.

In dezelfde periode begon Marx samen te werken met een andere jong Hegeliaan: Friedrich Engels, een samenwerking die voor de rest van hun leven zou duren. Hun eerste gezamenlijk werk was De Heilige Familie waarin ze zich volledig afkeerden van die jong Hegelianen zoals Bauer en Stirner die zich (net zoals de “marxistische” professoren en intellectuelen tegenwoordig) rustig bezighielden met filosoferen en het herbediscussiëren van hoe zij de wereld nu wel zouden inrichten, terwijl ze op de arbeidersklasse neerkeken als een inerte, onbeweeglijke massa die nooit in staat zou zijn de maatschappij te veranderen. Dit kon alleen maar gebeuren door hun “kritische geestelijke arbeid”. Marx en Engels daarentegen zagen de arbeiders als de klasse die “zichzelf en de rest van de mensheid kan en moet bevrijden” door de vernietiging van de kapitalistische uitbuiting en onderdrukking. Bovendien is de arbeidersklasse de enige die dit kan, juist door haar positie in de maatschappij: de arbeiders zijn de enigen die het productieapparaat kunnen lamleggen en het onder zelfbeheer overnemen en zelf leiden. Het was niet via schone ideeën dat men de maatschappij kan veranderen (idealisme) maar op basis van de materiële bestaansvoorwaarden (materialisme).

Onder invloed van Feuerbach waren Marx en Engels materialist geworden. Maar Feuerbach dacht niet in termen van verandering, niet dialectisch. Marx en Engels verwierpen het idealisme van Hegel en behielden zijn dialectiek, terwijl ze bij Feuerbach het materialisme behielden en zijn (metafysisch) onveranderlijk mensbeeld verwierpen. Over Feuerbach schreef Marx: “De filosofen hebben de wereld alleen maar verschillend geïnterpreteerd, het komt er echter op aan haar te veranderen.

Het dialectisch materialisme was geboren, niet als nieuwe filosofie, maar als methode voor het zoeken van de middelen om de wereld te veranderen.

Door het toepassen van het dialectisch materialisme op de geschiedenis kon nu een verklaring gegeven worden van de ontwikkeling van deze maatschappij van het oercommunisme naar de stammenmaatschappijen, dan naar de stadsstaat (Rome, Athene,…) en de slavernij en verder naar het feodalisme en tenslotte het kapitalisme. Deze veranderingen waren niet het gevolg van een andere manier van denken, maar van nieuwe, meer ontwikkelde manieren van produceren, waarmee steeds andere eigendomsverhoudingen overeenkwamen.

Marx schrijft hierover in zijn Bijdrage tot de Kritiek op de Politieke Economie in 1859: “De productiewijze van het materiële leven bepaalt het sociale, politieke en geestelijke levensproces in het algemeen. Het is niet het bewustzijn van de mensen dat hun zijn, maar omgekeerd hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt.

“Op een bepaalde trap van hun ontwikkeling komen de materiële productiekrachten van de maatschappij in tegenspraak met de voorhanden productieverhoudingen of, wat niets anders dan de juridische uitdrukking hiervoor is, met de eigendomsverhoudingen, waarbinnen zij zich tot dusverre hadden bewogen. Van vormen van ontwikkeling der productiekrachten veranderen deze verhoudingen in kluisters ervan. Er begint een tijdperk van sociale revoluties.

“Met de verandering van de economische grondslag ondergaat de gehele reusachtige bovenbouw een in mindere of meerdere mate snelle ingrijpende verandering”.

Deze visie op de maatschappij noemen we het historisch materialisme. Vanuit deze visie is het kapitalisme, net als de andere maatschappijvormen, een tijdelijke en geen eeuwigdurende periode van in de geschiedenis van de mensheid, alhoewel de kapitalisten alles doen wat in hun macht ligt om ons dat te doen geloven.

