15 januari 1919. De moord op Rosa Luxemburg

Op 15 januari 1919 werden Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, de moedige voortrekkers van de Duitse arbeidersklasse, vermoord door het bloeddorstige verslagen Duitse leger. Dat werd gedekt door de laffe sociaaldemocratische leiders Noske en Scheidemann. Bij deze verjaardag kijken we terug op de inspirerende revolutionaire erfenis van Rosa Luxemburg.Een dossier door PETER TAAFFE (geschreven in 2009).

De moord werd uitgevoerd door de soldaat Otto Runge. Het uitschakelen van Luxemburg en Liebknecht was van belang in het neerslaan van de Duitse revolutie en het is dan ook onlosmakelijk verbonden met de overwinning van Hitler en de nazi’s 14 jaar later. Wilhem Canaris, de zeemachtofficier die betrokken was bij de ontsnapping van een van de moordenaars van Rosa Luxemburg, zou 20 jaar later de Abwehr leiden, de militaire geheime dienst onder de nazi’s. Andere voortrekkers van het naziregime hadden een gelijkaardig bloedig verleden opgebouwd in zowel het eigen land als de rest van Europa. Van Faupel, de officier die de afgevaardigden van de nieuw opgezette arbeiders- en soldatenraden verried, zou 20 jaar later terug opduiken als ambassadeur van Hitler in het Spanje onder Franco. Achter de bekendere generaals stond een generatie klaar met figuren als majoor Kurt von Schleicher die in 1932 kanselier werd en de deur voor Hitler open zette. Als de Duitse revolutie had overwonnen, dan zouden we deze figuren of de horror van het fascisme wellicht niet gekend hebben. Rosa Luxemburg was een centrale leider en theoretica van het marxisme. Ze zou een cruciale en wellicht beslissende rol hebben kunnen spelen in de gebeurtenissen tot 1923 en de overwinning van de revolutie. Maar ze werd brutaal vermoord.

Karl Liebknecht wordt terecht met Luxemburg voorgesteld als een centrale en heldhaftige voortrekker van de arbeidersbeweging. Hij viel op door zijn verzet tegen de Duitse oorlogsmachine en was een symbool voor de troepen in de met bloed doordrongen loopgraven. Zowel onder Duitse als Franse en andere soldaten werd hij gezien als een onvermoeibare internationalist die zich tegen de Eerste Wereldoorlog bleef verzetten. Zijn beroemde slogan – ‘de belangrijkste vijand bevindt zich in eigen land’ – vatte de sfeer samen, zeker toen het aantal doden in de oorlog begon op te lopen.

Op deze verjaardag willen we echter bijzonder aandacht schenken aan Rosa Luxemburg omwille van de belangrijke bijdrage die ze leverde aan het begrip van marxistische ideeën, theorie en hun toepassing in de bewegingen van de arbeidersklasse. Velen hebben Luxemburg aangevallen over haar ‘verkeerde methoden’, zeker het vermeende gebrek aan begrip van de nood aan een ‘revolutionaire partij’ en organisatie worden haar aangewreven. Dat gebeurde onder meer door Stalin en andere stalinisten. Anderen beweren zich op Luxemburg te baseren omdat ze nadruk legde op de ‘spontane rol van de arbeidersklasse’, wat aansluiting lijkt te vinden bij een anti-partijgevoelen dat zeker onder de jongere generatie aanwezig is en een resultaat is van de afkeer van de bureaucratische erfenis van het stalinisme en de echos van die erfenis in de voormalige sociaaldemocratie. Een analyse van de ideeën van Rosa Luxemburg moet echter rekening houden met meerdere kanten, we moeten vertrekken van de historische situatie waarin haar ideeën ontwikkelden en rijpten. Dan blijkt al gauw dat beide hierboven vermelde kampen het verkeerd voor hebben.

Natuurlijk maakte Rosa Luxemburg fouten, wie maakt er immers geen fouten? Maar wat ze bijna 100 jaar geleden schreef, blijft vandaag fris en relevant – zeker als we het contrasteren met de vastgeroeste ideëen van de leiding van de ‘moderne’ arbeidersbeweging. De ideeën van Luxemburg zijn zeker interessant op een ogenblik dat een nieuwe generatie in de richting van socialistische en marxistische ideeën gaat. Zo is de brochure ‘Hervorming of revolutie’ niet gewoon een uitleg van de algemene ideeën van het marxisme tegenover die van de reformisten die uitgingen van een stapsgewijze verandering in de richting van socialisme. De brochure werd geschreven in verzet tegen de belangrijkste theoreticus van het ‘revisionisme’, Edward Bernstein. Zoals veel vakbondsleiders vandaag stond Bernstein – die oorspronkelijk een marxist was en een vriend van Friedrich Engels – onder druk van de economische groei van de late jaren 1890 en het eerste deel van de 20ste eeuw. Onder deze druk probeerde hij de ideeën van het marxisme te ‘herzien’, wat eigenlijk betekende dat ze aan de kant werden geschoven. Zijn bekende uitspraak: ‘De beweging is alles, het doel niets’, is een uitdrukking van de poging om de Duitse sociaaldemocratische partij SPD te verzoenen met het toen nog groeiende kapitalisme.

