Over de geschiedenis van 1968 in België

In het boek ‘PVDA en LSP. Verschillen en mogelijke raakvlakken in de opbouw van een politiek alternatief’ door Eric Byl (uitgebracht in 2015) handelt een hoofdstuk over de gebeurtenissen voor, tijdens en vlak na 1968. In het boek wordt deze periode behandeld met het oog op een beter begrip van de ontwikkeling van de PVDA. Maar het biedt ook een nuttige kijk op 1968 in ons land. Enkele uittreksels.

In “Een kwarteeuw mei ’68” beschrijven Ludo Martens en Kris Merckx het verloop van de gebeurtenissen die plaatsgrepen in België in de tweede helft van de jaren 1960, toen zij actief werden. Doorgaans bestaat het vooroordeel dat mei ’68 zich vooral afspeelde in Frankrijk. Dat als het regent in Parijs, het dan druppelt in Brussel. Dat de beweging in België beperkt bleef tot de eis van Leuven Vlaams en dus niet zoveel voorstelde. Martens en Merckx weerleggen die mythe met verve.

Helaas is hun uitgangspunt in “Een kwarteeuw mei ’68” gebaseerd op een historische vergissing van formaat. “Tot begin ‘60 wist de bourgeoisie in Vlaanderen haar intellectuelen op te fokken in de bekrompen wereld van het rechtse Vlaams nationalisme en van het klerikalisme”, schrijven ze. Dat de burgerij haar intellectuele elite aan de universiteiten een bekrompen rechtse en reactionaire visie wou bijbrengen, dat zal wel. Maar haar politiek was niet om het Vlaams nationalisme te bevorderen. Het opleggen van het Frans als de taal van de elite en het beschouwen van het Vlaams als minderwaardig, maakte juist integraal deel uit van de elitaire visie van het unitaire België. Het beperkte de carrièremogelijkheden van de Vlaamse intellectuele elite die het aanvoelde als achterstelling.

Dat was juist een van de vonken die in die jaren het vuur aan het lont zou steken. Maar de combinatie van Vlaamse ontvoogding met reactionaire opvattingen was niet opgewassen tegen een aantal belangrijke gebeurtenissen, zoals de Staking van de Eeuw in 1960-’61, de onafhankelijkheid van Congo, de Belgische interventie en de moord op Lumumba, de gewapende strijd tegen de Amerikaanse interventies in San Domingo en Vietnam, en dan de strijd in Zwartberg waarbij de rijkswacht twee mijnwerkers doodde. Onder impuls van deze en andere gebeurtenissen radicaliseerde de maatschappij en de studenten weerspiegelden dat.

Tegen die achtergrond en ook door het toenemend aantal studenten tengevolge van de democratisering van het onderwijs, sluimerde een conflict met de onaangepaste autoritaire academische structuren. Dat was vooral het geval in het katholieke onderwijs en in het bijzonder in Leuven. Al in 1962 sprak de Vereniging van Vlaamse Studenten (VVS) zich officieel uit voor studentensyndicalisme. In 1965 eiste het de erkenning van de student als jonge intellectuele arbeider en een integraal en eenvormig studieloon. In mei 1966 raasde vier, vijf dagen lang een revolte van duizenden studenten door Leuven. Ze werden uiteen geknuppeld en uiteen gespoten door de rijkswacht, maar de revolte kwam pas ten einde nadat de academische overheid het universitair jaar vevroegd opschortte.

De week erop kende de beweging een uitloper naar heel Vlaanderen. Duizenden scholieren betoogden en staakten in Antwerpen, Sint-Niklaas, Brussel, maar ook in Kortrijk en Aarschot. Een generatie werd klaargestoomd voor de volgende vloedgolf. “Het tijdperk der geuzen is ingeluid” schreef Gaby Van Dromme. De studenten eisten een “open dialoog in plaats van vernederend als onmondig te worden beschouwd, verantwoording van de universiteit aan de gemeenschap in plaats van autocratische dictaten en solidariteit met de arbeiders die eveneens getroffen worden door de gevestigde machten: het clericalisme, het unitarisme en het kapitalisme.”

Die solidariteit met de arbeiders was wel heel concreet geworden nadat de rijkswacht in Zwartberg op 31 januari 1966 twee stakende mijnwerkers doodschoot. Van Dromme schreef daarover dat de kern van het dramatische voorval is “dat een kapitalistische staat als België in zich steeds de kiemen draagt van tweedracht: tussen kapitaal en arbeid.” Het blad van het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond (KVHV), Ons Leven, stak in november 1965 de draak met de IJzerbedevaart: “een voorbeeld van verlicht kabaret, als de context niet zo verouderd was, en als bepaalde veruitwendigheden geen regelrechte clichees waren van het Dritte Reich … Laten we deze pacifistische idealen niet misbruiken door gefrustreerde flaminganten. Het ideaal is te schoon.

Nog datzelfde najaar ’66 organiseerden de nieuwe studentenverantwoordelijken van het KVHV, toen de enige politieke massaorganisatie van studenten, een voettocht door Vlaanderen. Ze startten met 150 in Oostende voor een zesdaagse. Het was de gelegenheid om de mei-revolte te verwerken en te analyseren. Iedere avond werd er bij aankomst een publieke meeting aan gekoppeld. De mars groeide aan tot een duizendtal voor de eindetappe van Mechelen naar Leuven.