Marx en Engels toonden aan hoe het kapitalisme ontstaan was uit het feodalisme en zegden duidelijk dat dit een grote stap vooruit was voor de mensheid omdat daardoor de productiekrachten veel sneller konden groeien. Maar ook hier zouden op een zeker ogenblik de “materiële productiekrachten van de maatschappij in tegenspraak met voorhanden eigendomsverhoudingen komen” en zou zich “een tijdperk van sociale revoluties” voordoen.

Reeds van bij het prille begin van de kapitalistische ontwikkeling konden Marx en Engels de huidige situatie van de wereldcrisis voorzien. We zitten nu duidelijk weer in een situatie waarin de productiekrachten niet meer kunnen groeien omdat het privébezit van de productiemiddelen en de nationale staat een rem op de verdere ontwikkeling van de economie geworden zijn.

Marx en Engels waren geen kamerfilosofen. Zoals we al zegden wilden ze zich samen met de arbeiders actief inschakelen in de strijd voor de verandering van de wereld. Engels had in Manchester, waar hij in een fabriek van zijn vader werkte, de levensomstandigheden van de arbeidersklasse onder het kapitalisme leren kennen en had dit beschreven in zijn boek De toestand van de arbeidersklasse in Engeland.  Dit boek maakte een enorme indruk op Marx. In die periode hadden ook de arbeiders in Engeland zich al georganiseerd in de Chartisten, waren er arbeidersopstanden geweest in Lyon, enz.

Marx begreep dat door de ontwikkeling van het kapitalisme steeds meer boeren en kleine zelfstandigen in het kapitalistisch productieproces zouden opgenomen worden. Deze arbeiders moesten ten gevolge van de materiële levensomstandigheden onder het kapitalisme onvermijdelijk in conflict komen met hun meesters. Dit zou op plaatselijk vlak en spontaan gebeuren, maar met de groei van het kapitalisme zelf zou dit steeds meer bewust en georganiseerd, als klasse, gebeuren.

Marx en Engels waren niet bang van de klassenstrijd. Ze zagen niet neer op de arbeiders, maar zagen juist in het proletariaat de dragers van een nieuwe, betere maatschappij waarin de onderdrukking van de ene klasse door de andere niet meer zou bestaan. Ze wilden dan ook niets te maken hebben met al die soorten filantropen, weldoeners en sociale hervormers die wel het kapitalisme wilden behouden, maar hun geweten wilden sussen door de slechtste kanten van de kapitalistische uitbuiting een beetje te verzachten. Ze wilden ook een duidelijk onderscheid maken tussen zichzelf en de “utopische socialisten” die dachten dat ze de kapitalisten konden overtuigen om een beetje menselijker te zijn of dat ze via coöperatieven een ‘tegenmacht’ tegen het kapitalisme konden vormen.

De enige klasse in de maatschappij die een fundamentele verandering kan doorvoeren, is de arbeidersklasse. “Revolutie is de drijvende kracht van de geschiedenis”, schreven ze. Eenmaal de kapitalistenklasse omvergeworpen zouden de arbeiders de hefbomen van de economie controleren en de weg voorbereiden voor een klasseloze maatschappij waarin privébezit van de productiemiddelen niet meer zouden bestaan.

Op die manier was het socialisme niet langer meer een schone droom, maar een wetenschap, gebaseerd op een begrip en inzicht in de materiële ontwikkeling van de maatschappij.

Het Communistisch Manifest

In 1847 werden Marx en Engels uitgenodigd om zich bij de Bond Der Rechtvaardigen aan te sluiten. Ze werden er al heel vlug leiders van. Ze drongen erop aan dat de naam zou veranderd worden in de Communistische Liga om een duidelijk onderscheid te maken tussen zichzelf en alle andere groepen die zichzelf ‘socialistisch’ noemden. In 1847 kregen Marx en Engels de opdracht om een manifest te schrijven waarin de filosofie en de politiek van de Liga zou beschreven worden. In februari 1848 werd het Communistisch Manifest gepubliceerd.

