Dubbele heerschappij

Waarin bestaat het wezen van de dubbele heerschappij? In de historische literatuur vonden we geen behandeling van deze kwestie. Nochtans is dit van groot belang. De dubbele heerschappij is een eigenaardige maatschappelijke crisistoestand, die absoluut niet alleen voor de Russische revolutie van 1917 kenmerkend is, hoewel wij deze hier het duidelijkst kunnen waarnemen.

Antagonistische klassen bestaan er steeds in de maatschappij en de van de macht uitgesloten klasse streeft onvermijdelijk ernaar de koers van het staatsbestuur in meerdere of mindere mate in haar richting te drijven. Dit wil echter nog helemaal niet zeggen dat er een dubbele heerschappij of een heerschappij van velen in de maatschappij bestaat. Het karakter van een politiek bewind wordt direct door de verhouding van de onderdrukte tot de heersende klassen bepaald. De alleenheerschappij, die een noodzakelijke voorwaarde voor weerstandskracht van ieder bewind is, kan slechts zolang bestaan als de heersende klasse erin slaagt haar economische en politieke vormen als de enig mogelijke aan de gehele maatschappij op te leggen.

De gelijktijdige heerschappij van de jonkers en van de bourgeoisie – in Hohenzollernse of in republikeinse vorm – is, hoe hevig ook de conflicten tussen de beide mededingers naar de macht tijdelijk mogen zijn, nog geen dubbele heerschappij: zij hebben een gemeenschappelijke sociale basis, haar botsingen dreigen niet het staatsapparaat te breken. Het regime van de dubbele heerschappij ontstaat slechts uit de onverzoenlijke botsing van klassen, is bijgevolg slechts in een revolutionair tijdvak mogelijk en vormt een van de meest wezenlijke elementen hiervan.

Het politieke ontwikkelingsproces van de revolutie bestaat in de overgang van de macht van de ene klasse op de andere. De gewelddadige omwenteling komt op zichzelf gewoonlijk binnen een kort tijdsverloop tot stand. Maar geen historische klasse verheft zich uit de toestand van onderdrukking met een slag, om zo te zeggen van vandaag op morgen, al is het dan ook het etmaal van een revolutie, tot heersende klasse. Zij moet al tevoren tegenover de officieel heersende klasse een zeer onafhankelijke positie ingenomen hebben; sterker nog, zij moet de verwachtingen van de tussenklassen en tussengroepen, die met het bestaande ontevreden, maar tot een zelfstandige rol nog niet in staat zijn, op zich geconcentreerd hebben. De historische voorbereiding van een omwenteling leidt in het voorrevolutionaire tijdvak tot een situatie waarin de klasse die bestemd is het nieuw maatschappelijke systeem te verwezenlijken, zonder reeds meester in het land te zijn, feitelijk toch een groot deel van de staatsmacht in handen houdt, terwijl het officieel staatsapparaat nog in handen van de oude machthebbers blijft. Dit is het uitgangspunt van de dubbele heerschappij in elke revolutie.

Dit is echter niet haar enige vorm. Indien de nieuwe klasse die door de revolutie die zij niet wil aan de macht gebracht wordt, een oude, historisch pas laat tot ontwikkeling gekomen klasse is, indien zij misschien reeds voor haar officiële kroning afgeleefd is; indien zij eens zij aan de macht komt vaststelt dat haar mededinger reeds sterk genoeg is; dan leidt de politieke omwenteling tot vervanging van de ene dubbele heerschappij met een zeer labiel evenwicht door een andere, die soms nog minder weerstandskracht bezit. In de overwinning van de “anarchie” van de dubbele heerschappij bestaat dan juist in die nieuwe fase de taak van de revolutie of… van de contrarevolutie.