Over de eis “Leuven Nederlands” (sic) schreef Ons Leven: “het is geen stelling die wij voorop plaatsen, het is een uitvloeisel van onze nieuwe geest. Wij stellen voorop dat een universiteit volledig in de gemeenschap moet zijn ingebouwd, er moet een levendige wisselwerking zijn tussen de universiteit en de gemeenschap omdat een universiteit als enige taak heeft: het opleiden van mensen voor die gemeenschap. Vanuit dit standpunt hebben wij ook de plicht voor Wallonië een eigen universiteit te eisen.

Tijdens het academiejaar 1966-’67 kwamen de studenten op adem na de geleverde strijd. Het was een jaar waarin de spontane opstandigheid werd omgezet in linkse ideeën. Tijdens ‘Operatie Ultimatum’ in februari tot mei 1967 werden allerlei prikacties gevoerd, zoals een actie aan het parlement en een bezetting van het Atomium. Het was de noodzakelijke voorbereiding voor de revolte die in januari 1968 losbarstte. Die werd aangestoken door de Belgische bisschoppen. In al hun wereldvreemde arrogantie verkondigden ze op 13 januari dat de Franstalige universiteit in Leuven zou blijven.

Drie weken studentenrevolte

Drie dagen later, op 16 januari, greep een massameeting plaats in auditorium De Valk. “Bourgeois buiten” scandeerde men, naar analogie en vooral in de plaats van “Walen buiten”. Men trok de straat op, sleurde de inboedel van de hallen naar buiten en stookte hem op. Tweeduizend studenten betoogden om 22u. De rijkswacht pakte er 325 op. De volgende ochtend was heel Leuven Nederlands in staking. Leuven werd overdekt met muurkranten. Dat gebruik dateert vooral uit de beginjaren van de Sovjetunie. Midden de jaren 1960 herleefde het in China tijdens de Culturele Revolutie vanwaar het overwaaide naar geradicaliseerde studenten overal ter wereld.

De rijkswacht ranselde er opnieuw op los. De verontwaardiging daarover doet de rangen van de studenten alleen maar aanzwellen. De rijkswacht viel het studentenrestaurant Alma II binnen waar een meeting plaatsgreep. “Schieten! Schieten! Schieten!” scanderen de studenten sarcastisch. Paul Goossens werd opgepakt en de studenten hadden er meteen een argument bij om nog meer te mobiliseren. Op 18 januari werd een samenscholingsverbod uitgevaardigd. Meer dan 2.000 studenten konden niet allen tegelijk binnen in de Alma voor een meeting.

De volgende dag vatten 3.000 studenten post op de Grote Markt voor de hallen omdat de Academische Raad om 16 uur samen kwam. Met de armen ineen gehaakt, weerstonden ze de waterkanonnen tot die  leeggespoten waren. De rijkswacht moest er met matrakken op in hakken om de massa uiteen te drijven. De Academische Raad besliste de lessen te schorsen tussen 19 en 27 januari. Intussen verspreidden de studenten het tweede nummer van hun illegaal dagblad Revolte.  Er werd opgeroepen voor dagelijkse volksvergaderingen en geëist dat de universiteit een auditorium afstaat. Zo konden de studenten hun standpunten bepalen en de situatie analyseren in hun eigen universiteit.

De academische overheid had gehoopt dat de beweging zou uitdoven als de lessen geschorst werden. Het werd een grote misrekening. Op maandag 22 januari kwamen er opnieuw 2.000 studenten samen in de Alma II. Bovendien begon een week van actie in Leuven door te sijpelen naar de rest van Vlaanderen. De Katholieke Jeugdraad steunde de studenten en in de middelbare scholen gingen acties van start. Revolte radicaliseerde en wilde de volksvergaderingen en conferenties combineren met ondergrondse guerrilla. Het nummer waarin het recepten publiceerde voor het maken van Molotov-cocktails werd door rector De Somer in beslag genomen.

De 23ste staakte de Gentse universiteit. Scholieren trokken er van school tot school om de staking uit te breiden. In Mol en Lommel waren er 1.500 betogers. In Mechelen en Oostende liepen de middelbare scholen leeg. In Antwerpen kwamen 3.000 studenten en scholieren samen. De 24ste waren er 4.000 betogers in Gent. In Antwerpen staakten 45 scholen. Diezelfde dag waren er 3.500 betogers in Diest, 3.000 in Brugge, 1.500 in Izegem, 1.000 in Geraardsbergen,… ‘s Avonds waren er 2.000 aanwezigen op een meeting op het Arenbergplein die vervolgens in betoging naar de hallen trok. De jongeren werden aangevallen door de rijkswacht, die 675 personen oppakte waaronder enkele Limburgse mijnwerkers.