Hierin wordt op een eenvoudige manier, zonder echter aan de fundamentele ideeën afbreuk te doen, beschreven hoe het kapitalisme ontstond en hoe het zich verder ontwikkelt. Daarnaast wordt de rol en de positie van de arbeidersklasse in de kapitalistische productie beschreven, maar ook de rol van het proletariaat als enige kracht in deze maatschappij die een nieuwe maatschappij kan tot stand brengen. “De burgerij heeft niet alleen de wapens gesmeed die haar eigen ondergang zullen betekenen, ze heeft ook de mensen voortgebracht die deze wapens zullen hanteren, de proletariërs”.

Dit Communistisch Manifest is niet alleen een geschiedenisboekje, het geeft een duidelijk programma en perspectief aan de arbeiders. Het is een polemiek tegen de utopisten en filantropen die zichzelf socialist noemen, maar ook een oproep tot actie die eindigt met de woorden: “De proletariërs hebben daarbij niets te verliezen dan hun ketenen. Ze hebben een wereld te winnen. Arbeiders aller landen verenigt u.”

Een spook waart door Europa

Het Communistisch Manifest begint met de woorden: “Een spook waart door Europa, het spook van het communisme.”

Deze profetische woorden werden een paar dagen na de publicatie reeds werkelijkheid. Op 22 februari werd koning Louis Philippe in Frankrijk van de troon gestoten. Een paar weken later braken revoluties uit in Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, Centraal Europa, Italië en Polen. Marx en Engels speelden een niet geringe rol in de revolutie van Duitsland van 1848- ’49.

Nu, 135 jaar sinds de eerste editie van het Manifest, doemt dit spook sterker dan ooit weer op, niet alleen in Europa maar in gans de wereld. Zowel het kapitalistische westen, de stalinistische staten en de derde wereld komen in een steeds diepere crisis en kennen een heropflakkerende klassenstrijd. Alleen een socialistische omvorming van de maatschappij kan nog toekomst bieden. Het alternatief onder het kapitalisme is een volledige vernietiging van de mensheid in een kernoorlog.

Op dit ogenblik is het marxisme nog steeds een minderheidsstroming in de maatschappij. Het feit dat geen enkele krant of tijdschrift voorbij kon gaan aan de honderdste verjaardag van het overlijden van Marx is op zichzelf wel een bewijs van de enorme kracht die het marxisme uitoefent. Zelfs de kapitalisten gebruiken het marxisme als basis van hun analyse, zij het dan om hun eigen belangen beter te kunnen verdedigen. Van bij het begin heeft de burgerij echter altijd getracht het marxisme te discrediteren in de ogen van de arbeiders. Geleerde professoren worden reeds meer dan 100 jaar lang betaald om het marxisme in een slecht daglicht te stellen. Maar zoals Marx aantoonde: “Het maatschappelijk zijn, en niet de schone ideeën van de geleerde profesoren, bepaalt het bewustzijn.”

De ideeën van Marx zijn altijd een inspiratiebron voor de arbeidersstrijd geweest, het beste voorbeeld hiervan is wel de Oktoberrevolutie in Rusland 1917. Dezelfde revolutionaire omstandigheden zijn zich nu overal in de wereld aan het ontwikkelen. Het marxisme zal door de arbeiders weer ontdekt worden als het enige wetenschappelijk gefundeerde programma dat een leidraad kan zijn voor de klassenstrijd. 100 jaar na de dood van Marx is het marxisme nog steeds de enige filosofie die een juiste verklaring kan geven van wat in de huidige maatschappij gebeurt en die aan de arbeiders het wapen kan bieden in de strijd voor een hogere levensstandaard, een beter leven en een wereld zonder uitbuiting: de strijd voor een socialistische wereldfederatie.

Print Friendly, PDF & Email