De Commune van Parijs

“De colonne met gevangenen hield halt in de Avenue Uhrich en werd in 4 of 5 rijen met het gelaat naar de weg op het trottoir opgesteld. Generaal Marquis de Galliffet en zijn ondergeschikten stegen van hun paarden en begonnen de rijen van links naar rechts te inspekteren. Terwijl hij traag heen en weer liep, zijn oog liet rusten op de opgestelde rangen, bleef de generaal hier en daar stilstaan, gaf een man een tik op de schouder en liet hem uit de colonne verwijderen. In de meeste gevallen werd het individu dat er zo werd uitgelicht zonder veel omhaal naar het midden van de straat geleid, waar aldus een kleine bijkomende groep gevangenen werd gevormd. (…) Het was die dag een kwaad ding om opvallend langer, vuiler, schoner, ouder of lelijker te zijn dan je buurman. Van één persoon viel mij op dat hij zijn spoedige verlossing uit dit tranendal te danken had aan zijn gebroken neus. (…) Een vuurpeleton stelde zich op voor het honderdtal mensen dat op hierboven geschetste wijze was geselecteerd. Daarna zette de rest van de colonne haar tocht verder, de overigen achterlatend. Enkele minuten later weerklonk een trommelvuur achter ons dat ongeveer een kwartier aanhield. Het was de terechtstelling van deze standrechterlijk veroordeelde sukkels.”

Zo beschreef de Parijse correspondent van de Engelse Daily News (8 juni 1871) één van de talrijke strafexpedities van het leger van de Franse Derde Republiek in de laatste week van mei 1871. Van dezelfde trieste held, Generaal Markies de Galliffet, is nog een ander wapenfeit bekend. Op één van zijn talrijke uitstapjes liet hij alle mannen met grijze haren naar voor treden en tekende hun doodvonnis met de volgende woorden: “Jullie waren erbij in 1848! Neerschieten!” De misdaad van deze slachtoffers bestond erin dat ze oud genoeg waren om de Parijse arbeidersopstand van 22-26 juni 1848 te hebben meegemaakt.

Bij het lezen van deze lijnen denk je niet meteen aan het 19e-eeuwse Parijs, de geraffineerde fine fleur van de westerse beschaving. Dit decor roept eerder beelden op van de holocaust in de jaren ’40. De burgerlijke staatsmacht had de methoden van massamoord echter allang geperfectioneerd toen Hitler en Stalin nog in de bloemkolen zaten.

De furie waarmee de Derde Republiek zich in mei 1871 op de Parijse volksmassa’s stortte, was systematisch in haar willekeur en doelgericht in haar nietsontziende wreedheid. De arbeidersklasse moest een lesje worden geleerd dat haar generaties later nog zou moeten doen terugdeinzen voor een krachtmeting met haar “van nature bovengeschikten”: de parasitaire klasse van grote aandeelhouders uit de financiële en industriële wereld.

In de “bloedige week” van 21 tot 28 mei vielen niet minder dan 30.000 Parijzenaars – mannen, vrouwen en kinderen – onder het wrekende geweervuur van de Franse soldateska. De staatsterreur tegen de inwoners van Parijs was geen onverklaarbare gril van de regering Thiers. Zij was het antwoord van de Franse bourgeoisie en het grootgrondbezit op de eerste geslaagde machtsgreep van de arbeidersklasse.

De Parijse Commune is één van de meest doodgezwegen of op zijn minst als bijkomstig naar de voetnoten verwezen episoden uit de burgerlijke geschiedenis. Maar alle pogingen van de gevestigde, officiële geschiedschrijving om het belang van de Commune te minimaliseren, botsen op het onweerlegbare feit dat men de geschiedenis van het socialisme en van de georganiseerde arbeidersbeweging maar ten volle kan begrijpen als men de Commune aanvaardt als het hoogtepunt van de klassenstrijd in de negentiende eeuw.

De ervaringen van de Commune waren voor Marx en Engels onontbeerlijk voor het vervolmaken van hun visie op de staat. Niemand minder dan Lenin en Trotsky namen de organisatievormen door de Parijse arbeiders opgetrokken als organen van hun politieke heerschappij als voorbeeld voor de vorming en de werking van de arbeidersstaat die de eerste jaren na de oktoberrevolutie over Rusland regeerde. Voor marxisten geldt de Commune van Parijs nog steeds als het eerste historische voorbeeld van arbeidersdemocratie, van proletarische heerschappij. Ook al gaat het om gebeurtenissen die 125 jaar achter ons liggen, blijft het bestuderen ervan een onmisbaar element in de vorming van de hedendaagse revolutionair.

De val van het Tweede Keizerrijk

Als officiële datum voor het ontstaan van de Commune wordt 18 maart 1871 aanvaard. Op die dag verjoegen de Parijzenaars de regeringstroepen die de hand wilden leggen op het geschut van de Nationale Garde, de volksmilitie die Parijs maandenlang tegen de Pruisische invallers had verdedigd. Om deze opstand te begrijpen, moeten we teruggaan tot het begin van de Frans-Pruisische oorlog van 1870-1871 en de val van het Tweede Franse Keizerrijk in september 1870.

Sedert zijn staatsgreep op 2 december 1851 had Louis-Napoleon Bonaparte, de neef van de eerste Napoleon, over Frankrijk geheerst als oppermachtig militair diktator. In een kluchtige poging om zijn oom in luister te evenaren liet hij zich precies een jaar later tot keizer der Fransen kronen. Door de internationale publieke opinie van de bourgeoisie, de liberaal-republikeinse evengoed als de aartsreactionaire monarchistische hoogburgerij, werd Napoleon III luid geprezen. Hij was de “held van de orde”, de sterke man die na de strubbelingen van het revolutiejaar 1848 met strenge hand de politieke rust had hersteld die de burgerij verlangde om “rustig geld te verdienen”.

Maar Napoleon III heerste – net als zijn voorganger – niet alleen in naam van de burgerij. Door het behendig tegen elkaar uitspelen van arbeiders en bourgeoisie (dan weer nestelde hij zich in de rol van held van de orde, dan weer noemde hij zich “een Saint-Simonistisch socialist”) was hij uitgegroeid tot een heerser over de burgerij. De burgerlijke liberalen werden evengoed vervolgd als de leiders van de arbeidersbeweging. Als massabasis voor zijn demokratische masker gebruikte Napoleon III dankbaar de naïeve volksverering voor Napoleon I die nog volop in zwang was bij Frankrijks grootste bevolkingsgroep: de van iedere beschavende invloed afgesneden en daardoor tot achterlijk conservatisme veroordeelde kleine boeren.

Tegen het begin van de jaren 1860 raakte de veerkracht van het regime uitgeput. Napoleon III moest meer en meer toegeven aan de steeds luidruchtiger optredende liberale oppositie in zijn marionettenparlement. In dezelfde periode herstelde de arbeidersklasse grotendeels van de politieke verdoving die het gevolg was van haar nederlaag in 1848. Het voortschrijdend sukses van de liberalen in de parlementsverkiezingen werd afgewisseld met indrukwekkende stakingsgolven voor behoud of verhoging van de lonen, voor vrij verenigingsrecht van de arbeiders, enz.

Steeds meer Franse arbeiders begonnen een gewillig oor te verlenen aan de propaganda van de op 28 september 1864 opgerichte Internationale Arbeidersassociatie, de Eerste Internationale, waarvan Karl Marx één van de erkende leiders was.

Om het prestigeverlies van zijn rampzalige buitenlandse politiek (de opportunistische bemoeienissen met de Italiaanse eenmaking, de mislukte interventie in Mexico in 1863-67, zijn onhandige houding in de oorlog tussen Pruisen en Oostenrijk in 1866) goed te maken en in een krampachtige poging om de natie alsnog als één man achter zich te scharen, stortte Napoleon III zich in juli 1870 in een oorlog met de Duitse oorlogskoalitie onder leiding van Pruisen. De veldtocht werd een katastrofe voor de Franse generaals die maneuvers met grote troepenmachten niet gewend waren. Toen het nieuws van de nederlaag te Sedan (1 september 1870) en de gevangenname van de keizer Parijs bereikte, maakte een volkstoeloop een einde aan het Tweede Keizerrijk (4 september 1870).

De regering van het nationale verraad en de revolutie van 18 maart De arbeiders dwongen de republikeinse regering letterlijk met de bajonet tegen de keel aan de macht. De liberalen Thiers, Favre en Picard vreesden het gewapende Parijse volk echter meer dan de Pruisen. De ontwapening van Parijs lag hen dan ook meer aan het hart dan de nationale verdediging van Frankrijk.

De handelingen van de nieuwe regering – het nutteloos verspillen van mensenlevens, het nalaten om ernstige verdedigingswerken rond Parijs te laten uitvoeren en de mateloze korruptie die gedurende het Pruisisch beleg van Parijs vreselijke hongersnood veroorzaakte – werden door de socialistische pers van Louis-Auguste Blanqui en de radikaal-republikeinse “Combat” van Felix Pyat genadeloos aan de kaak gesteld.

De toenemende ontevredenheid van de Parijzenaars over het beleid leidde op 9 oktober 1870 en 22 januari 1871 tot voorbarige pogingen tot opstand onder de best georganiseerde (maar jammer genoeg nog steeds in de minderheid verkerende) socialistische arbeiders. Op 28 januari 1871 viel het masker van de regering echter af. Het aanvaarden van schandelijke vredesvoorwaarden – waaronder een oorlogsboete van honderden miljoenen Francs (vooral op te brengen door arbeiders en kleine middenstand natuurlijk) – betekende het einde van het laatste beetje politieke geloofwaardigheid van de regering Trochu.

De verkiezingen van 6 februari 1871 leverden een parlement op dat overheerst werd door vertegenwoordigers van de zgn. Ruraux, de gehate grootgrondbezitters die openlijk aanstuurden op het herstel van de monarchie uit de jaren 1816-1830! Één van de eerste regeringsbeslissingen van de regering Thiers bestond in het terugeisen van de tijdens het beleg van Parijs kwijtgescholden huur voor de helft van de periode (3 maand). Ondertussen rijpte in het brein van Favre en Thiers het plan om de weerspannige Parijse arbeiders te ontwapenen.

Ervan overtuigd dat de arbeiders hun les geleerd hadden met de nederlagen van oktober en januari, dachten Thiers en Favre ongestraft beslag te kunnen leggen op de artillerie van de Nationale Garde. Die twee opstanden waren het werk van een ongeduldige minderheid. Toen de troepen van generaal Vinoy op 18 maart de posities van de Parijse artillerie bezetten, stonden ze echter oog in oog met de brede lagen van de arbeidersklasse die langzaam maar zeker tot politiek bewustzijn gekomen waren.

Een deel van de regeringstroepen liep over naar de arbeiders, de overigen werden teruggeslagen. Generaal Clement-Thomas, die zijn troepen bevel had gegeven een toeloop van Parijse arbeidersvrouwen uiteen te schieten, werd zelf door zijn soldaten en door de arbeiders bij de kraag gevat en zonder pardon neergeschoten. Nu werd werkelijkheid wat de revolutionaire pers reeds maanden had geëist: de uitroeping van de Commune.

Wat was de Commune en waardoor onderscheidde zij zich van de burgerlijke staatsmacht?

“Wat is de Commune?” schrijft Marx in zijn Burgeroorlog in Frankrijk, “Wat is deze sfinx die het burgerlijk vernuft zo op de proef stelt?” De Commune, zo gaat Marx verder, was niets anders dan de als staatsmacht georganiseerde Parijse arbeidersklasse.

De verkiezingen die een week na de opstand van 18 maart werden georganiseerd, leverden een staatsvorm op die van kop tot teen in tegenstelling stond tot de burgerlijke idee van democratie. Deze staatsvorm was gebaseerd op basisdemokratische beginselen:

1. Elke openbare functie – leidinggevende functies in het leger inbegrepen – werd ingevuld door verkiezingen EN IEDERE VERKOZENE WAS OP ELK OGENBLIK AFZETBAAR DOOR HET KIESPUBLIEK DAT HEM AANGEDUID HAD. In de burgerlijke democratie hebben verkozenen 4, 5 of meer jaren de tijd om hun blunders en misdaden te laten uitvagen door de vergetelheid van de publieke opinie. Volgens de beginselen van de arbeidersdemocratie moet een verkozene die tegen de wil van de basis in handelt, onmiddellijk kunnen afgezet worden. Bovendien een uitstekend middel tegen de verleiding tot corruptie.

2. Het beroepsleger, deze broeihaard van ultrarechtse, op een militaire dictatuur aansturende elite-officieren en gedeklasseerde, met de stok bijeen gehouden botte breinen, werd door de Communards afgeschaft. In de plaats kwam een gewapende volksmilitie WAARVAN DE OFFICIEREN VERKOZEN EN OP ELK OGENBLIK AFZETBARE AMBTENAREN WAREN.

3. In plaats van de torenhoge, dekadent rijkelijke vergoedingen die de burgerlijke staat uitkeert aan zijn politici, moesten de verkozenen van de Commune hun taak vervullen AAN HET GEMIDDELDE ARBEIDERSLOON. In de arbeidersdemocratie is geen plaats voor weke en aan buitensporig komfort verslaafde zwakkelingen die hun mandaat willen omtoveren tot een persoonlijke goudmijn. De verkozenen van de arbeidersstaat moeten op elk ogenblik de behoeften kennen van degenen die zij vertegenwoordigen. Dat kan slechts op één manier: door zelf niet meer komfort te kennen dan de arbeiders zelf.

4. In de burgerlijke staat is politiek vaak een tijdverdrijf voor intellectuelen uit de middenklasse en de bourgeoisie. In de Commune WAREN ALLE POSTEN TOEGANKELIJK VOOR IEDERE ARBEIDER OF VERTROUWELING VAN DE ARBEIDERS DIE DAAR DOOR DE KIEZER BEKWAAM WORDT TOE GEACHT. Iemand die de praktische behoeften van de bevolking kent, is een meer bekwame politicus dan de stoffige kamergeleerde die zijn ideeën in de komfortabele beslotenheid van zijn studeerkamer koestert. Hij/zij is een betrouwbaarder leider dan de begoede industrieel of bankier die zijn neus optrekt voor de mensen die hun dagelijks brood al werkend moeten verdienen.

5. De vertragingsmaneuvers door het eeuwige gekissebis tussen uitvoerende en wetgevende macht kregen van de Communards het antwoord dat DIEGENEN DIE EEN MAATREGEL BESLISSEN HEM OOK TEN UITVOER MOETEN LEGGEN. De scheiding der machten is niet, zoals de schoolboekjes beweren, “een middel ter bescherming van de democratie” maar een middel om voor de burgerij hinderlijke maatregelen op de lange baan te schuiven. Het opsommen van voorbeelden waarbij de scheiding der machten de uitvoerende macht juist het voorwendsel geeft om als absolute macht, als dictatoriaal regime, op te treden – o.a. het regime van Yeltsin in Rusland – zou een paar bladzijden in beslag kunnen nemen.

Deze principes worden door de marxisten nog steeds beschouwd als de voorwaarden voor arbeidersheerschappij. De aandachtige lezer heeft natuurlijk al begrepen dat er -althans sedert het midden van de jaren ’20 – in de zogenoemd communistische regimes GEEN ENKELE VAN DEZE VOORWAARDEN VERVULD WAS. De Russische revolutie, door het mislukken van de Hongaarse, Duitse, Italiaanse, Nederlandse, … revolutie geïsoleerd binnen het oude tsaristische rijk, kon niet anders dan ontaarden in een dictatuur van een minderheid van parasitaire partijfunctionarissen. De leiding van de arbeidersstaat viel in handen van oude tsaristische ambtenaren of hun nageslacht die de in de burgeroorlog gesneuvelde geschoolde arbeiders moesten vervangen.

