De regeerders en de oorlog

Wat dachten de Voorlopige Regering en het Uitvoerend Comité met deze oorlog en dit leger aan te vatten?

Allereerst moet men de politiek van de liberale burgerij begrijpen, aangezien deze de eerste viool speelde. Uiterlijk bleef de politiek van het liberalisme agressief-patriottisch, annexionistisch, onverzoenlijk. In werkelijkheid was zij tegenstrijdig, trouwloos en werd zij snel defaitistisch.

“Ook indien er geen revolutie geweest was, zou de oorlog toch verloren zijn en zou er waarschijnlijk een afzonderlijke vrede gesloten zijn,” schreef Rodsjanko later. Zijn inzichten munten niet uit door originaliteit en geven net daarom de doorsnee mening van de liberaal-conservatieve kringen goed weer. De opstand van de gardebataljons verkondigde de bezittende klassen niet de overwinning tegenover het buitenland, maar de nederlaag in het binnenland. De liberalen konden zich des te minder illusies daarover maken omdat zij het gevaar voorzien en naar hun beste krachten bestreden hadden. Het misplaatst revolutionair optimisme van Miljoekov, die de omwenteling plots tot een overwinning uitriep, was eigenlijk een laatste toevlucht in de twijfel. Het vraagstuk van oorlog en vrede had voor de liberalen grotendeels opgehouden een apart vraagstuk te zijn. Zij beseften dat ze er niet in zouden slagen om de revolutie dienstbaar te maken aan de oorlog. Des te dringender werd voor hen de andere taak: de oorlog te benutten tegen de revolutie.

De leiders van de Russische burgerij stonden vanzelfsprekend ook nu nog voor de vraagstukken van de internationale positie van Rusland na de oorlog: schulden en nieuwe leningen, kapitaal- en afzetmarkten. Het waren echter niet deze vraagstukken die direct hun politiek bepaalden. Het ging er nu niet om de meest voordelige internationale voorwaarden voor het burgerlijk Rusland te verkrijgen, maar om het burgerlijk regime zelf te redden. Zelfs al was dit ten koste van een verdere verzwakking van Rusland. “Eerst moet men weer gezond worden,” zei de zwaar gewonde klasse, “en dan later de zaak in orde maken.” Gezond worden betekende: met de revolutie afrekenen.

Het in stand houden van de oorlogshypnose en de chauvinistische stemmingen was voor de burgerij de enige mogelijkheid van een politieke band met de massa’s en vooral met het leger tegen de zogenaamde gangmakers van de revolutie. Men moest de van het tsarisme geërfde oorlog met de vroegere bondgenoten en doeleinden aan het volk voorstellen als een nieuwe oorlog, als een verdediging van de revolutionaire veroveringen en verwachtingen. Het zou voldoende geweest zijn dit te bereiken – maar hoe? – en het liberalisme rekende er stellig op die georganiseerde vaderlandslievende publieke opinie tegen de revolutie te kunnen richten, welke gisteren nog dienst gedaan had tegen de kliek van Raspoetin. Nu het niet gelukt was de monarchie als hoogste instantie tegen het volk te behouden, moest men des te meer op de geallieerden steunen: de Entente vormde in ieder geval een veel machtiger beroepsinstantie voor het voortzetten van de oorlog dan de eigen monarchie ooit had kunnen zijn.

De voortzetting van de oorlog moest de instandhouding van het oude militaire en bureaucratische apparaat, de verdaging van de Constituerende Vergadering, de onderwerping van het revolutionaire land aan het front, d.w.z. aan de generale staf, die zich bij de liberale burgerij had aangesloten, rechtvaardigen. Men verdaagde alle binnenlandse vraagstukken, zeker het agrarisch vraagstuk en de gehele sociale wetgeving, tot het einde van de oorlog en dit einde op zijn beurt tot de overwinning, waar de liberalen nochtans zelf niet in geloofden. De oorlog tot afmatting van de vijand werd omgezet in een oorlog tot afmatting van de revolutie. Het mag waar zijn dat dit geen kant en klaar, vooraf in officiële zittingen beraamd en overwogen plan was. Maar dit was ook niet nodig. Het plan kwam uit de gehele voorafgaande politiek van het liberalisme en uit de door de revolutie geschapen toestand.

Nu hij gedwongen was de weg van de oorlog in te slaan, bestond er voor Miljoekov natuurlijk geen enkele aanleiding om het aandeel in de buit prijs te geven. De verwachtingen die de geallieerden van de oorlog koesterden, waren immers volkomen reëel en met de deelname van Amerika aan de oorlog aanzienlijk gestegen. Weliswaar was de Entente nog iets anders dan Rusland. De leiders van de Russische burgerij hadden tijdens de oorlog leren begrijpen dat de overwinning van de Entente onvermijdelijk moest leiden tot een overwinning over Rusland, dat in ieder geval geslagen en verzwakt uit de oorlog zou voortkomen. Niettemin besloten de liberale imperialisten bewust de ogen voor dit vooruitzicht te sluiten. Er bleef hen ook niets anders over. Goetsjkov had openlijk in zijn kring verklaard dat alleen een wonder Rusland kon redden, en dat de hoop op een wonder zijn programma, d.w.z. van de minister van oorlog, vormde. Miljoekov had voor de binnenlandse politiek de mythe van de overwinning nodig. In hoeverre hij zelf hierin geloofde, deed er niet toe. Hardnekkig hield hij echter vol: Constantinopel moet aan ons toebehoren. Daarbij ging hij op de hem eigen cynische manier te werk. Op 20 maart trachtte de Russische minister van buitenlandse zaken de gezanten van de geallieerden over te halen Servië te verraden, om voor deze prijs het verraad van Bulgarije tegenover de centrale mogendheden te kopen. De Franse gezant fronste de wenkbrauwen. Miljoekov legde echter de nadruk op “de noodzakelijkheid om in deze kwestie af te zien van sentimentele overwegingen” en onder meer ook van dat neoslavisme dat hij vanaf het neerslaan van de eerste revolutie gepredikt had. Engels schreef niet voor niets nog in het jaar 1882 aan Bernstein: “Waarop loopt de hele Russische panslavistische charlatanerie uit? Op de inname van Constantinopel en niets anders.”

De venijnige beschuldigingen van Duitsgezindheid en zelfs van omkoopbaarheid door Duitsland, die gisteren nog tegen de hofhouding geuit waren, werden nu tegen de revolutie gericht. Hoe verder men kwam, des te driester, luider en brutaler klonk deze toon in de redevoeringen en artikelen van de kadettenpartij. Het liberalisme vertroebelde, voordat het de Turkse wateren ging veroveren, de bronnen van de revolutie en vergiftigde deze.

Lang niet alle liberale leiders hebben in het oorlogsvraagstuk een onverzoenlijke houding aangenomen, althans niet onmiddellijk na de omwenteling. Velen bevonden zich nog in de atmosfeer van prerevolutionaire stemmingen die met het vooruitzicht van een afzonderlijke vrede verbonden waren. Sommige leidende kadetten deelden dit later zeer openhartig mee. Nabokov had volgens zijn eigen erkenning reeds op de 7de maart besprekingen over een afzonderlijke vrede met leden van de regering. Enige leden van het kadettencentrum trachtten collectief hun leider van de onmogelijkheid van een voortzetting van de oorlog te overtuigen. “Met de hem eigen koele berekening spande Miljoekov zich, volgens de woorden van baron Nolde, in om te bewijzen dat de oorlogsdoeleinden bereikt moesten worden.” Generaal Alexejev, die in die tijd toenadering tot de kadetten zocht, steunde Miljoekov en beweerde, “dat het leger in beweging gebracht kon worden.” Deze organisator van alle onheil uit de generale staf voelde zich tot het in beweging brengen van het leger geroepen.

Menig naïeveling onder de liberalen en democraten begreep de koers van Miljoekov niet en hield deze zelf voor de trouwe ridder tegen de geallieerden, voor de Don Quichotte van de Entente. Wat een onzin! Miljoekov aarzelde, nadat de bolsjewieken de macht in handen hadden genomen, geen minuut om zich naar het door de Duitsers bezette Kiev te begeven en zijn diensten aan te bieden aan de regering van de Hohenzollerns, die overigens niet gehaast was om van die diensten gebruik te maken. Miljoekov streefde er vooral naar om toegang te krijgen tot Duitse middelen, hetzelfde Duitse goud wiens spook hij voorheen gebruikt had in een poging om de revolutie te bezoedelen. Miljoekovs beroep op Duitsland kwam in het jaar 1918 vele liberalen even onbegrijpelijk voor als diens programma tot verplettering van Duitsland in de eerste maanden van het jaar 1917. Het waren nochtans slechts twee zijden van dezelfde medaille. Met het plan de geallieerden, evenals vroeger Servië, te verraden, verried Miljoekov noch zichzelf, noch zijn klasse. Hij volgde slechts één en dezelfde politiek en het lag niet aan hem dat deze er niet fraai uitzag. Of hij nu onder het tsarisme de weg verkende om tot een afzonderlijke vrede te geraken, met de bedoeling om aan de revolutie te ontkomen, of dat hij de voortzetting van de oorlog tot het einde eiste, met de bedoeling, om met de Februarirevolutie af te rekenen, of dat hij later een bondgenootschap met de Hohenzollerns zocht met de bedoeling om de Oktoberrevolutie ten val te brengen, altijd bleef Miljoekov evenzeer trouw aan de belangen van de bezittende klasse. Wanneer hij deze niet kon helpen en iedere keer op een nieuwe hinderpaal stuitte, dan kwam dit doordat zijn opdrachtgevers zich in een slop bevonden.

Wat Miljoekov in de eerste tijd na de omwenteling voornamelijk ontbroken heeft, was een vijandelijke aanval, een flinke slag van de Duitsers tegen de revolutie. Ongelukkigerwijs waren de maanden maart en april om klimatologische redenen ongunstig geweest voor operaties op enigszins grotere schaal aan het Russische front. En de hoofdzaak was dat de Duitsers, wier positie steeds moeilijker werd, na ernstige aarzelingen besloten hadden de Russische revolutie aan haar eigen innerlijke ontwikkeling over te laten. Alleen generaal Linsingen ging op 20/21 maart op eigen initiatief bij de Stochod tot een aanval over. Zijn succes verschrikte de Duitse en verheugde tegelijkertijd de Russische regering. Met dezelfde onbeschaamdheid waarmee het onder de tsaar het kleinste succes opgeblazen had, overdreef het hoofdkwartier nu de nederlaag aan de Stochod. De liberale pers volgde. Gevallen van terugtochten, paniek en verliezen van de Russische troepen werden met hetzelfde welbehagen beschreven als vroeger gevangenen en trofeeën. Bourgeoisie en generale staf gingen duidelijk over tot het defaitisme. Linsingen werd echter op bevel van hogerhand teruggeroepen en het front verstarde weer in slijk en afwachting.

Het plan om tegen de revolutie op de oorlog te steunen, had slechts onder een voorwaarde succes kunnen hebben, indien de middenpartijen waar de volksmassa’s achter stonden bereid geweest waren de rol van de liberale politiek op zich te nemen. Het ging de krachten van het liberalisme te boven de oorlogsgedachte met de revolutiegedachte te verbinden: gisteren nog predikte het dat de revolutie een ramp voor de oorlog betekende. Het was noodzakelijk deze taak de democratie op de hals te schuiven. Men mocht echter het “geheim” niet aan haar onthullen. Men mocht haar niet in het plan inwijden, maar moest haar lokken. Men moest aanknopen aan haar vooroordelen, haar snoeverij op staatsmanswijsheid, haar angst voor anarchie, haar bijgelovige aanbidding van de bourgeoisie.

De socialisten – wij zijn gedwongen de mensjewieken en sociaal-revolutionairen gemakshalve zo te noemen – wisten in de eerste dagen niet wat zij met de oorlog moesten beginnen. Tsjcheïdse verzuchtte: “Wij hebben altijd tegen de oorlog gesproken, hoe kan ik dan nu tot een voortzetting van de oorlog oproepen?” Op 10 maart besloot het Uitvoerend Comité aan Franz Mehring een begroetingstelegram te zenden. Met deze kleine demonstratie probeerde de linkervleugel zijn niet erg nauwgezet socialistisch geweten te sussen. Over de oorlog zelf bleef de Sovjet zwijgen. De leiders waren bevreesd in deze kwestie een conflict met de Voorlopige Regering te verwekken en de wittebroodsweken van het “contact” te bederven. Zij waren niet minder beducht voor meningsverschillen in hun eigen midden. Er waren landsverdedigers en Zimmerwalders onder hen. Beiden overschatten hun meningsverschillen. Brede kringen van de revolutionair intellectuelen hadden tijdens de oorlog een grondige verandering in burgerlijke richting doorgemaakt.

Het openlijk of verborgen patriottisme verbond de intellectuelen met de regerende klassen en scheidde het van de massa’s. De banier van Zimmerwald waarmee de linkervleugel zich omhulde, verplichtte tot weinig, maar belette toch zijn vaderlandslievende solidariteit met de kliek van Raspoetin aan de dag te leggen. Nu was het bewind van de Romanovs echter ten val gebracht. Rusland was een democratisch land geworden. Zijn in alle kleuren schitterende vrijheid kwam scherp uit tegen de politionele achtergrond van het in een militaire dictatuur ingeklemde Europa. Moeten wij onze revolutie dan niet tegen de Hohenzollerns beschermen, riepen de oude en de nieuwe patriotten die zich aan het hoofd van het Uitvoerend Comité gesteld hadden. De Zimmerwalders van het genre Soechanov en Steklow beriepen zich aarzelend erop dat de oorlog imperialistisch gebleven was: de liberalen verklaarden immers dat de revolutie de door de tsaar beoogde annexaties moest verzekeren. “Hoe kan ik dan nu tot een voortzetting van de oorlog oproepen?” vraagt Tsjcheïdse verontrust. Daar het de Zimmerwalders echter zelf geweest waren van wie het initiatief tot het overgeven van de macht aan de liberalen uitgegaan was, hingen hun tegenwerpingen in de lucht. Na enige weken aarzelen en tegenstribbelen was met behulp van Tsereteli het eerste gedeelte van het plan van Miljoekov gelukkig opgelost: slechte democraten die zichzelf voor socialisten hielden, spanden zich in het gareel van de oorlog en deden moeite om onder pressie van de liberalen met al hun zwakke krachten de overwinning te verzekeren… van de Entente over Rusland, van Amerika over Europa.

De voornaamste functie van de verzoeningsgezinden bestond erin de revolutionaire energie van de massa’s om te schakelen op de leiding van het patriottisme. Zij streefden aan de ene kant ernaar het leger weer strijdvaardig te maken – dit was moeilijk. Zij trachtten aan de andere kant de regeringen van de Entente te bewegen van de roof af te zien – dit was belachelijk. In beide richtingen gingen zij van illusies naar ontgoochelingen en van fouten naar vernederingen. Wij willen de weg op dit pad aanduiden.

Rodsjanko had in de eerste uren van zijn grootheid, die van korte duur was, tijd gevonden om een bevel uit te vaardigen volgens hetwelk de soldaten terstond naar de kazernes moesten terugkeren en aan hun officieren gehoorzaamheid betonen. De hierdoor in het garnizoen teweeg gebrachte opwinding dwong de Sovjet ertoe een van zijn eerste zittingen aan het toekomstig lot van de soldaten te wijden. In de gloeiende sfeer van die uren, in de chaos van de zitting die meer op een meeting leek, onder het directe gebod van de soldaten die door de afwezige leiders niet gehinderd konden worden, ontstond de beroemde “Legerorder Nr. 1”, het enige waardige document van de Februarirevolutie, het charter van de vrijheid van het revolutionaire leger. De stoutmoedige artikelen van dit legerorder die de soldaten de organisatorische uitweg tot een nieuwe koers wezen, bepaalden: verkiezingscomités bij alle troepenafdelingen te vormen; soldatenafgevaardigden in de Sovjet te kiezen; bij elk politiek optreden zich te onderwerpen aan de Sovjet en de eigen comités; de wapens onder controle van de compagnies- en bataljonscomités te houden en deze “onder geen omstandigheden aan de officieren uit te leveren”; strenge militaire discipline in de dienst, alle burgerrechten buiten de dienst; eerbetuigingen aan en titels van de officieren buiten de dienst worden afgeschaft; onheus gedrag tegenover soldaten, in het bijzonder het aanspreken met “jij en jou”, is verboden, enzovoorts.

Dit waren de conclusies die de Petrogradse soldaten uit hun deelname aan de omwenteling trokken. Hoe hadden het ook andere kunnen zijn? Niemand waagde het zich te verzetten. Tijdens de uitwerking van het “legerorder” waren de leiders van de Sovjet in beslag genomen door meer verheven zorgen: zij onderhandelden met de liberalen. Hierdoor konden ze zich op een alibi beroepen toen ze zich tegenover de burgerij en de legerleiding moesten rechtvaardigen.

Gelijktijdig met het “Legerorder Nr. 1” zond het Uitvoerend Comité, dat inmiddels tijd gevonden had tot nadenken, als tegengif een oproep aan de soldaten ter drukkerij, waarin onder het mom van een veroordeling van eigenrichting tegen de officieren onderwerping aan de oude legerleiding geëist werd. De zetters weigerden eenvoudig dit document te zetten. De democratische opstellers ervan waren buiten zichzelf van woede. Waar moet dat heen? Het zou echter onjuist zijn aan te nemen dat de zetters een bloedig strafgericht tegen de officieren beoogd hadden. De oproep tot gehoorzaamheid daags na de omwenteling leek hen met het openzetten van de deur voor de contrarevolutie gelijk te staan. Zeker, de zetters hadden hun bevoegdheden overschreden. Maar zij voelden zich niet slechts zetters. Het ging naar hun mening om het lot van de revolutie.

In die eerste dagen, toen het lot van de naar de regimenten terugkerende officieren zowel onder soldaten, als arbeiders heftige opgewondenheid teweegbracht, had de “interrayonare” sociaaldemocratische organisatie, die dicht bij de bolsjewieken stond, de netelige kwestie met revolutionaire driestheid aan de orde gesteld. “Kies zelf trein-, compagnies- en regimentscommandanten, opdat de adel en de officieren u niet kunnen bedriegen,” luidde de door haar uitgevaardigde oproep aan de soldaten. Maar wat gebeurde er?

De proclamatie, die volkomen in overeenstemming was met de werkelijke verhoudingen, werd onmiddellijk door het Uitvoerend Comité in beslag genomen en Tsjcheïdse kwalificeerde ze in zijn rede als provocatie. Naar wij zien, deinsden de democraten er niet voor terug de drukpersvrijheid te beperken indien het er niet om ging slagen naar links uit te delen. Gelukkig was hun eigen vrijheid genoeg beperkt. Terwijl de arbeiders en soldaten het Uitvoerend Comité als hun hoogste orgaan ondersteunden, corrigeerden zij op alle gewichtige momenten de politiek van de leiding door hun directe inmenging.

Reeds na enkele dagen trachtte het Uitvoerend Comité door een “Legerorder Nr. 2” het eerste ongedaan te maken, doordat het de geldigheid ervan tot het militaire district Petrograd beperkte. Tevergeefs! Het Legerorder Nr. 1 kon niet verzwakt worden, want deze had niets nieuws bedacht, maar slechts datgene bekrachtigd dat in het achterland en aan het front tot uiting kwam en sanctionering verlangde. Zelfs de liberale afgevaardigden dekten zich, wanneer zij van aangezicht tot aangezicht tegenover de soldaten stonden, en hun vragen gesteld of verwijten gemaakt werden, met het “Legerorder Nr. 1”. In de hoge politiek werd het moedige legerorder echter tot het voornaamste argument van de burgerij tegen de Sovjets. De verslagen generaals hadden van nu af aan in het “Legerorder Nr. 1” de voornaamste hinderpaal ontdekt die hen belet had om de Duitse troepen te verpletteren. Als plaats van herkomst van het legerorder werd Duitsland aangeduid. De verzoeningsgezinden hielden niet op zich te excuseren voor wat er gebeurd was, en veroorzaakten opgewondenheid onder de soldaten, doordat zij trachtten met de rechterhand te nemen, wat aan de linkerhand ontglipt was.

De meerderheid van de afgevaardigden in de Sovjet verlangde intussen reeds dat de officieren gekozen zouden worden. De democraten werden onrustig. Soechanov, die geen betere argumenten wist te vinden, joeg angst aan met de bedreiging dat de bourgeoisie, aan wie de macht was overgegeven, verkiesbaarheid van de officieren niet zou aanvaarden. De democraten verscholen zich achter Goetsjkovs rug. De liberalen namen bij dit spel dezelfde plaats in die de monarchie bij het spel van het liberalisme moest innemen. “Toen ik van het podium naar mijn plaats ging,” vertelt Soechanov, “stuitte ik op een soldaat die mij de weg versperde en die, terwijl hij voor mijn ogen met de vuisten in het rond sloeg, vol woede foeterde tegen de heren die nooit een soldatenpak gedragen hadden.” Na dit “exces” ging onze democraat, die volkomen de kluts kwijt was, Kerenski zoeken en eerst met diens hulp “werd de kwestie dan op de een of andere manier op de lange baan geschoven.” Deze mensen deden niets anders dan kwesties op de lange baan schuiven.

Twee weken lang was het hen gelukt te doen alsof zij de oorlog niet zagen. Tenslotte werd een verder op de lange baan schuiven onmogelijk. Op 14 maart diende het Uitvoerend Comité in de Sovjet het door Soechanov geschreven ontwerp van een manifest “Aan de volkeren van de gehele wereld” in. De liberale pers noemde al spoedig dit document, dat de rechtse en linkse verzoeningsgezinden verenigde, “het Legerorder Nr. 1 op het gebied van de buitenlandse politiek.” Deze vleiende betiteling was echter even onwaarachtig als het document zelf waarop zij betrekking had. Het “Legerorder Nr. 1” was een eerlijk direct antwoord van de laagste klassen op die vragen die de revolutie voor het leger opgeworpen had. Het manifest van 14 maart was een trouwloos antwoord van de hogere klassen op vragen die hen eerlijk door de soldaten en arbeiders gesteld waren.

Het manifest bracht weliswaar het streven naar vrede en wel naar een democratische vrede zonder annexaties en oorlogsschattingen tot uiting. Maar deze fraseologie had de imperialisten van het Westen reeds lang vóór de Februarirevolutie leren gebruiken. Het was juist in naam van een veilige, eerlijke, “democratische” vrede, dat Wilson zich in die dagen opmaakte om aan de oorlog deel te nemen. De vrome Asquith gaf in het parlement een geleerde uiteenzetting over de annexaties, waaruit zonder enige twijfel bleek dat alle annexaties, die tegen de belangen van Groot-Brittannië ingingen, veroordeeld moesten worden. Wat de Franse diplomatie betreft, zo bestond haar gehele wezen er in een zo vrijheidslievend mogelijke uitdrukking aan de hebzucht van de handelaar en de woekeraar te verlenen. Het Sovjetdocument, waarvan men niet kan ontkennen dat het door een zekere simpele oprechtheid in de motivering gekenmerkt werd, kwam helaas in het oude spoor van de officiële Franse huichelarij. Het manifest beloofde “standvastig onze eigen vrijheid te verdedigen” tegen het buitenlandse militarisme. Juist daarmee gingen echter ook de Franse sociaalpatriotten sinds augustus 1914 in zee. Voor de volkeren is “de tijd gekomen over de vraag van oorlog en vrede zelf te beslissen,” verkondigde het manifest, waarvan de opsteller daarnet in naam van het Russische volk de oplossing van deze vraag aan de grote burgerij had overgelaten. Het manifest riep de arbeiders van Duitsland en Oostenrijk – Hongarije op: weiger een werktuig tot veroveringen en gewelddadigheden in handen van de koningen, grootgrondbezitters en bankiers te zijn! In deze woorden was de essentie van de leugen vervat, want de leiders van de Sovjet dachten er niet aan hun eigen bondgenootschap met de koningen van Groot-Brittannië, België, met de keizer van Japan, met de grootgrondbezitters en bankiers, zowel in het eigen land als in de Ententelanden, te verbreken. Nadat zij de leiding van de buitenlandse politiek aan Miljoekov overlieten, terwijl die enige tijd geleden zich nog gereed maakte om Oost-Pruisen tot een Russisch gouvernement te maken, riepen de leiders van de Sovjet de Duitse en Oostenrijk-Hongaarse arbeiders op het voorbeeld van de Russische revolutie te volgen. De theatrale veroordeling van de oorlog veranderde hieraan niets: ook de paus hield zich daarmee bezig. Met behulp van pathetische frasen die gericht waren tegen fictieve bankiers, grootgrondbezitters en koningen, maakten de verzoeningsgezinden de Februarirevolutie tot een werktuig van reële koningen, grootgrondbezitters en bankiers. Lloyd George begroette reeds in zijn telegram aan de Voorlopige Regering de Russische revolutie als een bewijs dat “de tegenwoordige oorlog in wezen een strijd om volksregering en vrijheid was.” Het manifest van 14 maart was in wezen “solidair met Lloyd George en verleende waardevolle ondersteuning” aan de militaristische propaganda in Amerika. De krant van Miljoekov had volkomen gelijk toen zij schreef “dat de oproep, die met zo typische pacifistische klanken begint, in wezen uitloopt op de ideologie die wij met al onze bondgenoten gemeen hebben.” Wanneer de Russische liberalen niettemin meermalen verwoede aanvallen op het manifest deden en de Franse censuur het in het geheel niet doorliet, kwam dit slechts uit angst voor die interpretatie, welke de revolutionaire, maar goedgelovige massa’s aan dit document gaven.

Dit door een Zimmerwalder opgesteld manifest liet de principiële overwinning van de patriottische vleugel zien. In de provincie gaven de Sovjets gehoor aan het signaal. De slogan “Oorlog aan de oorlog” werd verboden. Zelfs in de Oeral en in Kostroma, waar de bolsjewieken sterk waren, vond het patriottisch manifest algemeen bijval. Dit is niet verwonderlijk: de bolsjewieken hadden zich immers ook in de Petrogradse sovjet niet tegen dit leugenachtig document verzet.

Na enige weken was men gedwongen een gedeeltelijke betaling op de wissel te doen. De Voorlopige Regering schreef een oorlogslening uit, die weliswaar vrijheidslening genoemd werd. Tsereteli toonde aan dat de democratie de lening moest steunen, daar de regering “im grossen und ganzen” haar verplichtingen nakwam. In het Uitvoerend Comité wist de oppositionele vleugel meer dan een derde van de stemmen te verenigen. In de plenaire zitting van de Sovjet stemden op 22 april echter slechts 112 van de ongeveer tweeduizend afgevaardigden tegen de lening. Hieruit trok men meer dan eens de conclusie: het Uitvoerend Comité is linkser dan de Sovjet. Dit was echter onjuist. De Sovjet was alleen maar eerlijker dan het Uitvoerend Comité. Indien de oorlog de verdediging van de revolutie is, dan moet men geld voor de oorlog geven, moet men de lening steunen. Het Uitvoerend Comité was niet meer revolutionair, maar meer geslepen. Het leefde van dubbelzinnigheden en uitvluchten. Het ondersteunde de zelf tot stand gebrachte regering “im grossen und ganzen” en nam de verantwoordelijkheid voor de oorlog slechts op zich “in zoverre als.” Deze slimmigheden waren vreemd aan de massa’s. De soldaten konden noch strijden “in zoverre als”, noch sterven “im grossen und ganzen.”

Generaal Alexejev, die op 5 maart het plan gehad had de propagandistenbende te fusilleren, werd op 1 april officieel aan het hoofd van de gewapende macht gesteld om de overwinning van de staatsgedachte over de waandenkbeelden te bevestigen. Van nu af aan was alles in orde. De leider van de buitenlandse politiek van het tsarisme, Miljoekov, was minister van buitenlandse zaken. De bevelhebber van het leger onder de tsaar, Alexejev, was opperbevelhebber van de revolutie. De successie was hiermee volkomen in orde.

Tegelijkertijd waren de Sovjetleiders door de situatie zelf gedwongen de mazen van het net, dat zij zelf gevlochten hadden, los te knopen. De officiële democratie had een dodelijke angst voor die officieren die zij duldde en ondersteunde. Zij kon niet anders doen dan hen aan een controle onderwerpen en daarbij streefde zij ernaar deze controle in de soldaten te verankeren en tegelijkertijd zo onafhankelijk mogelijk van hen te maken. In de zitting van de 6de maart verklaarde het Uitvoerend Comité dat het gewenst was bij alle troepenafdelingen en militaire bureaus eigen commissarissen te benoemen. Zo ontstond een drievoudige verbinding: de troepenafdelingen vaardigden hun vertegenwoordigers naar de Sovjet af; het Uitvoerend Comité zond zijn commissarissen naar de troepenafdelingen en tenslotte werd aan het hoofd van iedere troepenafdeling een gekozen comité gesteld dat zoiets als een lagere cel van de Sovjet vormde.

Een van de voornaamste taken van de commissarissen bestond in het controleren van de politieke betrouwbaarheid van de generale staven en van de legerleiding. “Het democratisch bewind heeft spoedig het absolutistische bewind overtroffen,” zegt Denikin verontwaardigd en snoevend voegt hij er direct aan toe hoe handig zijn staf de correspondentie in cijferschrift van de commissarissen met Petrograd onderschepte en aan hem overbracht. Monarchisten en verdedigers van de lijfeigenschap op de vingers zien – wat kan er stuitender zijn dan dat? Het is echter iets helemaal anders om de correspondentie van de commissarissen met de regering te stelen. Wij laten de moraal buiten beschouwing, maar de interne verhoudingen in de legerleiding komen op de meest krasse wijze aan het licht: beide partijen zijn bevreesd voor elkaar en bewaken elkaar vijandig. Slechts de gemeenschappelijke angst voor de soldaten verbindt hen. Zelfs de generaals en admiraals zagen, welke ook hun verdere plannen en verwachtingen geweest mochten zijn, dat het hen zonder democratische dekmantel niet goed zou vergaan. De voorschriften over de comités bij de vloot werden door Koltsjak uitgewerkt. Hij rekende erop ze later weer weg te werken. Daar men nu echter geen stap zonder die comités kon doen, kwam Koltsjak bij het hoofdkwartier verzoeken om ze goed te keuren. Op dezelfde manier zond generaal Markow, een van de latere aanvoerders van het witte leger, begin april een ontwerp betreffende de instelling van commissarissen om toezicht te houden op de loyaliteit van de legerleiding, aan het ministerie. Zo bezweken de oeroude wetten van het leger, d.w.z. de tradities van de militaire bureaucratie, als strohalmen onder de stormaanval van de revolutie.

De soldaten kwamen van de andere kant tot de comités en sloten zich om deze aaneen tegen de legerleiding. En al beschermden de comités ook de officieren tegen de soldaten, dit geschiedde toch slechts tot op zekere hoogte. De positie van een officier die met het comité in conflict gekomen was, werd ondragelijk. Zo ontstond de ongeschreven soldatenwet dat zij de bevelhebbers konden afzetten. Aan het Westfront moesten, volgens mededeling van Denikin, tot begin juli ongeveer zestig oude bevelhebbers, van korpscommandant tot regimentscommandant, aftreden. Zodanige afzettingen hadden ook binnen de regimenten plaats.

Intussen werd er in het ministerie van oorlog, in het Uitvoerend Comité, in de zittingen van de contactscommissie moeizaam aan gewerkt de verhoudingen in het leger beter te formuleren en het gezag van de superieuren te versterken door de betekenis van de legercomités tot een meer ondergeschikte, voornamelijk economische rol, terug te brengen. Terwijl de verheven leiders echter met een fictieve bezem de fictieve revolutie schoonveegden, ontplooiden de comités zich tot een machtig gecentraliseerd systeem, dat tot het Petrogradse Uitvoerend Comité reikte en aan dit comité organisatorisch de macht over het leger verzekerde. Het Uitvoerend Comité gebruikte echter deze macht hoofdzakelijk om het leger door middel van de commissarissen en van de comités weer in het gareel van de oorlog te spannen. De soldaten zien zich steeds vaker gedwongen na te denken over de vraag hoe het toch komt dat de door hen gekozen comités dikwijls niet datgene uitspreken wat zij, de soldaten denken, maar datgene wat de superieuren van hen, de soldaten, wensen.

De loopgraven zenden in steeds grotere getale afgevaardigden naar de hoofdstad, om te weten te komen wat er toch aan de hand is. Vanaf begin april bestaat er een geregeld contact met het front, iedere dag vinden er in het Taurisch paleis gezamenlijke besprekingen plaats, de van buiten aankomende soldaten laten moeizaam hun hersens werken om wegwijs te worden in de geheimen van de politiek van het Uitvoerend Comité, dat op geen enkele van hun vragen een duidelijk antwoord geven kan. Het leger gaat moeizaam naar de Sovjets over, om zich des te meer te overtuigen van de gebreken van de leiding van de Sovjets.

De liberalen, die zich niet openlijk tegenover de Sovjet durven te stellen, trachten toch een strijd om het leger te voeren. Natuurlijk moet het chauvinisme als politieke band met het leger dienen. In een van de onderhandelingen met afgezanten uit de loopgraven verdedigde de kadettenminister Sjingarev het bevel van Goetsjkov tegen de “te grote consideratie” tegenover de gevangenen, met verwijzing naar de “Duitse gruwelen.” De minister vond niet de minste instemming. De vergadering sprak zich beslist voor verzachting van het lot van de gevangenen uit. Dit waren dezelfde mannen die door de liberalen voortdurend van excessen en gruwelen beschuldigd werden. Maar de grijze massa van het front had haar eigen maatstaven. Zij beschouwde het als geoorloofd wraak te nemen op een officier voor kwellingen aan soldaten aangedaan, maar zij beschouwde het als een laagheid wraak te nemen op een gevangen genomen Duitse soldaat voor werkelijke of vermeende gruweldaden van Ludendorff. De eeuwige normen van de moraal bleven, helaas, vreemd aan deze onbehouwen en vervuilde boeren.

De poging van de burgerij om het leger in handen te krijgen, leidde op de conferentie van afgevaardigden van het westfront, die van 7 tot 10 april gehouden werd, tot een wedstrijd tussen liberalen en verzoeningsgezinden, een wedstrijd die overigens niet tot volledige ontplooiing kwam. Op deze eerste conferentie van een van de fronten moest definitief blijken hoe de politieke toestand van het leger was. En beide partijen zonden hun beste krachten naar Minsk. De Sovjet: Tsereteli, Tsjcheïdse, Skobeljev, Gvosdjev; de burgerij: Rodsjanko in hoogsteigen persoon, de Demosthenes van de kadetten Roditsjjev en anderen. Er heerste een hartstochtelijke spanning in de overvolle schouwburg te Minsk en deze verspreidde zich van daaruit over de stad. De rapporten van de gedelegeerden gaven een beeld van de werkelijkheid. Aan het gehele front hebben verbroederingen plaats, de soldaten nemen steeds stoutmoediger het initiatief, het commando vermag aan repressailles niet eens te denken. Wat hadden de liberalen daarop te zeggen? Tegenover dit hartstochtelijk gehoor zagen zij direct af van de gedachte om hun resoluties tegenover die van de Sovjets te stellen. Zij bepaalden zich tot vaderlandslievende klanken in hun begroetingsredevoeringen en werden spoedig volkomen weggevaagd. De slag was zonder strijd door de democraten gewonnen. Zij behoefden de massa’s niet tegen de burgerij te leiden, maar moesten ze terughouden. De slogan van vrede, die op dubbelzinnige wijze met de slogan van verdediging van de revolutie in de geest van het manifest van 14 maart vervlochten was, beheerste het congres. De Sovjetresolutie over de oorlog werd met 610 tegen 8 stemmen bij 46 stemonthoudingen aangenomen. De laatste hoop van de liberalen om het front tegen het achterland, het leger tegenover de Sovjet te kunnen stellen, vervloog. Maar ook de democratische leiders keerden meer verschrikt dan geestdriftig over hun eigen overwinning van het congres terug. Zij hadden de geesten aanschouwd die de revolutie opgeroepen had en zij beseften dat zij tegen deze geesten niet opgewassen waren.

Print Friendly, PDF & Email