Rosa Luxemburg verzette zich net als Lenin en Trotski niet alleen tegen de ideeën van Bernstein, maar ze bracht een sterke analyse die ons begrip van het toenmalige kapitalisme, en tot op zekere hoogte van het huidige kapitalisme, versterkt net als de verhouding tussen hervormingen en revolutie (vanuit marxistisch oogpunt worden die niet zomaar tegenover elkaar geplaatst) en ook andere elementen. Ze schreef: “Het foutieve karakter van de theorie van Bernstein wordt nog het beste aangetoond door het feit dat de laatste crisis (1907-1908) het hardste toesloeg in die landen landen die de grootste ontwikkeling van de befaamde ‘aanpassingsmiddelen’ – krediet, perfecte communicatie en trusts – kenden.” Het doet denken aan de huidige wereldwijde economische crisis die hard toeslaat in economiën als de Amerikaanse.

Sociaaldemocratie steunt de oorlog

Luxemburg was bovendien een van de weinigen die de ideologische aftakeling van de Duitse sociaaldemocratie voor de Eerste Wereldoorlog erkende. Deze aftakeling kende een hoogtepunt in de rampzalige stemming waarbij de SPD-afgevaardigden in de Reichstag (parlement) – met uitzondering van Karl Liebknecht – voor de oorlogskredieten voor het Duitse imperialisme stemden. De SPD-leiders waren net als de vakbondsleiders gewoon geraakt om compromissen te sluiten en te onderhandelen binnen het kader van het kapitalisme. Het betekende dat de vooruitzichten voor socialisme, en zeker voor socialisitsche revolutie, niet bepaald vooraan stonden in het bewustzijn van deze leiders.

Dit werd versterkt door de groei van het gewicht van de SPD in de Duitse samenleving. Het vormde bijna een ‘staat binnen de staat’ met meer dan een miljoen leden in 1914, 90 dagbladen, 267 voltijdse journalisten en 3.000 voltijdse handarbeiders en bedienden, managers, directeurs en vertegenwoodigers. Bovendien waren er 110 verkozenen in de Reichstag en 220 verkozenen in de verschillende deelstaatparlementen. Er waren bijna 3.000 verkozen gemeenteraadsleden. Behalve in 1907 leek de SPD bij iedere verkiezing terrein te winnen. Er waren minstens 15.000 voltijdse organisatoren in de vakbonden die tot de SPD behoorden. In de woorden van Ruth Fischer, die nadien een leider van de Communistische Partij zou worden, was het “een levenswijze. De individuele arbeider leefde in zijn partij, de partij drong door tot de dagelijkse gewoonten van de arbeider. Zijn ideeën, reacties, attitudes, werden gevormd door de integratie van het persoonlijke en het collectieve.” Dit vormde zowel een sterkte als een zwakte. Het was een sterkte omdat de groeiende kracht van de arbeidersklasse tot uiting kwam in de SPD en in de vakbonden. Maar het ging samen met een verstikking van deze kracht, een onderschatting door de SPD-leiders en een groeiende vijandigheid tegenover de revolutionaire mogelijkheden die onvermijdelijk tot debat en een breuk zou leiden.

Rosa Luxemburg botste steeds meer met de SPD-machine. Ze zag het contrast tussen het afstompende en conservatieve effect van die SPD-machine aan de ene kant en de sociale explosies in de eerste Russische revolutie van 1905-07. Als internationalist was Luxemburg actief in de revolutionaire beweging in verschillende landen. Ze was van Poolse afkomst en mede-oprichter van de sociaaldemocratische partij van Polen, de SDKP. In de Russische beweging nam ze deel aan de activiteiten van de Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij RSDLP. Als genaturaliseerde Duitse was ze een prominent lid van de SPD. Ze zag de energie van onderuit in Rusland en contrasteerde het met de toenemende bureaucratische machine van de partij en de vakbonden in Duitsland. Ze zag dat dit voor de arbeidersklasse een enorm obstakel kon vormen bij revolutionaire uitbarstingen.

Op dat vlak was ze scherper dan zelfs Lenin, die uiteraard vooral met Russische zaken bezig was en de SPD zag als een ‘model’ voor alle partijen van de Tweede Internationale met leiders als Kautsky als leraars. Trotski merkte op: “Lenin beschouwde Kautsky als zijn leermeester en benadrukte dit waar hij het kon. In Lenin’s werken uit die periode en gedurende enkele jaren erna, vind je geen spoor van kritiek op de tendens van Bebel en Kautsky.” Lenin dacht effectief dat de toenemende kritiek van Luxemburg op Kautsky en de SPD-leiding wat overdreven was. In zijn bekende werk ‘Tweeërlei tactiek’ uit 1905 schreef Lenin: “Waar en wanneer heb ik het ‘revolutionarisme van Bebel en Kautsky’ als opportunisme gekenschetst? (…) Waar en wanneer zijn tussen mij enerzijds en Bebel en Kautsky anderzijds meningsverschillen aan de dag getreden? (…)De volledige solidariteit van de internationale revolutionaire sociaaldemocratie in alle belangrijke vraagstukken van het program en van de tactiek is een absoluut onbetwistbaar feit.”