Een hedendaagse revolutie zal een revolutie zijn van arbeiders die een boekhouding kunnen bijhouden, de werking van gekompliceerde technologie kennen, gemakkelijk kennis nemen van het geschreven woord,… De hedendaagse arbeiders zijn door de hoge ontwikkelingsgraad van de werktuigen waarmee ze dagelijks hun werk verrichten onvergelijkelijk hoger ontwikkeld dan hun overgrootouders. De arbeiders van vandaag laten zich niet zo makkelijk om de tuin leiden als de ongeletterde plattelandsbevolking van het oude Rusland. Daardoor is de stalinistische ontaarding van de volgende revoluties uitgesloten.

De onderdrukking van de Commune

De regering Thiers hield zich sedert de revolutie van 18 maart met haar gehele apparaat schuil in Versailles. Ze was natuurlijk niet van plan zich bij de situatie neer te leggen. Tenslotte was de opstand beperkt gebleven tot Parijs. Andere Communes, zoals in Lyon, St. Etienne, Narbonne,… konden moeiteloos worden neergeslagen door het ontbreken van een vastberaden leiding en door het rijkelijk voorhanden zijn van een achterlijke boerenbevolking die met het grootste gemak door priesters en burgemeesters kon wijsgemaakt worden dat de Commune-strijders een bende roofzuchtige en goddeloze bandieten waren die met man en macht uitgeroeid moesten worden.

De 2 miljoen Parijzenaars konden niet over één nacht ijs worden verslagen. Bovendien beschikte de regering van Versailles alles bijeen over nog geen 20.000 betrouwbare soldaten. Een dwaze poging om Parijs binnen te vallen begin april, werd door de 27-jarige Communegeneraal Eudes “met bebloed hoofd teruggeslagen”. Een gewelddadige betoging van de in Parijs achtergebleven bourgeoisie op 22 maart werd door de militie op kordate wijze uiteengejaagd. Voor Thiers zat er niet anders op dan het op een akkoordje te gooien met de Pruisen om Franse troepen uit gevangenschap vrij te krijgen en de verdelging van de Commune wekenlang uit te stellen.

Toen maakten de Communards hun kapitale fout. Gedurende de april lag de regering van Versailles hulpeloos aan de voeten van Parijs. Één expeditie van de Parijzenaars had de regering een beslissende nederlaag kunnen toebrengen. De Communards wilden voor de buitenwereld echter niet de indruk wekken dat zij de aanstokers van de burgeroorlog waren. Maar de burgeroorlog was al een feit vanaf 18 maart. Door hun terughoudendheid om de regering Thiers met één beslist gebaar van de kaart te vegen verspeelden de Communards kostbare tijd.

Eind april waren er al voldoende troepen uit krijgsgevangenschap teruggekeerd om de veldtocht tegen Parijs te beginnen. Geleidelijk werden de Communetroepen teruggedreven tot voor de ringmuur van de stad. De bloedige ontknoping van de burgeroorlog volgde snel: verkenners van de Commune die door Versailles-troepen werden verrast, werden onmiddellijk ter dood gebracht. Toen het gevierde Commune-lid Gustave Flourens tijdens een verkenningstocht in de handen van de Versaillers viel, werd hij levend in stukken gehakt. Zoals Engels later schreef: “Elke meter terreinwinst van de Versailles-troepen werd steevast ingewijd met de moord op weerloze gevangenen”.

In de eerste week van mei sloot de lus nauwer rond de hals van de opstandige stad. Het beleg van Parijs begon met de bezetting van de Seine-brug bij Neuilly. Één voor één vielen de forten voor de stadsmuren. Tenslotte, op 21 mei, slaagden eenheden van het regeringsgetrouwe leger erin Parijs binnen te dringen langs de poort van St.Cloud, in het Zuid-Westen van de stad. De heldenmoed van de kontrarevolutionaire troepen blijkt duidelijk uit het feit dat de poort van St. Cloud 3 dagen lang, door nalatigheid van de Communards, had opengestaan alvorens de eerste soldaten zich binnen de stadsmuren waagden.