De dubbele heerschappij veronderstelt niet alleen niet een verdeling van de macht in gelijke helften of over het algemeen een of ander formeel evenwicht van beide machten, maar sluit deze in het algemeen gezegd zelfs geheel en al uit. Dit is geen constitutioneel maar een revolutionair feit. Het bewijst dat de verstoring van het maatschappelijke evenwicht de staatsbovenbouw reeds gespleten heeft. Een dubbele heerschappij ontstaat daar waar vijandelijke klassen steunen op staatsorganisaties die naar hun wezen reeds niet meer met elkaar te verenigen zijn – de ene bezig af te sterven en de andere bezig te ontstaan – die op het terrein van de leiding in de staat elkaar voortdurend in het nauw brengen. Welk deel van de macht hierbij aan elk van de strijdende klassen toevalt, wordt door de machtsverhoudingen en de loop van de strijd bepaald.

Een zodanige toestand kan niet voortduren. De maatschappij verlangt een machtsconcentratie en streeft door middel van de heersende klassen, of in dit geval van de twee gedeeltelijk heersende klassen, onverbiddelijk daarnaar. De machtssplitsing kondigt niets anders aan dan de burgeroorlog. Voordat de rivaliserende klassen en partijen echter tot deze besluiten, kunnen zij, vooral indien zij de inmenging van een derde macht duchten, gedwongen zijn het stelsel van de dubbele heerschappij tamelijk lang te dulden en in zekere zin zelfs te ondersteunen. Toch zal het onvermijdelijk weggevaagd worden. De burgeroorlog brengt de dubbele heerschappij duidelijk en wel territoriaal tot uitdrukking: iedere macht voert, terwijl zij zich een versterkte basis schept, een strijd om het overige grondgebied, dat niet zelden een dubbele heerschappij in de vorm van opeenvolgende invallen van de beide oorlogvoerende partijen te verduren heeft, totdat een van hen zich definitief vestigt.

De Engelse revolutie van de zeventiende eeuw vertoont – juist omdat zij een grote revolutie was die de natie tot in haar diepste grondslagen schokte – een duidelijk afwisselen van dubbele heerschappijen met scherpe overgangen van de ene tot de andere, in de vorm van een burgeroorlog.

Eerst staan tegenover de macht van de koning die steunt op de bevoorrechte klassen of de bovenste lagen van deze klassen, aristocraten en bisschoppen, de burgerij en de dicht bij deze staande groepen van de kleine landadel. Het presbyterianenparlement, dat op de Londense city steunt, is de regering van de burgerij. De voortdurende strijd tussen deze twee regeringen wordt in een openlijke burgeroorlog beslecht. Twee regeringscentra, Londen en Oxford, scheppen zich legers, de dubbele heerschappij neemt een territoriale vorm aan, al zijn de territoriale grenzen, zoals altijd in een burgeroorlog, zeer wisselend. Het parlement zegeviert. De koning is gevangen gezet en wacht zijn lot af.

Men zou kunnen denken dat de voorwaarden voor een alleenheerschappij van de presbyteriaanse burgerij aan het ontstaan zijn. Maar voordat nog de koninklijke macht gebroken is, wordt het leger van het parlement tot een zelfstandige politieke macht. Het verenigt in zijn gelederen de Independenten, vrome en vastberaden kleinburgers, handwerkers en landbouwers. Het leger mengt zich als een macht in het openbare leven, maar niet eenvoudig als gewapende macht, ook niet als pretorianengarde, maar als politieke vertegenwoordiging van een nieuwe klasse, die zich tegenover de rijke en welgestelde burgerij stelt. Dienovereenkomstig schept het leger een nieuw staatsorgaan, dat zich boven het militaire opperbevel verheft: de raad van de soldaten en afgevaardigden van de officieren (“agitators”). Er begint een nieuwe periode van de dubbele heerschappij: die van het presbyteriaanse parlement en van het independentenleger. De dubbele heerschappij leidt tot een openlijke botsing. De burgerij betoont zich onmachtig om tegenover het “modelleger” van Cromwell, d.w.z. tegenover de gewapende plebejers, een eigen leger te stellen. Het conflict eindigt met een zuivering van het presbyteriaanse parlement met de sabel van de independenten. Van het parlement blijft slechts een romp over, de dictatuur van Cromwell wordt ingesteld. De onderste lagen van het leger proberen onder leiding van de Levellers, van de uiterste linkervleugel van de revolutie, haar eigen waarlijk plebeïsch regime tegenover de heerschappij van de hoge militairen, van de groten van het leger, te stellen. De nieuwe dubbele heerschappij komt echter niet tot ontwikkeling. De Levellers, de onderste laag van de kleinburgers, hebben nog geen eigen historische weg en kunnen deze ook nog niet hebben. Cromwell speelt het spoedig met de tegenstanders klaar. Er ontstaat voor een reeks van jaren een nieuw labiel politiek evenwicht.

In de grote Franse Revolutie wordt de Constituerende Vergadering, waar de bovenste groep van de derde stand de ruggengraat van vormt, het centrum van de macht, zonder echter de koning zijn voorrechten geheel te ontnemen. Het tijdvak van de Constituerende Vergadering is het tijdvak van een scherpe dubbele heerschappij, die met de vlucht van de koning naar Varennes eindigt en formeel pas met de stichting van de republiek geliquideerd wordt.

De eerste Franse constitutie (1791), die op de fictie van een volkomen van elkaar onafhankelijke wetgevende en uitvoerende macht opgebouwd was, verborg in werkelijkheid – of trachtte dit althans voor het volk te verbergen – de feitelijke dubbele heerschappij: van de burgerij die zich na de inname van de Bastille door het volk definitief in de Nationale Vergadering verschanst had, en van de oude monarchie die nog op de hoge adel, clerus, ambtenaren en militairen steunde, om niet te spreken van de verwachtingen die zij in een buitenlandse interventie koesterde. Dit innerlijk tegenstrijdig bewind was onverbiddelijk tot ineenstorting gedoemd. Een uitweg kon er slechts komen hetzij in de vernietiging van de burgerlijke vertegenwoordiging met behulp van de Europese reactionaire machten, hetzij in de guillotine voor de koning en de monarchie. Parijs en Coblenz moesten hun krachten meten.

Voordat het echter nog tot oorlog en guillotine komt, treedt de Parijse Commune op het toneel, welke op de onderste lagen van de derde stand in de stad steunt en aan de officiële vertegenwoordigers van de burgerlijke natie steeds stoutmoediger de heerschappij betwist. Er ontstaat een nieuwe dubbele heerschappij, waarvan wij de eerste symptomen al in het jaar 1790 waarnemen, in een tijd waarin de midden-en grootburgerij nog in administraties en lokale instanties vastzit. Welk een merkwaardig en tegelijkertijd op laaghartige wijze bezoedeld beeld van de pogingen van de volksgroepen, om op te stijgen uit de diepte, uit de kelders en catacomben van de maatschappij, en die verboden arena te betreden waar mensen met pruiken en culottes over het lot van de natie beslissen. Het leek alsof het fundament zelf, getrapt door de verlichte bourgeoisie, levend geworden en in beweging gekomen was; uit de vormloze massa verhieven zich menselijke hoofden, strekten zich eeltige handen omhoog, hese maar moedige stemmen werden hoorbaar! De Parijse arrondissementen, de bastaarden van de revolutie, begonnen hun eigen leven te leven. Zij vonden erkenning – ze niet erkennen was onmogelijk! – en werden in secties omgezet. Onafgebroken ruimden zij echter de wettelijke beperkingen uit de weg, fris bloed stroomde hun toe van onderop en zij verleenden, tegen de wet in, toegang tot hun rijen aan de ontrechten, de armen, aan de sansculottes. Tegelijkertijd verlenen de gemeenten op het platteland bescherming aan de boerenopstand tegen het burgerlijk wettig gezag, dat het feodale bezit begunstigt. Zo verheft zich onder de voet van de tweede natie de derde.

De Parijse secties stonden aanvankelijk in oppositie tegenover de commune, waarin nog de eerwaardige burgerij heerste. De secties veroverden deze op 10 augustus 1792 met een stoutmoedige stormaanval. Van nu af aan stond de revolutionaire commune in tegenstelling tot de Wetgevende Vergadering en later tot de Conventie, die beide de loop en de taak van de revolutie niet bij konden houden en de gebeurtenissen slechts registreerden. Maar zij hadden geen leidende rol in die gebeurtenissen, omdat zij niet de energie, de vermetelheid, de eensgezindheid van die nieuwe klasse bezaten, die intussen uit de diepten van de Parijse arrondissementen omhoog gestegen was en een steunpunt in de meest achtergebleven dorpen gevonden had. Op dezelfde manier als de secties de commune veroverden, veroverde de commune door een nieuwe opstand de Conventie. Elk van deze fasen werd gekenmerkt door een scherp omlijnde dubbele heerschappij, waarbij beide vleugels ernaar streefden een homogene en sterke macht te scheppen, de rechtervleugel langs de weg van de verdediging, de linkervleugel langs die van de aanval. De behoefte aan een dictatuur, die zowel de revolutie als de contrarevolutie kenmerkte, komt voort uit de ondraaglijke tegenstellingen van de dubbele heerschappij. Maar de overgang van de ene vorm naar de andere wordt langs de weg van een burgeroorlog voltrokken. Grote etappes van de revolutie, d.w.z. machtsverschuivingen naar nieuwe klassen of groepen, vallen daarbij in het geheel niet samen met de cyclussen van de vertegenwoordigende lichamen die achter de beweging van de revolutie aanlopen. Weliswaar smelt tenslotte de revolutionaire dictatuur van de sansculottes samen met de dictatuur van de Conventie, maar van welke? – Het is die van de door de terreur van de girondijnen, die haar gisteren nog beheersten, gezuiverde, beknotte, aan de heerschappij van de nieuwe maatschappelijke kracht aangepaste Conventie. Zo verheft zich de Franse revolutie door de fasen van de dubbele heerschappij heen in de loop van vier jaren tot haar hoogtepunt. Met de 9de Termidor begint zij wederom langs de treden van de dubbele heerschappij af te dalen. En weer gaat de burgeroorlog aan het afdalen vooraf, evenals hij vroeger het opstijgen begeleidde. Zo zoekt de nieuwe maatschappij een nieuw evenwicht van de krachten.

De Russische burgerij die tegen de Raspoetinbureaucratie streed en tegelijkertijd met deze samenwerkte, had in de oorlog haar politieke stellingen zeer versterkt. Zij had, doordat zij de nederlagen van het tsarisme uitbuitte, door middel van de Zemstvo- en stadsbesturen en de oorlogsindustriecomités een grote macht, beschikte zelfstandig over reusachtige staatsmiddelen en vormde eigenlijk een nevenregering. De tsaristische ministers klaagden tijdens de oorlog erover dat vorst Lvov het leger verzorgde, voedde en genas en zelfs kapperszaken voor soldaten oprichtte. “Men moet een einde daaraan maken of hun de gehele macht in handen geven,” zei minister Krivosjejin reeds in 1915. Hij vermoedde toen nog niet dat vorst Lvov na anderhalf jaar inderdaad “de gehele macht” zou krijgen, alleen niet uit de handen van de tsaar, maar uit die van Kerenski, Tsjcheidse en Soechanov. Daags nadat dit gebeurd was, ontstond echter een nieuwe dubbele heerschappij: naast de liberale partiële regering van gisteren die nu formeel wettig was, ontstond de weliswaar officieuze, maar des te meer reële regering van de arbeidende massa’s in de vorm der Sovjets. Op dit moment begint de Russische revolutie een gebeurtenis van wereldhistorische betekenis te worden.

Waarin bestaat nu de eigenaardigheid van de dubbele heerschappij van de Februarirevolutie? In de gebeurtenissen van de zeventiende en achttiende eeuw vormde de dubbele heerschappij iedere keer een natuurlijke fase van de strijd die de deelnemers werd opgedrongen door de tijdelijke machtsverhoudingen, waarbij elke partij ernaar streefde de dubbele heerschappij door haar eigen alleenheerschappij te vervangen. In de revolutie van 1917 zien wij hoe de officiële democratie de dubbele heerschappij bewust en opzettelijk vestigt en zich met alle macht ertegen verzet de macht alleen over te nemen. De dubbele heerschappij ontstaat – zo lijkt het op het eerste gezicht – niet als resultaat van de strijd van de klassen om de macht maar als resultaat van het vrijwillig afstaan van de macht door de ene klasse aan de andere. Voorzover de Russische democratie een uitweg uit de dubbele heerschappij zocht, zag zij deze in het opgeven van de macht. Dit noemden wij juist de paradox van de Februarirevolutie.

Men zou een zekere analogie kunnen vinden in de houding van de Duitse burgerij tegenover de monarchie in het jaar 1848. Deze analogie is echter niet volkomen. De Duitse burgerij wilde weliswaar tot iedere prijs op grond van een wederzijdse overeenkomst de macht met de monarchie delen, maar zij had niet volkomen de macht en wilde deze ook niet helemaal aan de monarchie afstaan. “De Pruisische burgerij was in naam in het bezit van de macht; zij twijfelde geen ogenblik eraan of de machten van de oude staat hadden zich zonder voorbehoud tot haar beschikking gesteld en zich in even zovele devoot toegewijden, die afstand gedaan had van hun eigen macht, veranderd” (Marx en Engels). De Russische democratie van 1917, die vanaf het eerste ogenblik van de omwenteling de gehele macht bezat, streefde niet eenvoudig ernaar om deze met de burgerij te delen, maar om de staat volkomen aan deze laatste uit te leveren. Dit zou kunnen betekenen dat de officiële Russische democratie in het eerste kwart van de twintigste eeuw tijd gehad had om politiek meer tot ontwikkeling te komen dan de Duitse liberale burgerij van het midden van de 19de eeuw. Dit is ook volkomen wetmatig, want het vormt de keerzijde van de opkomst in deze decennia van de arbeidersklasse, die de plaats van de handwerkers van Cromwell en van de sansculottes van Robespierre ingenomen heeft.

Gaat men dieper op de zaak in, dan blijkt de dubbele heerschappij van de Voorlopige Regering en van het Uitvoerend Comité louter een spiegelbeeld te zijn. Slechts de arbeidersklasse kon aanspraak op de nieuwe macht maken. Terwijl zij aarzelend op de arbeiders en soldaten steunden, waren de verzoeningsgezinden gedwongen om behulpzaam te zijn bij de dubbele boekhouding van de tsaar en de profeten. De dubbele heerschappij van de liberalen en de democraten was slechts een weerspiegeling van de voorlopig verborgen dubbele heerschappij van de burgerij en van de arbeidersklasse. Wanneer de bolsjewieken de verzoeningsgezinden van de leiding der Sovjets zullen verdringen – wat na enige maanden geschiedt – dan zal de verborgen dubbele heerschappij aan het licht komen en dit zal de vooravond van de Oktoberrevolutie zijn. Tot op dit ogenblik zal de revolutie in een wereld van politieke weerspiegelingen leven.

Terwijl zij zich door de tinnengieterij van de socialistische intellectuelen heen brak, werd de dubbele heerschappij van een fase in de klassenstrijd tot een leidende gedachte. Dit bracht haar juist in het middelpunt van de theoretische discussie. Alles heeft zijn nut. Het louter weerspiegelende karakter van de dubbele heerschappij in februari maakte het ons mogelijk die historische fasen beter te begrijpen waarin de dubbele heerschappij een bloeiperiode in de strijd tussen twee regeringen lijkt. Zo maakt het weerkaatste en zwakke licht van de maan het mogelijk om belangrijke gevolgtrekkingen aangaande het zonlicht te maken.

In de veel grotere rijpheid van de Russische arbeidersklasse, vergeleken met de stedelijke massa’s uit de oude revoluties, lag juist het fundamentele kenmerk van de Russische revolutie dat aanvankelijk tot de paradox van een onwerkelijke dubbele heerschappij geleid en dan de voltooiing van een werkelijk dubbele heerschappij ten gunste van de burgerij verhinderd had. De kwestie was namelijk deze: óf de burgerij verovert werkelijk het oude staatsapparaat en vernieuwt dit voor haar eigen doeleinden waarbij de Sovjets moeten verdwijnen, óf de Sovjets worden de grondslag van een nieuwe staat waarbij zij niet alleen het oude apparaat maar ook de heerschappij van die klassen waartoe het gediend heeft, liquideren. De mensjewieken en de sociaal-revolutionairen stuurden op de eerste oplossing aan. De bolsjewieken op de tweede. De onderdrukte klassen – aan welke het volgens de woorden van Marat in het verleden aan kennis, vaardigheid en leiding ontbroken had om het door hen begonnen werk tot een goed einde te brengen – waren in de Russische revolutie van de twintigste eeuw zowel met het een als met het ander en ook met het laatste uitgerust. De bolsjewieken behaalden de overwinning.

Een jaar na hun overwinning deed zich hetzelfde, bij andere machtsverhoudingen, opnieuw voor in Duitsland. De sociaaldemocratie stuurde op bevestiging van de democratische macht van de burgerij en liquidatie van de sovjets aan. Luxemburg en Liebknecht sloegen de weg naar de heerschappij van de sovjets in. De sociaaldemocraten behaalden de overwinning. Hilferding en Kautsky in Duitsland en Max Adler in Oostenrijk stelden voor om democratie en sovjetstelsel te “combineren” en de arbeidersraden in de grondwet op te nemen. Dit zou de potentiële of openlijke burgeroorlog tot een bestanddeel van het staatsbestuur gemaakt hebben. Een merkwaardiger utopie is niet denkbaar. Als enige rechtvaardiging voor haar dient de oude traditie in de Duitse landen: de Wurtembergse democraten van 1848 wilden reeds een republiek met een hertog aan het hoofd.

Is het verschijnsel van de dubbele heerschappij, waaraan tot nu toe niet voldoende aandacht geschonken is, in strijd met de marxistische staatstheorie, volgens welke de regering als het uitvoerend comité van de heersende klasse beschouwd wordt? Met evenveel recht zou men kunnen zeggen: is het schommelen van de prijzen onder invloed van vraag en aanbod in strijd met de waardetheorie? Wordt de theorie van de strijd om het bestaan weerlegd door de zelfopoffering van het vrouwtje dat haar jong verdedigt? Neen, in deze verschijnselen zien wij slechts een gecompliceerde kruising van dezelfde wetten. Indien de staat de organisatie van de klassenheerschappij is en de revolutie de val van de heersende klasse, dan moet de overgang van de macht van de ene klasse op de andere noodzakelijk tegenstrijdige staatkundige verhoudingen in het leven roepen, voor alles in de vorm van de dubbele heerschappij. De verhouding van de klassenkrachten is geen wiskundige grootheid die van te voren te berekenen is. Indien het oude regime aan het wankelen gebracht is, kan de nieuwe machtsverhouding slechts als resultaat van een krachtmeting in de strijd ontstaan. Dit is juist de revolutie.

Schijnbaar heeft deze theoretische excursie ons van de gebeurtenissen van het jaar 1917 weggevoerd. In werkelijkheid doet zij ons tot hun diepste kern doordringen. De dramatische strijd van de partijen en klassen draaide juist om het probleem van de dubbele heerschappij. Slechts vanuit een theoretisch standpunt kan men ze volkomen overzien en juist begrijpen.

Print Friendly, PDF & Email