Lenin erkende dat er opportunistische tendensen zouden zijn binnen de massapartijen van de arbeidersklasse, maar hij vergeleek de Russische mensjewieken niet met Kautsky maar wel met het rechtse revisionisme van Bernstein. Dat bleef zo tot de beruchte steun van de Duitse sociaaldemocraten aan de oorlogskredieten tijdens de stemming van 4 augustus 1914. Van de 110 SPD verkozenen was aanvankelijk enkel Karl Liebknecht en nadien ook Otto Rühle tegen de steun aan de oorlog gekant. Toen Lenin een kopie van het SPD-blad Vorwärts in handen kreeg waarin de steun aan de oorlogskredieten werd verdedigd, dacht hij dat het om een ‘vervalsing’ door het Duitse leger ging. Rosa Luxemburg was niet zo onvoorbereid, ze was al langer bezig met een strijd tegen niet alleen de rechtse SPD-leiders maar ook de ‘linkse’ en ‘centristische’ elementen zoals Kautsky.

In zijn boek ‘Resultaten en Vooruitzichten’ (1906), waarin de theorie van de permanente revolutie voor het eerst werd uitgewerkt, schreef Trotski: “De Europese socialistische partijen, met name de grootste van hen, de Duitse sociaaldemocratische partij, hebben een behoudendheid ontwikkeld in dezelfde mate dat de massa’s het socialisme hebben omhelsd en hoe meer die massa’s georganiseerd en gedisciplineerd zijn geworden. Als gevolg daarvan kan de sociaaldemocratie als een organisatie, die de politieke ervaring van de arbeidersklasse belichaamt, op een gegeven moment een directe hindernis worden voor het open conflict tussen de arbeiders en de kapitalistische reactie.” In zijn autobiografie ‘Mijn Leven’ zou Trotski later schrijven: “Ik had niet verwacht, dat de officiële leiders van de Internationale in geval van oorlog bekwaam zouden blijken tot het nemen van revolutionaire initiatieven. Maar toch geloofde ik evenmin dat de sociaaldemocratie eenvoudig in het stof zou kruipen voor het nationale militarisme.”

Spontane massa-actie

Het waren deze factoren, de enorme kracht van de sociaaldemocratie enerzijds en de inertie van de bureaucratische top anderzijds, die leidden tot een van de bekendste werken van Luxemburg: ‘De massastaking’ (1906). Het boek bracht een samenvatting van de eerste Russische revolutie waar Luxemburg zowel politieke als organisatorische conclusies uit trok. Het is een erg interessante analyse over de rol van de massa’s als de drijvende kracht, van hun ‘spontane’ karakter in het proces van revolutie. Ze benadrukte de onafhankelijke beweging en wil van de arbeidersklasse tegen de “lijn en de marsrichting van de officiële leiders” in. Dat was ongetwijfeld correct vanuit een breed historisch standpunt.

Veel revoluties vonden plaats tegen de oppositie en zelfs de sabotage van de leiders van de eigen arbeidersorganisaties in. Dit zagen we onder meer bij de revolutionaire gebeurtenissen van 1936 in Spanje. Waar de arbeiders van Madrid aanvankelijk betoogden om wapens te eisen en de socialistische leiders deze weigerden te voorzien, kwamen de arbeiders van Barcelona ‘spontaan’ in opstand en maakten ze de troepen van Franco binnen 48 uur met de grond gelijk. Het leidde tot een sociale revolutie die doorheen Catalonië en Aragon trok tot aan de grenzen van Madrid. Bijna vier vijfden van Spanje was even in handen van de arbeidersklasse. In Chili in 1973 volgde de arbeidersklasse de leiding en bleef ze toekijken vanuit de fabrieken toen Pinochet zijn staatsgreep aankondigde. Het zorgde ervoor dat de meest militante arbeiders werden opgepakt en afgeslacht.

We zagen ook spontane revolutionaire uitbarstingen in Frankrijk in 1968 toen 10 miljoen arbeiders een maand lang de fabrieken bezet hielden. De leiders van de Franse Communistische Partij en de ‘Socialistische’ Federatie probeerden geen overwinning te behalen door een revolutionair programma van arbeidersraden en een regering van arbeiders en boeren, ze deden er integendeel alles aan om deze schitterende beweging op een zijspoor te zetten. In Portugal in 1974 zette een revolutie niet alleen de dictatuur van Caetano aan de kant, maar was er aanvankelijk een absolute meerderheid voor socialisten en communisten. In 1975 werd beslist om het grootste deel van de industrie te nationaliseren. De krant ‘The Times’ verklaarde vanuit Londen: ‘Het kapitalisme is dood in Portugal’. Dit bleek jammer genoeg niet het geval te zijn en wel omdat de initiatieven van onderuit door de arbeidersklasse en de kansen die dit met zich meebracht niet werden gegrepen. Er was geen coherente en voldoende invloedrijke massapartij en leiding die in staat was om alle mogelijkheden te bundelen om te gaan voor de vestiging van een democratische arbeidersstaat. Deze voorbeelden tonen aan dat de spontane beweging van de arbeidersklasse op zich niet volstaat om een overwinning te bekomen in de strijd tegen het kapitalisme.

Het ‘spontane’ karakter van de Duitse revolutie was evident in november 1918. De spontane opstand van de massa’s ging bovendien regelrecht in tegen wat de sociaaldemocratische leiders wilden. Kort voordien werd de Onafhankelijke Sociaaldemocratische Partij (USPD) opgezet, een afsplitsing van de SPD in 1917. Dit was niet het resultaat van een bewuste politiek van de leiders – waaronder Kautsky en Rudolf Hilferding maar ook de revisionist Bernstein. De partij ontwikkelde omwille van de verontwaardiging en de revolte van de arbeidersklasse tegen de compleet gesloten houding van de SPD-leiding tegen alle verzet tegen het oorlogsbeleid van de partij. De splitsing was niet voorbereid of zelfs gewenst door de ‘oppositionelen’. Maar ze namen wel 120.000 leden en een reeks kranten met zich mee.

De algemene staking

Samen de nadruk op ‘spontaneïteit’ beklemtoonde Rosa Luxemburg ook het belang van de algemene staking. Ze baseerde zich op de massale stakingen tijdens de Russische revolutie, maar nam toch een zekere passieve en fatalistische benadering in. Tot op zekere hoogte beïnvloedde dit de latere leiders van de Communistische Partij (KPD) na haar dood. Rosa Luxemburg stelde terecht dat een revolutie niet kunstmatig tot stand kan komen buiten het rijpen van de objectieve omstandigheden die de mogelijkheid van revolutie toelaten.

Maar de rol van wat marxisten omschrijven als de ‘subjectieve factor’, een massapartij met een vooruitziende leiding, is cruciaal om van een revolutionaire situatie tot een geslaagde revolutie te komen. Timing is eveneens erg belangrijk, de kansen voor een succesvolle sociale overgang kunnen erg kortstondig van duur zijn. Als een kans verloren gaat, kan het voor een langere tijd zijn en kan de arbeidersklasse een nederlaag ondergaan. Op een cruciaal ogenblik met een correcte leiding is het mogelijk dat de arbeidersklasse de macht neemt. Dat was de rol van de Bolsjewieken in de Russische revolutie van 1917.

Het tegenovergestelde zagen we in 1923 in Duitsland. De kans om het voorbeeld van de Bolsjewieken te volgen, ging verloren omwille van de aarzeling van de KDP-leiders die in hun verkeerde houding onder meer door Stalin werden gesteund. Het had deels te maken met de historische ervaringen met onder meer ‘gedeeltelijke algemene stakingsacties’ die kenmerkend waren voor arbeidersstrijd in de decennia voor de Eerste Wereldoorlog. In die periode waren er ogenblikken dat regeringen bijzonder bang waren van algemene stakingen en om confrontaties te vermijden toegevingen deden. Dat was het geval na de Belgische algemene staking van 1893 waarin 300.000 arbeiders deelnamen, waaronder ook linkse katholieke groepen. In Rusland was er in oktober 1905 een algemene staking op een grotere schaal. Onder druk van die staking deed het tsaristische regime in 1905 grondwettelijke ‘toegevingen’.

De situatie na de Eerste Wereldoorlog – een periode van revolutie en contrarevolutie – was anders. De algemene staking stelde op een scherpere manier de kwestie van de macht. De kwestie van de algemene staking is van groot belang voor marxisten. Niet dat het een fetisj is voor ons. In sommige gevallen is het zelfs een wapen dat niet aan de situatie is aangepast. Dat was bijvoorbeeld het geval ten tijde van de opmars van Kornilov tegen Petrograd in augustus 1917. Toen dachten de bolsjewieken of de sovjets (arbeidersraden) er niet aan om een algemene staking uit te roepen. De spoorarbeiders bleven integendeel werken zodat de tegenstanders van Kornilov mobiel waren en zijn troepen konden ondermijnen. De arbeiders in de fabrieken bleven eveneens aan de slag, behalve diegene die rechtstreeks de strijd met Kornilov gingen voeren. Ten tijde van de oktoberrevolutie in 1917 was er evenmin sprake van een algemene staking. De Bolsjewieken beschikten over een massale steun en onder die omstandigheden zou een algemene staking hen verzwakt hebben en niet de kapitalistische tegenstanders. De arbeiders en bedienden hielpen de opstand tegen het kapitalisme vooruit door een democratische arbeidersstaat te vestigen.

Vandaag is de kwestie van een alternatieve arbeidersregering doorgaans impliciet aanwezig bij algemene stakingen. Bij de Britse algemene staking van 1926 stelde de kwestie van de macht zich, er was gedurende negen dagen een situatie van ‘dubbele macht’. In Frankrijk in 1968 was dit in Frankrijk eveneens het geval, maar omwille van de redenen die we hiervoor al aanhaalden, werd deze kans niet gegrepen.

In de Duitse revolutie van 1918-1924 waren er verschillende algemene stakingen en gedeeltelijke pogingen in die richting. De Kapp-putsch in maart 1920, toen Kapp als vertegenwoordigers van de Junkers en hooggeplaatste ambtenaren met de steun van de generaals de macht greep, leidde tot de meest volledige algemene staking in de geschiedenis. Zoals in Frankrijk in 1968 kon de regering geen enkele affiche meer gedrukt krijgen. De arbeidersklasse legden de regering en de staat volledig plat. De putsch duurde hierdoor amper 100 uur. Maar zelfs bij deze overweldigende demonstratie van de macht van de arbeidersklasse, kwam het niet tot een socialistische omverwerping. Dat kwam net omwille van de afwezigheid van een massale arbeiderspartij en een leiding die in staat was om de massa’s te mobiliseren en een alternatief in de vorm van een democratische arbeidersstaat te vestigen. De opvolgers van Luxemburg in de nieuwe Communistische Partij maakten overigens ultralinkse fouten door aanvankelijk geen steun te geven aan de massale acties tegen Kapp.

De rol van de revolutionaire partij

De kwestie van leiding en de noodzaak van een partij nemen een centrale plaats in als we het leven en werk van Rosa Luxemburg bekijken. Het zou eenzijdig zijn om haar, zoals enkele critici van zowel Luxemburg als Trotski dat doen, te verwijten dat ze het belang van een revolutionaire partij zou ‘onderschat’ hebben. Haar volledige activiteit in de SPD was gericht op het redden van de revolutionaire kern binnen deze organisatie en de strijd tegen reformisme en centrisme. Ze bouwde zelf samen met Leo Jogiches in Polen aan een erg ‘rigide onafhankelijke organisatie’ in de vorm van een partij. Maar haar afkeer tegenover het verlammende effect van de SPD en het ‘centralisme’ van die partij zorgde ervoor dat ze de balans soms te sterk naar de andere kant liet overhellen. Zo stond ze erg kritisch tegenover de poging van Lenin om in Rusland een ‘gecentraliseerde’ partij op te zetten.

Bij de splitsing tussen Bolsjewieken en Mensjewieken was Luxemburg een ‘verzoener’ in haar benadering. Ook Trotski stond op dat standpunt. Luxemburg wilde de eenheid van Bolsjewieken en Mensjewieken in Rusland bekomen. Toen de Bolsjewieken tegen 1912 vier vijfden van de georganiseerde arbeiders achter hen schaarden, kwam het tot een formele splitsing met de Mensjewieken. Lenin begreep vroeger dan anderen dat de Mensjewieken niet bereid waren om de strijd tot buiten het kader van het Russische kapitalisme en grootgrondbezit te voeren. De benadering van Lenin werd bevestigd door de Russische revolutie toen de Mensjewieken aan de andere kant van de barricaden stonden. Na de Russische revolutie van 1917 stond Rosa Luxemburg erg dicht bij het Bolsjewisme en werd ze, net als Trotski, deel van de internationale organisatie ervan.

Het voornaamste verwijt dat tegen Luxemburg kan ingebracht worden, is dat ze onvoldoende bouwde aan een afgelijnde tendens die inging tegen zowel de rechterzijde van de SPD als de centristen rond Kautsky. Er waren sommige kritieken die zowel toen als nadien gemaakt werden die ervan uitgaan dat Luxemburg en haar aanhangers beter onmiddellijk met de SPD-leiders hadden gebroken, zeker na hun verraad bij de aanvang van de Eerste Wereldoorlog. Zodra Lenin overtuigd was van het verraad van de sociaaldemocratie – met inbegrip van de ‘renegaat Kautsky’ – riep hij op tot een onmiddellijke splitsing en hij combineerde dat met de oproep voor een nieuwe, Derde, Internationale. Er was een politieke ‘splitsing’ nodig tegen zowel de rechtse als de ‘linkse’ SPD. Rosa Luxemburg deed dit, ze bestempelde de sociaaldemocratie als een “rottend lijk”.

Maar de organisatorische conclusies hieruit waren eerder van tactisch dan van principieel karakter. Het is natuurlijk gemakkelijk om achteraf te kijken hoe reële historische problemen konden aangepakt worden. Rosa Luxemburg had te maken met een objectieve situatie die erg verschillend was van wat de Bolsjewieken in Rusland kenden. De Bolsjewieken hadden het grootste deel van hun geschiedenis ondergronds gewerkt met een relatief kleine organisatie van kaders. Daarom was er een sterke graad van ‘centralisatie’ nodig, ook al betekende dit niet dat de sterke democratische procedures aan de kant werden geschoven. Er was ook de tumultueuze geschiedenis van de arbeidersbeweging en de marxistische beweging in Rusland, met onder meer de strijd tegen de Narodya Volya (Volkswil), de ideeën van het terrorisme, de revoluties van 1905 en 1917, de splitsing tussen Mensjewieken en Bolsjewieken, de Eerste Wereldoorlog,… Rosa Luxemburg werkte in een totaal andere situatie. Ze werkte vanuit een minderheid die wat geïsoleerd stond in een ‘legale’ massapartij met alle beperkingen die we hierboven al aanhaalden.

Luxemburg was dan wel een genaturaliseerde Duitse burger, maar ze werd nog steeds als ‘buitenstaander’ gezien, zeker toen ze in conflict kwam met de SPD-leiding. Maar desondanks valt vooral de moed en vastberadenheid van Luxemburg op doorheen haar toespraken en kritiek op de partijleiding doorheen de jaren. Ze bracht kritiek op de “benevelende mist van het parlementair cretinisme”, dat vandaag eerder ‘electoralisme’ zou genoemd worden. Ze haalde ook uit naar August Bebel, de ‘centristische’ partijleider die volgens Luxemburg steeds meer alleen met zijn rechteroor luisterde. Op een bepaald ogenblik was ze samen met Clara Zetkin in een discussie met Bebel verwikkeld en zei ze hem: “Ja, je kan ons grafschrift schrijven: ‘Hier liggen de twee laatste mannen van de Duitse sociaaldemocratie’.” Ze hekelde de positieve opstelling van de SPD tegenover figuren uit de middenklasse met een uitspraak die ook nuttig is voor diegenen die vandaag deelname aan coalities door consequent links verdedigen. Ze stelde dat het nodig was om “tegen progressieven en mogelijk zelfs liberalen op te treden in plaats van met hen op te treden.”