Vanaf 21 mei werd de burgeroorlog een barrikadenstrijd, zoals het negentiende eeuwse Parijs al zovele malen had gezien. De Communards werden samengedreven in het Noordoosten van de stad. Op 28 mei boden een paar honderd arbeiders en Nationale Gardisten nog moedig weerstand tussen de grafzerken van het kerkhof Père Lachaise, waar zij zich met hun gezinnen hadden teruggetrokken. Tweehonderd overlevenden werden, zonder onderscheid van leeftijd of geslacht, na hun overgave tegen een muur van het kerkhof met snelvuurwapens (de voorlopers van de moderne machinegeweren) omgebracht.

De Commune hield letterlijk stand tot de laatste man. De laatste Communard hield zijn barrikade in de Rue Ramponeau gedurende één kwartier tegen een legermacht van 120.000 Versailles-soldaten. Zoals de Commune-veteraan Lissagaray later beschreef, haalde deze laatste strijder, voor immer onbekend gebleven, in een tergend gebaar van doodsverachting verscheidene keren de vlag van zijn tegenstanders neer. Hij kon ontkomen.

Degenen die de barrikadengevechten overleefd hadden en in de handen van de Versaillers terechtkwamen, wachtten ofwel de dood tijdens één van de strafexpedities van generaal de Galliffet, ofwel opsluiting in één van de koncentratiekampen die voor de gelegenheid werden opgericht of deportatie naar de Franse strafkolonies. Zo werd de Derde Franse Republiek gedoopt in het bloed van tienduizenden arbeiders wiens enige misdaad erin bestond dat zij de politieke macht van de bourgeoisie hadden betwist.

De lessen van de Commune

In de geschiedenis van de arbeidersbeweging zijn zelfs de meest verpletterende nederlagen nooit volledig tevergeefs. Reeds in september 1870 had Marx gewaarschuwd voor een poging tot opstand, die naar zijn mening nooit kon slagen gezien de arbeidersklasse nog onvoldoende getalsmatig ontwikkeld was, nog onvoldoende georganiseerd en de boeren nog makkelijk tegen de arbeiders in het geweer konden worden gebracht.

Eens de opstand een onherroepelijk feit was, zag Marx echter onmiddellijk het wereldhistorische belang ervan in: nog nooit eerder hadden de arbeiders een dergelijk initiatief getoond. Nederlaag of niet, de Commune had een onuitwisbare traditie gegrondvest. “De grootste sociale verwezenlijking van de Commune was haar eigen bestaan,” schreef Marx een paar weken na de onderdrukking van de Commune.

De Commune toonde voor het eerst aan dat de lasterlijke en neerbuigende opvatting dat de arbeiders niet in staat zijn een staatsmacht op te zetten, berust op een burgerlijk vooroordeel. Ze leverde eveneens het bewijs dat de arbeiders de bestaande staatsorganisatie niet zomaar in handen kunnen nemen en voor hun eigen doeleinden gebruiken. De burgerlijke staatsmacht moet vervangen worden door een nieuwe basisdemocratische vorm, die komaf maakt met al het bureaucratisch gefoefel dat zowel de stalinistische als de burgerlijke staat kenmerkt.

De tradities van de Commune werden bij het begin van de twintigste eeuw door Lenin en Trotsky opgenomen om een nieuwe mijlpaal in de geschiedenis van de arbeidersbeweging te vestigen: de machtsovername door de arbeidersraden op 7 november (25 oktober oude kalender) 1917 in Rusland.

De huidige politieke crisis, de talloze politieke corruptieschandalen, de opkomst van het fascisme, het steeds strenger en willekeuriger optredende repressieapparaat, onder andere tegen stakende arbeiders,… tonen vandaag meer dan ooit het belang aan van een nieuwe opvatting over democratie: een democratie die niet in de plaats van de arbeiders (en tegen de arbeiders in) wordt gevoerd, maar een democratie waarvan de arbeiders de voornaamste beslissers en uitvoerders zijn.