Vrijdag de 26ste verrichtte de politie huiszoekingen bij de Studentenvakbeweging (SVB). Studenten vonden ze niet. Die stonden aan talloze fabriekspoorten overal in het land voor een informatiecampagne. In Tielt betoogden 1.500 scholieren en in Puurs 1.000. Maandag de 29ste, terwijl 45 studenten naar de Limburgse mijnen reizen, deed het academisch korps voor 2.000 studenten een vruchteloze poging in de Alma om ze van de straat te halen. De latere SP-politicus Michiel Van den Bussche: “Het heeft nu lang genoeg geduurd, wij moeten allemaal beginnen met het harde verzet!” De 30ste, volksvergadering over ‘fascisering’. De scholierenbeweging bleef uitbreiden met in Boom 1.800 betogers, Eeklo 1.500, Waregem 2.000, Veurne 700.

Op weg naar Luik om aan tien fabrieken pamfletten uit te delen, werden 91 studenten de 1stefebruari door de rijkswacht onderschept. Scholierenbetogingen in Kortrijk 3.000, Menen 800 en Maaseik 1.000. De zaterdag daarop betoogden 1.700 leraars in het Antwerpse stadscentrum. De volgende dinsdag werd uitgeroepen tot zwarte dinsdag, een dag waarop overal de zwarte vlag van protest en revolte werd uitgehangen. Universiteiten, technische en middelbare scholen namen er massaal aan deel. In Antwerpen en Mechelen waren er telkens meer dan 5.000 betogers. Op 7 februari viel de regering Vanden Boeynants en kwam er een spectaculair einde aan de Leuvense studentenrevolte.

Van KVHV-werkgroep naar autonome Studentenvakbeweging

Het was op deze vruchtbare bodem van radicalisatie en jongerenverzet tegen de onaangepaste archaïsche structuren dat de opvattingen van de voorlopers van de PVDA wortel schoten en de eerste kernen zich begonnen te structureren.

Ze maakten deel uit van een nieuwe generatie studentenleiders. Paul Goossens werd in het academiejaar 1966-’67 voorzitter van de politieke raad van VVS en praeses van KVHV. Ludo Martens was hoofdredacteur van het KVHV-blad Ons Leven. Kris Merckx was voorzitter van de faculteitskring van de studenten geneeskunde en werd een jaar later voorzitter van het faculteitenconvent. Jo Cottenier, Herwig Lerouge, Kris Hertogen, Dirk Nimmegeers, Michel Leyers, Walter De Bock en een beetje later Dirk Ramboer komen allemaal uit die eerste kern van gerevolteerde studenten.

Al in december 1966 begonnen Martens en Walter De Bock in Ons Leven kritiek te uiten op het KVHV. Daarin waren twee strekkingen vertegenwoordigd. De zogenaamde “kaste of prinsen die zich verbonden voelden met de elite” en een groep “progressieven” die “een band voelde met de gewone studenten, de proleten.” De posities waren daardoor halfslachtig. Om dat te verhelpen werd binnen KVHV een werkgroep opgestart, de Leuvense Studentenvakbeweging (SVB). Ons Leven kreeg het opschrift KVHV-studentenvakbeweging.

Dat leverde de nodige spanningen op. Naar aanleiding van het “seksnummer” van Ons Leven(3 februari 1967), waarin de geestelijkheid van pedofilie beschuldigd werd, kreeg Martens verbod om het volgend academiejaar aan de Leuvense universiteit te studeren. Hij kreeg ook verbod nog één artikel te publiceren dat afweek van de christelijke ethiek, waarop hij ontslag nam als hoofdredacteur en vervangen werd door Paul Goossens. Vanaf maart 1967 werd SVB een zelfstandige werkgroep binnen het KVHV, “met als doel alle progressieve studenten die ijverden voor een nieuwe maatschappij te verenigen in een strijdbare organisatie.

Ward Segers laat vallen dat er een plan was om KVHV te vervangen door SVB, maar dat dit op verzet botste van de traditionele flamingantistische vleugel met steun van de Verbondsbeheerraad, waardoor op 5 juni 1967 de autonome SVB opgericht werd. Of er echt een plan was, weten we niet, maar dat het tot een breuk moest komen spreekt voor zich.

Het duurde tot oktober 1967 vooraleer SVB haar eigen veertiendaags blad publiceerde, 13 mei genoemd naar de datum van de verklaring van de bisschoppen die aanleiding had gegeven tot de meirevolte van 1966. Tot dan had de beweging geen blad, geen rekening, geen kas of adres. Ze was nog niet nationaal gecoördineerd en politiek soms vaag. Maar onder de geradicaliseerde studenten had ze als erfgenaam van de revolte van ’66 wel veel aanhangers. Wanneer de academische overheid in januari 1968 een nieuwe, nog veel diepgaander revolte uitlokte, verspreidde de maatschappijkritiek van enkele tientallen studentenleiders zich naar de meerderheid van de studenten. In de eerste plaats in Leuven, maar ook erbuiten.

Martens en Merckx wijzen op de pogingen van de burgerij om de oppervlakkige kenmerken van mei ’68 te romantiseren en te verheerlijken, de zogezegde ongecomplexeerde spontaneïteit. “De ervaring bracht de studentenleiders nochtans net het tegengestelde bij: de nood aan een bewuste, georganiseerde, goed ingeplante voorhoede. Hoe radicaler de spontane massastrijd is”, schrijven ze, “hoe groter de nieuwe voorhoede die uit die massa opduikt”. In de zomer van ’68 publiceerde SVB-Leuven een reeks teksten in Ervaringen uit twee jaar strijd te Leuven. Daarin worden ook de organisatorische opvattingen uiteen gezet.

“Men kan maar van avant-garde spreken wanneer we werkelijk een groep hebben die voorgaat. Zo’n groep is niet in één, twee, drie ontwikkeld tot een duizendkoppige organisatie… Er gaat enorm veel onopgemerkt en verdoken studiewerk vooraf, men moet enorm veel discussiëren en schrijven voor men werkelijk een avant-garde kan bij mekaar hebben. Een kern van een vijftigtal werkzame, onderlegde en idealistische mensen is onze conditio sine qua non. Strategisch stemmen wij onze organisatie dus af op een beperkte militante of getrainde groep, die een paar honderd mensen kan bevatten. Op het vlak van de tactiek echter is onze eerste en belangrijkste bekommernis: zoveel mogelijk studenten bereiken.”

De voorwaarden daartoe waren in die periode bijzonder gunstig. “De massastrijd van mei ‘66 veroorzaakte een democratische omwenteling in de studentenmentaliteit en gaf het ontstaan aan een bewuste linkse kern; de revolte van januari ‘68 bracht een brede verspreiding teweeg van de revolutionaire ideeën”, schrijven Martens en Merckx 25 jaar later. “Ontstaan uit de massale revoltes van ‘66, ‘68 en ‘69 heeft SVB grote nadruk gelegd op het werk onder de massa’s en de voor­rang beklemtoond van de revolutionaire praktijk. Opgegroeid in de katholieke jeugdorganisaties, hebben haar kaders snel het belang onderkend van een stevige organisatie. SVB opereerde in Leuven in een traditioneel rechts milieu; zij besefte dat ze haar radicaal linkse ideeën maar kon verkondi­gen indien zij goed gestructureerd was en eengemaakt bleef.”

In de ban van nieuw links

De jaren 1960 gaven voeding aan het ontstaan van wat men toen ‘Nieuw Links’ noemde. Dat was een verzamelnaam voor linkse strekkingen die ontstonden uit reactie op het neerslaan van de Hongaarse politieke revolutie in 1956 door de Sovjetunie, op de Amerikaanse imperialistische oorlog in Vietnam, en op het conservatisme en autoritaire en gecentraliseerde opvattingen, ook van de traditionele linkse partijen. Het was een zoektocht, vooral door intellectuelen en middenklasse, naar een derde weg tussen de twee machtsblokken tijdens de Koude Oorlog. Het oefende een sterke aantrekkingskracht uit op de studentenbewegingen van die periode.

Het kon niet anders dat de Leuvense studentenbeweging met die ideeën in aanraking zou komen. SVB werd er niet alleen door beïnvloed, maar werd er ook de verst ontwikkelde organisatorische uitdrukking van. Volgens Louis Vos had Nieuw Links vooral in Leuven succes omdat daar voor 1968 geen linkse traditie bestond. De traditionele socialistische en communistische strekkingen hadden er nauwelijks voet aan de grond. De progressieve studenten ontdekten er pas in 1968 het linkse ideeëngoed en zochten, vertrekkend vanuit hun SVB-wortels, naar een nieuwe samenlevingsconstructie.

Die kreeg een groep SVB’ers aangereikt tijdens hun bezoek aan een internationale studentenbijeenkomst in Berlijn tijdens de vakantieperiode van 1967. Een student uit Frankfurt had net een werkje van Mao gelezen en stopte de SVB’ers een twintigtal brochures in de hand: “Over de juiste oplossing van de tegenstellingen onder het volk”. De timing kon nauwelijks beter. Het Sino-Sovjetconflict groeide naar zijn hoogtepunt en Mao had in het kader van de Grote Proletarische Culturele Revolutie net opgeroepen tot revolte tegen de oude en de nieuwe burgerlijke krachten.

Hoewel de burgerij omvergeworpen is, probeert ze de massa’s corrupt te maken en te winnen dank zij de gedachten, de cultuur, de oude zeden en gewoonten van de uitbuitende klassen om zo haar macht te herstellen. Het proletariaat moet het tegenovergestelde doen: resoluut weerstand bieden aan iedere uitdaging die de burgerij lanceert op het ideologische terrein en de morele fysionomie van de hele maatschappij omvormen met de nieuwe gedachten, cultuur, zeden en gewoonten die eigen zijn aan de arbeidersklasse.

Het bracht een golf van sympathie op gang in de contesterende studentenbewegingen in het Westen. Bovendien betoogden op 21 mei 1968 in Peking een half miljoen arbeiders, rode wachters en studenten ter ondersteuning van de revolte in Parijs. In de automobielfabriek nr.1 van Tsjang-Tsjouen vond een meeting plaats van 10.000 arbeiders ter ondersteu­ning van de bezetting van Renault in Frankrijk. Als een lopend vuur breidden de betogingen zich in heel China uit. Op 26 mei hadden al meer dan 20 miljoen mensen aan demonstraties deelgenomen. “In mei ‘68 durfde iedereen luidop dromen van de wereldrevolutie en iedereen voelde dat het grote China het hart vormde van die wereldrevolutie”, schrijven Martens en Merckx.

(…)

De maartbeweging in Gent 1969

Tot nog toe was de studentenbeweging vooral een Leuvense aangelegenheid, maar de Gentse studenten waren niet ongevoelig voor wat in Mei ’68 in Frankrijk was gebeurd. Directe aanleiding werd een wetenschappelijk colloquium over ‘zin of onzin van pornografie’. Eminente sprekers zouden hun licht daarover laten schijnen. Documentatie zou door de organisatoren ter beschikking worden gesteld. Het rectoraat was er echter niet gerust op. Het stelde de academieraadzaal wel ter beschikking, maar op voorwaarde dat dia’s die geen kunst zijn, niet gebruikt werden. Resultaat: 400 studenten daagden op, er ontstond een discussie over het verbod door het rectoraat en er werd een motie opgesteld.

Daarin eiste men dat de voorstelling inclusief verboden materiaal een week later, op 19 maart 1969, alsnog doorging in auditorium E op kosten van de academische overheid. Donderdag de 13de werd massaal naar het rectoraat getrokken om de motie te overhandigen, met pamfletten werd heel de studentengemeenschap opgeroepen. Ze zijn met 350. Het rectoraat leek potdicht, maar de studenten raakten via de kelder toch binnen. Blijkbaar was de politie ook al aanwezig en die stortte zich op de studenten. Maar in plaats van alle studenten naar buiten te jagen, dreven ze er een 80-tal het kabinet van de rector binnen dat door de politie in een mum van tijd in een puinhoop werd herschapen. Een aantal studenten werd gearresteerd.

Het nieuws verspreidde zich als een vuurtje. Een betoging van 500 studenten trok naar de resto’s om hun verhaal te doen en op te roepen voor die avond in de Blandijn. Daar ging dan een panelgesprek ‘Voor of tegen jury’ door, maar het panel blies snel de aftocht en werd omgevormd tot een volksvergadering waar de interventies voor de volgende ochtend gepland werden. Algemene bijeenkomst de volgende ochtend, vrijdag om 11u. 1500 studenten betoogden dan. Ze gingen niet naar de les zolang niet alle opgepakten vrij waren en ze wensten een niet-repressieve universiteit, de oude is immers autoritair en repressief. Groepen studenten werden naar de spoedzitting van de onvindbare Raad van Beheer gestuurd en naar de wetenschappelijke faculteiten. Verslag daarvan volgde op de volksvergadering om 17u.

Diezelfde dag publiceerde een actiecomité van vertegenwoordigers van alle vakbonden en van het wetenschappelijk personeel een solidariteitsmotie. Ze stelden de rector verantwoordelijk en onderschreven de eisen van de studenten. Dat weekend vonden allerlei werkbijeenkomsten plaats. Maandag de 17de hing de faculteit vol muurkranten, informatieteksten en pamfletten. Op de volksvergadering om 14u werd beslist dat een delegatie van 10 studenten, geruggesteund door een korte betoging van 1000 studenten, een eisenplatform zou overhandigen aan de rector. Maar die wilde niemand zien, “kom morgen eens terug met drie man”. De studenten geven er niet om, de rector mocht zijn vrij gebied, het rectoraat, behouden. Zij bezetten dag en nacht de Blandijn, hun bevrijd gebied.

De Gentse studentenleider Renaat Willockx werd die dag gearresteerd en opgesloten in de gevangenis. Hij werd ervan beschuldigd de belangrijkste aanstoker te zijn van een bende die huisvredebreuk pleegde door inbraak en onroerende goederen vernielde. De dag nadien, dinsdag 18, wilden de studenten naar het rectoraat trekken met hun eisen, maar ze werden aangevallen door de politie. In kleine groepjes slaagden de studenten erin de Veldstraat te bereiken. Ze werden er in de Grand Bazar achterna gezeten door de politie. Uiteindelijk zou de rijkswacht met waterkanonnen de Veldstraat ontruimen. Woensdag de 19de besloten de studenten dat ze de arbeiders moesten informeren. Nog die nacht stonden een paar honderd studenten aan de poorten van ACEC, Fabelta, Ebes, Texaco, Arbed, Sidac…

De 20ste werden pamfletten verspreid aan de middelbare scholen en het niet-universitair hoger onderwijs. Op de volksvergadering werd een vijfpuntenprogramma voor universitaire hervorming aanvaard. De repressieve functie van de professor die het monopolie heeft over zijn leerstoel, het ex-kathedra onderwijs, het examen en de permanente controle, de starre leerprogramma’s en de repressieve selectie moeten afgeschaft worden. Renaat Willockx was ondertussen vrijgelaten en sprak de volksvergadering toe. Er werd een ultimatum gesteld door de Raad van Beheer: voor middernacht moest de Blandijn ontruimd zijn. De studenten nodigden als tegenvoorstel de Raad uit op hun volksvergadering de volgende namiddag. Die nacht ontruimde de politie de Blandijn, 700 studenten werden opgepakt. De Blandijn werd vergrendeld tot 28 maart.

Maar het was niet afgelopen. Vrijdag de 21ste werd een meeting in de Plateaustraat, een gebouw van de faculteit wetenschappen, door 800 studenten bijgewoond. Ze wisten niet echt wat te doen. De 25ste vuurde de Raad van Beheer de beweging echter opnieuw aan. Men wou 17 studenten wiens identiteit op 12 maart door de politie was genoteerd wraken. Het Faculteitenkonvent (FK) besliste tot een boycot van de lessen vanaf de 27ste. Een afvaardiging van het FK en de presides van de faculteitskringen zullen de studenten die moeten verschijnen voor de academieraad bijstaan. De 26ste werd die oproep van het FK in alle faculteiten verspreid en 1000 studenten kwamen bijeen om stakersposten te organiseren.

De Raad van Beheer besliste om Renaat Willockx uit de universiteit uit te sluiten. Het FK reageerde door aan te kondigen alle actiemiddelen in te zetten om die beslissing in te trekken. De vakantie spoelde de strijdbare intenties echter weg en erna was de ren naar de examens ingezet. Frank Winter, in die tijd trotskist en actief in de groep van Mandel (SAP), zei daarover 45 jaar later: “Maar om eerlijk te zijn, de maartbeweging is gewoon geëindigd omdat de examens voor de deur stonden. Zo simpel was dat: gedaan met de kermis.” Het cynisme is wellicht hoofdzakelijk aan zijn latere evolutie te wijten. Toch zegt ook Joke De Leeuw, die dan wel nog lid was van de SAP, in diezelfde reeks van drie interviews: “Ik vrees dat het op maatschappelijk vlak een storm in een glas water is geweest.” (45 jaar geleden: mei ’68 door Ronny De Schepper)

Voor de voorlopers van de PVDA, de studentenvakbeweging, was het echter noch een kermis, noch een storm in een glas water. Het klopt dat Ludo Martens al een erkend studentenleider was toen hij in oktober 1968 in Gent aankwam. Diegenen die hem nog niet kenden, werden door de universitaire overheid overigens een handje toegestoken. Die weigerde Martens immers in te schrijven en duwde hem meteen in een martelaarsrol. Het was Martens die het panel ‘voor of tegen jury’ uiteen dreef. “Wat zitten jullie hier eigenlijk te lullen, terwijl buiten mensen in elkaar worden geslagen omdat ze een eigen mening willen hebben!”, had hij uitgeroepen. Volgens Winter “was de lol er dus al vlug af” toen Martens in Gent het SVB-systeem invoerde. “De vergaderingen begonnen zowaar een beetje op de zo gecontesteerde cursussen te gelijken!

Winter beweert dat er in de laatste fase van de maartbeweging in Gent een kristallisatie begon op te treden tussen de trotskisten en de groep rond Martens. De krachtsverhoudingen waren volgens hem kifkif en de meerderheid van de studenten ”verstond het toch niet” (de discussie over slogans). In zijn politiek memoriam uit 2004 voor Paul Verbraeken benadert Eric Corijn dat gelukkig ernstiger. Hij kwam in oktober 1964 met Verbraeken aan in Gent. Ze ontmoetten er François Vercammen die toen bij de Humanistische Studenten zat, Freddy De Pauw die bij de Communistische Studenten was en een aantal socialistische studenten. Samen zetten ze de Marxistische Revolutionaire Studenten op, dat al gauw werd omgevormd naar de Marxistische Revolutionaire Beweging.

Ze werden benaderd door Mandel via Filip Polk, Guy Desolre en Emile Van Ceulen om samen te werken  en hen te overtuigen mee te doen aan de entristische taktiek. Maar, schrijft Corijn in 2004, de reële sociale strijd is altijd sterker dan eender welke tactiek. Zelfs al waren de trotskisten in Gent sterker (het is onmogelijk uit te maken of Corijn hiermee bedoelt dat de trotskisten sterker waren in Gent dan in Leuven of dat de trotskisten in Gent sterker waren dan de voorlopers van de PVDA, maar dat laatste valt te betwijfelen), de ontsteker van die strijd was in Vlaanderen de strijd rond Leuven Vlaams en daar was de SVB bepalend.

“Wat te doen?” en Document 1969

In de zomer van 1968 komen een dertigtal SVB-militanten gedurende zeven dagen bijeen voor een seminarie over ‘Wat te doen’ van Lenin. Dat wordt algemeen beschouwd als een soort handleiding voor de Leninistische partijopbouw. Lenin zelf drong er nochtans op aan dat zijn werk uit 1902 geen bijbel was van een modelvorm voor een partijorganisatie, maar eenvoudig een organisatorisch plan voor die tijd en die plaats, namelijk een ondergrondse beweging in de omstandigheden van een autocratie, die er bovendien nog niet in geslaagd was een nationaal organiserend centrum te vormen in haar land. (Hal Draper ‘De mythe van Lenins partijconcept’ – 1990)

Voor de SVB-militanten was dit seminarie echter bepalend voor de verdere ontwikkeling. Het is daaruit dat ze het organisatiemodel distilleren dat ze later ook zullen gebruiken voor de opbouw van een partij. ‘Wat te doen’ zal trouwens bij iedere belangrijke wending van de PVDA en haar voorlopers telkens weer bestudeerd worden. Zo ook tijdens de Limburgse mijnstaking in 1970. Toen ontstond discussie tussen een strekking die gewonnen was voor het vermenigvuldigen van strijdcomités als aanloop naar een nieuwe vakbond, met ondermeer de vader van Raoul, Hubert Hedebouw, en een strekking rond Ludo Martens die opteerde voor een leninistische partij. Het werd opnieuw bestudeerd tijdens een ideologische strijd met de maoïstische groep Clarté en nog eens toen in Duitsland in 1980 de KPD uiteen spatte. Een van de mythes rond ‘Wat te doen’ is dat het socialistisch bewustzijn van buitenaf ingedragen moet worden in de arbeidersbeweging, maar niet spontaan van binnenin kan ontstaan. Die idee haalde Lenin bij Kautski, toen nog een van de leidende marxistische autoriteiten. Kautski had het gebruikt in zijn argumentatie tegen een hervormingsvleugel, de revisionisten zoals Bernstein, die beweerden dat theorie overbodig was en dat enkel de spontane aan de gang zijnde beweging van de arbeiders telde. “De beweging is alles, het einddoel is niets”, hadden zij beweerd, met als conclusie dat hervorming de zorg van vandaag was en revolutie zich tevreden moest stellen met morgen. (Eduard Bernstein ‘De voorwaarden tot het socialisme en de taak der sociaaldemocratie’ – 1889)

Men vindt die idee later in geen enkele van de geschriften van Lenin terug. Op 4 augustus 1903 (nieuwe tijdsrekening) komt Lenin er trouwens op terug in een toespraak over het programma van de partij. Daarin zegt hij “Om te besluiten. We weten allen dat de ‘economisten’ naar één uiterste zijn gegaan. Om dit recht te trekken, moet er iemand naar de andere richting trekken, en dat is wat ik gedaan heb.” (Oeuevres – 1966, deel 6 blz. 514). Maar voor de SVB was die stellingname wel beslissend om een aantal nieuw-linkse studenten hun opleiding stop te doen zetten en als arbeiders aan de slag te gaan in een fabriek. De SVB’ers hadden een lange periode van studentenradicalisatie doorlopen. Ze waren op zoek gegaan naar coherente antwoorden. Ze werden ondergedoopt in de nieuw-linkse ideeën die in die tijd furore maakten. Ze waren zeer onder de indruk van de Chinese Revolutie en zagen in de confrontatie met de Sovjetunie een vernieuwde impuls voor de wereldrevolutie. In juni-augustus zetten ze hun bevindingen op papier in een “Document 1969, Een Leidraad doorheen de Marxistische Theorie. Het Belang van de Revolutionaire Theorie.” Martens en Merckx benadrukken dat dit document “vooral een goede barometer is voor de indrukwekkende omwentelingen in het denken die zich heeft voorgedaan bij een honderdtal kaders uit de studentenbeweging.”

Op het einde van het Document volgt een “politieke samenvatting”: crisis van het kapitalisme met een strijd tussen de twee hoofdkapitalisten, de Sovjet-Unie en de VS. Rusland was ontwikkeld tot een fascistisch en imperialistisch land. Steun aan de Derde Wereldlanden die geteisterd werden door het Sovjet-imperialisme en het feodalisme. China als lichtbaken voor de revolutionaire strijd in de wereld. Het is de maoïstische ideologie die we later ook zullen zien verschijnen bij Amada.

Stakingsgolf 1969 – 1973

De voorlopers van de PVDA hadden in die gunstige periode onder de radicaliserende studenten een honderdtal kaders bijeen gebracht. Maar ondanks enkele dappere pogingen bleef de inplanting in de arbeidersbeweging beperkt. Ze waren aanwezig in Zwartberg in 1966, hadden aan de fabriekspoorten gestaan, kwamen ook tussen in de staking bij Ford eind 1968 en in de Gentse textielstaking begin 1969, maar in het algemeen waren de jaren die volgden op de Staking van de Eeuw merkwaardig kalm. Tussen 1961 en 1969 was het aantal stakers op geen enkel moment meer dan 42.000 per jaar. (Rik Hemmerijckx – In de Geest van Mei ’68)

Voor de SVB was dit niet zonder belang. “Eind ‘69 stapelden alle voortekenen van een naderende crisis zich op”, schrijven Martens en Merckx. Ze bedoelen een interne crisis. “Maar plots werden al deze donkere wolken met één storm uit de hemel weggeveegd: op 5 januari 1970 brak de Limburgse mijnstaking uit … De mijnstaking kwam op een wonderbaarlijk geschikt moment. Voor meer dan 100 kameraden uit SVB en GSB (de Gentse tegenhanger van SVB) betekende deze staking het langverwachte sein om los te breken uit de verstikkende omgeving van de universiteit. De mijnstaking liet de studentenbeweging toe om in een minimum van tijd een grote ervaring inzake het concrete werk onder de arbeiders op te doen.”

Van 1970 tot 1973 geven de statistieken niet minder dan 698 stakingen aan. Vooral de jaren 1970en 1971 kunnen bepaald “warm” genoemd worden. Tijdens deze jaren heeft het aantal verloren werkdagen deze van de negen voorgaande jaren geëvenaard, schrijft Hemmerijckx. Het belangrijkste kenmerk van die stakingen was het spontane karakter. Volgens enquêtes was niet minder dan 80% ervan niet erkend door de vakbonden. De stakers werden verplicht zichzelf te organiseren in stakerscomités die de solidariteit organiseerden en de stakerskas beheerden. Met die comités zien we ook de opkomst van een aantal nieuwe stakingsleiders. Het zijn bekwame woordvoerders die het vertrouwen van hun werkmakkers winnen door hun onbaatzuchtige inzet.

Hoewel sommigen een mandaat hebben als syndicaal delegee zijn het steevast figuren die buiten het eigenlijke vakbondsapparaat staan. Gustave Dache bij Caterpillar Gosselies, Gerard Slegers bij de Kempense Steenkoolmijnen, Karel Heirbaut en Jan Cap bij Boel Temse, André Henry bij Glaverbel Gilly, Dolf Kerschaever en Frans Wuytack aan de Antwerpse haven. Sommigen onder hen hebben met de jaren een mythische status gekregen. Het is rond deze figuren dat verschillende comités hun werking na de staking voortzetten en zich omvormen tot arbeiderscomités. L’Avant-garde syndicale van Caterpillar te Gosselies, Solidarité bij Michelin, het Arbeiderscomité Waasland bij Boel Temse, La Nouvelle Défense bij de glasblazers van Glaverbel Gilly, het Onafhankelijk Havenarbeiderscomité van de Antwerpse dokwerkers.

Er werden ook pogingen ondernomen om de verschillende comités te groeperen in één koepel en de actie te coördineren. Onder impuls van de arbeiders van Vieille Montagne werd in maart 1971 een Groot Arbeiderskomitee (GAK) opgezet. In de streek van Charleroi wordt hetzelfde geprobeerd met Rencontres Ouvrières en in Luik met de Mouvement pour l’Autogestion Socialiste. Hemmerijckx denkt dat de eerste Belgische staking ‘in de geest van’ mei 68 die is geweest in het metaalbedrijf Caterpillar te Gosselies in december 1969. “Maar de staking die werkelijk het nieuwe klimaat getekend heeft”, schrijft hij, “was deze van de Limburgse mijnwerkers van januari – februari 1970 die zeer vlug is uitgedraaid op een krachtmeting en 44 dagen later eindigde in een weinig bevredigend compromis.”

Er zouden nog verschillende andere stakingen volgen: Michelin te St. Pieters Leeuw (februari en juni 1970), Ford Genk (februari 1970), Forges de Clabecq (juni 1970), Cockerill Yards te Hoboken (april-juli 1970), Citroën te Vorst (november 1970), Vieille Montagne te Balen (januari-maart 1971), scheepswerven Boel te Temse (september-oktober 1971), Tessenderlo Chimie (januari-maart 1972), Glaverbel te Gilly (februari 1973), dokwerkersstaking te Gent en Antwerpen (april-juni 1973), Cockerill Seraing (september – oktober 1973), … Hoewel dit niet typisch was voor de stakingsgolf van 1970-1973, hebben zich bezettingen voorgedaan bij Germain-Anglo te La Louvière in 1967, bij Michelin in juni 1970 en bij Glaverbel in 1973. Pas na de bezetting van de uurwerkenfabriek Lip in het Franse Besançon (1973) heeft dit type van actie zich ook in België meer verspreid.

“Indien we de pers mogen geloven”, schrijft Hemmerijckx, “dan zou er zich een ware toevloed van studenten hebben voorgedaan, maar enquêtes hebben uitgewezen dat de studenten in 1970 slechts in 10% van de stakingen zijn tussen beide gekomen en in 1971 in 5% van de stakingen.” De staking van de Limburgse mijnwerkers was de eerste en belangrijkste waar studenten als een autonome macht zijn opgetreden. De Socialistische Jonge Wacht (SJW), in 1965 uit de socialistische partij gezet en sindsdien onder invloed van de trotskisten van het VSVI, beschikten niet over een inplanting in Limburg. Toch waren ze aanwezig bij de stakerspiketten en slaagden ze er zelfs in om in het stakerscomité te worden opgenomen. De SVB had al voet aan de grond in Limburg. Bij het uitbreken van de staking schopten ze een eigen organisatie uit de grond, Mijnwerkersmacht.

Mijnwerkersmacht stond niet alleen in voor voedselhulp en propaganda, maar stelde zich op als oppositie, niet alleen tegen de officiële vakbonden, maar ook tegenover het stakerscomité dat door de SJW gesteund werd. Volgens Mijnwerkersmacht moest men de vakbonden verlaten om eigen autonome comités op te richten. Het voorbeeld van Mijnwerkersmacht zal in andere bedrijven gevolgd worden met de oprichting van Arbeidersmacht, onder meer in Ford Genk, Sidmar Zelzate, Fabelta Gent en Ninove, en aan de Antwerpse dokken.

Print Friendly, PDF & Email