Een belangrijk element van het marxisme, de uitbouw van politieke invloed doorheen een standvastige organisatie of partij, werd onvoldoende ontwikkeld door Rosa Luxemburg en haar aanhangers. Dat moet niet altijd de vorm van een afzonderlijke ‘partij’ aannemen. Maar een sterk georganiseerde kern is noodzakelijk om de toekomst voor te bereiden. Luxemburg deed dit niet, wat later verregaande gevolgen zou hebben tijdens de Duitse revolutie. Luxemburg en Leo Jogiches waren terecht tegen ‘voortijdige splitsingen’. Ze schreef dat het altijd mogelijk is om uit een kleine sectaire groep te vertrekken en een nieuwe sectaire groep te vormen, maar het is onverantwoordelijke dagdromerij te denken dat de volledige massa van de arbeidersklasse kan bevrijd worden van het gevaarlijke juk van de burgerij door gewoon weg te lopen.

Werken in massa-organisaties

Een dergelijke benadering is volkomen gerechtvaardigd als marxisten een lange termijn strategie voeren binnen massapartijen. Dat was de benadering van Militant, nu de Socialist Party, toen het binnen de Britse Labour Party werkte inde jaren 1980. Militant vestigde toen wellicht een van de sterkste posities van trotskisten in West-Europa sinds de ontwikkeling van de internationale linkse oppositie.

Maar zo’n benadering die gerechtvaardigd is in een bepaalde historische periode kan een grote fout zijn in een andere periode, als de omstandigheden veranderd zijn en zeker als er zich abrupte revolutionaire breuken voordoen. Rosa Luxemburg en Leo Jogiches probeerden terecht om zolang mogelijk binnen de sociaaldemocratie te werken en nadien binnen de USPD. Lenin was na de Russische revolutie soms wat ongeduldig toen hij overal massale communistische partijen wilde opzetten en splitsingen van de sociaaldemocratie voorstelde. Zo stelde hij een snelle afsplitsing van de communisten van de Franse Socialistische Partij voor in 1920. Hij kwam daarop terug toen Alfred Rosmer, die toen in Moskou was, suggereerde dat de marxisten beter wat meer tijd zouden nemen om een meerderheid van de partij naar de Derde Internationale te brengen.

Lenin stelde een splitsing van de Tweede Internationale en de vorming van een Derde Internationale voor na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914. Maar dat betekende niet dat hij zijn standpunt niet bijstuurde. Zo schreef hij over de kwestie van de Derde Internationale: “De onmiddellijke toekomst zal uitwijzen of de voorwaarden al gerijpt zijn voor de vorming van een nieuwe, Marxistische Internationale (…) Als dat niet geval is, zal er een langere ontwikkeling nodig zijn om hiertoe te komen. In dat geval zal onze partij de radicale oppositie binnen de oude Internationale vormen – tot een basis is gevormd in verschillende landen om een internationale vereniging van de werkende bevolking te vormen op basis van het revolutionaire marxisme.” Toen de poorten van de revolutie wij open gingen in februari 1917 in Rusland en de massa’s op het politieke toneel verschenen, beschikten de Bolsjewieken ondanks hun voorgeschiedenis slechts de steun van ongeveer 1% in de sovjets. Tegen april was dat opgelopen tot amper 4%.

De echte zwakte van Luxemburg en Jogiches was niet dat ze weigerden om politiek te breken in de voorgaande periode, maar wel dat ze geen omlijnde tendens in de sociaaldemocratie organiseerden om voorbereid te zijn op de revolutionaire uitbarstingen waarop Rosa Luxemburg zich jarenlang had gericht. Dezelfde beschuldiging kan overigens ook vandaag geuit worden tegenover sommigen ter linkerzijde, zelfs krachten die zich op het marxisme beroepen, die binnen bredere formaties werken en soms ook binnen nieuwe linkse partijen. Ze waren doorgaans politiek gezien niet te onderscheiden van de reformistische of centristische leiders. Dat was het geval in Italië in de PRC toen de aanhangers van wat nu Sinistra Critica is (deel van het Verenigd Secretariaat van de Vierde Internationale) steun gaven aan de ‘meerderheid’ van Bertinotti tot ze aan de deur werden gezet en de partij verlieten. De Duitse zusterorganisatie van de Britse SWP, het tot Marx21 omgevormde Linksruck, volgt een gelijkaardige koers binnen Die Linke.

Politiek trad Luxemburg zeker niet op deze manier op, maar ze trok niet alle nodige organisatorische conclusies die Lenin wel trok bij het voorbereiden van een gestaald kader waarop een toekomstige massa-organisatie zich kon baseren. Het was dit element dat Lenin bekritiseerde in zijn opmerkingen over het ‘Junius pamflet’ van Rosa Luxemburg uit 1915. Lenin vond dat het een ‘uitstekend marxistisch werk’ was, maar hij stelde wel dat het verzet tegen de imperialistische Eerste Wereldoorlog niet mocht verward worden met legitieme oorlogen van nationale bevrijding. Lenin prees de brochure aan, maar merkte wel op dat het deed denken aan “een eenzame man [Lenin wist niet dat Rosa de auteur van de brochure was…] zonder kameraden in een illegale organisatie die gewoon zijn om revolutionaire slogans uit te werken tot in de conclusies ervan en die gewoon zijn om de massa’s steeds in die zin op te voeden.”

Dit is een van de verschilpunten tussen Lenin en Rosa Luxemburg. Lenin probeerde stelselmatig om de beste arbeiders in Rusland op te leiden en te organiseren in een vastberaden verzet tegen het kapitalisme en de schaduwen van het kapitalisme in de arbeidersbeweging. Dat leidde noodzakelijkerwijze tot het organiseren van een groep, een ‘fractie’, die goed georganiseerd was op basis van stevige politieke principes. Lenin organiseerde met het oog op toekomstige strijdbewegingen, waaronder de revolutie.

Rosa Luxemburg was een belangrijke figuur tijdens alle congressen van de Tweede Internationale en was doorgaans stemgerechtigd voor de Poolse Sociaaldemocratische partij. Ze was ook lid van het Internationaal Bureau. Maar zoals Pierre Broué opmerkte: “Ze was nooit in staat om binnen de SPD een permanent platform op te zetten op basis van steun rond een krant, een magazine of een stabiel publiek dat breder was dan een handvol vrienden en aanhangers rond haar.”

De groeiende oppositie tegen de oorlog deed de kring van steun voor Luxemburg en de Spartakistengroep uitbreiden. Trotski vatte het dilemma voor Luxemburg samen: “In haar historisch-filosofische evaluatie van de arbeidersbeweging schoot Rosa inzake de voorbereidende selectie van de voorhoede, in vergelijking met de massale acties die te verwachten waren, tekort, terwijl Lenin – zonder zich te troosten met de mirakels van de toekomstige acties – de beste arbeiders in handen nam en constant probeerde om hen te verzamelen in illegale of legale kernen, in de massa-organisaties of in de ondergrondse, als methode om tot een scherp uitgelijnd programma te komen.” Luxemburg begon pas na de revolutie van november 1918 aan het harde werk van het bijeenbrengen van zo’n kader.

Een programma voor arbeidersdemocratie

Luxemburg was bovendien erg duidelijk over de ideologische taken: “De keuze vandaag is niet een tussen democratie en dictatuur. De kwestie die de geschiedenis op de agenda heeft geplaatst is de keuze tussen burgerlijke democratie of socialistische democratie, want de dictatuur van het proletariaat is democratie in een socialistische betekenis van de term. De dictatuur van het proletariaat heeft niets gemeen met de bommen, staatsgrepen, rellen of de ‘anarchie’ die de agenten van het kapitalisme eraan toeschrijven.” Dat is een antwoord op al wie de ideeën van Marx probeert te verdraaien toen hij het had over de ‘dictatuur van het proletariaat’. Zoals Luxemburg opmerkt betekent dat in hedendaagse taal niets anders dan arbeidersdemocratie. Omwille van de connotatie met het stalinisme hanteren marxisten vandaag in hun benadering naar de beste arbeiders geen termen die een verkeerd idee geven van wat hun doelstellingen voor de toekomst zijn. Dit omvat jammer genoeg ook de term ‘dictatuur van het proletariaat’, een term die met het huidig taalgebruik gemakkelijk met het stalinisme kan verbonden worden. Het centrale idee van ‘dictatuur van het proletariaat’ vertalen we in onze oproep voor een socialistische geplande economie op basis van arbeidersdemocratie.

De Duitse revolutie wierp niet alleen de Keizer omver, maar bracht ook een kiem van een arbeidersregering door de vestiging van een netwerk van arbeiders- en matrozenraden naar het voorbeeld van de Russische revolutie. Er was een periode van dubbelmacht waarbij de kapitalisten belangrijke toegevingen moesten doen zoals de invoering van de achturendag. Maar sociaaldemocratische leiders zoals Gustav Noske en Philipp Scheidemann werkten samen met de kapitalisten en het reactionaire uitschot van de Feikorpsen (voorlopers van de fascisten) om wraak te nemen. Generaal Wilhelm Groener, die het Duitse leger leidde, gaf later toe: “Het officierenkorps kon enkel samenwerken met een regering die strijd leverde tegen het Bolsjewisme… Ebert [de sociaaldemocratische leiders] was daar duidelijk in… We vormden een alliantie tegen het Bolsjewisme…. Er was geen andere partij die voldoende invloed onder de massa’s had om de regeringsmacht terug te vestigen met de hulp van het leger.” Nadien werden de toegevingen aan de arbeiders ondermijnd en kwam er een smerige campagne tegen de ‘Bolsjewistische terreur’, chaos, de joden en vooral “bloedige Rosa”. Er werden groepen opgezet als de Anti-Bolsjewieken Liga die een eigen veiligheidsdienst hadden en volgens de oprichter een “actieve anticommunistische informatie- en spionagedienst vormde.”

