Friedrich Engels

Precies een eeuw geleden verloor de internationale arbeidersbeweging één van haar belangrijkste historische leiders in de persoon van Friedrich Engels. Engels bezweek op 5 augustus 1895 aan de gevolgen van slokdarmkanker.

Jeugd en politieke bewustwording

Engels werd op 28 november geboren in het Pruisische Barmen, één van de meest geïndustrialiseerde steden uit Duitsland. Engels’ ouders, welgestelde textielfabrikanten, waren pitisten, een protestantse kerk die te vergelijken is met de streng-gereformeerde calvinistische gemeenten in Nederland. Waar Marx’ afkomst in de kaart speelde van zijn intellectule ontplooiing, keken de piëtisten met een groot wantrouwen naar elke vorm van kultuuruiting en geestelijke ontwikkeling.

In 1837 werd de jonge Friedrich door zijn vader gedwongen zijn middelbare studies op te geven en werd ter voorbereiding op een loopbaan als zakenman als bediende naar een grote firma in Bremen gestuurd. Daar werd, via de massa’s kranten afkomstig uit de meest uiteenlopende landen, zijn aandacht voor de politieke gebeurtenissen in de wereld werd gewekt. Hierdoor verontrust besloot Engels sr. zijn achttienjarige zoon in te kwartieren bij een strenge Bremense dominee. Met als gevolg dat de jonge Engels overtuigd atheïst werd. Tijdens zijn militaire dienst in 1841-1842 werd hij gekazerneerd in Berlijn. Hij woonde er de lezingen en discussies bij van de zogenaamde Jonghegelianen, de denktank van de oppositie tegen de Pruisische vorst. Engels werd revolutionair democraat en onverzoenlijk republikein.

Zijn samenwerking met Marx

Wie Engels overdreven in de schaduw van Marx stelt, moet het volgende in gedachten houden. De eerste verhandeling over economie in de marxistische traditie, met een diepgaande ontleding van de maatschappelijke verhoudingen en een kritiek op de bestaande burgerlijke economische theorieën, komt niet van de hand van Marx. Marx werd tot de studie van de bestaande economische leerstelsels aangezet door een geschrift van Engels dat in februari 1845 als artikel (“Schetsen ter Kritiek van de Nationale Economie) verscheen in het door Marx geleide tijdschrift de “Deutsch-Franszosische Jahrbucher”.

Marx was in dezelfde periode voornamelijk langs theoretische weg tot het communisme gekomen. Pas tijdens zijn verblijf in Parijs gooit hij zich in het woelige leven van de ondergrondse Parijse arbeidersgenootschappen. Engels werkte reeds sedert 1843 als propagandist voor de krant van de “Beweging van het Volkscharter”, de eerste politieke massabeweging van het industriële proletariaat, een organisatie waarvan de radikale vleugel de hand had in de opstand van Lancashire in 1842, de onlusten in Preston in hetzelfde jaar en die over het algemeen een politiek hanteerde van energieke agitatie onder de arbeiders en reeds de idee koesterde van een algemene revolutionaire staking.

Mede-auteur van het Communistisch Manifest en leider in de revolutie van 1848

In een eerste gezamenlijke publikatie “Die Heilige Familie” (Parijs, februari 1845) wezen Marx en Engels – tegen de Jonghegeliaan Bruno Bauer in, die de “domme massa” onvermogend achtte om grote historische gebeurtenissen teweeg te brengen – op de historische stuwkracht die uitgaat van massabewegingen (bvb. de Franse revoluties van 1789, 1792, 1830,…).

In augustus-september 1845 werkten Marx en Engels in Brussel aan een handschrift dat hun voornaamste opvattingen over geschiedenis en filosofie moest bevatten. Vooral het eerste deel van “De Duitse Ideologie”, “Feuerbach”, geeft een uitvoerig overzicht over wat de marxisten bedoelen met de materialistische opvatting over de geschiedenis. De geschiedenis wordt niet vooruitgestuwd door Grote Persoonlijkheden met Grote Inzichten, maar is een proces waarin de mensen hun technologische vaardigheden tot ontwikkeling brengen, langs die weg de natuur meer en meer gaan beheersen en de basis leggen voor steeds meer ontwikkelde beschavingen (wat niet betekent dat de mensheid niet tijdelijk kan terugvallen op een lagere trap van ontwikkeling, zoals bvb. vlak na de val van het Romeinse Rijk). Het kapitalisme herleidt gaandeweg de meerderheid van de mensheid tot bezitsloze arbeiders, t.t.z. mensen die hun werktuigen niet zelf in bezit hebben maar hun arbeidskracht moeten verkopen aan een door de onderlinge konkurrentie steeds kleiner worden groep kapitaalbezitters. De uitbuiting dwingt de arbeiders zich aaneen te sluiten en terug te vechten tot op het ogenblik dat de zaken zodanig sterk op de spits gedreven zijn dat de inzet van de strijd niet meer deze of gene hervorming is, maar het voortbestaan van de burgerlijke maatschappij.

Hoezeer Engels’ opvattingen bepaald werden door de onmiddellijke ervaringen van het proletariaat, blijkt uit “De Toestand van de arbeidersklasse in Engeland” (geschreven in 1844). Daarin neemt Engels ons mee in de donkere vochtige steegjes van de Engelse industriesteden om ons te laten delen in de ellende van de Britse arbeiders. Ook beschrijft hij de verschillende vormen van arbeidersverzet die de kop opsteken.

In de zomer van 1847 sloten Marx en Engels zich aan bij de Bond der Communisten, op wiens vraag zij in november van dat jaar begonnen aan een partijprogramma, Manifest der Communistische Partij getiteld.

In de democratische revolutie van 1848-’49 traden ze beiden op als propagandisten en organisatoren van de arbeidersbeweging. In hun krant “Die Neue Rheinische Zeitung” ontmaskerden Marx en Engels de pogingen van de burgerij om hun eigen revolutie, uit angst voor de arbeidersbeweging, te saboteren. In mei 1849 nam Engels, tijdens de gewapende opstand in het Rijnland tegen de weigering van de Pruisische koning op de demokratische grondwet te erkennen, het bevel over een detachement van enige honderden arbeiders en vocht als rechterhand van de opstandelingenleider August Willich in een viertal veldslagen. De opstand in het Rijnland werd neergeslagen en de liberale burgerij weigerde een nationale opstand tegen de monarchie te ontketenen. Op 12 juli 1849 trokken de restanten van Willichs en Engels’ leger de Zwitserse grens over. Marx bevond zich reeds sedert juni in Parijs in de hoop te kunnen bijdragen tot een revolutionaire heropleving aldaar. Maar ook daar zat de contrarevolutie al stevig in de stijgbeugels sedert de bloedige nederlaag van de Parijse arbeiders in juni 1848.

Beschermengel van Marx

In de periode van 1849-1869 offerde Engels zich op om, voor het levensonderhoud van zijn makker Karl Marx, opnieuw het door hemzelf hartsgrondig gehate kantoorwerk in het filiaal van zijn vaders firma in Manchester te hervatten.

Verzeild in de benarde materiële situatie waarin alle buitenlandse bannelingen zich bevonden (de ontberingen kostten in de periode 1850-1855 aan 3 van Marx’ kinderen het leven) zou Marx de jaren 1850 niet eens overleefd hebben zonder de gulle financiële steun van Engels, laat staan dat hij zijn wetenschappelijke studie had kunnen voortzetten.

Theoreticus van de arbeidersbeweging

We zeiden reeds hoe Engels Marx op het spoor zette van de politieke economie. De weerlegging van de theorieën van de Duitse pseudosocialist Eugen Duhring, “De Heer Duhrings omwenteling in de wetenschap” (1877-1879), bevat een heel eigen toepassing van de materialistische wereldbeschouwing op de natuurverschijnselen. Na de dood van Marx was Engels de meest vooraanstaande figuur in de internationale arbeidersbeweging en kwam in die hoedanigheid tussen in de taktische diskussies die de nieuwbakken arbeiderspartijen bezighielden. En de socialisten uit alle landen wisten het: van zodra Engels’ zinnen een ironische wending begonnen te nemen, mocht men zich verwachten aan een spervuur van argumenten die van het argumentarium van zijn tegenstanders geen spaander heel lieten.

In tegenstelling tot de discussies in de ter ziele gegane “communistische” (lees: stalinistische) partijen, vermoordt het marxisme zijn tegenstanders niet met burokratische uitsluiting of door brutale terreur, maar met de beschaafde doch doortastende taal van politieke argumenten.

Een van Engels’ voornaamste krachttoeren was het voltooien van het werk aan Het Kapitaal. Deel drie raakte slechts af in het jaar voor zijn dood, in 1894.

Consequent revolutionair socialist

Een aantal “socialistische” schrijvers beweren dat Engels bij het einde van zijn leven van een revolutionaire opvatting naar een meer hervormingsgezinde visie overging. Als bewijs voor deze stelling wordt een stukje Engels op een kwaadaardige manier uit zijn kontekst gerukt.

Het beste antwoord hierop vinden we in het voorwoord op de heruitgave van Marx’ “Burgeroorlog in Frankrijk” van 1891, waar Engels de krachtdadige politiek huldigt van de Parijse arbeiders tijdens de Commune van Parijs (1871) die van de oude staatsinstellingen geen steen op de andere lieten staan en hun eigen basisdemokratische staat in het leven riepen. “De laatste tijd begint een sociaaldemokratische filister opnieuw vervuld te raken van messianistische vrees bij de woorden “heerschappij van het proletariaat”,…”, slingert Engels in het gezicht van al degenen die aan zijn revolutionaire instelling twijfelen, “Wilt u soms weten, waarde heren, hoe die heerschappij eruitziet? Kijk naar de Parijse Commune. Dat was een heerschappij van het proletariaat.”

Dit artikel door Peter Van der Biest verscheen in maandblad ‘De Militant’ in de zomer van 1995

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie