De reorganisatie van de partij

Hoe kan het volkomen isolement van Lenin begin april verklaard worden? Hoe kon een dergelijke situatie in het algemeen ontstaan? En hoe werd de reorganisatie in de leiding van het bolsjewisme doorgevoerd?

Vanaf 1905 voerde de bolsjewistische partij de strijd tegen het absolutisme onder de slogan: “Democratische heerschappij van de arbeidersklasse en van de boeren.” Zowel de slogan zelf als de theoretische motivering daarvan waren van Lenin afkomstig. In tegenstelling tot de mensjewieken, wier theoreticus Plechanov een onverzoenlijke strijd voerde tegen de “onjuiste gedachte van de mogelijkheid om de burgerlijke revolutie zonder burgerij te volbrengen,” meende Lenin dat de Russische burgerij niet meer in staat was haar eigen revolutie te leiden. Enkel de arbeidersklasse en de boeren konden in een nauw bondgenootschap met elkaar de democratische revolutie tegen monarchie en grootgrondbezitters doorvoeren. De overwinning van dit bondgenootschap zou, volgens Lenin, de democratische heerschappij tot stand brengen. Deze zou geenszins identiek zijn met de heerschappij van de arbeidersklasse. Het zou er veeleer tegenover staan, het doel was immers niet de vestiging van een socialistische samenleving en ook niet het tot stand brengen van overgangsvormen tot deze samenleving. Het bleef beperkt tot een radicale zuivering van de Augiasstal van de middeleeuwen. Het doel van de revolutionaire strijd was in drie strijdleuzen nauwkeurig vastgelegd – democratische republiek, confiscatie van het grootgrondbezit, achturendag. Deze drie slogans werden in de volksmond de drie walvissen van het bolsjewisme genoemd, in analogie met de walvissen waarop volgens een oude volkssage de wereld rust.

De vraag van de mogelijkheid om de democratische heerschappij van de arbeiders en de boeren door te voeren, hing samen met de vraag of de boeren in staat zouden zijn hun eigen revolutie te volbrengen, d.w.z. een nieuwe macht te vestigen die monarchie en adellijk grootgrondbezit zou kunnen liquideren. Weliswaar veronderstelde de slogan van de democratische heerschappij ook een deelname van vertegenwoordigers van de arbeidersklasse aan de revolutionaire regering. Maar deze deelname werd bij voorbaat reeds beperkt door de rol van de arbeidersklasse als linkse bondgenoot bij de verwezenlijking van de taak van de boerenrevolutie. De populaire en zelfs officieel aanvaarde gedachte van de hegemonie van de arbeidersklasse in de democratische revolutie kon derhalve geen andere betekenis hebben dan dat de arbeiderspartij de boeren met de politieke wapens uit haar arsenaal zou helpen, hen de beste middelen en methoden tot liquidatie van het feodalisme zou verschaffen en het gebruik van deze in de praktijk zou leren. De theorieën van de leidende rol van de arbeidersklasse in de burgerlijke revolutie betekenden in ieder geval nooit dat de arbeidersklasse de boerenopstand zou gebruiken om, steunend op deze, haar historische doeleinden, d.w.z. een directe overgang tot de socialistische maatschappij, aan de orde te stellen. De hegemonie van de arbeidersklasse in de democratische revolutie onderscheidde zich scherp van de heerschappij van de arbeidersklasse en werd ook in polemieken tegenover deze gesteld. Op deze gedachten was de scholing van de bolsjewistische partij vanaf het voorjaar van 1905 gebaseerd geweest.

Het feitelijk verloop van de Februari-omwenteling had zich niet aan het traditioneel schema van het bolsjewisme gehouden. Wel was de revolutie door het bondgenootschap van de arbeiders en boeren voltrokken. Dat de boeren hoofdzakelijk als soldaten opgetreden waren, verandert niets aan de zaak. De houding van het uit boeren bestaand leger van het tsarisme zou ook van beslissende betekenis geweest zijn indien de revolutie in vredestijd uitgebroken was. Des te natuurlijker is het dat het miljoenenleger in de oorlogsomstandigheden de boeren de eerste tijd volkomen verborgen gehouden heeft. Na de zegepraal van de opstand bleken de arbeiders en soldaten meester van de toestand te zijn. Schijnbaar had men dan ook in zoverre kunnen zeggen dat de democratische heerschappij van de arbeiders en van de boeren gevestigd was. In werkelijkheid had echter de Februarirevolutie geleid tot een burgerlijke regering, waarbij de macht van de bezittende klassen door de niet voltooide macht van de arbeiders- en soldatensovjets beperkt was. Alle kaarten lagen dooreen. Er ontstond in plaats van een revolutionaire heerschappij, d.w.z. de meest geconcentreerde macht, een wankele dubbele heerschappij waarbij de schaarse energie van de regerende groepen nutteloos verspild werd om de innerlijke conflicten te overwinnen. Dit regime had niemand voorzien. Men kan van een prognose ook niet verlangen dat zij niet alleen de voornaamste tendenties, maar ook de tijdelijke afwijkingen voorspelt. “Wie heeft ooit een werkelijk grote revolutie kunnen volbrengen en van te voren kunnen weten hoe ze ten einde gebracht moest worden?” vroeg Lenin later. “Waaruit zou men deze wetenschap ook kunnen putten? Uit boeken is ze niet te halen. Zulke boeken zijn er niet. Ons besluit kon slechts uit de praktische ervaring van de massa’s geboren worden.”

Het menselijk denken is conservatief en het denken van de revolutionairen is soms buitengewoon conservatief. De bolsjewistische leiders in Rusland bleven aan het oude schema vasthouden en zagen in de Februarirevolutie slechts een eerste fase van de burgerlijke revolutie, ofschoon duidelijk twee met elkaar onverenigbare regimes in haar vervat waren. Eind maart zond Rykov uit Siberië in naam van de sociaaldemocraten aan de “Pravda” een begroetingstelegram naar aanleiding van de overwinning van de “nationale revolutie” waarvan de taak bestond uit de “verovering van de politieke vrijheid.” Alle leidende bolsjewieken zonder uitzondering – wij kennen er althans geen – geloofden dat de democratische heerschappij nog moest komen. De democratische heerschappij van de arbeiders en boeren zou als inleiding van een burgerlijk-parlementair bewind ontstaan, nadat de Voorlopige Regering “onmogelijk geworden was.” Dit was een volkomen onjuiste prognose. Het bewind dat uit de Februari-omwenteling ontstond, leidde niet alleen niet een democratische heerschappij in, maar was het levend en afdoend bewijs ervan dat deze ook absoluut niet mogelijk is. Dat de verzoeningsgezinde democratie niet toevallig, niet door Kerenski’s lichtzinnigheid of Tsjcheïdses bekrompenheid, de macht aan de liberalen uitgeleverd had, bewees zij daardoor dat zij gedurende acht volgende maanden met alle macht voor het behoud van de burgerlijke regering streed, arbeiders, boeren en soldaten onderdrukte en op de 25ste oktober op haar post als bondgenote en beschermster van de burgerij zat. En van bij de aanvang was het duidelijk: indien de democratie die voor een reusachtige taak stond en in de massa’s onbeperkte ondersteuning vond vrijwillig van de macht afzag, geschiedde dit niet op grond van politieke principes of vooroordelen, maar tengevolge van de hopeloze toestand van de kleinburgerij in de kapitalistische maatschappij, vooral tijdens een oorlog en een revolutie, wanneer het om het bestaan van landen, volken en klassen gaat. Terwijl de kleinburgerij aan Miljoekov de scepter overreikte, zei zij: neen, deze taak gaat mijn krachten te boven.

De boeren, op wier ruggen de verzoeningsgezinde democratie omhoog geklommen was, omvatten alle klassen van de burgerlijke maatschappij in hun oervorm. Zij vormden, samen met de stedelijke kleinburgerij die in Rusland echter nooit een rol van betekenis speelde, dat protoplasma waaruit zich in het verleden de nieuwe klassen differentieerden en in de tegenwoordige tijd nog verder differentiëren. De boerenklasse heeft altijd twee aangezichten. Het ene naar de arbeidersklasse, het andere naar de burgerij gekeerd. De tweeslachtige, bemiddelende, verzoenende positie van boerenpartijen als de sociaal-revolutionaire kan slechts gehandhaafd worden zolang er een betrekkelijke politieke stilstand is. In een revolutionaire periode breekt onvermijdelijk het moment aan waarop de kleinburgerij moet kiezen. De sociaal-revolutionairen en mensjewieken maakten hun keus meteen. Zij smoorden de “democratische heerschappij” in de kiem om deze te beletten een brug tot de heerschappij van de arbeidersklasse te worden. Zij hadden echter juist hiermee de weg voor deze laatste gebaand, maar dan vanaf de tegenovergestelde kant. Niet door haar, maar tegen haar.

De verdere ontwikkeling van de revolutie kon klaarblijkelijk slechts op nieuwe feiten, maar niet op oude schema’s steunen. Door hun vertegenwoordiging werden de massa’s gedeeltelijk tegen haar wil, gedeeltelijk buiten haar medeweten, in het apparaat van de dubbele heerschappij opgenomen. Zij moesten van nu af aan door deze heengaan, om door praktische ervaring zich er van te overtuigen dat zij hen noch vrede, noch land kon verschaffen. Van nu af aan betekende een zich afwenden van het regime van de dubbele heerschappij voor de massa’s een breuk met de sociaal-revolutionairen en mensjewieken. Het is echter volkomen duidelijk dat de politieke overgang van de arbeiders en soldaten tot de bolsjewieken het gehele stelsel van de dubbele heerschappij omverwierp en niets anders meer kon betekenen dan vestiging van de heerschappij van de arbeidersklasse, welke steunde op het verbond van arbeiders en boeren. Bij een nederlaag van de volksmassa’s kon er op de puinhopen van de bolsjewistische partij slechts een militaire dictatuur van het kapitaal ontstaan. De democratische heerschappij was in beide gevallen uitgesloten. Doordat zij op deze hun blik gevestigd hielden, richtten de bolsjewieken feitelijk de blik naar het verleden. Lenin, die met het vaste voornemen gekomen was de partij in nieuwe banen te leiden, trof hen in deze toestand aan.

De formule van de democratische heerschappij was echter ook door Lenin zelf tot aan het begin van de Februarirevolutie noch voorwaardelijk, noch hypothetisch door een andere formule vervangen. Was dit juist? Wij geloven van niet. Hetgeen zich na de omwenteling in de partij voltrok, legde op al te onrustbarende wijze de vertraging in de reorganisatie bloot. Bovendien kon die reorganisatie in de gegeven omstandigheden slechts door Lenin tot stand gebracht worden. Hij had zich daarop voorbereid. Gedurende de oorlog had hij het ijzer heet gemaakt en telkens weer omgesmeed. De vooruitzichten van het historisch proces wijzigden zich in zijn ogen geheel. De ontwrichtingen, veroorzaakt door de oorlog, hadden de tijdsduur voor een socialistische revolutie in het Westen sterk verkort. De Russische revolutie, die voor Lenin nog steeds een democratische gebleven was, zou de aanzet geven tot een socialistische omwenteling in Europa, die dan op haar beurt ook het achtergebleven Rusland zou meesleepen. Dit was de algemene gedachtengang van Lenin toen hij Zürich verliet. De door ons reeds geciteerde brief aan de Zwitserse arbeiders luidt: “Rusland is een boerenland, een van de meest achtergebleven Europese landen. Het socialisme kan daar niet direct en onmiddellijk overwinnen. Maar het boerenkarakter van het land kan tegenover het nu nog bestaande geweldige grondbezit van de adellijke grootgrondbezitters op de basis van de in 1905 opgedane ervaring een ontzaglijke kracht aan de burgerlijk-democratische revolutie in Rusland verlenen en onze revolutie tot een voorspel van de socialistische wereldrevolutie maken, tot een fase van deze wereldrevolutie.” In deze zin schreef Lenin nu voor de eerste keer dat de Russische arbeidersklasse de socialistische revolutie zou beginnen.

Dit was de schakel tussen de oude stellingname van het bolsjewisme, waarbij de revolutie beperkt werd tot democratische doeleinden, en de nieuwe stellingname die Lenin in zijn Stellingen van 4 april voor het eerst aan de partij uiteenzette. Het vooruitzicht van een directe overgang tot de heerschappij van de arbeidersklasse kwam volkomen onverwacht, was in strijd met de traditie en wilde er eenvoudig niet in. Het is noodzakelijk hier eraan te herinneren dat men tot aan het uitbreken van de Februarirevolutie en in de eerste tijd daarna met de term ‘trotskisme’ niet verwees naar de stelling dat er binnen de nationale grenzen van Rusland geen socialistische samenleving kon opgebouwd worden (de gedachte van een dergelijke “mogelijkheid” werd voor 1924 door niemand uitgesproken en kwam stellig bij niemand op), maar wel naar de stelling dat de arbeidersklasse van Rusland eerder dan de arbeidersklasse van het Westen de macht zou kunnen krijgen en in dit geval niet binnen het kader van een democratische heerschappij zou kunnen blijven, maar met de eerste socialistische maatregelen zou moeten beginnen. Het is niet verwonderlijk dat men de aprilstellingen van Lenin als trotskistisch brandmerkte.

De bezwaren van de “oude bolsjewieken” waren van verschillende aard. De voornaamste strijd ging over de vraag of de burgerlijk-democratische revolutie beëindigd was. Daar de agrarische omwenteling zich nog niet voltrokken had, konden Lenins tegenstanders met het volste recht beweren dat de democratische revolutie nog niet geheel en al doorgevoerd was, en daaruit de conclusie trekken dat er voor de heerschappij van de arbeidersklasse ook dan geen plaats was indien de sociale verhoudingen van Rusland deze in een meer of minder nabije toekomst zouden mogelijk maken.

Op dezelfde manier had de redactie van de “Pravda” in het door ons reeds vermelde citaat de kwestie gesteld. Kamenev zei later op het congres in april nog eens: “Lenin heeft niet gelijk als hij zegt dat de burgerlijk-democratische revolutie beëindigd is… Het klassieke overblijfsel van het feodalisme – het adellijk grootgrondbezit – is nog niet geliquideerd… De staat is niet in een democratische maatschappij omgezet… Het is voorbarig te zeggen dat de burgerlijke democratie geen enkele mogelijkheid meer biedt.”

“De democratische heerschappij,” wierp Tomski tegen, “dat is onze basis… Wij moeten de macht van de arbeidersklasse en van de boeren organiseren en deze scheiden van de commune, omdat daar de macht slechts aan de arbeidersklasse toekomt.”

“Wij hebben een reusachtige revolutionaire taak,” viel Rykov hen bij. “Maar de verwezenlijking van deze taak brengt ons nog niet buiten het kader van een burgerlijke regering.”

Lenin zag ongetwijfeld niet minder duidelijk dan zijn tegenstanders dat de democratische revolutie niet ten einde was, of juister gezegd dat zij terwijl zij nauwelijks begonnen was, reeds begon terug te gaan. Doch hieruit juist vloeide voort dat zij slechts onder de heerschappij van de nieuwe klasse was door te voeren en dat men daartoe slechts komen kon indien men de massa’s aan de invloed van de mensjewieken en sociaal-revolutionairen, d.w.z. aan de indirecte invloed van de liberale bourgeoisie, onttrok. Het contact van deze partijen met de arbeiders en vooral met de soldaten werd versterkt door de gedachte van de landsverdediging – van de “verdediging van het land” of de “verdediging van de revolutie.” Lenin eiste daarom: onverzoenlijke politiek tegenover alle schakeringen van het sociaalpatriottisme, losmaking van de partij van de achtergebleven massa’s, om dan deze massa’s van haar achtergeblevenheid te bevrijden. “Men moet het oude bolsjewisme opgeven,” zei hij telkens. “Het is noodzakelijk een scheidingslijn tussen kleinburgerij en loonarbeiders te trekken.”

Bij een oppervlakkige beschouwing kon het lijken alsof de vroegere tegenstanders van wapenrusting verwisseld hadden. Mensjewieken en sociaal-revolutionairen vertegenwoordigden thans de meerderheid van de arbeiders en soldaten en verwezenlijkten om zo te zeggen metterdaad het politieke bondgenootschap tussen arbeidersklasse en boeren, dat de bolsjewieken altijd tegenover de mensjewieken verkondigd hadden. Lenin eiste echter dat de proletarische voorhoede zich van dit bondgenootschap zou losmaken. In werkelijkheid bleef iedere partij zichzelf trouw. De mensjewieken beschouwden als altijd ondersteuning van de liberale bourgeoisie als hun taak. Hun bondgenootschap met de sociaal-revolutionairen was slechts een middel om deze ondersteuning te vergroten en te consolideren. Daarentegen betekende de breuk van de proletarische voorhoede met het kleinburgerlijk blok een voorbereiding van het bondgenootschap tussen arbeiders en boeren onder leiding van de bolsjewistische partij, d.w.z. de heerschappij van de arbeidersklasse.

Andere bezwaren werden geput uit de achtergeblevenheid van Rusland. De macht van de arbeidersklasse betekende onvermijdelijk een overgang tot het socialisme. Economisch en cultureel was Rusland daartoe echter niet rijp. Wij zouden de democratische revolutie moeten doorvoeren. Slechts de socialistische revolutie in het Westen zou de heerschappij van de arbeidersklasse bij ons kunnen rechtvaardigen. Dit waren de bezwaren van Rykov op het congres in april. Dat de culturele en economische voorwaarden van Rusland op zichzelf onvoldoende zijn voor de opbouw van een socialistische maatschappij, was voor Lenin een waarheid als een koe. Maar de maatschappij is in het geheel niet zo rationeel opgebouwd dat het tijdstip voor de heerschappij van de arbeidersklasse juist dan aanbreekt wanneer de economische en culturele voorwaarden voor het socialisme rijp geworden zijn.

Indien de mensheid zich zo planmatig ontwikkelde, zou de heerschappij in het geheel niet nodig zijn, evenmin als een revolutie. Het gaat er juist om dat de werkelijke historische maatschappij door en door disharmonisch is en dit wel te meer naarmate haar ontwikkeling vertraagd is. Deze disharmonie komt juist tot uiting in het feit dat de bourgeoisie in een zo achtergebleven land als Rusland reeds vóór de volledige overwinning van het burgerlijk regime volkomen verrot was en dat, behalve de arbeidersklasse, niemand haar als leider van het volk kon vervangen. De economische achtergeblevenheid van Rusland ontheft de arbeidersklasse niet van de plicht, de taak, welke zij heeft te vervullen, maar zij maakt deze vervulling slechts buitengewoon moeilijk. Rykov, die er de nadruk op gelegd had dat het socialisme uit landen met een verder ontwikkelde industrie moest komen, kreeg van Lenin eenvoudig maar afdoend tot antwoord: “Men kan niet zeggen wie beginnen en wie beëindigen zal.”

In het jaar 1921, toen de partij nog ver van bureaucratische verstarring met dezelfde vrijmoedigheid haar verleden beoordeelde als zij haar toekomst had voorbereid, hield een van de oudere bolsjewieken, Olminski, die in de partijpers in alle fasen van haar ontwikkeling actief werkzaam was geweest, zich bezig met de vraag hoe het feit te verklaren was dat de partij op het ogenblik van de Februarirevolutie op opportunistische banen geraakt was. En hoe het haar daarna zo snel mogelijk geweest was de weg van oktober in te slaan. Genoemde auteur beschouwt zeer juist als bron van de dwalingen in maart het feit dat de partij “te lang aangestuurd heeft” op een democratische heerschappij. “De komende revolutie kan slechts een burgerlijke zijn… dit was,” zegt Olminski, “voor ieder partijlid een vaststaand feit, de officiële opvatting van de partij, haar vaste en onveranderlijke slogan tot aan de Februarirevolutie van 1917 en zelfs enige tijd daarna.” Olminski zou ter illustratie daarop hebben kunnen wijzen dat de “Pravda” nog voor Stalin en Kamenev, d.w.z. onder de linkse redactie waartoe ook Olminski behoorde, op 7 maart als vanzelfsprekend geschreven heeft: “Het gaat bij ons stellig nog niet om een val van de kapitalistische, maar om een val van de absolutistische en feodalistische heerschappij…” De partij werd door deze te beperkte doelstelling in maart tot een gevangene van de burgerlijke democratie gemaakt. “Hoe is het dan toch gekomen tot de Oktoberrevolutie,” vraagt de schrijver verder, “hoe kon het gebeuren dat de partij, zowel de leiders als de leden, zich zo plotseling losmaakte van datgene dat zij bijna twee decennia lang als onomstotelijke waarheid had beschouwd?”

Soechanov stelt als tegenstander dezelfde vraag op een andere manier: “Hoe en waardoor was Lenin in staat geweest de overwinning op zijn bolsjewieken te behalen?” Inderdaad, Lenins overwinning in de partij was niet alleen volledig, maar ook in zeer korte tijd behaald. De tegenstanders plachten hierom het persoonlijk regime in de bolsjewistische partij belachelijk te maken. Soechanov geeft op de vraag die hij opwerpt zelf het antwoord en wel volkomen volgens het heroïsch principe: “De geniale Lenin was een autoriteit van historische betekenis – dit is de ene kant van de zaak. De andere kant is dat er behalve Lenin niemand en niets in de partij was. Enkele leiders van enige betekenis waren zonder Lenin niets, als enkele verre planeten zonder de zon (ik laat hier Trotski buiten beschouwing die toentertijd nog niet in hun gelederen aanwezig was).” In deze merkwaardige passages wordt getracht de invloed van Lenin te verklaren uit diens invloed, evenals of de eigenschap van opium om slaap te verwekken verklaard wordt uit de slaapverwekkende kracht van de opium. Een dergelijke verklaring brengt ons echter niet veel verder.

De werkelijke invloed van Lenin in de partij was ongetwijfeld zeer groot, maar toch geenszins onbeperkt. Hij was ook later niet onbeperkt, ook niet na oktober toen Lenins gezag buitengewoon gestegen was omdat de partij zijn kracht getoetst had aan het wereldgebeuren. Een loutere verwijzing naar de autoriteit van Lenin in april 1917 is overigens onvoldoende als de gehele partijleiding toen de tijd vond om lijnrecht tegenover Lenin stelling te nemen.

Olminski komt dichter bij een antwoord op de vraag als hij aantoont dat de partij zich ondanks haar formule van de burgerlijk-democratische revolutie al lang voorbereidde om aan het hoofd van de arbeidersklasse de directe strijd om de macht te voeren. Dit gebeurde op basis van de gehele politieke koers tegenover de burgerij. “Wij (of velen van ons),” zegt Olminski, “stuurden onbewust op een arbeidersrevolutie aan, terwijl wij in de mening verkeerden op een burgerlijk-democratische revolutie aan te sturen. Wij bereidden m.a.w. oktober voor terwijl wij geloofden de Februarirevolutie voor te bereiden.” Dit is een zeer belangrijke conclusie die tegelijk een onweerlegbare getuigenis is!

Er was in de theoretische scholing van de revolutionaire partij een tegenstrijdigheid, die tot uiting kwam in de dubbelzinnige formule “democratische heerschappij” van de arbeidersklasse en van de boeren. Een afgevaardigde die op het congres stelling nam tegenover het referaat van Lenin, bracht de gedachte van Olminski nog eenvoudiger tot uiting: “De prognose die de bolsjewieken opgesteld hadden, bleek onjuist te zijn. Maar de tactiek was juist.”

In zijn stellingen van april die zo paradoxaal leken, baseerde Lenin zich tegenover de oude formule op de levende traditie van de partij: haar onverzoenlijkheid tegenover de heersende klassen en haar vijandigheid tegenover elke halfslachtigheid. En dat terwijl de “oude bolsjewieken” tegenover de concrete ontwikkeling van de klassenstrijd weliswaar nog verse maar toch reeds tot het verleden behorende herinneringen stelden. Lenin bezat een vaste steun die door de gehele geschiedenis van de strijd tussen bolsjewieken en mensjewieken voorbereid was. Men doet goed hier eraan te herinneren dat het officiële sociaaldemocratische programma toen bij bolsjewieken en mensjewieken nog hetzelfde was en dat de praktische doeleinden van de democratische revolutie er op papier bij beide partijen hetzelfde uitzagen. Maar in werkelijkheid waren ze absoluut niet gelijk. De bolsjewistische arbeiders namen direct na de omwenteling het initiatief tot de strijd om de achturendag; de mensjewieken noemden deze eis voorbarig. De bolsjewieken namen de tsaristische ambtenaren gevangen, de mensjewieken verzetten zich tegen “excessen”. De bolsjewieken begonnen op energieke wijze een arbeidersmilitie te vormen, de mensjewieken trachtten de bewapening van de arbeidersklasse tegen te houden. De mensjewieken wilden het immers niet aan de stok krijgen met de burgerij. De bolsjewieken streefden, nog voordat zij de grenzen van de burgerlijke democratie overschreden hadden, uit alle macht ernaar als onverzoenlijke revolutionairen te handelen, hoezeer zij ook door de leiding van de goede weg waren afgehouden. De mensjewieken daarentegen gaven telkens weer het democratisch programma prijs met het oog op het bondgenootschap met de liberalen. Kamenev en Stalin waren bij een volkomen ontbreken van democratische bondgenoten gedoemd alleen te blijven staan.

De botsing tussen Lenin en de generale staf van de partij in april is niet de enige geweest. Alle leiders van de partij stonden in de geschiedenis van het bolsjewisme, met uitzondering van enkele fasen die in wezen slechts de regel bevestigden, op alle belangrijke momenten in de ontwikkeling rechts van Lenin. Is dit toeval? Neen! Lenin is juist daarom de onbetwiste leider van de meest revolutionaire partij in de wereldgeschiedenis geworden omdat zijn denken en zijn wil opgewassen bleken tegen de grootse revolutionaire mogelijkheden die het land en de tijd boden. De andere leiders waren allen minder belangrijk.

Bijna alle leiders van de bolsjewistische partij stonden in de maanden en jaren die aan de revolutie voorafgingen buiten het actieve werk. Velen had de de ontmoedigende indrukken van de eerste maanden van de oorlog meegenomen in de gevangenis of in de verbanning en de ineenstorting van de Internationale eenzaam of in kleine groepjes doorleefd. Terwijl zij er in de partij voldoende blijk van gegeven hadden toegankelijk te zijn voor de revolutionaire ideeën, hetgeen hen immers juist aan het bolsjewisme bond, bezaten zij op zichzelf aangewezen niet de kracht om aan de door hun omgeving uitgeoefende druk te weerstaan en zelfstandig de gebeurtenissen marxistisch te beoordelen. De reusachtige ommekeer die zich gedurende de twee en een half jaar oorlog in de massa’s voltrokken had, was nagenoeg buiten hen om gegaan. De omwenteling had hen echter niet alleen aan hun isolement onttrokken, maar hen ook krachtens hun gezaghebbende positie op gewichtige posten in de partij geplaatst. Wat hun gevoelens betreft, stonden deze elementen niet zelden veel dichter bij de “Zimmerwald”-intellectuelen dan bij de revolutionaire arbeiders uit de bedrijven.

De “oude bolsjewieken” die zich in april 1917 zo lieten voorstaan op hun oude reputatie, waren tot een nederlaag gedoemd, want zij stonden juist dat element van partijtraditie voor dat niet tegen de historische kritiek bestand gebleken was. “Ik behoor tot de oude bolsjewieken-leninisten,” zei bijvoorbeeld Kalinin op de Petrogradse conferentie op 14 april, “en ben van mening dat het oude leninisme in de tegenwoordige bijzondere omstandigheden geenszins ondeugdelijk gebleken is. En ik kan mij slechts verbazen over de verklaring van kameraad Lenin dat de oude bolsjewieken momenteel een hinderpaal geworden zijn.” Dergelijke uitlatingen van gekrenkte personen kreeg Lenin in die dagen herhaaldelijk te horen. Terwijl hij met de traditionele tactiek van de partij brak, hield Lenin intussen geenszins op “leninist” te zijn: hij wierp het versleten omhulsel van het bolsjewisme weg om de kern tot nieuw leven te brengen.

Lenin vond tegenover de oude bolsjewieken steun bij een andere groep in de partij, die wel reeds beproefd maar frisser was en meer met de massa’s contact had. De bolsjewistische arbeiders hadden, zoals wij weten, in de Februarirevolutie de beslissende rol vervuld. Zij beschouwden het als vanzelfsprekend dat de klasse die de overwinning behaald had ook de macht moest krijgen. Deze arbeiders hadden krachtig tegen de koers Kamenev-Stalin geprotesteerd en de wijk Vyborg had zelfs met een royement van de “leiders” uit de partij gedreigd. Ditzelfde kon men in de provincie waarnemen. Bijna overal waren er linkse bolsjewieken die men van maximalisme en zelfs van anarchisme beschuldigde. Het ontbrak de revolutionaire arbeiders slechts de theoretische middelen om hun stellingen te verdedigen. Maar zij waren gereed om aan de eerste duidelijke oproep gehoor te geven.

Lenin oriënteerde zich naar deze groep onder de arbeiders die zich tijdens de opleving in de jaren 1912-1914 definitief gevormd had. Reeds bij het begin van de oorlog, toen de regering met de vernietiging van de bolsjewistische Doemafractie een zware slag aan de partij had toegebracht, wees Lenin, terwijl hij over de verdere revolutionaire arbeid sprak, op de “duizenden door de partij opgevoede klassenbewuste arbeiders van waaruit, alle moeilijkheden ten spijt, een nieuwe leidersgroep zou ontstaan.” Terwijl hij door twee fronten van hen gescheiden was en vrijwel ieder contact met hen verloren had, maakte Lenin zich toch nooit volkomen van hen los. “Oorlog, gevangenis, Siberië, dwangarbeid, … kunnen hen telkens weer neerslaan. Maar het is onmogelijk deze groep te vernietigen. Zij leeft. Zij is doordrongen van revolutionaire geest en antichauvinisme.” Lenin maakte samen met de bolsjewistische arbeiders in gedachten de gebeurtenissen door, trok samen met hen de nodige conclusies, alleen maar beter en stoutmoediger dan zijzelf. In zijn strijd tegen de besluiteloosheid van de staf en de grote officierengroep van de partij steunde Lenin vast op de onderofficierengroep die de eenvoudige bolsjewistische arbeider beter weerspiegelde.

De tijdelijke macht van de sociaalpatriotten en de verborgen zwakte van de opportunistische vleugel van de bolsjewieken bestonden daarin dat de eerstgenoemden op de toenmalige vooroordelen en illusies van de massa’s steunden en dat de laatstgenoemden zich aan deze aanpasten. De voornaamste kracht van Lenin was daarin gelegen dat hij de innerlijke logica van de beweging begreep en daarnaar zijn politiek richtte. Hij drong zijn plan niet aan de massa’s op. Hij hielp de massa’s hun eigen plan te zien en te verwezenlijken. Toen Lenin alle vraagstukken van de revolutie terugbracht tot dit ene vraagstuk – “het geduldig scholen” – betekende dit het bewustzijn van de massa’s in overeenstemming brengen met die situatie waarin het historisch proces hen gebracht had. Zowel arbeiders als soldaten moesten, ontgoocheld door de verzoeningsgezinde politiek, naar Lenins zijde overgaan zonder zich rond het tussenstation Kamenev-Stalin op te houden.

Zodra de tactiek van Lenin geformuleerd was, stelde deze de ervaring van de afgelopen maand en de ervaring van iedere nieuwe dag voor de bolsjewieken in een nieuw licht. Er begon onder de grote partijmassa een snelle differentiatie: naar links! Naar links! Tot de stellingen van Lenin!

“Het ene district na het andere,” zegt Salesjki, “sloot zich erbij aan en op het Al-Russisch partijcongres dat op 24 april bijeenkwam, sprak de Petrogradse organisatie zich in haar geheel voor de stellingen uit.”

De strijd om de reorganisatie van het bolsjewistisch kader, die begonnen was op de avond van 3 april, was tegen het einde van de maand reeds vrijwel afgelopen.[1] Het partijcongres, dat van 24 tot 29 april in Petrograd gehouden werd, maakte de balans op van maart, de maand van opportunistische zwenkingen, en van april, de maand van een heftige crisis. De partij was toentertijd sterk gegroeid, zowel wat aantal als ook wat politieke scholing betreft. 149 afgevaardigden vertegenwoordigden 79.000 partijleden, waarvan 15.000 uit Petrograd. Dit was voor de gisteren nog illegale en vandaag antipatriottische partij een indrukwekkend aantal en Lenin vermeldde het meermalen met voldoening. De politieke samenstelling van het congres kwam reeds aan het licht bij de keuze van het uit vijf leden bestaand presidium: noch Kamenev, noch Stalin, de voornaamste schuldigen aan het onheil van maart, werden erin gekozen.

Ook al waren de strijdvragen voor de partij als geheel definitief beslist, verschillende leiders die aan het verleden vastzaten bleven op dit congres in oppositie of toch in gedeeltelijke oppositie tegen Lenin. Stalin bewaarde het stilzwijgen en wachtte af. Dzerzjinski eiste in naam “van velen” die het “met de stellingen van de referent principieel niet eens waren” een bijkomend referaat door “de kameraden die samen met ons de revolutie praktisch beleefd hebben.” Dit was een duidelijke toespeling op het emigrantenkarakter van de stellingen van Lenin. Kamenev trad inderdaad op het congres op met een referaat ter verdediging van de burgerlijk-democratische heerschappij. Rykov, Tomski en Kalinin trachtten min of meer te volharden bij de stelling die zij in maart ingenomen hadden. Kalinin bleef aandringen op een vereniging met de mensjewieken, ten behoeve van de strijd tegen het liberalisme. Een gezien partijarbeider uit Moskou, Smidovitsj, klaagde hartstochtelijk: “Waar wij ook optreden, altijd worden ons de stellingen van kameraad Lenin als een schrikbeeld voorgehouden. Vroeger, toen de Moskovieten nog voor de resoluties van de mensjewieken stemden, was het veel eenvoudiger.”

Dzerzjinski trad als leerling van Rosa Luxemburg tegen het nationale zelfbeschikkingsrecht op en beschuldigde Lenin ervan separatistische aspiraties, die de arbeidersklasse van Rusland verzwakten, in de hand te werken. Op de tegenbeschuldiging van ondersteuning van het Groot-Russisch chauvinisme antwoordde Dzerzjinski: “Ik kan hem (Lenin) het verwijt maken dat hij op het standpunt van Poolse, Oekraïense en andere chauvinisten staat.” Deze dialoog was niet van politieke steken gespeend: de Groot-Rus Lenin beschuldigt de Pool Dzerzjinski van Groot-Russisch chauvinisme tegen de Polen, en hij wordt op zijn beurt door deze van Pools chauvinisme beschuldigd. Het gelijk was ook in deze politieke strijd volkomen aan de kant van Lenin. Zijn nationale politiek ging als belangrijk en wezenlijk bestanddeel over in de Oktoberrevolutie.

De oppositie was kennelijk verzwakt. Zij wist in de beslissende kwesties niet meer dan zeven stemmen rond zich te verenigen. Een merkwaardige en krasse uitzondering was echter de kwestie van de internationale verbindingen van de partij. Vlak voor het sluiten van het congres, in de avondzitting van 29 april, diende Zinovjev namens een commissie de volgende ontwerpresolutie in: “Deelname aan de op 18 mei belegde internationale conferentie van de Zimmerwalders” (in Stockholm). In de notulen staat: “Aangenomen met alle stemmen tegen één.” Deze ene stem was van Lenin. Hij wilde een breuk met Zimmerwald, waar de meerderheid definitief bij de Duitse onafhankelijken en de neutrale pacifisten van het slag van de Zwitser Grimm beland was. Zimmerwald was echter voor de Russische partijleiders tijdens de oorlog vrijwel identiek met het bolsjewisme geworden. De afgevaardigden weigerden zowel af te zien van de naam “sociaaldemocratie” als te breken met Zimmerwald, dat in hun ogen nog altijd een band met de massa’s van de Tweede Internationale was. Lenin trachtte de deelname aan de aanstaande conferentie althans tot louter informatorische doeleinden te beperken. Zinovjev keerde zich hiertegen. Het voorstel van Lenin werd niet aanvaard. Hij stemde daarop tegen de gehele resolutie. Niemand ondersteunde hem. Dit was een laatste opleving van de “maart”-stemmingen, een zich vastklampen aan de oude stellingen, angst voor “isolement.” De conferentie had echter in het geheel niet plaats en wel tengevolge van dezelfde kwalen van Zimmerwald die Lenin er juist toe bewogen hadden met Zimmerwald te breken. De met één stem tegen afgewezen boycotpolitiek werd op deze manier toch werkelijkheid.

De krasse bocht in de politiek van de partij werd voor iedereen duidelijk. Schmidt, een bolsjewistische arbeider en later volkscommissaris van arbeid, zei op het congres in april: “Lenin heeft de partij in een nieuwe richting geleid.” Volgens de uitdrukking van Raskolnikov, die echter pas enkele jaren later neergeschreven is, heeft Lenin in april 1917 “de Oktoberrevolutie in het bewustzijn van de partijleiders voltrokken… De tactiek van onze partij is geen rechte lijn; zij buigt na de aankomst van Lenin scherp naar links.” De oude bolsjewiste Ludmilla Stahl geeft de verandering directer en tevens preciezer aan: “Alle kameraden hebben tot de aankomst van Lenin in het duister getast,” zei zij op 14 april op de stedelijke conferentie. “Er waren slechts de formules van 1905. Wij waren niet in staat het volk tegenover zijn eigen, zelfstandige schepping ook maar iets te leren… Onze kameraden konden zich slechts bepalen tot het voorbereiden van de Constituerende Vergadering met parlementaire middelen en zagen geen mogelijkheden om verder te gaan. Wanneer wij de leuzen van Lenin aanvaarden, doen wij slechts wat het leven zelf ons gebiedt. Men mag niet bang zijn voor de commune omdat deze immers reeds een arbeidersregering is. De Parijse Commune was niet uitsluitend een arbeiderscommune, maar ook kleinburgerlijk.” Men kan het met Soechanov eens zijn dat de reorganisatie van de partij “de belangrijkste en beslissende overwinning van Lenin (voltooid in begin mei) geweest is.” Al meende Soechanov dat Lenin bij deze operatie de marxistische wapens voor anarchistische verwisseld had.

De vraag blijft bestaan, en dit is een belangrijke vraag, ofschoon het gemakkelijker is haar te stellen dan haar te beantwoorden: Hoe zou de revolutie zich ontwikkeld hebben indien Lenin in april 1917 Rusland niet had weten te bereiken? Indien wij met onze uiteenzetting in het algemeen iets bewezen en aangetoond hebben, dan is het hopelijk dat Lenin niet de schepper was van het revolutionair proces, doch zich slechts in de keten van de objectieve historische krachten gevoegd heeft. Maar hij was in deze keten een belangrijke schakel. De heerschappij van de arbeidersklasse vloeide voort uit de gehele situatie. Maar men moest deze eerst vestigen. Zij was zonder de partij niet te vestigen. De partij kon echter haar taak slechts vervullen nadat zij deze had leren kennen. Hiertoe was juist Lenin nodig. Tot aan zijn komst was geen van de bolsjewistische leiders in staat geweest de diagnose van de revolutie te maken. De leiding Kamenev-Stalin werd door de loop der dingen naar rechts gedreven, naar de sociaalpatriotten. De revolutie bood geen plaats voor tussenposities tussen Lenin en het mensjewisme. De interne strijd in de bolsjewistische partij was absoluut onvermijdelijk. De aankomst van Lenin heeft het proces slechts versneld. Zijn persoonlijke invloed heeft de crisis verkort. Kan men echter met zekerheid zeggen dat de partij ook zonder hem haar weg gevonden zou hebben? Wij zouden dit in geen geval durven beweren. De factor van de tijd beslist hier en achteraf kan men moeilijk op het uurwerk van de geschiedenis kijken. Dialectisch materialisme heeft in ieder geval niets met fatalisme gemeen. De crisis die de opportunistische leiding onvermijdelijk moest veroorzaken, zou zonder Lenin een buitengewoon ernstig karakter gekregen hebben en moeilijk te overwinnen geweest zijn. De oorlogs- en revolutieomstandigheden lieten echter aan de partij niet veel tijd om haar taak te vervullen. Het is derhalve absoluut niet uitgesloten dat de in verwarring gebrachte en innerlijk verscheurde partij de revolutionaire situatie voor vele jaren zou hebben laten voorbijgaan. De rol van de persoonlijkheid blijkt hier waarlijk reusachtig te zijn. Men moet alleen deze rol juist opvatten en de persoonlijkheid als een schakel in de historische keten zien.

Lenins “plotselinge” aankomst uit het buitenland na een lange afwezigheid, het woeste kabaal in de pers om zijn persoon, de botsing van Lenin met alle leiders van de eigen partij en zijn spoedige overwinning over hen – kortom het uiterlijke omhulsel van de gebeurtenissen heeft in dit geval sterk bijgedragen tot een mechanisch tegenover elkaar stellen van persoon, held, genie, objectieve verhoudingen, massa, partij. In werkelijkheid is een dergelijk tegenover elkaar stellen volkomen eenzijdig. Lenin was geen toevallig element in de historische ontwikkeling maar een product van de gehele voorafgaande Russische geschiedenis. Hij wortelde in deze. Hij had samen met de meest ontwikkelde arbeiders gedurende de afgelopen vijfentwintig jaren een hele strijd meegemaakt. “Een toeval” was niet zijn ingrijpen in de gebeurtenissen, maar veeleer die belemmering welke Lloyd George getracht had hem in de weg te leggen. Lenin stond niet als buitenstaander tegenover de partij, maar hij was de meest volkomen uitdrukking van deze. Terwijl hij haar schoolde, schoolde hij zichzelf aan haar. Zijn conflict met de leiding der bolsjewieken betekende de toekomstige strijd van de partij met haar verleden. Indien Lenin niet kunstmatig door emigratie en oorlog van de partij gescheiden was geweest, dan zou het uiterlijk verloop van de crisis niet zo dramatisch en de continuïteit van de innerlijke ontwikkeling van de partij niet zo verborgen geweest zijn. Uit de bijzondere betekenis die de aankomst van Lenin gekregen heeft, blijkt slechts dat leiders niet toevallig ontstaan, dat hun selectie en scholing tientallen jaren vereist, dat zij niet willekeurig te vervangen zijn, dat hun eliminering uit de strijd een ernstige wonde aan de partij kan toebrengen en de partij soms voor lange tijd kan verzwakken.


[1] Op dezelfde dag dat Lenin in Petrograd aankwam, werden aan de andere kant van de Atlantische oceaan, bij Halifax, door de Engelse zeepolitie vijf emigranten van het Noorse stoomschip “Christianiafjord” gehaald. De vijf waren op de terugreis uit New York naar Rusland: Trotski, Tsjoednovski, Melnitsjanski, Moechin, Fisjelev en Romantsjenko. Deze personen kregen pas op 4 mei de kans om naar Petrograd te gaan, toen de politieke reorganisatie van de bolsjewistische partij althans in grote trekken reeds voltooid was. Wij achten het daarom niet gewenst in de tekst een uiteenzetting in te lassen van de opvattingen over de revolutie die door Trotski in het toentertijd in New York verschijnend Russisch dagblad verkondigd werden. Omdat enige bekendheid met deze opvattingen het de lezer makkelijker kan maken om de verdere partijgroeperingen maar vooral ook de ideeënstrijd aan de vooravond van de Oktoberrevolutie te begrijpen, hebben we de betreffende standpunten achteraan dit boek als bijlage gevoegd. De lezer die niet tot een gedetailleerde bestudering van de theoretische voorbereiding van de Oktoberrevolutie wil overgaan, kan deze bijlage gerust overslaan. (Bijlage Nr. 2).

Print Friendly, PDF & Email