In tegenstelling tot de slogan ‘Alle macht aan de sovjets’ – de slogan van de Russische revolutie – mobiliseerde de reactie onder leiding van de sociaaldemocraten van Noske zich onder de slogan ‘Alle macht aan het volk’. Het doel was om de Duitse ‘sovjets’ te ondermijnen. Een ‘grondwetgevende vergadering’ werd als alternatief naar voor geschoven op de ideeën van Luxemburg en Liebknecht voor een nationale raad van sovjets om een regering van arbeiders en boeren te vormen. De verwarde linkse centristen, wiens partij sterk groeide naarmate de sociaaldemocraten steun verloren, lieten de kans voor een radenbeweging doorheen het hele land voorbijgaan.

Het ongenoegen van de massa’s kwam tot uiting in de opstand van januari 1919. Dergelijk fasen doen zich voor in alle revoluties als de arbeidersklasse opmerkt dat de verworvenheden teruggeschroefd worden door de kapitalisten. De Russische arbeiders deden het in de julidagen van 1917, in Catalonië gebeurde het in de meidagen van 1937. (Meer over de Duitse revolutie).

De julidagen in Rusland kwamen er vier maanden na de februarirevolutie terwijl de Duitse opstand amper twee maanden na de revolutionaire beweging van november 1918 tot stand kwam. Het is een indicatie van de snelheid van de gebeurtenissen in Duitsland op dat ogenblik. Gezien het isolement van Berlijn van de rest van het land op dat ogenblik, was een stap achteruit of een nederlaag onvermijdelijk. Deze nederlaag werd des te harder voor de arbeidersklasse toen Liebknecht en Luxemburg werden vermoord. Als zowel Lenin als Trotski in Rusland in juli 1917 zouden vermoord worden, wat zou er dan nog van de oktoberrevolutie terecht gekomen zijn? Lenin was bijzonder bescheiden op persoonlijk vlak, maar besefte wel dat hij een cruciale politieke rol te spelen had en hij nam stappen om te vermijden dat hij in de handen van de contrarevolutie zou vallen. Dat deed hij door onder te duiken in Finland.

Ondanks oproepen van figuren als Paul Levi om Berlijn te verlaten, bleven zowel Luxemburg als Liebknecht in de stad, met de verschrikkelijke gevolgen van dien. Ongetwijfeld zou de enorme politieke ervaring van Luxemburg een belangrijke factor geweest zijn om een aantal fouten – zeker de ultralinkse fouten – in het vervolg van de ontwikkeling van de Duitse revolutie te vermijden. In de opstandige gebeurtenissen van 1923 zou Luxemburg in het bijzonder een verschil gemaakt hebben. Maar haar instinct voor de massabeweging en aanpassingsvermogen als de omstandigheden veranderden, zou ze wellicht niet dezelfde fouten als Heinrich Brandler en de KPD-leiding gemaakt hebben toen die een van de meest gunstige kansen voor een arbeidersrevolutie lieten passeren. Het zou de loop van de wereldgeschiedenis veranderd hebben.

Luxemburg en Liebknecht zijn grote marxisten. Voor haar theoretische bijdrage alleen al, verdient Luxemburg het om naast Marx, Engels, Lenin en Trotski te staan. Diegenen die haar proberen af te doen als een criticus van de Bolsjewieken en de Russische revolutie vergissen zich. Ze verdedigde het werk van Lenin en Trotski. Het boek dat ze in 1918 in de gevangenis schreef en waarin ze kritiek gaf op het regime van de Bolsjewieken, was het product van haar isolement. Ze raakte ervan overtuigd om het boek niet te publiceren, ook niet toen ze uit de gevangenis vrijkwam. Het was wellicht het werk waarin ze het meeste fouten maakte. Toch schreef ze hierin over de Russische revolutie en de Bolsjewieken: “Alles wat een partij kan bieden aan moed, revolutionaire vooruitziendheid en consistentie, hebben Lenin, Trotski en de andere kameraden tentoon gespreid op het historische ogenblik. Hun oktoberopstand was niet alleen de redding van de Russische revolutie, het was ook de redding van de eer van het internationale socialisme.” Enkel kwaadwillige tegenstanders van de moedige tradities van de Bolsjewieken verspreidden dit materiaal na haar dood in een poging om Luxemburg te onderscheiden van Lenin, Trotski, de Bolsjewieken en de Russische revolutie.

Luxemburg maakte ook fouten over de kwestie van Poolse onafhankelijkheid. Ze was verkeerd over het verschil tussen de Bolsjewieken en Mensjewieken (zelfs in juli 1914 verdedigde ze nog de opportunisten die voor ‘eenheid’ tussen beide fracties pleitten) en, zoals Lenin duidelijk maakte, vergiste ze zich ook inzake de economische ‘accumulatietheorie’. Maar in de woorden van Lenin “was – en blijft ze – ondanks haar fouten een adelaar.” De beste arbeiders en jongeren die vandaag de kans hebben om haar werk te lezen en te bestuderen, moeten dit doen om beter voorbereid te zijn in de strijd voor socialisme.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie