Elementen van revolutie en contrarevolutie in nieuwe explosieve wereldorde

Midden januari zijn de teksten van
het LSP-congres in boekvorm beschikbaar.

Van 8 tot en met 10 december hield LSP een nationaal congres. Dit vijftiende congres werd voorbereid aan de hand van een perspectieventekst die in alle afdelingen werd besproken en vervolgens de leidraad voor de discussies op het congres vormde. Een perspectieventekst is voor ons een werkmiddel, een overzicht van analyses om onze inzichten en voorstellen te verfijnen.

In het voorjaar van 2017 publiceerden we een tekst over nieuwe linkse formaties naar aanleiding van de doorbraak van de PVDA in ons land. Het maakt dat er in de tekst die in de zomer en het najaar van 2017 werd geschreven minder aandacht hiervoor is. Om een vollediger beeld te hebben, lijkt het ons nuttig om de tekst over nieuwe linkse formaties samen met de perspectieventekst in het congresboek te plaatsen.

Beide teksten zijn geschreven door Eric Byl en eerst besproken op het Uitvoerend Bureau, het Nationaal Comité en vervolgens in de afdelingen. Er is rekening gehouden met opmerkingen en er zijn voorstellen door verschillende leden in verwerkt. In die zin is de tekst een collectief instrument van LSP.

Elke tekst heeft een deadline terwijl de ontwikkelingen doorlopen. Enkele feitelijke elementen in de tekst zijn onvermijdelijk reeds achterhaald nog voor ze gepubliceerd zijn. Voor de verdere dagelijkse opvolging van de actualiteit en onze analyses ervan verwijzen we naar socialisme.be.


Inleiding – explosieve situatie op wereldvlak

In de congrestekst van 2012 benadrukten we het structurele karakter van de kapitalistische crisis, in die van 2015 dat het kapitalisme is uitgeleefd. De resolutie van het nationaal comité voor de regionale congressen van 2016 had het over een periode van groeiende instabiliteit. Vandaag is ‘explosief’ de enige kwalificatie die beantwoordt aan de toestand waarin het kapitalisme zich wereldwijd bevindt!

Er is nog steeds geen bestand in zicht voor de militaire conflicten in Syrië, Irak en Jemen. Regionale uitbreiding is een groeiende mogelijkheid. In Israël/Palestina, Libië, Noordoost Nigeria, Somalië, Zuid-Soedan, de Centraal-Afrikaanse Republiek, de regio van De Grote Meren, Afghanistan en Oost-Pakistan en Oekraïne kunnen de conflicten op ieder moment terug oplaaien. In Kenia, Congo Kinshasa, Venezuela en elders is een sluimerende burgeroorlog aan de gang. Toch wil Trump de VS meeslepen in een opbod met het Noord-Koreaanse regime. Door het karakter van dat regime zou een militair conflict er snel ontaarden in een algehele oorlog. Door haar beschikking over nucleaire capaciteit, de kwetsbaarheid van Zuid-Korea en de nabijheid van grootmachten als China, Japan en zelfs Rusland zouden de gevolgen ervan veel verder reiken dan alle andere oorlogen samen. Alsof dat niet volstond, verkondigde Trump bijna in een adem dat hij een militaire optie voor Venezuela niet uitsloot, een open uitnodiging voor al wie bereid is tot een coup.

‘Onze beste bondgenoot dreigt een vijand te worden. Dat gevaar kan je niet onderschatten’ is het citaat van een Franse intellectueel dat De standaard in januari 2017 boven een artikel ‘is Europa klaar voor Trumps’ nieuwe wereldorde’ plaatste.(1) Zo ver is het nog niet, maar de open steun van Trump aan de Brexit en zijn uitgesproken wens dat andere landen zouden volgen, zijn vrijage met Poetin, Orban en de Visegradgroep(2), met Erdogan en andere autoritaire leiders, is voor Europa een enorme gamechanger. Uiteindelijk heeft Trump het solidariteitsbeginsel van de NAVO herbevestigd, maar overtuigend was dat niet. Diens eenzijdig opzeggen van het klimaatakkoord en zijn eigenwijze protectionistische politiek, doet in Europa dagen dat het de eigen boontjes moet doppen. Men spreekt nu van een ‘Kohl’-moment inzake Europese defensie. (3) Er is zelfs een permanente structurele samenwerking inzake defensie afgesproken met een Europees fonds voor de aankoop van wapens en eigen ontwikkeling en onderzoek. Een heuse Europese defensie ter vervanging van de nationale troepenmachten is echter uitgesloten, daarvoor zijn de interne tegenstellingen tussen de lidstaten te groot. Een uiteenrafelend Europa aan verschillende snelheden wordt nu openlijk besproken en zelfs in de kern is de solidariteit ver te zoeken als we zien hoe Italië op een kordaat “neen” stoot op haar vraag om hulp voor de opvang van bootvluchtelingen.

Grootschalige militaire conflicten, ecologische catastrofes, sociale explosies, … De vraag is niet of ze er komen, maar wanneer. Dat zou allemaal beheersbaar blijven bij economische voorspoed, maar wereldwijde stagnatie is het beste wat het kapitalisme in aanbod heeft. Ondanks de talloze herstructureringen, overnames en fusies van de voorbije periode blijft de productiviteitsgroei overal ver onder de lange termijn trend. Het bedrag aan studieschulden in de VS is nu groter dan de markt van rommelhypotheken was voor haar implosie in 2008. Ondanks de lage werkloosheidsgraad zijn er al afbetalingsmoeilijkheden op private schulden en bovendien is een groot deel ervan verpakt in risico-obligaties. De zogenaamde groeilanden, hoofdzakelijk grondstoffenleveranciers, zijn uitermate kwetsbaar voor een groeivertraging vooral van China. Een te sterk optrekken van de rentevoeten in de VS zou bovendien die landen hun kapitaaltoevoer afsnijden, de bedrijfsschulden ondraaglijk maken en een golf van faillissementen inluiden. De Europese economie drijft op het soepele monetaire beleid van de ECB, maar de productiviteitsgroei blijft er ondermaats. Vooral in Italië, Griekenland en Portugal stapelen banken de slechte leningen op. De Chinese economie draaide de voorbije jaren op enorme investeringen in infrastructuur en het opbouwen van overcapaciteit in de industrie. De totale schuld van bedrijven en overheden is er opgelopen tot een onhoudbare 277% van het BBP. Schaduwbankieren is een groeiende tijdbom, goed voor 29% van de wereldwijde financiële reserves.(4)

Het kapitalisme is sinds de Grote Recessie van 2007-2008 een nieuwe fase ingetreden met belangrijke gevolgen voor de wereldrelaties. De VS is nog wel veruit de sterkste imperialistische macht, maar haar neergang is ingezet. Het Chinese imperialisme is in opmars en het Russische is er ondanks haar economische zwakheid in geslaagd het Westers imperialisme zowel in de Oekraïne als in Syrië te verassen. De nieuwe fase van het kapitalisme heeft ook een enorme impact op de klassenverhoudingen met elementen van revolutie en contrarevolutie. In de VS wordt dat weerspiegeld door de enorme polarisatie tussen aanhangers van Trump en van Sanders. De massale mobilisaties voor Sanders vertegenwoordigen een historisch keerpunt. In veel landen, niet alleen in de VS, verliest het meest vooruitziende deel van de kapitalisten de controle over haar politieke vertegenwoordigers. Dat maakt de situatie zo onvoorspelbaar en explosief. Naast manifeste elementen van contrarevolutie zien we ook belangrijke elementen van revolutie, zij het onder een nieuwe, nog verwarde vorm, nog getekend door de val van het stalinisme. Met 30 algemene stakingen, de opkomst en het verraad van Syriza, is Griekenland het meest duidelijke voorbeeld. De massale beweging van de Indignados in Spanje verwierp aanvankelijk de hele idee om zich politiek te organiseren, maar het effect van het aantreden van de PP op het bewustzijn van de massa’s leidde tot de doorbraak van Podemos. Veel van die nieuwe linkse formaties hebben een radicaal populistisch programma. Hierin ligt het belang van Corbyn. Als eerste hanteerde hij een eerder klassiek reformistisch programma in de jongste verkiezingen (2017), het was nog lang niet vergelijkbaar met dat van de jaren ‘80, maar na decennia van neoliberalisme klonk het voor de nieuwe generaties als revolutionair. Dat maakt allemaal deel uit van de heropbouw die aan snelheid en omvang wint van de arbeidersbeweging. De rol van het CWI daarin blijft niet beperkt tot commentaar, maar bestaat uit actieve deelname.

Ook in België vliegen alle zekerheden de deur uit. De illusie die de vakbondsleiders koesterden, dat de regering Michel I in 2019 electoraal afgestraft zou worden waarna de situatie zich zou ‘normaliseren’ met een centrumlinkse regering, is door de recentste peilingen weggeveegd. Dat hebben de vakbondsleiders hoofdzakelijk aan zichzelf te danken. In plaats van zich te baseren op de kracht van de arbeidersbeweging, stelden ze alle hoop in hun traditionele politieke partners. Maar aangezien het succes van de N-VA vooral te wijten is aan de frustraties over hun begeleidde afbraak, zijn die ‘partners’ slecht geplaatst om de N-VA terug te dringen. Dat vereist een andere kracht, die zich wel baseert op de eengemaakte arbeidersbeweging. De PVDA/PTB kan daarin door haar electorale doorbraak een belangrijke rol opeisen. Ook in Wallonië is de hertekening van het politieke landschap nu ingezet. Dat Lutgen zijn moment afwachtte om de CDH naar rechts te sturen, mag eigenlijk niet verbazen. De PS heeft hem met de schandalen rond Publifin en Samusocial die gelegenheid op een gouden schaaltje aangeboden. Door de vorming van een alternatieve centrumrechtse meerderheid in Wallonië komt ook de verderzetting van centrumrechts op federaal vlak dichterbij. Dat is op zich een kleine omwenteling die Michel niet te danken heeft aan de eigen sterkte, maar slechts aan de zwakte van de politieke en sociale oppositie.

Maar die overwinning wordt al meteen overschaduwd door een nog veel grotere omwenteling. Volgens een peiling afgenomen eind juni werd de PTB/PVDA in Wallonië de grootste partij en boekte ze ook in Brussel en in mindere mate in Vlaanderen forse vooruitgang. Volgens diezelfde peiling zou ze in het federale parlement de grootste fractie worden, even groot als de N-VA, met maar liefst 26 zetels. Het zijn maar peilingen, nieuwe peilingen nadat het stof wat ging liggen, temperen de verwachtingen, maar toch wijst alles erop dat de PTB/PVDA voor een historische doorbraak staat. Michel mag zich dan wel een tophervormer noemen, beweren dat hij en zijn regering jobs gecreëerd hebben en praten over een economische lente, dat is allemaal zeer fragiel. De overgrote meerderheid van de bevolking merkt daar niets of heel weinig van en vindt dat de regering vooral de rijken en de hogere middenklasse bedient. De regering heeft het begrotingsevenwicht wel uitgesteld, maar meteen haar antisociaal zomerakkoord gelanceerd. Als bovendien een nieuwe internationale financiële crisis, het stilvallen van de groei in Europa en daarmee de export of een hogere rente op de nog steeds aanzienlijke overheidsschuld, roet in het eten gooit, kan de PTB, nu ze aan geloofwaardigheid wint, de score van de peilingen of misschien nog meer behalen. Dat zou vuurwerk geven in het parlement, de politieke debatten een andere richting uitsturen en de arbeidersbeweging een politieke stem geven tot ver buiten het parlement. Het zou ook ongetwijfeld wegen op vakbonden, waarvan de leidingen onder druk zouden komen om meer rekening te houden met de verzuchtingen aan de basis.

De wereldorde van Trump

De verkiezing van Donald Trump als president van de VS was een nachtmerrie voor de arbeidersbeweging en alle zwakkere groepen in de maatschappij, maar ook voor de burgerij in de VS en internationaal. De crisis in de republikeinse partij was al onder Obama problematisch gebleken toen aanhangers van de zogenaamde Tea-party met hun weigering om de verhoging van het schuldenplafond goed te keuren, heel het land dreigden te verlammen. Maar dat een openlijk racistische, seksistische, homofobe miljardair met een populistisch anti-establishment verhaal heel het republikeinse partijapparaat, inclusief de vertegenwoordigers van de Tea-party letterlijk zou overrompelen, toont pas in hoeverre die partij onbetrouwbaar is geworden, ook als beheerder van het kapitalisme. De onderliggende reden voor die crisis moeten niet gezocht worden bij de republikeinse partij zelf, maar in de maatschappelijke polarisatie, in de wijdverspreide afkeer voor heel het politiek, economisch en sociaal systeem dat enkel ongelijkheid produceert en reproduceert.

De ondemocratische selectieprocedure van de democratische partij voor het bepalen van haar presidentskandidaat hield nog wel stand tegen de stormloop van Sanders-aanhangers, maar zowel het Democratische establishment, Clinton als de anti-establishment kandidaat Sanders zelf, onderschatten de maatschappelijke afkeer voor het establishment. Ze dachten dat een onafhankelijke kandidatuur van Sanders, zoals Socialist Alternative bepleitte, vooral Clinton stemmen zou kosten. Maar de overgrote meerderheid van Sanders-aanhangers zou sowieso nooit voor Clinton stemmen, terwijl de afwezigheid van Sanders Trump wel de kans bood zich op te werpen als enige niet geheel kansloze anti-establishment kandidaat. Een onafhankelijke kandidatuur van Sanders had Clinton wellicht het presidentschap opgeleverd, maar vooral een unieke kans geweest voor het opzetten van een derde partij.

De nederlaag van Clinton tegen Trump werd in de massamedia verkocht als een nederlaag voor vrouwen. Met een seksist als Trump valt daar iets voor te zeggen. Men kan die redenering echter evengoed omdraaien. Was de nederlaag van Clinton niet eerder het gevolg van de nederlaag van het burgerlijk feminisme, dat in een periode van crisis enkel tot achteruitgang van de situatie van vrouwen kan leiden? Clinton was de kandidate bij uitstek van het Amerikaanse establishment. Dat liet niet alleen de volledige arbeidersbeweging opdraaien voor haar financiële en economische crisis, maar trof bovendien die groepen in de maatschappij die economisch al in de meest kwetsbare situatie zaten extra hard. Alle retoriek over “gendergelijkheid” en “postfeminisme”, van quota voor politica en carrièrevrouwen, liet miljoenen laagbetaalde vrouwen die voortdurend in onzekerheid moeten leven onverschillig. De afbouw en onderfinanciering van maatschappelijke zorg en diensten zet bovendien talloze gezinnen onder een ondraaglijke druk die meestal bij de vrouwen belandt.

Een van de aspecten van het postfeminisme was het ideologisch vergoelijken van de objectivering van het vrouwenlichaam, door het model van de sterke, zelfstandige vrouw die zich niet schaamt over haar lichaam, maar dat juist gebruikt als een wapen. De seksindustrie heeft dat handig uitgebuit, maar heel de maatschappij is ervan doordrongen. Openlijke publiciteit in ons land voor studentes – die krap bij kas zitten omdat de besparingen in onderwijs hogere studiekosten betekenen en minder sociale tegemoetkomingen – om een sugardaddy te overwegen, is daar slechts één uitdrukking van. Conservatieven misbruiken dit om een reeks verworvenheden van vrouwen opnieuw onder druk te zetten, maar aan de porno-industrie raken die hypocrieten niet. Trump en zijn openlijk seksisme hadden het effect van de zweep van de contrarevolutie, het bracht alle onderliggende frustraties naar boven en leidde tot een gigantische tegenbeweging, een bevestiging van wat we al eerder hadden gezien in massale vrouwenbewegingen in India, Latijns-Amerika, Turkije, Ierland, Polen, etc. Vrouwenrechten als onderdeel van de rechten van de arbeidersbeweging zullen een belangrijke en mobiliserende rol blijven spelen.

Trump mag dan wel beweren dat hij op de korte tijd dat hij aan zet is, ondanks de tegenwerking van de pers en de vertragingsmaneuvers van de democraten, al veel gerealiseerd heeft, feit is dat hij vooral nederlagen opliep. In de media zal men dit wijten aan de ‘check and balances’ van de Amerikaanse democratie, de ingebouwde controlemechanismen waardoor justitie, senaat en congres de presidentiële willekeur kunnen afremmen. Het klopt dat Trump op verzet stoot van delen van de heersende klasse en dat dit hem al een dozijn topbenoemingen kostte, maar veel belangrijker waren de massale mobilisaties die ervoor gezorgd hebben dat steeds meer rechters zich openlijk uitspraken tegen het inreisverbod en ertoe leidden dat nog slechts 17% van de publieke opinie achter Trumpcare stond op het ogenblik dat dit in het congres, ook door republikeinse vertegenwoordigers onder druk van hun thuisbasis, weggestemd werd. Enkele van de meest reactionaire elementen van Trumps’ binnenland politiek blijven overeind, maar in het algemeen buigt diens administratie naar een beleid dat daarom niet minder arbeidersonvriendelijk is, maar meer in lijn ligt met het Republikeins establishment en de heersende klasse.

Trump blijft echter onvoorspelbaar en staat daardoor steeds meer geïsoleerd. In de peilingen van augustus 2017 was hij teruggevallen tot 34%. Zijn weigering om extreemrechts uitdrukkelijk te veroordelen na de tragische gebeurtenis in Charlottesville, kostte hem alweer het vertrek van een reeks vooraanstaande bedrijfsleiders uit de adviesraad voor de industrie en het forum voor strategie en politiek, die Trump dan maar opdoekte. Als vooraanstaande bedrijfsleiders en de meeste Republikeinse leiders zich proberen zich te distantiëren van alt-right groepen, dan is het omdat ze begrijpen welke enorme tegenbeweging die kunnen opwekken, maar het is hun weinig verhulde racisme dat de groei van racistische en reactionaire ideeën heeft aangemoedigd. Decennialang voerden beide grote partijen een beleid van ‘harde aanpak van criminaliteit’, versterking van islamofobie onder het mom van ‘antiterrorisme’ en een escalerend beleid van deportatie van migranten. Obama is nog steeds recordhouder inzake deportaties in Californië, een staat waar de democraten belangrijke meerderheden hebben. Alles samen heeft dit een racistisch klimaat versterkt waarvan Trump en ook extreemrechts gebruik konden maken.

Het is echter vooral inzake buitenlandpolitiek dat Trump een bocht heeft genomen, zijn isolationistische politiek laat varen en zich profileert als sterke man die er niet naar omziet om de Amerikaanse militaire macht in te zetten. De raketaanval op een luchtmachtbasis van Assad die ook door Rusland gebruikt wordt, dan het droppen van de moeder van alle bommen in Afghanistan, vooral het opbod met Kim Jong-un en de dreiging naar Venezuela, illustreren dat. Officieel was het bombarderen van de Syrische luchtmachtbasis Shayrat bij Homs begin april 2017 een Amerikaanse vergelding voor het inzetten van gifgas door de troepen van Assad enkele dagen eerder in Khan Sheikhoun. Dat was de aanleiding, maar de raketaanval diende vooral andere doelstellingen. Trump, en recent ook Macron, breken met het beleid van hun voorgangers door te erkennen dat Assad deel uitmaakt van een oplossing voor de regio, alhoewel Trump dat voor de Verenigde Naties alweer ontkende. Assad tracht met de hulp van zijn bondgenoten, Rusland, Hezbollah, Iran en Iraakse Iran-gezinde sjiitische milities zoveel mogelijk terrein te bezetten voor het post-IS tijdperk, ook aan de grens met Irak om een zekere legitimiteit te kunnen opeisen voor heel het land. De raketaanval diende als waarschuwing om niet in te gaan tegen de Amerikaanse belangen en die van haar bondgenoten, zeker in de bodemrijke valleien van de Eufraat. Het was tegelijk een verwittiging aan Iran dat liefst een rechtstreekse corridor van Teheran tot Libanon zou installeren, en ook aan Rusland en China om te tonen dat de VS de leidende imperialistische macht is en niet zal twijfelen die macht ook in te zetten. Tenslotte wil Trump de Amerikaanse publieke opinie tonen dat hij breekt met het getreuzel van Obama inzake Syrië en doortastend optreedt.

De strijdende partijen pacifiëren en een stabiele machtsdeling instellen in Syrië, Irak en bij uitbreiding heel het Midden-Oosten is vandaag verderaf dan ooit tevoren. Ooit koesterde het Westen de hoop dat het regime van Erdogan als voorbeeld zou kunnen dienen voor een moderne en gematigde moslimdemocratie die er bovendien in zou slagen de invloed van de Koerdische Arbeiderspartij PKK terug te dringen en een voorbeeld zou worden voor heel de regio. De militaire overwinningen van de Syrische Koerden, de verkiezingsoverwinning in 2015 van de HDP (5), het stilvallen van de economische groei, dan de mislukte staatsgreep van 15 juli 2016 gevolgd door enorme repressie en het instellen van een permanente staat van beleg per referendum over een presidentiële dictatuur, hebben die illusies gekelderd. Wat zal de VS doen als een machtsdeling moet onderhandeld worden in het post-IS tijdperk? De Koerdische YPG (6) was de ruggengraat van de rebellen waarop het zich steunde in de strijd tegen IS. De YPG zal minstens autonomie eisen, maar net als de Iraakse Koerden die het destijds op aansturen van het imperialisme opnamen tegen Saddam Hoessein, opgeofferd worden aan de relaties met Turkije. Het is niet uitgesloten dat de YPG dan zelf het initiatief in handen neemt en/of toenadering zoekt tot Assad. Een gedeeltelijke bezetting van Syrië door Turkije is dan niet langer uitgesloten.

Bovendien hielden de Iraakse Koerden op 25 september 2017 een referendum over volledige onafhankelijkheid omdat ze “geen deel willen uitmaken van de strijd tussen soennieten en sjiieten.” Daarbij stemde 92,7% voor onafhankelijkheid bij een opkomst van meer dan 72%. Ook dat wordt een patstelling voor het Westers imperialisme. Deze nieuwe staat erkennen zou de relaties met Turkije ernstig schaden, het sjiitische marionettenregime van Bagdad wellicht doen bezwijken onder enorme druk van pro-Iraanse milities en het uiteenvallen van Irak op etnisch en religieuze basis formaliseren, hetgeen de machtsverdeling in heel de regio dooreen zou schudden. De indirecte strijd tussen Iran en Saoedi-Arabië die nu aan de gang is in Jemen zou zich kunnen uitbreiden naar Iraaks grondgebied. Bovendien zijn de soennitische regimes met de hulp van Trumps’ voortvarendheid zelf verdeeld. Qatar wordt door de andere golfstaten, vooral Saoedi-Arabië en Egypte, steun aan de Moslimbroeders, Al Jazeera en Iran verweten. Toen het nucleair akkoord tot stand kwam met de regering Rohani van Iran, stond Qatar samen met heel wat Westerse landen klaar om de Iraanse markt te exploiteren en te investeren in de ontginning van onder meer gasvelden. Met de komst van Trump staat die deal op de helling en Saoedi-Arabië en haar bondgenoten grijpen dat, met steun van Trump, aan om die toenadering naar Iran af te straffen met een economisch en diplomatiek embargo. Na tussenkomsten van de minister van defensie James Mattis en minister van buitenlandse zaken Rex Tillerson zetten de VS in op het beëindigen van dat embargo, maar Trump blijft Iran samen met Noord-Korea en Venezuela bandietenstaten noemen en het nucleair akkoord een grote fout.

Intussen wordt de rechtse regering Netanyahu in Israël, de agent van het VS-imperialisme in het Midden-Oosten, verscheurd door corruptieschandalen. Om de aandacht van de interne problemen af te leiden, kiest die opnieuw voor confrontatie met een externe vijand. De komst van Trump is gepaard gegaan met het opvoeren van de kolonisatie op de Westelijke Jordaanoever en in Jeruzalem en het opzoeken van confrontatie over de toegangspoorten tot de Al Aqsa moskee op de Tempelberg, maar ook een buitenlands militair avontuur behoort tot de mogelijkheden. Als Iran haar dreigement uitvoert om het nucleair akkoord op te blazen uit onvrede met de nieuwe Amerikaanse sancties onder impuls van Trump, zou dat een aanleiding kunnen vormen voor Israël om de nucleaire installaties in Iran te bombarderen zoals het dat eerder deed in 1981 tegen de kernreactor Tammuz-I van Saddams’ Irak. Dat de tweets van Trump niet bijdragen tot pacificatie van de regio is overduidelijk.

Een oorlog met Noord-Korea is niet het meest waarschijnlijke. Dat zou niet kunnen zonder aanzienlijke menselijke tol in Noord-Korea, Zuid-Korea en wellicht Japan. Het zou bovendien de spanning tussen de VS, Rusland en China tot een kookpunt brengen en tenslotte zou ook het Amerikaans leger een aanzienlijk aantal slachtoffers tellen. Met zijn improvisatie over ‘vuur en woede’ deed Trump de wereld niettemin op zijn grondvesten daveren en er volgde onmiddellijk een al even stoutmoedige repliek van Kim Jong-un. China en Rusland zagen de kans schoon om op te roepen tot terughoudendheid en dat deden ook de meer intelligente strategen van de VS. Uiteindelijk is de storm gaan liggen, maar met zijn eigengereid optreden heeft Trump zowel zijn eigen positie als die van het VS imperialisme aanzienlijk verzwakt. Het vertrouwen van de bondgenoten in de regio, vooral Zuid-Korea en Japan, en tot ver erbuiten is ernstig geschaad. Rusland, China, Noord-Korea en ook Japan zullen hieruit de les trekken dat ze zich best voorbereiden op de mogelijkheid van een militaire confrontatie, de Amerikaanse strategen dat ze Trump korter aan de lijn moeten houden.

De hamvraag is echter of Trump wel aan te lijn te houden is. Het regime van Maduro in Venezuela is ernstig verzwakt. Haar politiek van massale ontslagen en het ondermijnen van arbeidsvoorwaarden om het zogenaamde patriottische, productieve gedeelte van de burgerij tegemoet te komen, faalt. De torenhoge inflatie, speculatie op voedsel, medicijnen, bouwmaterialen en machineonderdelen, enorme corruptie en een meedogenloze repressie, ook tegen linkse activisten, hebben haar sociale basis ondermijnd. Het enige wat Maduro nog recht houdt, is de enorme afkeer voor de rechtse en extreemrechtse oppositie en de steun van het leger, maar ook dat brokkelt af. Zijn verlies aan binnenlandse autoriteit werd door de hoofdzakelijk rechtse regeringen in Latijns-Amerika als voorwendsel gebruikt om hem steeds meer te isoleren. Met één zinnetje, dat er “veel opties mogelijk zijn voor Venezuela met indien noodzakelijk een militaire” heeft Trump die strategie onderuit gehaald. De bevolking van Latijns-Amerika is de talloze militaire interventies door de VS uit de vorige eeuw nog lang niet vergeten. Geen enkele regering, zelfs niet de meest rechtse, kan het zich veroorloven zich daarmee te verbinden en bijgevolg moest de ene na de andere, ook Temer van Brazilië en Macri van Argentinië, zich openlijk uitspreken tegen die optie. Voor Maduro, die al jaren waarschuwt voor een imperialistisch complot, was dat een geschenk uit de hemel.

Trump zal op zijn tellen moeten passen. Zijn populariteit is nu al lager dan die van Nixon tijdens het Watergate schandaal. Dat corrigeren door een nieuw militair avontuur zou bijna gegarandeerd op massaal verzet stuiten, in de VS, maar ook internationaal. Trumps’ isolationisme, de idee dat de VS niet langer de politieman van de wereld zou spelen, was net een belangrijk element geweest in zijn verkiezing. Ook in het binnenland is de marge van Trump niet onbeperkt. Occupy, Black Lives Matter, de Sanders campagne en de vrouwenmanifestaties tonen dat de drempel voor actie er nu flink lager ligt dan tevoren, het werd nogmaals bevestigd na het drama in Charlottesville. Socialisme is nu al één van de populairste ideeën als alternatief systeem onder jongeren. Men verstaat er nog hoofdzakelijk gratis gezondheidszorg, sociale uitkeringen , een soort sociaaldemocratische hervormingen onder, maar dat kan snel ontwikkelen, mede afhankelijk van een bewuste interventie van revolutionaire socialisten. Een nieuwe recessie zou die ideeën ook onder bredere, meer traditioneel getinte lagen die zijn opgevoed met een afkeer voor socialisme, ingang doen vinden. Te brutale aanvallen op de verworvenheden van de arbeidersbeweging zouden ze doen ontwikkelen en radicaliseren. Al van bij zijn aantreden wordt gespeculeerd over afzetting van Trump. The Brooking Institution, een prominente denktank, beweert dat Trump slechts 6 stemmen in de senaat verwijderd zou zijn van impeachment.(7) Het establishment zal daar niet licht overgaan, het zou het presidentschap en daarmee heel het politieke establishment nog meer verzwakken, maar als haar belangen fundamenteel in gevaar komen, is zelfs dat niet geheel uitgesloten.

Europa- Grote Recessie zet tegenstellingen op scherp

Het Europese establishment zat echt niet te wachten op de komst van Trump. Het presidentschap van Obama was een stabiliserende factor geweest, die de sluimerende tegenstellingen in Europa mee hielp verzachten. Het was een aangename afwisseling op zijn voorganger GW Bush die met zijn Coalition of the Willing (voor de inval in Irak in 2003), folterpraktijken en geheime gevangenissen o.m. in Polen, die eenheid onder druk gezet had. Het Obama tijdperk verzachtte ook de onderhuidse economische competitie tussen het zogenaamde Angelsaksische model dat vooral in het VK en in Nederland beleden werd en het Rijnlandmodel waarvoor Duitsland, Frankrijk en ook België toen nog stonden. Toen Europa onder impuls van Duitsland, dat niet wou opdraaien voor de economische moeilijkheden in Zuid-Europa, tot lang na de Grote Recessie van 2007-2008 bleef doorgaan met haar politiek van interne devaluatie – besparen op sociale voorzieningen en het afbreken van loon- en arbeidsvoorwaarden om de schulden te saneren – mocht het kosteloos meegenieten van de soepele monetaire politiek en de overheidstussenkomsten onder Obama. Met de komst van Trump is het opnieuw ieder voor zich. Duitsland werd meteen na diens aantreden gewaarschuwd dat er wat moet gebeuren aan haar onaanvaardbaar handelsoverschot met de VS. Trump probeert de tegenstellingen binnen Europa niet te verzachten, maar giet openlijk en brutaal olie op het vuur.

Die onderhuidse tegenstellingen zijn sinds de Grote Recessie van 2007-2008 openlijk aan de oppervlakte gekomen. De EU moest sindsdien de ene crisissituatie na de andere beheren, de bankencrisis, de crisis van de overheidsschulden en de sociale en politieke crisissen die daarmee gepaard gingen. Vooral in het Zuiden van Europa legde de Trojka ondraaglijke besparingsmaatregelen op. Het stootte op een golf van verzet, in Griekenland met maar liefst 30 algemene stakingen. Net zoals in Italië was op den duur geen enkele traditionele politieke formatie nog in staat de wensen van de Trojka in vervulling te brengen en werd beroep gedaan op een niet verkozen zakenkabinet. Uiteindelijk leidde dat tot een gigantische verkiezingsoverwinning van Syriza, helaas gevolgd door enorm verraad. Dat is symptomatisch voor de nieuwe linkse formaties. Ontstaan in het proces van verburgerlijking van de oude sociaal democratie dragen ze nog de erfenis mee van de verwarring waarmee de val van het stalinisme gepaard ging. Ze weerspiegelen het nieuwe tijdperk van het kapitalisme en zijn veel minder stabiel dan de sociaaldemocratie die door Lenin burgerlijke arbeiderspartijen genoemd werden. De Indignados in Spanje verwierpen het meest nadrukkelijk ieder idee van politieke organisatie. Pas nadat de PP aan de macht kwam, vertaalde dat bewustzijn zich naar Podemos. Dat was een enorme stap vooruit in de zin dat politieke organisatie nodig bevonden werd, maar tegelijk ook twee kleinere stappen achteruit omdat het zowel naar de vorm als naar het programma zeer verward was. Het heeft 100.000-en leden, maar dat is op internet, zonder actieve participatie, niet zoals de klassieke massapartijen van de arbeidersklasse, en het programma is eerder radicaal populisme dan een klassiek reformistisch programma.

De revolte tegen de besparingen heeft zich op allerlei mogelijke manieren gemanifesteerd. Het heeft nationale kwesties die lang ingeslapen waren tot leven gewekt. Die hebben het potentieel om explosieve proporties aan te nemen. De burgerij en haar politieke vertegenwoordigers dragen daarin de belangrijkste verantwoordelijkheid doordat ze regio’s tegen elkaar uitspelen om gemeenschappelijk verzet tegen hun politiek van sociale afbraak te verdelen en te verzwakken. We moeten oog hebben voor reële achterstelling en gevoelig zijn voor de nationale verzuchtingen die dat kan opwekken. We komen op tegen iedere vorm van onderdrukking, ook de nationale, en staan voor het recht van iedere natie op zelfbeschikking, ook als dat afscheiding betekent. Alleen zo kan de eenheid van de arbeidersbeweging van de onderdrukkende natie met die van de onderdrukte natie gewaarborgd worden. Lenin en de Bolsjewieken hielden rekening met de nationale gevoelens die het chauvinistische Russische Tsarenrijk had opgewekt, vandaar dat Rusland niet eens voorkwam in de naam van de in 1922 opgerichte Unie van Socialistische Sovjet Republieken (USSR). De geschiedenis heeft ons al meermaals verrast. Door wat Trotski de gecombineerde en ongelijke ontwikkeling noemde, zijn niet zelden historisch rijkere regio’s door de kapitalistische exploitatie volledig uitgeput, ingehaald en voorbij gestoken door historisch achtergestelde regio’s. Dat wil niet zeggen dat de frustraties in die nieuw ontwikkelde regio’s over hun nationale onderdrukking daarmee verdwenen zijn. Onze steun aan het recht op zelfbeschikking van de naties is niet voorbehouden voor de meest achtergestelde regio’s, maar wordt bepaald door de steun ervoor in de arbeidersbeweging en de bredere bevolking van de betreffende natie als bindmiddel om een zo groot mogelijke eenheid van heel de arbeidersbeweging te realiseren.

Het was een fout van Corbyn om het recht op zelfbeschikking in Schotland niet te ondersteunen. Zijn boodschap tegen de besparingen heeft in de verkiezingen van juni jongstleden tot een gedeeltelijk herstel van Labour in Schotland geleid, maar onvoldoende om de balans helemaal in zijn voordeel te doen omslaan. De PP-regering van de Spaanse staat heeft met steun van de PSOE en uiteraard Ciudadanos, zoals verwacht het referendum voor Catalaanse onafhankelijkheid op 1 oktober brutaal trachtten blokkeren. Dat heeft de nationale polarisatie nog versterkt en geleid tot een situatie met pré- revolutionaire kenmerken. Het leidde ook tot massale solidariteitsbetogingen met de Catalaanse bevolking elders in de Spaanse staat. Door de transfer van haar hoofdzetels naar elders in Spanje, trachten de Spaanse en de Catalaanse burgerij de burgerlijke Catalaanse regering van haar voornemen tot éénzijdige onafhankelijkheidsverklaring te doen afzien. Het lijkt erop dat die zal plooien, wat nog maar eens bevestigt dat enkel de arbeidersbeweging een oplossing kan bieden zowel voor nationale als voor sociale onderdrukking. Unidos Podemos moet ophouden met ijveren voor onderhandelingen tussen Rajoy en Puigdemont, een onderhandeld referendum etc. maar integendeel bouwen aan een éénheidsfront van arbeidersorganisaties om tot een Catalaanse republiek met een linkse regering te komen als eerste stap naar een beweging in heel de Spaanse staat om de PP-regering ten val te brengen.

Wij ondersteunen het recht op zelfbeschikking van Catalonië, inclusief afscheiding, weliswaar met gegarandeerde rechten voor de minderheden en niet zonder dat systematisch te verbinden aan de nood om te breken met het kapitalisme. Schotland en Catalonië zijn op dit ogenblik de brandpunten van de nationale kwestie in Europa. De oproep van het Europees establishment om de Spaanse grondwet te respecteren is ingegeven door de vrees dat ook elders de nationale kwestie zal opflakkeren. Kleinburgerlijke nationalisten uit de rijkere regio’s grijpen de verdeel- en heerspolitiek van de nationale regeringen aan om de bijdrage van hun regio aan het nationale beleid te betwisten, om de illusie te voeden dat de arbeiders van hun natie beter af zouden zijn zonder de ballast van de armere regio’s en zoals in het geval van de N-VA om de eigen natie te misbruiken als hefboom om de arbeidersbeweging elders in het land te dwingen tot nog zwaardere besparingen. Dat is waar we ons onderscheiden van linkse nationalisten. Voor hen is de sociale kwestie ondergeschikt aan de nationale, terwijl onze steun aan de nationale verzuchtingen ophoudt waar die omslaat in revanchisme en haat tegenover de arbeidersklasse van de onderdrukkende natie.

Euroscepticisme neemt toe

Het besparingsbeleid ondermijnt de steun voor de Europese Unie. Officieel was dat een project voor vrede en vooruitgang door samenwerking, maar het wordt steeds meer gezien voor wat het echt is: een politiek keurslijf voor deregulering, privatisering, liberalisering en sociale afbraak. De EU was fundamenteel een akkoord tussen de verschillende kapitalistische klassen van Europa om een zo groot mogelijke markt te creëren onder toezicht van de Europese Commissie en nationale regeringen minder vatbaar te maken voor druk vanuit de arbeidersbeweging. Voor de financiële crisis losbarstte, stond nog 62% van de Vlamingen positief tegenover de EU, dat daalde naar 50% in het recessiejaar 2009 en zou intussen teruggelopen zijn tot 39%.(8) In verschillende Europese landen kenden Euro sceptische partijen zoals UKIP of de Vijfsterrenbeweging, of partijen die Euro sceptische standpunten verdedigen, zoals het FN of de PVV van Wilders, belangrijke electorale successen. Het Brexit referendum in juni 2016 was een keerpunt. Het is uitgedraaid op een plebisciet tegen de regering Cameron én de EU. In essentie werd het door de armste lagen aangegrepen voor een massale revolte tegen de EU en de elite. Er waren zeker elementen van racisme aanwezig, maar die werden versterkt doordat Corbyn zijn standpunt tegen de EU niet publiek verdedigde om de Blairisten niet voor het hoofd te stoten, daardoor werd de Brexit campagne overgeleverd aan rechtse populisten.

Voor de Britse en de Europese elite was de uitkomst echter een catastrofe. Het betekende met onmiddellijke ingang het ontslag van Cameron die een diep verdeelde partij nalaat, verscheurd tussen voorstanders van een harde Brexit en diegenen die de positie vertegenwoordigen van de meerderheid van de kapitalisten in het VK die eigenlijk geen Brexit willen, en voor een zo zacht mogelijke Brexit zijn. De poging van Theresa May om haar positie te versterken met vervroegde verkiezingen in juni 2017 werd een zoveelste blunder en het enige dat haar nu nog op de been houdt, is de schrik voor een Corbyn-regering. Er doen al geruchten de ronde over de mogelijke vorming van een centrumpartij met delen van Labour, de Tories en de Liberal Democrats en betrokkenheid van vertegenwoordigers van de SNP en de Welsh-nationalistische partij Plaid Cymru. Dat is wellicht nog niet voor morgen, maar zit ingebakken in de situatie. Corbyn benadrukte terecht dat een Brexit niet kan betekenen dat het VK binnen de eengemaakte markt blijft, noch dat het deel blijft van de douane-unie, want dat zou betekenen dat het recht om handelsakkoorden af te sluiten uitsluitend bij de Europese Commissie zou liggen. Diens schaduwkanselier John Mc Donnell stelde voorts dat de relatie met Europa zo opgesteld moet worden dat Labour haar manifest kan uitvoeren. Dat manifest bevatte onder meer het afschaffen van het inschrijvingsgeld voor studenten en de nationalisatie van energie, water en spoorwegen. Het genereerde een enorm enthousiasme. Maar bij Keir Starmer, Labours’ schaduwminister voor de Brexit blijft daar niets van over, hij beweert dat Labour staat voor een zachte Brexit, waarbij het minstens nog enkele jaren binnen de eenheidsmarkt blijft mits een speciaal akkoord over immigratie en vrij verkeer van personen binnen die markt. Labour blijft twee partijen.

Wij pleiten voor een internationalistische, een socialistische Brexit, de start van de opbouw van een maatschappij die voor iedereen de voorwaarden voor een waardig leven biedt: een woning van goede kwaliteit, een degelijke job, gratis onderwijs, een uitstekende gezondheidsdienst, een waardig pensioen etc. Dat zou een baken zijn voor de 450 miljoen arbeiders en jongeren die in de eenheidsmarkt blijven om overal in Europa te strijden voor vergelijkbare eisen en de weg openen voor massaal verzet tegen het Europa van de bazen en voor een democratisch socialistische Europese confederatie. Sabotage van de burgerij binnen en buiten de EU zou socialistische maatregelen vereisen zoals de controle over de economie en het financiewezen. Geen cent voor de scheiding die slechts de kapitalistische elite van Europa zou subsidiëren; afschaffing van de nul-urencontracten, een minimumloon van 10 £ per uur voor iedereen; afschaffing van de anti-vakbondswetten en vrijheid van organisatie en stakingsrecht; voor volledige rechten voor alle EU ingezetenen in het VK en voor alle VK ingezetenen in de EU; schrapping van alle wetten die competitie garanderen, staatshulp aan banden leggen en nationalisaties verbieden; de nationalisatie van de 125 grootste bedrijven en banken die de economie domineren onder democratische publieke controle als stap in de richting van een socialistische maatschappij.

De Europese commissie kan het zich niet veroorloven om het Verenigd Koninkrijk niet te straffen teneinde andere mogelijke exit-kandidaten af te schrikken en een verdere ontmanteling van de EU tegen te gaan. Hoe bekommerd ze daarover wel is, bleek op de viering van de 60ste verjaardag van de EU op 25 maart in Rome. Daar zette Juncker In een document met 5 opties over de toekomst van de EU, de deur op een kier voor een EU aan meerdere snelheden.(9) Dat is buigen om niet te moeten barsten. Het zou al een economisch wonder vereisen om de nationale spanningen binnen de EU terug te dringen. Veel waarschijnlijker zullen die verder oplopen en op een bepaald moment leiden tot het opbreken van de euro en een diepe crisis van de Unie. Ondanks alle retoriek om Brexit te verbinden aan racisme en xenofobie, erkent de Europese Commissie impliciet dat die hoofzakelijk neerkwam op een sociale revolte tegen haar politiek van begrotingsdiscipline. Samen met een aantal nationale regeringsleiders heeft ze daarom de sociale dimensie uitgeroepen tot prioriteit van Europa. Om diezelfde reden is de nieuwe Franse president Macron een kruistocht begonnen tegen sociale dumping uit Oost-Europa. Hij is er gaan pleiten voor strengere regels voor detachering – maximaal 1 jaar i.p.v. 3 en de strijd tegen postbusbedrijven opdrijven – en het principe van gelijk loon voor gelijk werk op eenzelfde werkplaats.

Met 286.000 gedetacheerde werknemers is Frankrijk na Duitsland het land dat de meeste dergelijke werknemers, vooral uit Oost-Europa telt. Hij stoot op verzet van vooral Hongarije en Polen, wiens premier Beata Szydlo aankondigt zich tot de laatste adem te verzetten “in het belang van de Poolse arbeiders”. De geïrriteerde reactie van Macron die meteen de Poolse regering verweet op allerlei punten tegen de Europese belangen in te gaan, werd ontvangen op een laconiek “de arrogantie van Mr. Macron is misschien te wijten aan zijn gebrek aan ervaring.” Een gewogen meerderheid van Europese landen zou in principe volstaan om een akkoord op te leggen, maar dat zou de spanningen ten top drijven en het uiteenrafelen van Europa enkel bespoedigen. Als er al een compromis bereikt wordt, zal het wellicht een zwak zijn dat op allerlei mogelijke manieren omzeild zal worden. De fundamentele reden voor de oplopende spanningen in Europa is de economische stagnatie en het besparingsbeleid in combinatie met gigantische verschillen binnen een gemeenschappelijke markt die sinds de eenmaking slechts opgelopen zijn. In januari 2017 publiceerde Knack de groeiende frustraties hierover onder de titel ‘Bulgarije en Roemenië zijn slechter af dan toen ze bij de EU kwamen’. Eén cijfer onder de vele: In geen enkel Oost-Europees land met uitzondering van Slovenië bereikt het officiële minimumuurloon 3€, in Zuid-Europa en Slovenië bedraagt het tussen de 3 en 5€, terwijl het in Frankrijk, Duitsland, het VK, Ierland en de Benelux bijna 9 tot 11 € bedraagt.(10)

Migratiecrisis haalt humanitaire retoriek onderuit

Hoe moeilijk Europese solidariteit wel ligt, komt tot uiting in de reactie op de migratiegolven. Merkel trachtte aanvankelijk de morele standaard hoog te houden. “Wir schaffen das,” zei ze. Het optrekken van nieuwe grenzen, niet enkel in Oost-Europa om de Balkanroute af te sluiten, maar ook in Oostenrijk, Spanje, Frankrijk en op een bepaald ogenblik zelfs België en de Scandinavische landen en dan de groei van het rechts populistische AFD deden ook haar overstag gaan. Volgens Eurostat zou het totaal aantal asielaanvragen in de EU sedert 2010 zijn toegenomen van 259.000 naar een voorlopig hoogtepunt van 1.320.000 in 2015. Dat is nog steeds minder dan 0,3% van de bevolking van de EU, minder dan de gemiddelde jaarlijkse emigratie uit Europa – hoofdzakelijk zogenaamde gelukszoekers – tussen 1820 en 1924 naar de VS (0,5%). Het heeft uiteraard alles te maken met de aanslepende oorlogen, vooral in Syrië, maar ook Irak, Afghanistan en Jemen. De overgrote meerderheid vluchtelingen blijft naar buurlanden trekken, economische lilliputters vergeleken bij de EU, in de hoop snel terug naar huis te kunnen. Naarmate oorlogen echter aanslepen, verdwijnt het perspectief van terugkeer en groeit de aantrekkingskracht om een nieuw leven op te bouwen in een stabielere en rijkere regio. Daarbovenop komt de catastrofale economische situatie en de enorme repressie in Afrika en vreest men nu al voor een toevloed aan klimaatvluchtelingen in een niet zoverre toekomst.

Het klopt dat de aantallen in historische termen relatief beperkt blijven, dat Europa ruim voldoende rijkdom heeft om dat op te vangen en dat migranten ook bijdragen aan de economische groei, maar dat is buiten het kapitalisme gerekend. Voor wie het ongeluk heeft om met die migranten in concurrentie gesteld te worden voor een van de schaarse sociale woningen, een slechte job, of een van de talloze andere wachtlijsten, doet dat weinig ter zake. Samen met het afbouwen van sociale voorzieningen, het leegmelken van de sociale zekerheid en het vermoeden dat terroristen zich vermengen onder de vluchtelingen, zorgt dat ervoor dat rechtse populisten gemakkelijk gehoor vinden en een deel van de bevolking vreest dat het sociaal stelsel die ‘toestroom’ niet aan kan. ‘Illegale’ migratie wordt daardoor één van de belangrijkste bedreigingen voor Europa, erg genoeg om het zogenaamde spreidingsplan feitelijk te laten voor wat het is en de morele standaard te verlagen tot een duur en labiel akkoord met Erdogan, die daarmee over een krachtig wapen beschikt om de EU onder druk te zetten. Op de Italiaanse vraag voor bijstand omdat dit jaar al 85.000 migranten de dodelijke overtocht maakten, kwam een resoluut njet van Spanje en Frankrijk. Italië dreigde daarop haar havens te sluiten voor schepen die niet onder Italiaanse vlag varen of niet tot het grensagentschap Frontex behoren. Minstens één NGO-schip werd aan de ketting gelegd en andere hebben beslist niet langer uit te varen.

Daarmee komt de vermeende uitspraak van Franken, “laat ze maar verdrinken”, steeds dichterbij. Hij is ook niet langer de enige in Europa die de humanitaire reddingsoperaties van de Ngo’s als veerdiensten voor vluchtelingen voorstelt. Macron is in Libië een akkoord gaan onderhandelen tussen de internationaal erkende regering van Fayez al-Sarraj en de krijgsheer Khalifa Haktar om de strijd tegen terrorisme en mensensmokkelaars te vergemakkelijken. In ruil vraagt Haktar munitie, jeeps, drones, nachtkijkers en helikopters voor een totaal bedrag van 20 tot 25 miljard $ over 20 tot 25 jaar. Sindsdien heeft Libië zelf een zone voor het opzoeken en redden van bootvluchtelingen ingesteld waarin Ngo’s niet langer welkom zijn. De Libische kustwacht brengt de vluchtelingen terug en sluit ze op in kampen waar naar verluidt afpersing, uitbuiting en seksuele ‘diensten’ courante praktijken zijn. Ook andere krijgsheren pikken graag een graantje mee. In Sabratha, de belangrijkste smokkelhaven van Noord-Afrika, blokkeren een voormalige maffiabaas en zijn gewapende bende de vluchtelingen in de hoop op Europese subsidies. Alles samen heeft dit deze zomer de vluchtelingenstroom naar Italië doen opdrogen. De EU moest daarvoor wel elke moraliteit opzij schuiven en de vluchtelingen uitleveren aan figuren als Erdogan en allerhande krijgsheren waarvan men kan vermoeden die zij voorheen de mensensmokkel zelf in handen hadden. Wat die openlijk doen, doet de EU echter bedekt, waarom anders moest 11.11.11 in juni 2017 aan de alarmbel trekken omdat de EU met middelen voor ontwikkelingshulp “muren bouwt in de woestijn”.

Minderheidsregeringen en verkiezingsthrillers

De erosie van de autoriteit van de traditionele partijen in Europa is al langer aan de gang. Electorale doorbraken van extreemrechts en rechts populistische partijen, maar ook de opkomst van linkse partijen zoals de PRC in Italië, de SP van Nederland en andere, waren er al vanaf het einde van de jaren ’80 en doorheen de jaren ’90. In “Naar een historische doorbraak van de PVDA. Inschatting en voorstellen van LSP” van mei 2017, overlopen we de belangrijkste. Sinds de Grote Recessie is dat proces enorm versneld, in die mate dat het vormen van stabiele regeringen steeds moeilijker is geworden. Intussen moest de burgerij al in 4 EU-landen na een electorale ruk naar links het zwaktebod van minderheidsregeringen aanvaarden. In Portugal nadat de rechtse premier Coelho in 2015 zijn absolute meerderheid verloor. Coelho faalde, maar zijn centrumlinkse concurrent Costas kreeg wel een minderheidsregering op de been met steun van de Communistische Partij, de Groenen en het Links Blok, de grote verkiezingsoverwinnaar. Socialismo Revolucionario, LSP in Portugal, beaamde dit als middel om rechts te wippen, maar vond wel dat het beter niet achter gesloten deuren was onderhandeld, maar in het openbaar en gekoppeld aan massamobilisatie. Costas wordt steeds meer opgevoerd als model voor de sociaaldemocratie omdat hij zou aantonen dat een sociaal beleid combineren met respect voor de Europese begrotingsdoelstellingen wel kan. De Portugese economie pikt op, het begrotingstekort is teruggebracht tot binnen de EU-normen, de werkloosheid daalt en enkele van de ergste besparingsmaatregelen van Coelho werden teruggeschroefd. Peilingen geven aan dat een aanzienlijk deel van de bevolking Costas krediet geeft, maar de toename van het aantal stakingen en acties toont dat het meer bewuste deel de druk om sneller en verder te gaan wil opdrijven.

Het vergde twee verkiezingen, in december 2015 en in juni 2016, en een parlementaire coup in de PSOE vooraleer Premier Rajoy van Spanje de 29ste oktober 2016 het vertrouwen bijeen gesprokkeld kreeg voor zijn PP-minderheidsregering. Intussen was een poging om Pablo Iglesias aan het hoofd van Podemos in te ruilen voor Inigo Errejon, die voor het establishment meer aanvaardbaar is, mislukt. Minder dan een maand na haar aantreden, op 25 november, moest de zwakke regering haar onderwijsmaatregelen intrekken door het massale protest dat hoofdzakelijk georganiseerd werd door de studentenvakbond. Die werd opgericht en wordt nog steeds geleid door de nieuwe zusterpartij van LSP. Tenslotte werd in juni 2017 Pedro Sanchez, die eerder door de partijbaronnen buiten spel gezet was, herkozen aan het hoofd van de PSOE. In de Ierse republiek werd de campagne “keep the recovery going” van de uittredende coalitie voor de verkiezingen van februari 2016 een debacle. Labour werd van de kaart geveegd. Uiteindelijk vormde Fine Gail met enkele onafhankelijken een minderheidsregering met steun van buitenaf door Fianna Fail. De watertaks werd geschorst, maar niet zonder wraak te nemen op wie in de frontlinie van die strijd stond met het Jobstown proces. Dit proces winnen vergde een enorme inspanning van de beklaagden, van de Socialist Party/Solidarity en van het CWI, maar toonde ook dat het mogelijk is de regering te verslaan en versterkte het vertrouwen van de arbeidersbeweging. De regering heeft uiteindelijk 270 miljoen € uit de begroting voorzien ter vervanging van de watertaks en een provisie van nog eens 178 miljoen om de betaalde taks terug te betalen. Om Corbyn van de macht te houden is ook Theresa May sinds de verkiezingen van juni 2017 voortaan afhankelijk van steun van buitenaf van het ultra conservatieve en sectair protestantse DUP uit Noord-Ierland.

In Nederland, Finland, Oostenrijk en Frankrijk kon het establishment uiteindelijk opgelucht adem halen na de laatste verkiezingen. In de gemeenteraadsverkiezingen van april 2017 werden de Ware Finnen afgestraft voor hun regeringsdeelname sinds 2015. Ze vielen terug van de tweede naar de vijfde plaats. Er volgde een interne strijd en een afsplitsing die de regeringsdeelname doorzet waarbij de resterende Ware Finnen in de oppositie belandden. In Oostenrijk won de kandidaat gesteund door de Groene partij eerst in mei en dan, nadat de verkiezingen wegens onregelmatigheden moest overgedaan worden, opnieuw in december nipt de verkiezing voor Bondspresident van de kandidaat van de FPÖ. Ook naar de Nederlandse Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017 keek het establishment met een bang hartje . Door een harde opstelling tegenover Erdogans’ campagne voor het Turks referendum kon Rutte van de VVD de schade beperken tot een verlies van 8 zetels terwijl coalitiepartner PVDA 29 van haar 38 zetels verloor. De PVV van Wilders bleef steken op een winst van 5, Groen Links (+10), D66 (+7) en CDA (+6) werden de grote overwinnaars. De SP kon niet profiteren van de neergang van de PVDA en verloor zelfs een zetel. Die uitslag vereist minstens 4 partijen om tot een meerderheid te komen. Na het afhaken van Groen Links onderhandelt VVD 6 maand na verkiezingsdatum nog steeds met D66, CDA en de ChristenUnie over een nipte meerderheid met slechts één zetel op overschot.

De Franse presidentsverkiezingen hadden een gemakkelijke zege moeten worden voor de republikeinen, wellicht in een tweede ronde met het FN, maar het werd een ware thriller met een opeenvolging van tegenvallende resultaten voor het establishment. Het begon al met de voorverkiezingen, de overwinning van François Fillon ten koste van Sarkozy en Juppé en dan de schandalen rond Fillon, gevolgd door de nederlaag van premier Valls tegen Hamon voor de PS. In de laatste weken voor de eerste ronde van 23 april 2017 zag het establishment het doembeeld opduiken van een tweede ronde met Mélenchon en Le Pen. Op het programma van Mélenchon en zijn campagne kan veel opgemerkt worden en dat deden we, maar het bood wel enorme gelegenheden tot politieke discussie. Sterke momenten zoals de minuut stilte in Marseille uit solidariteit met de bootvluchtelingen, begeesterden brede lagen die massaal aansloten bij La France Insoumise. De dynamiek rond Mélenchon werd afgebroken door de aanslag op de 20ste maar hij eindigde wel op een zucht van Macron, Le Pen en Fillon. Wat indien NPA en LO zich hadden teruggetrokken in diens voordeel? Hun uitslagen opgeteld bij Mélenchon had hem een plaats in de tweede ronde opgeleverd. Het establishment kon opgelucht adem halen na de vlotte winst van Macron tegen Le Pen, maar met een lage opkomst en veel blanco en ongeldige stemmen. Macron en zijn regering zijn sindsdien in vrije val, terwijl Mélenchon nu al erkend wordt als belangrijkste oppositieleider. De CGT heeft op 12 september een staking georganiseerd tegen de nieuwe arbeidstwet en Mélenchon en La France Insoumise hebben de 23ste betoogd tegen “de sociale coup”, wat doet vermoeden dat Mélenchon zijn oppositierol in het parlement ook op straat wil vertalen. In Frankrijk staan explosieve gebeurtenissen op de agenda die een nieuw mei ’68 voorbereiden.

Daarbij vergeleken hadden de Duitse verkiezingen van 24 september een oase van rust moeten worden. Daar leek de kwestie niet of Merkel zou aanblijven, maar met welke regeringspartner. Duitsland is de winnaar van de economische crisis, die er met een agressieve concurrentie, gebaseerd op lage lonen en het opleggen van een hard besparingsbeleid aan de rest van Europa, in geslaagd is de gevolgen van de crisis op de andere Europese landen af te schuiven. Het heeft al jaren een begrotingsoverschot en ook een overschot op de lopende rekening van rond de 8%, de staatsschuld loopt terug, de werkloosheid eveneens. Om de voedingsbodem voor het AFD, dat tot deze zomer intern sterk verdeeld leek, weg te nemen beloofde Merkel 15.000 politieagenten aan te werven en investeringen in bewakingscamera’s. Een toestroom van vluchtelingen zoals in 2015 mocht “zich niet herhalen”. Ze moest destijds onder druk van de SPD een minimumloon invoeren, maar dat is slechts 8,84 euro per uur en velen krijgen zelf dat niet. Maar Merkel was zich wel bewust dat de groei onevenwichtig is, dat 20% van de bevolking een armoederisico loopt en dat dit op termijn explosief kan worden. Daarom beloofde ze de bouw van 1,5 miljoen woningen de komende 4 jaar, het optrekken van kinderbijslag met 25€ maandelijks en de hele dag opvang van kinderen in de lagere school. De al lage werkloosheid beloofde ze met nog eens de helft te reduceren en de belastingen met 15 miljard € jaarlijks te verminderen. Uit Merkels’ mond klonk dat geloofwaardig, terwijl de SPD vooral gezien werd als ruggengraatloos. Die Linke zou het politieke debat hebben kunnen keren, maar stelde zich veel te voorzichtig op en bespaart mee in lokale coalities. Dat AFD alsnog als derde partij uit de verkiezingen kwam, terwijl de SPD een historische nederlaag leed, brengt ook in Duitsland de politieke instabiliteit een stap dichterbij. Merkel is nu verplicht een vierpartijencoalitie te onderhandelen met haar Beierse zusterpartij CSU, het liberale FDP en die Grünen. Dat wordt geen gemakkelijke klus.

Economie: zwak herstel en toenemende kwetsbaarheid

In aanloop naar de G2O top van juli 2017 publiceerde het IMF een document onder de titel “Globale vooruitzichten en beleidsuitdagingen”. Daarin bevestigde het wat al enige tijd was vastgesteld: het globale herstel zet zich door. Het wordt ondersteund door groei in de industrie, in investeringen en een sterkere wereldhandel. Het IMF waarschuwt echter dat dit niet structureel is maar cyclisch en dus snel kan verdampen. In dit stadium blijft het vooruitzicht een wereldgroei van 3,5% in 2017 en 2018, licht hoger dan de 3,1% van 2016. Het loopt echter nog ver achter op de cijfers van voor de Grote Recessie, 5% in 2006 en ook op de 4% gemiddeld tussen 2003 en 2012, ook al bevatte die periode de slump van 2007-2012.

Statistieken van de ‘Conference Board’(11) tonen aan dat na 6 à 7 magere jaren de productiviteitsgroei op wereldvlak verbetert naar 1,9%, tegen 1,3% in 2015 en 2016. Maar ook dat hinkt nog steeds ver achterop in vergelijking met voorgaande periodes: gemiddeld 2,8% tussen 1999 en 2006 en gemiddeld 2,3% tussen 2007 en 2014. Bovendien is de huidige productiviteitsgroei eveneens grotendeels cyclisch, het gevolg van massale herstructureringen, overnames en fusies in de voorbije periode, vooral in de ontwikkelde kapitalistische landen (OKL). Het niet-structurele karakter ervan wordt in de verf gezet doordat de reeds beperkte bijdrage van IT-kapitaal aan het wereld BBP (0,6%) nog afnam naar 0,5% in 2016. De jaargroei van de arbeidsproductiviteit in de OKL zou in 2017 1% bedragen, maar tussen 1999 en 2016 was dat nog 1,5% voor de Eurozone en 2,9% voor de VS met vergelijkbare cijfers voor Japan en het VK. Enkel in de groeilanden is de productiviteitsgroei belangrijker, maar opnieuw lager dan de lange termijntrend. China uitgezonderd zou die 3,3% bereiken in 2017 tegenover 4,9% gemiddeld tussen 1999 en 2006 en 5,1% gemiddeld tussen 2007 en 2014. Volgens de alternatieve cijfers van de Conference Board op de officiële cijfers zou de groei van de productiviteit in China slechts 4% bereiken in 2017 tegenover 8,1% gemiddeld tussen 1999 en 2006 en 7,8% gemiddeld tussen 2007 en 2014.

In haar G20-document waarschuwt het IMF eveneens dat het positieve nieuws gepaard gaat met toenemende kwetsbaarheid. Het is vooral bezorgd om de groei in China die hoofdzakelijk gebaseerd is op potentieel onhoudbare private en publieke schuldniveau ’s. De voorbije 10 jaar werd de groei er gestimuleerd met doping door gigantische infrastructuurwerken en steun aan de industrie. De schulden van de bedrijven zijn er bijna verdubbeld met een enorme overcapaciteit tot gevolg. Het IMF schat dat 15% van de leningen aan bedrijven risicoleningen zijn. Het gevaar voor een bankencrisis of een huizencrisis is reëel. Een brutale vertraging van de Chinese economie zou onvermijdelijk gevolgen hebben voor de wereldeconomie en in de eerste plaats de groeilanden die als leveranciers van grondstoffen vooral van China afhankelijk zijn.

China mag dan bijzonder verontrustend heten, het economisch herstel is wereldwijd gebaseerd op krediet. Op wereldvlak torsen de bedrijven, de gezinnen en de overheden een totale schuld van 217.000 miljard $, ongeveer 300% van ’s werelds BBP, voor de Grote Recessie in 2007 was dit 200%. Dat is onder andere te wijten aan de kostelijke overheidsinterventies om de financiële sector boven water te houden, aan toename van de sociale uitgaven als gevolg van de werkloosheidsgroei en aan ultra-soepel monetair beleid via historisch lage rentevoeten en ‘quantitative easing’. Dit laatste is een politiek die door de Amerikaanse FED werd gelanceerd, verder gezet werd door de Japanse Centrale Bank en die van het VK, en na jaren van weerstand ook door de Europese Centrale Bank werd aangenomen. Op korte termijn heeft dit de economie gaande gehouden, maar het heeft ook het gevaar voor nieuwe financiële crisissen vergroot.

De afbetaling van schulden zal nog lang wegen op de particuliere consumptie, private investeringen en publieke uitgaven voor diensten en infrastructuur. Lage rentevoeten verbergen niet alleen die onderliggende zwakheid, maar stimuleren eveneens risicogedrag waardoor schuldenaars kwetsbaarder worden zodra de terugbetaling de eindlimiet bereikt en geherfinancierd moet worden. Volgens de OESO zijn er een groeiend aantal niet levensvatbare bedrijven die al jaren verlies maken maar niettemin overleven dankzij de lage rente, goedkoop krediet en allerlei overheidssubsidies. Een normalisering van het rentebeleid zou hen van de kaart vegen. Dat is de waarom centrale banken nog steeds geld in de economie pompen en hun beleid slechts met de grootste voorzichtigheid verstrakken. In juni 2017 heeft de FED voor de derde keer op rij haar leidende rentevoet verhoogt naar 1 à 1,25% en mogelijk volgt nog een verhoging in december 2017. De FED hoopt zo gradueel 2% te bereiken in 2018 en 3% in 2019, nog steeds relatief laag naar historische normen. Dat is bij wijze van spreken ‘schuldafbouw’ voor centrale banken. Het is de wijze waarop de FED haar balanstotaal dat opliep van 800 miljoen $ voor de Grote Recessie tot bijna 4500 miljoen $ vandaag wil afbouwen. Door de waardepapieren en schatkistcertificaten die ze opkocht tijdens de recessie te verkopen, zal de FED de waarde ervan echter verminderen met schadelijke neveneffecten op de huizenmarkt, banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. Maar de FED heeft weinig keuze omdat ze ruimte moet creëren die nodig zal zijn bij een volgende crisis.

Naar een nieuwe crisis

Dat zou niet eens zo veraf kunnen zijn. Een groeiend aantal economisten waarschuwt dat de piek van de expansiefase in de VS al achter de rug is. Intussen is het totaal bedrag aan studieschulden er opgelopen tot 14.000 miljard $, 200 miljard meer dan de markt van rommelhypotheken voor die in 2007 instortte. Ondanks de lage werkloosheid, zijn er nu reeds bij 12% ervan problemen met afbetaling. Als de groei vertraagt en de werkloosheid toeneemt wordt dat een ernstig probleem, ook al omdat veel van die schulden net als de rommelhypotheken van destijds verpakt zitten in risicovolle obligaties. Voorlopig neemt de werkloosheid nog af, maar ook de werkloosheidsgraad neemt opnieuw toe voor het eerst in jaren. De gemiddelde inkomens groeien nauwelijks. De winsten in de productieve sectoren nemen af. De aandelen zijn fors overgewaardeerd tegenover de werkelijke inkomsten. De verwachting dat de belastingverminderingen die Trump beloofd had en diens plannen voor uitgaven aan infrastructuur de economie een boost zouden geven, is voorbij.

De VS-economie zal door andere gevolgd worden. De onderhandelingen over de Brexit zijn een mijnenveld. Het VK zal een slecht ofwel helemaal geen akkoord krijgen volgens Martin Wolf van de Financial Times, en dat zal een vernietigend effect hebben op de koers van de £, een opstoot van inflatie veroorzaken en de Bank of England voor een enorm dilemma plaatsen. Maar nog een referendum, schrijft Martin Wolf, zou politieke dynamiet zijn. Nog in Europa zitten de balansen van banken in Italië, Portugal en Griekenland vol leningen met meer dan 90 dagen afbetalingsachterstand. Vooral Italië is een bedreiging voor Europa omwille van de omvang van haar schuld en haar blootstelling aan 300 miljard € toxische leningen. Dat doet sommige economisten gematigd lijken als ze waarschuwen dat de centrale banken de komende twee jaar in een doodlopende straat terecht kunnen komen omdat de recessie net toeslaat op het moment dat ze hun soepele monetaire politiek herzien, waarbij centrale bankiers opnieuw verplicht kunnen zijn de rentevoeten te doen dalen om de recessie niet opnieuw te verdiepen.

Het IMF waarschuwt ook voor de impact van het terugschroeven, zoals de administratie van Trump wil, van de regelgeving voor financiële instellingen die werd ingevoerd in volle recessie. Soepeler regels voor kapitaal en liquiditeitsbuffers kunnen negatieve gevolgen hebben voor de financiële stabiliteit. Dat zou bovenop een ander belangrijk neveneffect van monetaire normalisatie in de VS komen: een ommekeer van de kapitaalstroom weg uit de groeilanden en een opwaardering van de $, waardoor vooral groeilanden met veel schulden en wiens munt aan de $ gekoppeld is onder druk zouden komen en hun reeds verzwakte groei doorkruist zou worden. Bedrijven zouden er hun schulden niet langer kunnen afbetalen met faillissementen tot gevolg en een bruuske vertraging van de investeringen. Hier zien we nog maar eens een illustratie van de verwikkelingen die politieke instabiliteit kan meebrengen.

Het spook van het protectionisme werpt haar schaduw over de wereldeconomie. De administratie van Trump dreigt de commerciële wereldorde te verstoren en de handelsrelaties te verslechteren. Dat is één van de belangrijkste bezorgdheden in het IMF-document. Protectionisme en economisch nationalisme zullen geen jobs creëren, noch inkomensgelijkheid of welvaart, maar die groeiende trend is wel het directe gevolg van het onvermogen van de ‘vrije markt’ om de levenstandaard en de algemene condities van de overgrote meerderheid te verbeteren. Vanuit het standpunt van de kapitalisten, zeker met de huidige economische verwevenheid en internationale arbeidsdeling, verergert dit slechts de bestaande verwikkelingen, maar vanuit het standpunt van de arbeiders, hoewel oppositie tegen de dictaten van internationale instellingen aanlokkelijk kan zijn, zijn protectionisme en economisch nationalisme contraproductieve illusies die leiden tot achteruitgang en verdeeldheid.

Het kapitalisme bevindt zich aan lichtsnelheid op een weg vol hindernissen met migratie- en milieucrisissen, imperialistische conflicten, de heropleving van nationale kwesties etc. Het moet dat beheren met gediscrediteerde politici en partijen. Het onvermogen van het kapitalisme om zelfs de meest dringende uitdagingen op te lossen leidt tot verdeeldheid aan de top van de maatschappij. Zelfs het IMF voelt zich gedwongen te erkennen dat de toenemende ongelijkheid niet alleen ongenoegen voedt, maar ook de houdbaarheid van groei ondermijnt. Een aantal gerenommeerde economisten pleit daarom voor helikoptergeld, de creatie van grote sommen geld die rechtstreeks verdeeld worden onder de bevolking om de economie te stimuleren. Het is onwaarschijnlijk dat dit er komt, maar zelfs dan zou het hooguit een tijdelijk effect hebben en niet volstaan om de gevolgen van twee decennia dalend aandeel van inkomens uit arbeid in het BBP van de ontwikkelde kapitalistische landen en van de groeilanden teniet te doen. De Europese Commissie pleit voorzichtig voor een expansionistische politiek van landen die over begrotingsmarge beschikken. Eigenlijk is men het erover eens dat de Eurozone loonsverhogingen nodig heeft om de particuliere consumptie aan te zwengelen. De vakbonden zeggen het, maar ook, in andere bewoordingen, het IMF, de OESO en de ECB.

Economisten staan perplex omdat ook in landen waar de werkloosheid laag is, loonstijgingen achter blijven en de inflatie laag. Dat spreekt de heersende theorie van de Philips-curve tegen, volgens die moeten werkloosheid en inflatie in tegengestelde richting evolueren, als het ene daalt, moet het andere stijgen, maar hier gebeurt net het omgekeerde. De ECB tracht dit te verklaren door wat ze het onderbenutten van de factor arbeid noemt, die wordt geschat op 15% van de actieve bevolking tegen iets meer dan 9% voor de officiële werkloosheidsgraad in de EU. In dat kader geeft zelfs ECB-voorzitter Draghi toe dat de groei van de tewerkstelling in Europa vooral van lage kwaliteit is, tijdelijk of deeltijds, maar hij hoopt dat de goede banen uiteindelijk de slechte zullen vervangen en de lonen dan zullen stijgen. Het fenomeen doet zich echter ook buiten Europa, in de VS en het VK voor. Dominique Berns van Le Soir verwijst ter vergelijking naar een ander ‘onverklaarbaar’ fenomeen dat zich voordeed in de jaren ’70, dat van stagflatie, gelijktijdige economische stagnatie en inflatie, hetgeen toen alle economische theorieën tegen sprak. Uiteindelijk kwamen toenmalige economisten ertoe dat dit het resultaat was van de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal. Ondanks de economische stagnatie slaagden de arbeiders er toen in loonsverhogingen af te dwingen die door de patroons doorgerekend werden in de verkoopprijzen. Berns wijst erop dat de verzwakking van de vakbonden, het arbeidsrecht en sociaal overleg die krachtsverhouding hebben gewijzigd, hetgeen grotere loonmatiging voor de financiële crisis en afwezigheid van loonsverhogingen vandaag verklaart.

De Duitse econoom Fels komt op zijn – zuiver economische – manier tot een vergelijkbare conclusie. Hij wijt de hardnekkig lage rente voor een deel aan groeiende ongelijkheid in het bedrijfsleven. De vijf grootste bedrijven, Facebook, Amazon, Apple, Netflix en Google, maken veel meer winst dan ze willen investeren of uitkeren aan de aandeelhouders, stelt hij. De gigantische cashvoorraad die ze daardoor opbouwen, beleggen ze in obligaties. Dat stuwt de vraag naar obligaties omhoog en drukt de rente neerwaarts. Bovendien, zegt hij, hebben de vijf superbedrijven relatief weinig personeel nodig om al die winst te genereren. Bij facebook zijn er 5,3 mensen nodig om in een kwartaal 1 miljoen $ te verdienen, bij GM zijn dat er 92,6. Het gevolg daarvan is dat de lonen een steeds kleiner aandeel vormen in de economische waardecreatie. M.a.w.: de economie wordt steeds minder afhankelijk van arbeid. De onderhandelingspositie van werknemers verzwakt. Hogere lonen afdwingen wordt moeilijker. Dat maakt de Philips-curve vlakker. De hoeveelheid inflatie die een krappe arbeidsmarkt veroorzaakt, wordt steeds kleiner en ook dat zou de rente laag houden.

Fels verricht een interessante denkoefening, maar wij houden het er liever op dat economie steeds weer politieke economie is en eenzelfde gegeven onder andere omstandigheden een verschillend resultaat oplevert. Normaal gezien zou goedkope olie, en bij uitbreiding goedkope grondstoffen, een bonus moeten opleveren voor de kapitalisten. Vandaag wordt het gezien als een destabiliserende factor, niet alleen in landen die grondstoffen exporteren. Het fenomeen waarbij alles in zijn tegengestelde omslaat en om het even welke maatregel de crisis slechts lijkt te verergeren, is karakteristiek voor een systeem dat haar capaciteit om de maatschappij te ontwikkelen heeft uitgeput.

Alleen maar een politieke keuze?

De idee dat het “zo niet hoeft te zijn, maar dat het om politieke keuzes gaat”, zoals sommigen ter linkerzijde steeds herhalen, bevat een graad van waarheid, maar enkel binnen bepaalde grenzen. Gewoon terugschakelen naar de naoorlogse groeifase is niet mogelijk. Dat was een bijzondere, uitzonderlijke situatie, het resultaat van de uitkomst van WOII: (1) het naast elkaar bestaan van twee fundamenteel tegengestelde maatschappelijke systemen en de dreiging van de arbeidersbeweging in West-Europa dwongen het imperialisme tot verregaande sociale concessies, gaande van nationalisaties over sociale zekerheid tot collectief overleg; (2) de dominantie van het VS-imperialisme, versterkt door de oorlogsinvesteringen maar zonder dezelfde massale vernietiging van infrastructuur en productiecapaciteit te ondergaan als haar belangrijkste concurrenten, zorgde ervoor dat de $ kon opgelegd worden als internationaal betaalmiddel en de douanetarieven verlaagd werden onder de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT), de voorloper van de Wereld Handels Organisatie (WHO), in ruil voor Marshall hulp; (3) de wapenwedloop tijdens de koude oorlog betekende een belangrijke injectie van publieke middelen in de economie waardoor de effecten versterkt werden van het toepassen van productietechnieken die wel al voor de oorlog bestonden, maar pas tijdens de heropbouw veralgemeend werden.

Tussen 1950 en 1975 groeiden de OKL jaarlijks gemiddeld 4,9%. In een kwarteeuw werd meer geproduceerd dan gedurende de voorgaande 75 jaar. De reële lonen in de OKL stegen tussen 1963 en 1973 met 3,5% gemiddeld per jaar, meer dan de 3,2% gemiddelde productiviteitsgroei. Op 10 jaar tijd vervijfvoudigden de Belgische lonen. De gemiddelde werkloosheidsuitkering in de OESO-landen steeg van 28% van het gemiddelde loon in 1960, naar 35% in 1974 en 43% in 1979. Belangrijke loonsverhogingen en een forse toename van openbare uitgaven, ook voor diensten en infrastructuur, waren de drijvende kracht achter nieuwe productietechnieken gericht op massaproductie. De inkomensongelijkheid smolt naar een historisch dieptepunt. Die politiek van het stimuleren van de vraag kreeg de naam Keynesianisme, maar ging veel verder dan wat Keynes zich voor de oorlog had ingebeeld. Het was niet het resultaat van slim economisch denken, maar van een specifieke objectieve situatie die ontstond na WOII. Belangrijk in de naoorlogse groei was de enorme uitbreiding van krediet en vrijhandel. Dat wekte de indruk, en in het geval van Ernest Mandel de illusie, dat het kapitalisme haar belangrijkste tegenstellingen, het privébezit van productiemiddelen (via krediet) en het bestaan van nationale staten (via vrijhandel), overwonnen had. Uiteindelijk bleek ook dit effect slechts tijdelijk, zorgde de kredietstroom voor inflatie en stootte de vrijhandel op steeds meer protectionisme.

De ontwikkeling van wetenschap en techniek is de beperkingen van het private bezit van productiemiddelen en van het bestaan van nationale staten al lang ontgroeid. Terwijl nieuwe technieken en onderzoek vrije uitwisseling van kennis en belangrijke investeringen vereisen, komt dit in conflict met de beperkingen opgelegd door competitie en private eigendom, waardoor de winstgevendheid ondermijnd wordt. In marxistische terminologie: de verandering in de organische samenstelling van het kapitaal ten voordele van vast kapitaal en ten koste van variabel kapitaal (meerwaarde producerende arbeidskracht) ondermijnt de winstvoet, die de neiging vertoont om af te nemen. Dit werd deels tegengegaan door neoliberale aanvallen op lonen, uitkeringen en sociale uitgaven. Omdat de winst van de kapitalist bovendien bestaat uit de onbetaalde arbeid of de meerwaarde die de arbeiders creëren, zijn die nooit in staat om alle goederen en diensten die ze produceren terug te kopen, terwijl de kapitalisten met onvoldoende zijn om al die productie te absorberen, voor zover ze al bereid zouden zijn om alle bucht die ze ons doen produceren voor de markt op te kopen. Dit werd gedeeltelijk omzeild met krediet, door ons vandaag al te doen uitgeven wat we morgen nog moeten verdienen. Hoe ver dat gerokken kan worden, wordt geïllustreerd met de enorme berg aan particuliere schulden, maar hier geldt het oude adagium: wie kleine schuld heeft, heeft een groot probleem, maar wie grote schulden heeft, brengt niet zichzelf, maar de bank of bij uitbreiding heel de overheid in de problemen.

 

Voetnoten

  1. De Standaard 28 januari 2017
  2. Een informele groep van 4 landen, genaamd naar de Hongaarse stad Visegrad, waar Polen, Hongarije en toen nog Tsjechoslowakije in 1991 samen kwamen om de integratie binnen de Europese Unie te versnellen. Vandaag liggen juist die landen dikwijls in conflict met de Unie over thema’s als migratie, persvrijheid en sociale dumping.
  3. Hiermee wordt verwezen naar de voormalige Duitse kanselier Helmut Kohl onder wie de eenmaking van Duitsland na de val van de muur van Berlijn gerealiseerd werd
  4. Schaduwbankieren slaat op alle activiteiten en actors die bijdragen aan de niet bancaire financiering van de economie die ontsnapt aan het oog van de banktoezichthouders. Eigenlijk is het de macro-economische uitdrukking van wat men in de micro-economie bedoelt met de uitdrukking ‘buiten balans’ en doorgaans slaat op engagementen, garanties of een andere financieringsactiviteit die niet voorkomt op de balans van een bedrijf.
  5. HDP, de Democratische Partij van Volkeren, een coalitie van 33 verenigingen en groepen en 7 linkse partijen, van gematigd links tot radicaal links, met vooral onder de Koerden een sterke aanhang. HDP is aangesloten bij de Socialistische Internationale en de Europese S&D fractie, maar kreeg wel de steun van zowel de Duitse Grünen als Die Linke, de Franse Europe Ecologie Les Verts, Parti de Gauche en PCF en het Griekse Syriza tijdens de Turkse verkiezingen van juni 2015.
  6. YPG, volksbeschermingséénheden, is de militaire tak van de Koerdische Partij voor de Democratische Unie in Syrië.
  7. Independent 18 augustus 2017
  8. De Tijd 8 april 2017 De verdamping van Europa
  9. (1) blijven aanmodderen, (2) de EU herleiden tot een vrijhandelszone, (3) een Europa met meerdere snelheden, (4) minder Europa rond enkele kerntaken en (5) meer samenwerking op alle vlakken
  10. De Standaard 5 maart 2017
  11. De Conference Board is een in 1916 opgerichte onderzoeksinstelling die wereldwijde economische datareeksen publiceert die teruggaan tot het begin van de jaren ‘50

15de congres van LSP/PSL begin december 2017.

België: fragiel economisch herstel is ondermaats

Als open economie profiteert de Belgische mee van het economisch herstel op wereldvlak. Men spreekt van een economische lente. De groei zou dit jaar sterker zijn dan in 2016 (1,2), maar blijft wel steken op 1,6% – intussen bijgesteld naar 1,7% – en zou in 2018 maar matig versnellen. Dat is in de veronderstelling dat een nieuwe internationale financiële crisis, het stilvallen van de groei in Europa en daarmee de export, of een hogere rente op de overheidsschuld, geen roet in het eten gooien. Maar zelfs in dat geval is 1,6% (of 1,7%) minder dan het gemiddelde van 1,8% in de periode 1995-2015 die nochtans de slump van 2009-2012 omvat.[1] Het is ook minder dan de verwachtingen voor de eurozone (1,8%) en de Europese Unie (1,9%). Dat heeft ongetwijfeld te maken met de besparingspolitiek. Van 2007 tot 2013, de langdurige politieke crisis inbegrepen, groeide de Belgische economie sterker dan die van de Eurozone en de Europese Unie. Maar zodra de besparingspolitiek onder Di Rupo vorm kreeg, viel die groei terug tot onder die van de Europese Unie en na het aantreden van Michel ook tot onder die van de Eurozone.[2]

Men kan dit ook letterlijk aflezen van de statistieken over de loonkosten per éénheid product. In 2013 stijgen die in België nog met 2,3%, terwijl dat in de Eurozone slechts 1,1% is. Maar vanaf 2014 keert dat om, dan dalen de loonkosten per eenheid product in België drie jaar op rij terwijl ze in de eurozone blijven toenemen.[3] Vanaf 2017 zouden ze opnieuw toenemen, maar nog steeds aanzienlijk minder dan in de Eurozone en de Unie. Voor heel de Europese Unie zouden de nominale lonen in 2017 met 2,2% stijgen, maar bij een gemiddelde inflatie van 1,8% blijft daar maar een netto vooruitgang van 0,4% van over. Voor België zouden de reële lonen opnieuw afnemen met -0,3%, een onafgebroken trend sedert 2009. Sinds dat jaar zijn de reële lonen in België in totaal afgenomen met -2,6%, in Duitsland zijn ze in diezelfde periode toegenomen met 9%.[4] Volgens Belgostat is het aandeel van de lonen in het Nationaal Inkomen tussen het vierde trimester van 2014 en het 1ste van 2017 gedaald van 53,4% naar 48,3%, dat van de winsten gestegen van 36,2% naar 42,2%.

Geen wonder dus dat de index voor het ondernemersvertrouwen stijgt, maar hij blijft wel nog onder het niveau van 2011[5] en zou in augustus 2017 volgens de conjunctuurenquête van de nationale bank opnieuw afnemen. Doorgaans wordt ons land voorgesteld als onaantrekkelijk voor investeerders omdat de loonkost en de vennootschapsbelastingen te hoog zouden zijn. Op de loonkost heeft de regering Michel al fors ingehakt en na de taxshift die wordt voorgesteld als een geschenk aan de werknemers maar eigenlijk een lastenverlaging was voor de patroons, wil de regering tegen 2020 het officiële tarief van de vennootschapsbelastingen fors verlagen tot 25%, 20% op de eerste schijf van 100.000 € voor KMO’s vanaf 2018. Zal dat de investeringen doen toenemen? Tot nog toe nemen de patroons in België, maar dat is een internationaal verschijnsel, een afwachtende houding aan. Dat heeft vooral te maken met het gebrek aan rendabiliteit van productieve investeringen en de vrees de meerwaarde niet te kunnen realiseren omdat de geproduceerde koopwaren geen afnemer vinden.

In plaats van winst te herinvesteren in productie bedienen CEO’s liever zichzelf, keren een groeiend aandeel van de winst uit aan de aandeelhouders en/of houden een grote cashvoorraad aan. De CEO van een groot beursgenoteerd bedrijf in België verdiende in 2016 gemiddeld 1,96 miljoen €, een stijging met 2,1% t.o.v. 2015, het vast salaris maakt daar gemiddeld 48% van uit.[6] Datzelfde jaar keerden alleen al de bedrijven van de Bel 20 16,5 miljard euro aan dividenden uit, een stijging met 22%.[7] Allen samen zitten in Europa de 699 niet-financiële multinationals met een Moody-rating op een cashvoorraad van 974 miljard €, een record, 6% hoger dan vorig jaar en 22% hoger dan in 2010. Hoeveel dat bedraagt voor België konden we niet achterhalen, maar op 5 november 2014 signaleerde de RTBF dat de cashvoorraad van de Belgische bedrijven (dus niet enkel die met een Moody-rating) 240 miljard euro bedroeg. Economisten hopen dat dit weldra verandert omdat de benuttingsgraad van de productiecapaciteit in België boven haar historisch gemiddelde zit van 80% en nog toeneemt. Te veel moeten we daarvan echter niet verwachten. Het planbureau verwacht in haar regionale vooruitzichten voor 2016-2022 een reële productiviteitsgroei van 0,5% voor Vlaanderen en 0,4% voor Brussel en Wallonië, dat is een lichte verbetering t.o.v. 2009-2015, maar nog steeds slechts een derde van de periode 2002-2008, voor het uitbreken van de financiële crisis.[8]

De onaantrekkelijkheid van België als investeringsland hadden we in onze congrestekst van 2015 al weerlegd aan de hand van de buitenlandse directe investeringen. Dat wordt nu bevestigd door onderzoeker Matthias Somers van de progressieve denktank Minerva. Hij ziet er vooral lobbywerk van het bedrijfsleven in. In vergelijking met de omliggende landen investeren bedrijven nergens verhoudingsgewijs méér dan in België. Tussen 1995 en 2015 is die voorsprong nog gegroeid. “Bedrijven kunnen hun productie op twee manieren verhogen,” zegt Somers, “door het aantal werkuren op te drijven of door te investeren in technieken die de productie per gewerkt uur vergroten. Precies omwille van de hogere lonen, loont het in België de moeite voor bedrijven om te investeren in kapitaalintensieve arbeidsbesparende technologieën die de arbeidsproductiviteit opdrijven. Dat zorgt voor meer toegevoegde waarde per gewerkt uur, en schept op zijn beurt ruimte voor een verdere verhoging van de lonen. Tegelijk kunnen investeerders een groter deel van de koek opeisen. Hogere lonen, meer kapitaalinvesteringen, en een hogere productiviteit tillen elkaar steeds hoger en zorgen zo op langere termijn ook voor een grotere welvaartstoename.”[9]

Somers voegt eraan toe dat in landen waar de lonen relatief achterblijven, net het omgekeerde proces plaats vindt. “Ondanks een substantiële verlaging van de vennootschapsbelasting blijven de investeringen in het VK bijvoorbeeld achter. Ze lonen de moeite niet: arbeid is er relatief gezien goedkoop genoeg om niet te moeten investeren in productieverhogende technologieën. Het gevolg: de productiviteit van de Britse bedrijven hinkt steeds verder achterop. De lagere lonen en een lagere productiviteit bestendigen elkaar, en leiden op termijn ook tot lagere welvaartsgroei.” Somers besluit: “de forse verlaging van de vennootschapsbelasting maakt daarin geen enkel verschil. Bedrijven nemen de verlaging van de vennootschapsbelasting dankbaar in ontvangst, en parkeren de extra winst die ze zo maken op hun al goedgevulde rekening. En de begroting, die blijft achter met een gat, dat anderen wel zullen vullen.”

Al decennia vertellen politici ons dat de huidige generaties geen hypotheek mogen leggen op de toekomstige, dat de schuld naar beneden moet en de begroting in evenwicht. Het is het argument waarmee de pensioenleeftijd opgetrokken wordt, de uitkeringen verlaagd, de overheidsdiensten afgebouwd, geresponsabiliseerd en geprivatiseerd. In 1970 bedroeg de staatschuld in België 65,9% en tien jaar later 76,1%. Dan kwamen de rooms-blauwe besparingsregeringen met hun aanvallen op de openbare diensten en de indexsprongen en tegen ’89 bedroeg de staatsschuld … 125% van het BBP. Na 150 dagen regeringscrisis kwam de rooms-rode Dehaene I eraan, de staatsschuld liep op tot 138% in 1993 en nam dan af tot 2008 naar 92.5%, waarop de bankencrisis volgde.

Vandaag zitten we aan 107%, maar voor Michel is dat geen probleem voor een taxshift aan een geraamde netto-kost van 6,6 miljard, noch voor een verlaging van de vennootschapsbelastingen. Het altijd zo noodzakelijke begrotingsevenwicht voor 2017, is nu uitgesteld naar 2019. Over de financiering van de taxshift mogen nationale bank en planbureau waarschuwen zoveel ze maar willen, het raakt de regering haar koude kleren niet. Volgens het overoptimistische monitoringscomité van topambtenaren die de begroting opvolgen, bedraagt het begrotingstekort nu -5,7 miljard en zal dat tegen einde 2018 -4,2 miljard zijn. Zelfs de Europese Commissie werpt geen bezwaren op, ze prijst integendeel Michel I voor de structurele maatregelen die hij genomen heeft, zoals de indexsprong, het optrekken van de pensioenleeftijd etc. Begrotingstekorten wegwerken en staatsschuld verminderen zijn een dekmantel om een neo-liberaal beleid op te dringen. Door de lasten te verlagen dwingt de regering Michel volgende regeringen om extra te besparen. ‘We zetten onszelf met de rug tegen de muur’, verklaarde Alexander De Croo de ware bedoelingen achter de retoriek.[10]

Jobs, jobs, jobs

Het belangrijkste officiële argument van Michel voor zijn beleid is jobs, jobs, jobs. In 2016 werden er naar verluidt 70.000 gecreëerd, hoofdzakelijk in de private sectoren. Sinds zijn aantreden in 2014 zijn dat er volgens de Nationale Bank 130.000, door Michel in september 2017 in Walibi “afgerond” naar 135.000. Ook de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid publiceert daarover cijfers. Volgens het ABVV zijn die veel realistischer, want niet op basis van ramingen, maar van bijdragen. Daaruit blijkt dat het aantal tewerkgestelde werknemers van het derde kwartaal van 2014 tot het eerste kwartaal van 2017 toenam met 90.000, waarvan 76.700 in de private sectoren. Van die nieuwe banen waren er echter slechts 19.200 voltijds. De stijging beperkt zich uitsluitend tot commerciële diensten en in mindere mate de regionale en lokale overheidsbesturen, onderwijs en gezondheidszorg.[11] Bij de federale overheid gingen 16.600 jobs verloren en bij jongeren onder de 25 nam de tewerkstelling af met 20.300.

Dat de werkloosheid in Wallonië al 37 maanden op rij daalt, wijt Jean-Marc Manfron van Forem, de Waalse tegenhanger van de VDAB, hoofdzakelijk aan de betere economische conjunctuur sinds midden 2013, waarvan de effecten zich vooral laten voelen vanaf 2014. In 2016 waren er, zegt hij, 170.000 werkaanbiedingen, 37% meer dan in 2015, en in juli 2017 lagen ze nog eens 32,8% hoger dan in 2016. De nieuwe minister voor werk in het Waals Gewest, Pierre-Yves Jeholet (MR), neemt hiermee geen genoegen. De werkloosheid in Wallonië is nog steeds het dubbele van Vlaanderen en de activiteitsgraad ligt er te laag, stelt hij. Hij vindt dat werkzoekenden sneller naar knelpuntenberoepen georiënteerd moeten worden, dat de Forem de regels strikter moet toepassen en komaf moet maken met de “excuuscultuur” gepromoot door de vakbonden die zich te “opdringerig’ opstellen in de Forem.[12]

Van “excuuscultuur” was nochtans niets te merken toen in 2016 104.350 kandidaten solliciteerden naar de 5.065 jobaanbiedingen bij de federale overheid. Van die kandidaten waren er trouwens 70% Franstalig en slechts 29% Nederlandstalig. Het aantal kandidaten is in het eerste trimester van 2017 met 4% toegenomen tegenover 2016, het aantal job offertes met 1%.[13] Sinds die bevoegdheid werd overgeheveld naar de gewesten, klagen de patroonorganisaties in Vlaanderen trouwens steen en been dat er onvoldoende gesanctioneerd wordt door de VDAB. Er zouden in 2016 slechts 679 werklozen hun uitkering verloren hebben in Vlaanderen, vijf keer minder dan voor de overheveling, maar ook een pak minder dan de 5.135 sancties door de Forem in Wallonië.[14]

Thierry Bodson, algemeen secretaris van het ABVV in Wallonië is verwonderd over de kritiek van de minister. Jeholet wil achtergrond bij de resultaten van de Forem, net wat het ABVV ook wil, zegt hij. Zo vraagt het ABVV al jaren vergeefs dat de patroons een document afleveren met uitleg waarom een sollicitant geweigerd werd. Dat zou toestaan om zwaktes in het profiel en de vorming van werkzoekenden bij te sturen en wellicht ook om na te gaan hoe ernstig sommige vacatures wel zijn. Hij waarschuwt ook dat de knelpuntberoepen alleen geen oplossing bieden. In het algemeen schat men dat het gaat over 24.000 jobs, maar een analyse van de reële situatie toont dat het eigenlijk maar om 4.000 betrekkingen gaat, waarvan een paar honderd voor geneesheren, apothekers en onderzoekers, het soort opleidingen dat de Forem niet aanbiedt. In vergelijking met 220.000 werkzoekenden is dat slechts een druppel op een hete plaat.[15] Naast de economische groei wijt Manfron van de Forem de daling van de werkloosheid in Wallonië aan de verstrenging van de werkloosheidsreglementering, individuele begeleiding, reconversiecellen bij herstructureringen, activeringscontracten voor jongeren en tenslotte de lastenverlagingen in het kader van de taxshift, waardoor sommige patroons sneller aangeworven hebben.

Volgens de Nationale Bank zou de taxshift – 5,4 miljard € aan belastingverlagingen en 3,9 miljard aan vermindering van de sociale bijdragen voor de patroons – tegen 2020 41.300 jobs kunnen opleveren. Na aftrek van “terugverdieneffecten” zou dat de sociale zekerheid volgens het planbureau nog minstens 3 miljard € netto kosten, meer dan 70.000 € per gecreëerde baan. De arbeidsduurverkorting van 38,25 uur naar 30 uur die bij wijze van experiment in het Zweedse Göteborg van februari 2015 tot december 2016 in het publiek rusthuis Svartedalen werd doorgevoerd en door Van Eetvelt en Geert Noels economische nonsens genoemd werd, kostte 33.500 euro per extra baan voor 18 maand of 20.840 €/jaar/job.[16] In haar regionale vooruitzichten voor 2017-2022 stelt het planbureau dat de economische groei tussen 2016 en 2022 “zeer arbeidsintensief” zal zijn, met een gemiddelde netto-jobcreatie van bijna 46.000 per jaar hoofdzakelijk door ‘arbeidskostenverlagende maatregelen’. Is dat waarom Kris Peeters begin juli uitpakte met de ambitie om net als in Duitsland tegen 2025 naar volledige tewerkstelling te gaan? Geen expert die daaraan geloof hecht.

Een rijk land met groeiende armoede

Waartoe ‘arbeidskostenverlagende maatregelen’ leiden kwam intussen tot uiting in een studie van het HIVA. Die stelt vast dat de vele nieuwe jobs die er de laatste jaren zijn bij gekomen de armoede in België niet deden dalen. Zo verdubbelde het aantal werkende armen op 10 jaar tijd. Volgens onderzoeker Ides Nicaise omdat de nieuwe jobs die er zijn bijgekomen vaak minder goede jobs zijn. De helft van de nieuwe jobs wordt verloond op het laagste niveau, ongeveer op het equivalent van de 20% laagst betaalde banen in het verleden. Het gaat ook vaak om tijdelijke banen en in 40% van de gevallen om deeltijdse jobs. Ook het aantal werklozen dat in armoede dreigt te belanden is flink gestegen omdat de uitkeringen de voorbije jaren systematisch verlaagd zijn en 30% van de geregistreerde werklozen geen uitkering meer krijgen. Een belangrijke categorie zijn de migranten die nog niet genoeg rechten konden opbouwen om van de sociale zekerheid te genieten. Zij kunnen geen uitkering trekken als ze werkloos zijn.[17]

Samen met de stijging van de energieprijzen, verklaart dit wellicht het jaarrapport 2016 van de Waalse energieregulator Cwape. Daaruit blijkt dat meer dan 10% van de Waalse gezinnen een betalingsachterstand heeft voor hun elektriciteitsfactuur en bijna 15% voor de gasfactuur, een aantal dat de voorbije jaren voortdurend is opgelopen, net als het aantal mensen die een sociaal tarief genieten, het aantal budgetmeters en de totale energieschulden. Uit cijfers van de Vlaamse energieregulator VREG blijkt dat in 2016 9,5% van de Vlaamse gezinnen een betalingsachterstand had bij een energieleverancier en nog eens 3,5% bij de netbeheerder.[18] De levensstandaard in Vlaanderen ligt nochtans hoger en de werkloosheid de helft lager, maar volgens LDD-politicus Peter Reekmans, die een boek schreef over de Vlaamse intercommunales onder de titel “de Vlaamse ziekte” stegen de energieprijzen in Vlaanderen de voorbije 3 jaar met 152% tegen 40% in Wallonië en 20% in Brussel. Het ontlokt hem de uitspraak dat we in Vlaanderen wat we zelf doen, blijkbaar slechter doen.[19]

Tegenover die stijgende armoedecijfers staat nochtans alweer een record aan financieel vermogen van de Belgische gezinnen, 1.322 miljard euro in het eerste kwartaal van 2017, een stijging met 3,7% op één jaar tijd. Dat komt overeen met een gemiddelde van 272.000 euro per gezin. Als we daar de 268 miljard euro schulden van de Belgische gezinnen (112% van het bruto beschikbaar jaarinkomen) van aftrekken, blijft een netto-financieel vermogen van 1.054 miljard euro over of 216.000 euro per gezin. Er werd 22 miljard euro gespaard, d.w.z. inkomen opzij gezet door de gezinnen, iets minder dan de voorgaande jaren, maar de “waarderingseffecten”, d.w.z. de groei van het bestaande vermogen was met 37,7 miljard euro fors hoger.[20] Over de verdeling van die vermogens tasten we nog grotendeels in het duister. In 2013 bleek echter dat de 20% rijkste 62% van het vermogen bezaten en de 20% armste 0,2%. In 2010 waren de 1% rijkste goed voor 341 miljard euro, meer dan de 50% armste, toen samen goed voor 235 miljard euro.

Het gaat hier uiteraard om gekende vermogens, niet datgene dat verborgen zit in allerlei belastingparadijzen. Luxleaks, Panamaleaks en andere hadden al aangetoond dat de allerrijksten wel methodes vinden om hun vermogen aan de aandacht van de fiscus te onttrekken. Le Soir doorploegde de statistieken van de FOD financiën op basis van de verplichte aangifte van stortingen van meer dan 100.000 euro op rekeningen in de 31 landen die deel uitmaken van de lijst van belastingparadijzen. De 60 miljard die bedrijven jaarlijks versluizen naar Luxemburg hoort daar niet bij, vorig jaar werd Luxemburg immers van de lijst van belastingparadijzen geschrapt die jaarlijks herzien wordt. Blijkt niettemin dat 853 bedrijven vanuit België in 2016 221,3 miljard euro overmaakten naar belastingparadijzen, het BBP bedroeg datzelfde jaar 466 miljard euro.[21] Dat hoeft niet allemaal fraude te zijn, maar dat het op zijn minst constructies zijn om belastingen te ontwijken, daarover bestaat geen twijfel.

Er zijn trouwens heel wat meer Belgische miljardenbedrijven dan men op het eerste zicht zou denken. De Tijd telde er 36, waarvan slechts 17 beursgenoteerd, filialen van buitenlandse groepen zoals Delhaize (Ahold), Lampiris (Total) en Brussels Airlines (Lufthansa), Holdings als Ackermans & Van Haren, Bankverzekeraars als KBC en Belfius of 100% overheidsbedrijven als De Nationale Loterij, NMBS en De Lijn die allemaal meer dan 1 miljard omzet halen, werden niet meegeteld. Fraude of niet, met Van Overtveldt als minister van Financiën, staan de bedrijven steeds aan de winnende kant. Eind juli bedroeg de opbrengst van de intussen al vierde ‘éénmalige bevrijdende aangifte’, waarover Etienne De Callatay lachend zegt “één per keer”, 59,4 miljoen euro terwijl de begroting nochtans uitging van een opbrengst van 300 miljoen, daardoor loopt de totale belastingopbrengst uit kapitaal voor 2017 met 657 miljoen euro na 7 maanden al fors achter op de 1,494 miljard die staat ingeschreven in de begroting.

Rekenfouten zijn bij Van Overtveldt en zijn Vlaamse collega voor Economie, Philippe Muyters, danig courant dat men er haast een strategie achter zou zoeken. Volgens de SP.a zou Van Overtveldt zich alleen al in 2016 voor 2,3 miljard euro misrekend hebben. De Kaaimantaks bracht slechts 100 miljoen euro op, in plaats van 450, de fiscale regularisatie 14 i.p.v. 250 miljoen en zo noemt de SP.a nog 5 voorbeelden, om te besluiten dat de verwachtte opbrengst van 2,1 miljard uiteindelijk een extra uitgave werden van 180 miljoen.[22] Eerder maakte ook Comeos, de patroonfederatie van handel, brandhout van de verwachtte opbrengst van 75 miljoen euro uit een accijnsverhoging op frisdranken. Ze verwees daarvoor naar de accijnsverhoging op alcohol in 2015. Die moest 212 miljoen euro opleveren, maar eigenlijk leidde het tot een verlies van 22 miljoen euro door een verhoging van de grensaankopen.[23] Van Overtveldt (N-VA) en zijn kabinet betwisten de cijfers van de SP.a niet, wijzen erop dat op 115 miljard euro aan fiscale inkomsten altijd afwijkingen zitten, maar dat voor 2016 de doelstelling gehaald werd en de regering ook voor 2017 op schema zit.

Dat de inkomsten voor 2016 overeenstemmen met de doelstellingen is volgens de SP.a echter enkel te wijten aan het feit dat Van Overtveldt die in de loop van het jaar heeft verlaagd: in de plaats van het begrotingstekort met 0,8 procent terug te dringen, volstond 0,1 procent. Bovendien bevestigt de voorzitter van de Kamercommissie Financiën en Begroting, Eric Van Rompuy (CD&V), de berekeningen van SP.a. “En ik vrees zelfs dat dit zich in 2017 zal doorzetten, ook voor de effectentaks uit het Zomerakkoord.” De begrootte ontvangst daaruit bedraagt 254 miljoen, maar UA-onderzoekers ramen de inkomsten eerder op 48 miljoen euro. Van Overtveldt liet ook weten dat het per definitie moeilijk is om op voorhand in te schatten hoeveel nieuwe maatregelen exact gaan opbrengen – net omdat ze nieuw zijn. Maar dat argument veegt begrotingsspecialist Wim Moesen (KU Leuven) van tafel. “In een begroting maak je inderdaad een raming, maar die mag wel niet alleen uit overschattingen bestaan,” zegt hij. “Ik zie in het Zomerakkoord bijvoorbeeld veel ronde getallen staan,” zegt hij. “Dat is hetzelfde als toegeven: we hebben een gok gedaan. Terwijl daar eigenlijk een ernstige berekening achter zou moeten zitten.”

Hoe de regering de begroting dan wel wil dicht rijden? Vooral door de verkoop van de familiejuwelen, het overheidspatrimonium, waarvan de waarde geschat wordt op ongeveer 70 miljard euro, maar dat kan niet zomaar ten gelde gemaakt worden. De verkoop van de gebouwen waar nu de ambtenaren gehuisvest zijn om ze dan terug te huren (sale and rent-back), heeft men in het verleden geprobeerd en bleek op iets langere termijn uiteindelijk duurder uit te vallen. De NMBS waarvan de waarde geschat wordt op 27,5 miljard euro zit nog met een historische schuld van 5 miljard en privatisering ervan werd door Michel, nadat Van Overtveldt dit geopperd had, onmiddellijk ontkend. Als de overheid haar meerderheidsparticipaties in Proximus en bpost van de hand zou doen, Belfius volledig zou privatiseren en de rest van de Federale Participatie en Investeringsmaatschappij, zou dat bij benadering 23 miljard euro opleveren en de staatsschuld doen zakken van 106% van het BBP naar 100%. Het zou meteen de Belgische verankering van die bedrijven verzwakken, nochtans een doelstelling die de regering regelmatig herhaalt. Bovendien hebben BNP Paribas, Proximus, bpost en Belfius in 2016 voor 890 miljoen euro aan dividenden aan de overheid uitgekeerd. Dat is meer dan de 600 miljoen euro rente op de staatsschuld die de overheid door de verkoop zou uitsparen.[24]

Dominique Berns van Le Soir stelt zich vragen bij een beursgang en gedeeltelijke privatisering van Belfius. Het argument dat een gedeeltelijke beursgang in ieders voordeel zou zijn, betwist hij. Het zou ervoor zorgen dat Belfius maar één prioriteit meer zou hebben: de winst opdrijven en zoveel mogelijk dividend uitkeren. Vandaag is dat ongeveer 40% van de winst, maar zakenbanken ijveren eerder naar 50% tot 65% en sommigen willen zelfs 75%. Berns vestigt er de aandacht op dat dit noch in het voordeel van de klanten, noch in dat van het personeel zou zijn. Belfius voorziet voor 2017 een dividend van 40% ten belope van 247 miljoen euro. Dat is een rendement van 6,2% op de oorspronkelijke investering, terwijl de gemiddelde rente op de overheidsschuld 2,5% bedraagt. Belfius heeft bovendien een stevige positie qua solvabiliteit en liquiditeit waardoor het risicoprofiel matig is. Berns besluit met de vraag of er geen argument is na de financiële crisis voor een publieke kredietinstelling met als doel de sociale economie, de lokale entiteiten, de KMO’s en lange termijnprojecten te financieren.

De kamikazepiloot wordt loodgieter

We wezen er al eerder op dat de sterkte van de regering Michel I niet haar eigen verdienste was, maar omgekeerd, te wijten was aan de zwakte van de sociale en politieke oppositie. Maar het klopt wel dat de regering sinds ze het actieplan van het najaar 2014 dankzij het verraad van de vakbondsleidingen nipt overleefde, al verder gevorderd is in haar politiek van sociale afbraak en geschenken aan de patroons dan door velen voor mogelijk gehouden werd. “Geen enkele regering – en ik wik mijn woorden – heeft de voorbije 25 jaar in één bestuursperiode meer gerealiseerd,” beweert Michel in de Tijd. Hij beroept zich daarvoor op de taxshift, de pensioenhervorming, de hervorming van de arbeidsmarkt en de vermindering van het tarief voor de vennootschapsbelasting. Hij had er ook nog de indexsprong en vooral het wegwerken van de historische ‘loonhandicap’ ten opzichte van de buurlanden kunnen aan toevoegen.[25]

Waar Michel het niet over heeft, is het gat dat de taxshift in de begroting sloeg en ongetwijfeld weggewerkt zal worden met besparingen in de sociale zekerheid en op de openbare diensten. Hij heeft het evenmin over de gezondheidsproblemen die de verhoging van de pensioenleeftijd zal opleveren terwijl net op gezondheidszorg bespaard wordt, noch over de toename van de armoederisico’s voor wie niet langer aan een volledige loopbaan geraakt en vooral vrouwen buitenproportioneel zal treffen. Michel spreekt ook niet over de onhoudbare werkdruk waarmee de uitbreiding van overuren gepaard gaat, noch over de onzekerheid en stress veroorzaakt door interim arbeid en nul urencontracten. Het groeiend aantal werkende armen en de toename van ongelijkheid citeert hij evenmin. Onder realisaties verstaat hij vooral geschenken aan de patroons en sociale afbraak. De appreciatie van die politiek onder de bevolking kan men aflezen uit de peilingen. Die geven aan dat de regering al enige tijd haar meerderheid van 83 zetels kwijt is en terugvalt naar 72 zetels. Als de CDH op basis van het resultaat in de jongste peilingen de federale regering zou versterken, heeft die nog maar twee zetels (77) op overschot.[26]

Zelfs als we de uitgangspunten van Michel, de mate waarin hij de sociale verworvenheden ontmanteld heeft, als maatstaf aanvaarden, dan nog loopt hij, ook volgens De Standaard, hard van stapel. In de 7 jaar Dehaene, die destijds de loodgieter werd genoemd vanwege zijn vermogen om problemen te omzeilen, werd de groei van de staatsschuld omgebogen terwijl die onder Michel opnieuw toenam. Het begrotingstekort werd teruggebracht van 8 tot 3% en België werd de eurozone binnengeloodst, terwijl Michel het beloofde begrotingsevenwicht heeft uitgesteld. Onder Dehaene werd de wet om de loonkosten in bedwang te houden goedgekeurd, waarop Michel nog steeds voortborduurt. Nog onder Dehaene werden politie en gerecht hervormd met het Octopusakkoord en België omgevormd tot een federale staat met het Sint-Michielsakkoord.

Tijdens de 9 jaar regeringen Verhofstadt werden 413.500 jobs gecreëerd, Michel zit aan 100.000 en hoopt tegen 2019 aan 200.000 te geraken, onder Verhofstadt werd de staatsschuld teruggebracht tot 87% van het BBP terwijl ze nu terug op 106% zit. Onder Michel moeten ethische thema’s wijken voor repressie en sociale tegenhervormingen, onder Verhofstadt werd de abortuswet en het homohuwelijk goedgekeurd. Leterme heeft de bankencrisis beheerd en met succes beroep gedaan op de spaarders via zijn Leterme-bon om speculatie tegen de Belgische rente te stoppen. Michel probeert wanhopig spaargeld te activeren, niet door een bonus, maar door spaarders te straffen. Di Rupo tenslotte heeft met de zesde staatshervorming de patstelling rond Brussel-Halle-Vilvoorde tijdelijk doorbroken en slaagde erin België omwille van het begrotingsbeleid van de Europese strafbank te halen.

Michel en zijn regering hebben het ook na het overleven van het actieplan van 2014 niet gemakkelijk gehad. In januari 2015 greep de aanslag op Charlie Hebdo plaats en in Verviers vond de week nadien een schietpartij met terroristen plaats. De regering Michel nam 12 antiterrorismemaatregelen die de orde van de Vlaamse balie deden waarschuwen voor aantasting van de privacy. In november 2015 vonden in Parijs een reeks aanslagen plaats met in totaal 129 doden en 350 gewonden. Vrijwel onmiddellijk verweten de Franse autoriteiten nalatigheid aan de Belgische omdat de verantwoordelijken deels afkomstig waren uit België. De idee dat de Brusselse gemeente Molenbeek het Raqqa van Europa is, werd toen openlijk gesteld. Dat Molenbeek tot de armste gemeenten van het land behoort, met een enorme achterstelling en een gigantisch verloop en daardoor ook een kweekvijver is voor frustraties en een toevluchtsoord voor wie in de anonimiteit wil verdwijnen, daarover geen woord, wel over de zogenaamde afwezigheid van een harde hand onder voormalig PS-burgemeester Philippe Moureaux.

Michel zelf is nooit vervallen in de oorlogstaal van Hollande in Frankrijk en er bestaat ook niet zoiets als een noodtoestand in de Belgische wetgeving, maar de N-VA greep de gelegenheid wel aan om zich te positioneren als law-and-order partij, hetgeen naadloos aansloot bij de retoriek van De Wever en Jambon over een Belgische Patriot Act, het opkuisen van Molenbeek en een kanker die moet weggesneden worden. Op 22 maart 2016 greep de meest dodelijke aanslag in België sedert minstens WOII plaats in de luchthaven van Zaventem en het metrostation Maalbeek, met 35 doden en 340 gewonden. Er volgden onmiddellijk een nieuwe reeks veiligheidsmaatregelen, waardoor De Tijd besloot dat centrumrechts, eerder dan de geschiedenis in te gaan als een economische herstelregering, zal herinnerd worden als de formatie die het land weer een veiligheidscultuur gaf. “De Wever en co haalden niet alles binnen, maar gaandeweg ebde het verzet tegen de verscherpte veiligheidsmaatregelen in de meerderheid weg,” stelt de Tijd.[27]

De Tijd had er net zo goed “en in de oppositie” kunnen aan toevoegen. Wellicht onder indruk van de publieke opinie moest die inzake veiligheidsdiscours nauwelijks onderdoen voor de regering Michel. Vooral de burgemeester van Vilvoorde, Hans Bonte (SP.a), maar hij niet alleen, profileert zich met een ‘flinkse’ aanpak. In mei 2017 werden op een veiligheidstop van de regering nog 28 bijkomende maatregelen genomen.[28] Daaronder de mogelijkheid voor rechters om bij ernstige veroordelingen een minimumstrafmaat op te leggen, een statuut voor spijtoptanten en het gebruik van burgers voor infiltratie. Voorts de verplichting voor sociale werkers om verdachte handelingen aan te geven en ook het optrekken van het aantal plaatsen in gesloten asielcentra, het invoeren van digitale vingerafdrukken op identiteitskaarten, de mogelijkheid om een alcoholslot op te leggen en maatregelen om winkeldiefstal sneller te bestraffen. Zowel de politie als de staatsveiligheid, het leger en het gerecht kraken intussen onder de bijkomende taken die gepaard gaan met terrorismebestrijding.[29]

Hoewel de vakbonden met hun comités voor preventie en bescherming op het werk over uitstekende instrumenten beschikken om zowel op de werkvloer, in de wijken als in de scholen door strijd tegen de verdeel- en heerspolitiek in te gaan, maken ze daar geen gebruik van. Ook niet als dat aan de basis geopperd wordt, zoals door de spoormannen en het personeel van de MIVB na 22 maart 2016. Uiteraard moeten we rekening houden met de publieke opinie en die niet brutaal naast ons neerleggen zoals sommige linkse radicalen doen. Gemeenschappelijke mobilisatie zou echter zowel de reactionaire terreur als de antisociale politiek en de militaire avonturen die daar een voedingsbodem voor creëren, aan de kaak kunnen stellen. Dat zou de publieke opinie helpen keren. In plaats daarvan zwijgen de vakbondsleidingen en laten ze de toenemende repressie passeren waardoor rechts heel het veiligheidsdiscours naar zich toe kan trekken en een aantal linkse figuren niet verder komen dan dat discours na te praten.

De asielcrisis van 2015 was een andere gelegenheid voor de N-VA om de hypocrisie uit te buiten van een maatschappelijk systeem dat niet bereid is de middelen vrij te maken om haar humanitaire retoriek ook hard te maken. Alle andere partijen weten dat ook wel, zowel van de meerderheid als van de oppositie, vandaar dat ze in hun kritiek op Francken meestal niet ingaan op de inhoud, maar het enkel hebben over zijn stijl. Net zoals elders in Europa kende in België het aantal asielzoekers een piek van 38.990,[30] het hoogste aantal sinds 2000, toen de Balkancrisis 46.855 asielaanvragen veroorzaakte. Aangezien er vanaf 2013 door Maggie De Block en nadien door Theo Francken zelf uit besparingsoverwegingen duizenden opvangplaatsen gesloten waren, ontstond er een echte chaos met een tentenkamp in het Maximiliaanpark tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken. Francken beperkte bovendien het aantal registraties tot 250 per dag en treuzelde wekenlang om het WTC open te stellen om de vluchtelingen op te vangen.

Na registratie moesten de vluchtelingen met 12 tot 17 mensen samenwonen in kleine ruimtes, waar bedden werden afgespannen met lakens, om toch een beetje privacy te hebben. Allerlei nationaliteiten, talen en godsdiensten door elkaar, met velen die trauma’s hebben opgelopen, moest onvermijdelijk spanningen en conflicten opleveren, door Francken en de media gretig uitgespeeld. Individuele opvang door Vluchtelingenwerk Vlaanderen en Cire werd gesloten. Theo Francken wil af van de ngo-hulp en van individuele opvang, hij wil alleen collectieve opvang in grote centra. Voor hem is dat samen met een streng instroombeleid, een doortastend terugkeerbeleid, allerhande beperkingen van rechten zoals gezinshereniging alsook van steun en hulpmiddelen deel van een ontradingspolitiek. Hij wordt daarin stilzwijgend gevolgd door de regering en ook de oppositie blijft bijzonder timide.

In september 2015 ging Bart De Wever nog een stap verder door de Conventie van Genève in vraag te stellen. Die garandeert aan vluchtelingen de toegang tot de sociale zekerheid op het niveau van de eigen onderdanen. Hij stootte aanvankelijk op verontwaardiging, maar een maand later erkende ook de Europese Volkspartij dat een ‘update’ nodig was. In februari 2016 sprak CD&V politicus Hendrik Bogaert zich uit voor een herziening van de conventie. In de feiten stierf de conventie een stille dood door het akkoord met Turkije dat eigenlijk neerkomt op een push back-beleid.

Intussen maakt Francken werk van bijzondere vleugels in de gesloten centra voor geradicaliseerden, ex-gevangenen, verslaafden of mensen die psychische begeleiding nodig hebben. Zij zitten de hele dag op hun kamer opgesloten op een dagelijkse wandeling van 2 uur na. Hij ontkent dat het gevangenissen zijn, maar het onderscheid is nauwelijks te vinden. Bijna 80% van diegenen die in gesloten centra terecht komen worden uitgewezen tegen bijna 70% in 2015, daarvoor werden een reeks bilaterale akkoorden afgesloten met onder andere Irak, Somalië, Nigeria en Kameroen en zijn onderhandelingen aan de gang met Algerije en Marokko. “Als daarbij telkens moet rekening gehouden worden met de mensenrechten,” twitterde Francken naar aanleiding van zijn uitnodiging van een delegatie uit Soedan om de arrestanten van september 2017 aan het Noordstation te identificeren, “is er geen uitwijzingsbeleid.”

Francken behaalde eerder al een overwinning voor het Europees Hof tegen de advocaat–generaal. Die had net als de Belgische rechters, in het geschil tussen de Belgische staat en een Syrisch gezin, geoordeeld dat lidstaten verplicht zijn een humanitair visum af te leveren bij levensgevaar. Binnen de regering zorgde het voor spanningen omdat Francken ostentatief plaats vatte op de lege zolderverdieping van zijn kabinet om zijn weigering dwangsommen opgelegd door “wereldvreemde rechters” (dixit De Wever), visueel voor te stellen. Volgens Francken zou de uitspraak niet minder dan open grenzen hebben betekent. Oorlogsvluchtelingen zouden dan immers terecht kunnen in de ambassades van conflictgebieden voor een humanitair visum en bij aankomst op een Europese luchthaven asiel kunnen aanvragen.

Mensenrechtenorganisaties zijn voorstanders van zo een “luchtbrug” als legaal alternatief op de gevaarlijke overtocht over de Middellandse Zee. Maar Francken vond in de Europese Commissie, Frankrijk, Duitsland en Nederland machtige bondgenoten die hun morele standaard snel lieten zakken zodra ze zich realiseerden dat zij via hun luchthavens het nieuwe Italië of Griekenland zouden worden. Straffe uitspraken en dito beleidsdaden om haar rechtse kiezers aan zich te binden, zijn schering en inslag bij de N-VA. Even leken Zuhal Demir, staatssecretaris voor gelijke kansen en Liesbeth Homans, Vlaams binnenlandminister, tegen elkaar op te bieden. Beiden pakten uit naar Unia, dat het enkel zou opnemen voor allochtonen. Homans viseerde ook de Fatih-moskee van Beringen tegen de CD&V burgemeester in, terwijl Demir de CD&V de nieuwe’ moslimpartij’ noemde. Dat levert regelmatig spanningen op binnen de regering, vooral tussen CD&V en N-VA.

Veiligheid, migratie en sociaal economische dossiers zorgen voor de meeste spanningen binnen de regering, hoofzakelijk tussen de Vlaamse regeringspartijen CD&V en N-VA en ook af en toe VLD, met de MR in de rol van verzoener die met toegevingen de regering samen houdt. Maar er is veel meer waarover de regeringspartijen verdeeld zijn. Zo houden CD&V en VLD vast aan de kernuitstap van paarsgroen in 2003. Die bepaalde dat kerncentrales na 40 jaar moesten sluiten, waardoor Tihange 1 en Doel 1 & 2 in 2015 dicht moesten en de andere centrales in 2025. De wet voorzag wel uitzonderingen indien de energiebevoorrading in het gedrang kwam. Sindsdien werd uiteraard niets ondernomen om alternatieven te voorzien en in 2012 besloot de regering Di Rupo Tihange 1 tot 2025 te verlengen. Datzelfde jaar werden scheurtjes ontdekt in Doel 3 en Tihange 2 die in 2012 sloten, in 2013 heropenden en in 2014 terug sloten. Om de energiebevoorrading te verzekeren verlengde Michel in 2015 ook Doel 1 & 2 tot 2025. Tihange 1 lag de voorbije 2 jaar 56% van de tijd stil. De scheurtjescentrales Tihange 2 en Doel 3 werden door het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle ondanks protest uit Duitsland en Nederland veilig verklaard, maar dit wordt betwist door ingenieurs van de KU Leuven. Tenslotte schoof het Grondwettelijk Hof een oordeel over de verlenging van Doel 1 en 2 door naar het Europees Hof. Onvermijdelijk komt dat allemaal terug op het bord van de regering. Door bevoorradingsproblemen in te roepen om de kernuitstap ook tot na 2025 uit te stellen, buit de N-VA de tegenstelling uit tussen de loze beloftes van haar regeringspartners en de onwil om te investeren in alternatieven.

Ondanks de beloftes op de klimaattop in Parijs neemt de CO2 uitstoot in België terug toe. Het klimaatakkoord is zo weinig ambitieus dat dit voor 2020 geen al te grote problemen zal opleveren, maar naar 2030 toe, moet de uitstoot met 35% naar beneden. Onder de boosdoeners: de verwarming van gebouwen, in gebruik name van een nieuwe hoogoven in Gent en de uitstoot van het verkeer. Een massaal programma van woningrenovatie en investeren in uitbreiding van collectief vervoer zou ongetwijfeld met een reeks andere maatregelen een forse bijdrage kunnen leveren. Maar dat is niet hoe het patronaat dat inschat. Het VBO wil de verkeersuitstoot vooral bestrijden door individuele oplossingen: een kilometertaks.

Deze zomer werd nog maar eens duidelijk hoe gevaarlijk en destructief de kapitalistische productiewijze wel is door de besmetting van eieren met een anti-luizen product dat Fipronil bevat. Blijkbaar werden geen of nauwelijks lessen getrokken uit de crisis van de gekke koeien (1996), de dioxinekippen (1999) of het gehakt met paardenvlees (2013). In 1999 leidde de dioxinecrisis nog tot het einde van Dehaene, een oppositiekuur voor de christendemocraten en het aantreden van paarsgroen. Dergelijke politieke gevolgen werden deze keer ingedijkt, maar het vertrouwen in de voedselketen, in de dominantie van de agro-industrie en in de organen die de voedselveiligheid moeten controleren is weg. Consumenten die het zich kunnen veroorloven stappen over naar bioproducten of lokale producenten. Voedsel is echter geen individueel gegeven, het is afhankelijk van elementen waar het individu geen vat op heeft en bovendien loopt ongelijkheid op het vlak van gezondheid parallel met sociale ongelijkheid. Alleen door voedsel uit de greep van het kapitaal te halen, door democratisch geplande productie in functie van de behoeften, kan voldoende en kwaliteitsvolle voeding gegarandeerd worden.

Een resem schandalen

De regering Michel kreeg ook af te rekenen met een hele resem andere schandalen, teveel om ze allemaal op te noemen. Voormalig senaatvoorzitter en MR-burgemeester van Ukkel Armand De Decker, die samen met de intussen voor witwassen veroordeelde Serge Kubla jarenlang hét oplichtersduo van de MR vormde, moest van de arbitrageraad van de MR eind 2016 ontslag nemen uit al zijn functies. Zijn centrale rol in Kazachgate en de ermee verbonden uitbreiding van de afkoopwet kreeg men niet langer uitgelegd, maar vooral, ook Didier Reynders en zijn entourage dreigden verstrikt te raken in de affaire en zijdelings raakten ook Francis Delpérée (CDH), Stefaan De Clerck (CD&V) en zelfs Steven Vanackere (CD&V) betrokken. Nog in het kader van de afkoopwet kamen ook Carl Devlies (staatssecretaris voor fraudebestrijding tussen 2008 en 2011, CD&V’er uit Leuven) en Yves Leterme even in het vizier met de zaak rond Diamantgate.

De oppositie kon daar echter nauwelijks op scoren. De onderzoekscommissie rond Kazachgate was nog maar goed van start of in Gent kwam het schandaal rond de bank Optima aan het licht. Optima bestuursleden Luc Vanden Bossche (SP.a) en Geert Versnick (VLD) kwamen in het nauw en ook SPa burgemeester Daniël Termont liet zich erop betrappen zijn innige relaties met hoofdbeschuldigde Jeroen Piqueur te willen verbergen. Voor Groen, in Gent in een kartel met SP.a, was dat niet het gedroomde scenario. Op haar Gentse kopman Siegfried Bracke na, bleef N-VA opvallend stil. Dat had wellicht te maken met een uitloper van de Optima affaire naar Antwerpen via Land Invest Group, waarin het Antwerps stadsbestuur en voormalig kabinetschef Joeri Dillen van Bart De Wever betrokken waren. Bracke wou de Optima-affaire echter benutten om zijn bedreigde positie als N-VA-lijsttrekker voor Gent te consolideren en bracht daardoor de Antwerpse N-VA nog meer in verlegenheid.

De schandalen die uiteindelijk de grootste politieke gevolgen zouden kennen, waren echter die in het Luikse rond de Intercommunale Publifin en dat rond Samusocial in Brussel. Publifin was het laatste decennium onder leiding van Stéphane Moreau, PS-burgemeester van Ans, uitgegroeid tot een machtige economische groep. Moreau wordt daarom de Berlusconi van Luik genoemd en is samen met een ander PS-kopstuk André Gilles de absolute top van Publifin. Sinds 2013 werden bij Publifin vergoedingen uitgekeerd van 1.340 tot 2.871 euro bruto per maand aan 24 lokale mandatarissen om in adviesraden te zetelen, waarbij aanwezigheid niet verplicht was om de royale zitpenning op te strijken. Bij het schandaal waren mandatarissen van zowel PS, MR als CDH betrokken, maar vooral de PS liep in de kijker omdat 13 van de 24 mandatarissen PS-leden waren en het bestuur van Publifin voornamelijk uit PS-leden bestond. André Gilles werd in april 2017 uit de PS gezet, Stéphane Moreau nam zelf ontslag in de dagen die erop volgden.

Begin juni 2017 ontstond ophef omtrent de vergoedingen uitgekeerd aan bestuursleden van Samusocial. Vooral een beperkte kerngroep van 4 waaronder burgemeester Yvan Mayeur en OCMW-voorzitter Pascale Peraïta, kwam officieel ongeveer tien keer per maand samen, goed voor een maandelijkse zitpenning van ongeveer 1.400 euro, nog wel uitbetaald met geld afkomstig van giften. Peraïta was ook al in 2013 in opspraak gekomen toen bleek dat ze als directeur van Samusocial een wel erg royaal maandloon kreeg en tegelijk in een woning van het Brusselse OCMW woonde. Pas nadat de Brusselse minister-president Rudi Vervoort op 1 juni 2017 de regeringscommissarissen vraagt om ter plaatse te gaan, komt de affaire in een stroomversnelling. Op 8 juni kondigde Mayeur aan ontslag te nemen als burgemeester van Brussel. Enkele uren daarna stapte ook Peraïta op als OCMW-voorzitster. Peraïta werd uit de PS gezet voor haar weigering te verschijnen voor de ethische ‘waakzaamheidscommissie’. Meerdere PS’ers hebben bovendien hun kinderen of naaste familieleden aan een job bij Samusocial geholpen, onder andere de twee dochters van Peraïta, een dochter van Laurette Onkelinx en de broer van Yvan Mayeur.

Het Publifinschandaal kende nog een uitloper in Vlaanderen toen bleek dat 17 bestuurders van de Gentse intercommunale Publipart samen elk jaar meer dan 350.000 euro bruto kregen voor weinig tot geen werk. Publipart belegde bovendien in een Duits bedrijf dat bestanddelen maakt voor chemische wapens en in Griekenland veroordeeld is voor corruptie. Het leidde tot het ontslag van de Gentse SP.a-schepen Tom Balthazar, de gedoodverfde opvolger van Termont. Later bleken ook in andere steden en gemeenten gelijkaardige toestanden te bestaan. Daarbij werd N-VA verplicht het riante inkomen van 7.237 euro per maand te publiceren van haar mandatenkampioen en Antwerps schepen Koen Kennis. Siegfried Bracke die ook het publipartschandaal wou benutten, verslikte zich in zijn vele postjes in bestuursraden en vooral dan de adviesraad van Telenet, dat onder meer de TV zenders 4 en 5 controleert. Hij moest uiteindelijk ontslag nemen uit Telenet en zal geen lijsttrekker meer zijn voor de Gentse N-VA.

Op zich is er niets mis met Intercommunales. Het zijn samenwerkingsverbanden van twee of meer gemeenten om taken van gemeenschappelijk belang te realiseren, vaak op het gebied van nutsvoorzieningen (elektriciteit, gas, water, televisiedistributie), huisvuilverwerking, sociale huisvesting, crematoria, streekontwikkeling, enz. Schaalvergroting kan kosten drukken, belangrijke investeringen draaglijker maken etc. Het kunnen louter publieke verenigingen zijn, zuivere intercommunales, maar er kunnen ook private investeerders deelnemen, gemengde intercommunales. Het is logisch dat gemeentelijke overheden via hun verkozenen toezicht uitoefenen. Het zou ook logisch zijn dat die overheden naarmate de taken complexer worden beroep kunnen doen op experten die toezien op het algemeen belang, regelmatig verslag uitbrengen en om die taak naar behoren te kunnen uitvoeren daarvoor zelfs aangeworven worden. In werkelijkheid draait het bij de meeste intercommunales al lang niet meer om betaalbare dienstverlening aan de gemeenschap en streven ze enkel nog naar winstmaximalisatie. Het toezicht door verkozenen beperkt zich doorgaans tot het opstrijken van zitpenningen. Bij de intercommunale Eandis bijvoorbeeld, zijn niet minder dan 239 gemeenten aangesloten en worden vergoedingen uitbetaald voor 356 politieke mandaten aan gemiddeld 1408 euro bruto/jaar. Sven Taeldeman, SP.a gemeenteraadslid in Gent, heeft 5 zulke mandaten bij Eandis en hij is niet de enige die er meerdere heeft. Controle door organen of mensen die doordrongen zijn van de burgerlijke ideologie zal altijd leiden tot misbruiken, enkel arbeiderscontrole en toezicht door de gemeenschap via haar eigen, van de burgerij onafhankelijke organen kan misbruiken vermijden.

Hertekening politiek landschap

Voor de PS waren de gevolgen van Publifin en Samusocial niet te overzien. “De hebzucht van sommige mensen gaat elk begrip te boven. Hun sociaal ‘geweten’ wordt meegesleurd door het winstbejag. Zitpenningen opstrijken ten nadele van de minst begoeden is choquerend. En zoals elke burger, ben ik gedegouteerd tot in het diepst van mijzelf.” Zo opende Benoit Lutgen, voorzitter van de CDH de persconferentie op 19 juni 2017 waarin hij aankondigde dat zijn partij niet langer wou regeren met de PS. Hij riep MR, Défi en Ecolo op om nieuwe meerderheden te vormen voor Wallonië, Brussel en de Waals-Brusselse federatie. Dat alleen al was een politieke aardverschuiving. Sinds het Waals gewest over een eigen regering beschikt in december 1981 heeft de PS welgeteld 26 maand in de oppositie gezeten en dat dateert intussen al van 1988.

Enkele dagen later bleek uit een peiling van Dedicated Research, deze keer niet in opdracht van RTBF en La Libre, maar van MR, dat de PS bij verkiezingen op dat moment in Wallonië zou halveren naar 16%. PTB/PVDA zou er de grootste partij worden met 24,9% (5,5% in 2014). MR zou tweede worden met 23,2% (2014 – 25,8%). Hoewel Lutgen beweerde dat hij de stekker had uitgetrokken om zijn partij te redden tuimelde die in de peiling naar 9,8% (2014 – 14%). Ecolo maakte de omgekeerde beweging van 8,2 naar 11,4% en ook Défi kende een lichte vooruitgang (3,9%). In Vlaanderen zou de SP.a mee in de klappen delen en slechts 9,5% over houden (2014 – 14%) hoofdzakelijk ten voordele van Groen (van 8,6 naar 12,5) en ook PVDA/PTB (van 2,8 naar 7,3%). Dat was uiteraard toen de PS zich in het oog van de storm bevond, maar het was wel een voorteken van een belangrijke politieke herschikking waarbij de PS haar positie als enige dominante kracht in Wallonië definitief kwijt speelt en Wallonië met vertraging aansluit bij het proces van politieke verkaveling dat elders in Europa en in Vlaanderen al een decennium of langer aan de gang is.

Het tijdperk waarin men de klassentegenstellingen kon verdoezelen op basis van de naoorlogse groei, ligt al ver achter ons. Toen kon de standenpartij CVP zich nog opwerpen als bouwmeester, de titel van haar kerstprogramma van 1945 luidde “Wie zal de bouwmeester zijn?,” maar dat werd met het begin van de economische crisissen in ’74 – ’75 onhoudbaar en is de onderliggende reden voor de politieke verkaveling van Vlaanderen. Het klopt dat de neergang van de CVP een langdurig proces was en men zou daaruit kunnen besluiten dat het een lange lineaire evolutie was. In werkelijkheid verliep die met bruuske schokken afgewisseld met periodes van stabilisering en soms zelfs gedeeltelijk herstel. Dat komt doordat het bewustzijn doorgaans achterloopt op de werkelijkheid en die werkelijkheid niet gelijkmatig, maar schoksgewijs inhaalt. Kortom, geschiedenis wordt niet gemaakt door evolutie, maar door revolutie.

Nog in die naoorlogse bloeiperiode eiste de sociaaldemocratie het ouderschap van de welvaartstaat en de sociale zekerheid op. Maar daar waar de crisis in Vlaanderen de sociale basis van de CVP uiteenreet en talloze nieuwe politieke formaties deed ontstaan, leek de politieke herverkaveling aan Wallonië voorbij te trekken. Dat komt doordat de PS in Wallonië lange tijd immuun leek voor de internationale crisis van de sociaaldemocratie. Ondanks 26 jaar onafgebroken regeringsdeelname kon ze zich blijven opstellen als interne oppositie binnen de regering tegen een dominante rechtse meerderheid in Vlaanderen. Ze profiteerde onrechtstreeks en zonder daarvoor dankbaarheid te tonen van de aanwezigheid van een aanzienlijke laag strijdsyndicalisten, vooral in het FGTB, die door het vakbondsapparaat electoraal systematisch in de richting van de PS geduwd werd. Ze had noch op haar linkerflank, noch zoals in Vlaanderen op rechts een concurrent voor de stemmen van de arbeiders vergelijkbaar met de CD&V of meer nog haar voorloper de CVP. In Wallonië geeft het FGTB de toon aan voor sociale strijd en is het CSC dikwijls aangewezen te volgen. In Vlaanderen verschuilt de ABVV‐top zich maar al te dikwijls achter de dominantie van het ACV om niet in actie te gaan. Minder sociale actie heeft zich in Vlaanderen vertaald naar een veel snellere en ongenuanceerder draai naar rechts van de SP.a en de opkomst van rechtse zogenaamde anti‐establishment partijen.

Door premier te worden aan het hoofd van een federale besparingscoalitie, heeft Di Rupo het schaamlapje waarachter de PS zich kon verschuilen weggerukt. Het laatste greintje illusies dat de arbeidersbeweging op de PS kon rekenen om gespaard te blijven van sociale afbraak verdampte. Lange tijd heeft de PS haar onwil om voor een echt links en socialistisch programma te mobiliseren en het ook uit te voeren, gecompenseerd met cliëntelisme. In een periode van economische groei kan dat nog werken, maar de crisis heeft de marge daarvoor fors uitgehold. Als de ideologie, het streven naar een andere maatschappij wegvalt, resten enkel de carrières en de privilegies. Dat de PS tot aan de knieën weggezonken was in corruptie, is binnen de politiek niet eens zo uitzonderlijk. Niemand gelooft dat de partijtop niet wist dat sommige PS’ers zich gedragen als regelrechte kapitalisten en het vanzelfsprekend vinden dat ze qua verloning niet moeten onderdoen voor de best betaalde CEO’s. Maar dat dit uitbarst op een moment van massale werkloosheid en voortdurende inleveringen, net op het moment dat er een links alternatief voorhanden is dat bovendien vertegenwoordigers naar het parlement afvaardigt die er terecht een erezaak van maken te leven aan een arbeidersloon, heeft alle onderliggende ongenoegen over de PS eensklaps doen uitbarsten.

Voor Michel was het maneuver van Lutgen een geschenk uit de hemel. Niet alleen kon de MR eindelijk in de regionale meerderheden inbreken, maar bovendien kwam de mogelijkheid van een verderzetting van centrumrechts op federaal vlak ineens veel dichter bij. Michel heeft daar letterlijk niets voor moeten doen, het was niet het resultaat van zijn eigen sterkte, maar van de zwakte van de oppositie. Maar sindsdien is gebleken dat Lutgen op zijn minst voorbarig is geweest, dat Ecolo en Défi veel minder geneigd zijn toe te happen dan eerst gedacht. Olivier Maingain legde meteen de vinger op de wonde door als voorwaarde te stellen dat MR en CDH eerst hun eigen stallen moesten uitmesten, om te beginnen door De Decker en Milquet de deur te wijzen. Ecolo kwam met een pak voorstellen inzake politieke vernieuwing om te besluiten dat CDH en MR niet ver genoeg willen gaan. Dat is zo goed als insinueren dat de ethiek voor Lutgen slechts een voorwendsel was, maar dat hij het niet meent. Tenslotte zette Maingain Lutgen en Chastel helemaal klem door zijn eis om met alle Franstalige partijen, dus ook de PS, aan tafel te gaan om te bespreken hoe men de Waals-Brusselse federatie kan versterken.

Het resultaat is dat het maneuver van Lutgen enkel in Wallonië een centrumrechtse meerderheid oplevert, maar de regeringen van Brussel en de federatie Wallonië-Brussel overeind blijven. Op de koop toe werd Lutgen in een open brief door Philippe Maystadt en Joelle Milquet terecht gewezen, kondigde Milquet aan geen kandidaat meer te zijn voor de volgende verkiezingen en haakte ook Europarlementslid en voormalig CSC-kopman Claude Rolin af. De PS gaat wellicht de grootste electorale klap uit haar geschiedenis tegemoet. Ze had moeten weten dat Lutgen zijn moment afwachtte om de CDH naar rechts te sturen, en heeft hem met Publifin en Samusocial de gelegenheid daarvoor op een gouden schaaltje aangeboden. Maar zoals we al stelden in de tekst van mei 2017, de PS mag dan wel niet langer de absoluut dominante politieke kracht van Wallonië zijn waar niemand rond kan, ze blijft niettemin een factor waarmee ook in de toekomst rekening moet gehouden worden. Dat wordt tot op zekere hoogte bevestigd door de peilingen van september 2017. Daarin herstelt de PS in Wallonië gedeeltelijk naar 20,7%, terwijl ze in Brussel verder wegzakt naar 12,1%. MR zakt in Wallonië naar 21,4% en 19,8% in Brussel en de PTB/PVDA moet genoegen nemen met 17,5% en 9% in Brussel, hetgeen nog steeds een historische doorbraak zou betekenen. Onrustwekkender voor Michel is dat de CDH in Wallonië zakt naar 8,7% en in Brussel slechts 5,8% over houdt.

Als dat zich doorzet halen de federale regeringspartijen samen nog 72 zetels, tegenover 83 in 2014, en zelfs met de CDH erbij heeft centrumrechts dan slechts 2 zetels op overschot (77). Veel mag er niet meer gebeuren. Als ook die twee zetels verloren gaan, is centrumrechts zo goed als uitgesloten. Défi dat in Wallonië in de peilingen voor het eerst in haar bestaan met 6,2% de kiesdrempel haalt, was zelfs in Brussel en de Waals Brusselse Federatie niet te overtuigen, laat staan als dat morgen op federaal vlak moet met de N-VA aan de andere kant van de tafel. En ook in Vlaanderen zijn er niet onmiddellijk kandidaten om centrumrechts te depanneren tenzij SP.a of Groen daartoe bereid zouden zijn. Op Waalse niveau moet er al veel gebeuren vooraleer de nieuwe rechtse regering in 2019 nog aan een meerderheid komt en in Brussel is een centrumrechtse meerderheid zonder Défi dat in de peilingen 18,4% scoort eveneens uitgesloten. Die complicaties verklaren wellicht waarom de N-VA zo uitdrukkelijk verkondigt dat ze in 2019 geen communautaire campagne zal voeren. Economie, veiligheid en identiteit worden integendeel de drie pijlers, een nieuwe staatshervorming heet geen breekpunt. Op die manier hoopt de N-VA een tweede regering Michel te kunnen vormen, eventueel aangevuld met de CDH. Hoe meer ze over het communautaire praat, hoe groter immers de kans dat de N-VA in de oppositie verzeild geraakt.

De N-VA uit de federale regering houden zal, omwille van haar electoraal gewicht, echter niet eenvoudig zijn en het zou zich op iets langere termijn kunnen wreken. In de september 2017 peiling haalde N-VA nog steeds 30,2% (tegen 32,4% in 2014). CD&V met 16,1% (2014 – 18,6%) en VLD met 12,1% (2014 – 15,5%) zouden minstens SP.a met 12,2% (2014 – 14%) én Groen met 13,4% (2014 – 8,6%) nodig hebben om in Vlaanderen aan een meerderheid te geraken. Zo een regering, met in de oppositie N-VA, Vlaams belang (7,9% in de peiling tegen 5,8% in 2014) en PVDA/PTB (5% in de peiling, goed voor 2 zetels), zou een regelrechte communautaire schietschijf worden. Op Federaal vlak zou een tripartite, volgens de recente peilingen met 73 zetels eveneens geen meerderheid halen. Défi erbij nemen zou die regering blootstellen aan een communautaire storm vanuit Vlaanderen, wellicht zal men in die optie eerder verkiezen om de groenen aan boord te hijsen, een soort regering van nationale eenheid. Maar zo een regering, die per definitie tussen de contradicties in zou moeten laveren en dus maar een beperkte daadkracht zou hebben, vereist een sterk argument. Het gevaar van een communautaire blokkering van de instellingen zou daartoe een geschikte aanleiding vormen. In dat geval zal men asymmetrische meerderheden in de gewesten en de regio’s trachten vermijden om opbod tussen de regio’s tegen te gaan.

Indien het de N-VA echt te doen was om de onafhankelijkheid van Vlaanderen, dan legde ze de communautaire kwestie nu op tafel, nam het risico om in de oppositie te belanden en ontbond ze al haar communautaire duivels tegen zo een regering van nationale éénheid. Maar dat zal niet gebeuren. Het is opvallend dat de N-VA de communautaire kwestie in de koelkast steekt net op het moment dat in Catalonië een massabeweging plaats grijpt voor het recht op een referendum over onafhankelijkheid en tegen de repressieve reactie van de Spaanse overheden. De N-VA weet echter net zo goed als wij dat een splitsing van België niet op de agenda staat zolang de twee dominante klassen in de maatschappij, noch de heersende, noch de arbeidersbeweging, ervoor gewonnen zijn. Een massabeweging voor onafhankelijk Vlaanderen, laat staan een algemene staking, naar het model van die in Catalonië is daardoor uitgesloten. Zelfs de Vlaamse middenklassen, waarvan de N-VA de belangrijkste politieke vertegenwoordiger geworden is, zijn daar in meerderheid niet voor gewonnen. Voor hen is de nationale kwestie niet meer dan een breekijzer om de verworvenheden van de arbeidersklasse terug te draaien, verder reikt hun affiniteit met de Vlaamse ontvoogdingsstrijd niet. Voor de echte Vlaams nationalisten is de positionering van de N-VA de zoveelste ontnuchtering. Bart Maddens, nochtans een kenner en fervent flamingant, stelt nu pas vast: “De N-VA is aan het weg evolueren van haar Vlaams-nationale oorsprong. Ze is een systeempartij aan het worden, die zich neerlegt bij het federale België. Het communautair zwijgen tijdens de campagne is een symptoom van die geleidelijke metamorfose. Ik acht de kans klein dat er ooit nog confederalisme komt met de N-VA.”

Ongelooflijk toch hoe onwetend en naïef die kleinburgerlijke flaminganten kunnen zijn. Heeft Maddens dan echt niets geleerd uit de geschiedenis? Hij zou toch moeten weten dat de middenklassen, juist omwille van hun heterogene belangen, hooguit in staat zijn tot revolte, maar niet tot revolutie. Dat ze spijts hun gebrul niets anders kunnen dan zich aan te haken achter één van de dominante klassen, hetzij de arbeidersklasse, de enige die in staat is om het even welke ontvoogdingsstrijd tot haar conclusie door te voeren, hetzij de heersende klasse die elke ontvoogdingsstrijd die ingaat tegen de heersende belangen in de kiem zal smoren. De N-VA is niet zomaar een “systeempartij aan het worden”, maar moest ongeacht de romantische intenties van sommige leiders, omwille van haar kleinburgerlijk karakter, net zoals de Volksunie destijds, kiezen tussen arbeidersbeweging of burgerij. Maddens heeft niet eens begrepen dat de N-VA die keuze met haar retoriek over confederalisme al lang gemaakt heeft. De kans dat er met de N-VA Vlaamse onafhankelijkheid komt, is niet zo klein omwille van haar geleidelijke metamorfose, maar omwille van haar onvermogen om haar reactionair programma te verbinden met de arbeidersbeweging. Dat heeft Bart De Wever op zijn minst begrepen, hij hoopt dat PS en PTB in Wallonië incontournable worden en zelf vragende partij worden voor confederalisme, hij hoopt dus dat de Waalse arbeidersbeweging doet wat de Vlaamse kleinburgerij niet kan en de heersende klasse uit reactie daarop plots wel te vinden is voor confederalisme, waarna hij zijn kleinburgerlijke troepen daarachter wil scharen. In Catalonië mag de formele leiding van de onafhankelijkheidsbeweging dan wel in handen liggen van de kleinburgerlijke nationalistische politici, de enige reden waarom het tot een confrontatie met de Spaanse staat komt, is door de enorme druk die de Catalaanse arbeiders in die richting uitoefenen.

Van overleg naar confrontatiemodel

Als de vakbonden reageren op de regering roept de N-VA voortdurend de ‘primauteit van de politiek’ in. “Ze moeten zich maar kandidaat stellen in de verkiezingen, als ze het voor het zeggen willen hebben.” In september vertaalde Macron diezelfde idee als volgt: “la démocratie, ce n’est pas la rue”, democratie wordt niet op straat bepaald, maar in het parlement, al liet Macron dat laatste achterwege aangezien hij per decreet wil regeren. Waarop Mélenchon op de massabetoging (150.000) van La France Insoumise ‘tegen de sociale staatsgreep’ de 23 ste september 2017 gevat antwoordde: “C’est la rue qui a abattu les rois, les nazis, le plan Juppé et le CPE…”, het is de straat die koningen, de nazi’s, het plan Juppé en het eerste werkervaringscontract heeft neergehaald. Daarmee maakte hij ineens duidelijk hoe systeembevestigend heel die idee van de ‘primauteit van de politiek’ wel is.

Toen in de zomer van 2014 duidelijk werd dat een rechtse, Thatcheriaanse, regering in de maak was, waren de vakbondsleidingen in shock. Ze wisten even niet meer wat te doen. Wij pakten op de militantenconcentratie van 23 september 2014 uit met de slogan “Geen Thatcher in België” en een uitgewerkt voorstel van actieprogramma dat tot onze grote verbazing door de vakbondsleidingen bijna letterlijk werd uitgevoerd. We denken dat de vakbondsleidingen toen echt overwogen de rechtse “Thatcheriaanse” regering Michel ten val te brengen om de tripartite opnieuw in het zadel te lichten. De algemene staking tegen het Globaal Plan in ’93, die tegen het Generatiepact in 2005 en opnieuw die van 30 januari 2012, werden door de vakbondsleidingen telkens beëindigd met het argument dat iedere alternatieve regering rechtser zou zijn dan de zittende. Dat argument was weg. Aanknopen bij de traditie van de politieke algemene stakingen vloeide voort uit die logica.

De vakbondsleidingen zetten toen ook de deur op een kier voor personeelsvergaderingen op de werkvloer. Dat is een oude traditie die grotendeels verloren is gegaan. We weten niet waar en hoeveel er uiteindelijk plaats grepen, wellicht bleef het beperkt, maar onze militanten deden hun uiterste best om dat in de praktijk te realiseren. Alles wees erop, en zo werd het ook aan de basis aangevoeld, dat de inzet van het actieplan de val van de regering was. Zelfs onder brede lagen van de bevolking werd dat begrepen, in peilingen eind december 2014 verklaarde meer dan 70% de indexsprong en de verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar slechte maatregelen te vinden en 85% van de Vlamingen was toen gewonnen voor een belasting op vermogens boven de 1 miljoen. Voor de vakbondsleidingen was de tripartite het alternatief, wij pakten op de massabetoging van 6 november 2014 uit met de slogan “Niet alleen Michel I, maar heel het besparingsbeleid wegstaken.” We trachtten de idee van een arbeidersregering te populariseren en schreven: “De val van Michel zou betekenen dat het politieke monopolie van de burgerlijke instellingen, van de kamers van ‘volksvertegenwoordigers’ en de door massamedia en spin doctors gestuurde verkiezingen, uitgedaagd wordt door een ander, veel democratischer organisme dat nog volop in ontwikkeling is.”

Tegen 6 november waren de vakbondsleidingen echter al in belangrijke mate bekoeld. Wellicht bijgespijkerd door politici van CD&V voor het ACV en van PS en SP.a voor het ABVV. Die zullen hen duidelijk gemaakt hebben dat een tripartite met de liberale partijen niet zo éénvoudig lag, zeker niet volgend op een stakingsbeweging. Ze zullen hen ook hebben uitgelegd dat politiek stakingen een concept zijn uit het verleden dat men beter laat rusten en waarmee heel het establishment, ook internationaal, niet gediend is. Op de betoging van 6 november werd vooral onder impuls van het ACV een rechtvaardiger fiscaliteit via een taxshift ineens dé centrale eis. Wij ondersteunen een rechtvaardiger fiscaliteit, maar waarschuwden dat men hiermee de aandacht niet mocht afleiden van de andere eisen en dat een taxshift onder de rechtse regering in het nadeel van de arbeiders zou uitdraaien, wat later helaas ook gebeurde. Waren er toen al beloftes over deelakkoorden in de groep van 10, over Arco of over uitstel van het inperken van het stakingsrecht? Mogelijk kwam dat pas later. In ieder geval is het rond die periode dat de vakbondsleidingen hun strategie hebben bijgesteld, de primauteit van de politiek aanvaardden en de inzet van het actieplan met militantenconcentraties, een nationale betoging, drie regionale 24-urenstakingen en een nationale algemene 24-urenstaking reduceerden tot het versterken van hun onderhandelingspositie.

Het is duidelijk dat vooral de ACV-top hierin het voortouw nam. Niet zonder tegenstand, vooral in haar bediendencentrales, ondertekende ze een schandalig loonakkoord. Het ABVV tekende niet, maar aangezien haar perspectief op een tripartite zich daardoor verwijderde, wist het niet meer welke kant uit. Het was toen al duidelijk dat er aan de top van een aantal ABVV-centrales, in de eerste plaats ABVV-metaal en BBTK die dat openlijk in de pers verkondigden, weinig animo was voor actie. Het gemeenschappelijk vakbondsfront hield enkel nog in woorden stand. In november 2014 had de kwartaalpeiling van Dedicated de steun aan de regering nochtans op amper 20% geplaatst. De vakbondsleidingen lieten het moment echter voorbij trekken. Hun nieuwe strategie was erop gericht de regering in te tomen in afwachting van nieuwe verkiezingen vanuit de overtuiging dat Michel I in 2019 bijna vanzelfsprekend electoraal afgestraft zou worden waarna de situatie zich zou ‘normaliseren’ met een centrumlinkse regering. Van bij het begin hebben wij gewaarschuwd voor de gevaren van die strategie. We verwezen daarbij ook naar het Britse voorbeeld, waar een vergelijkbare strategie van de vakbonden het Cameron mogelijk maakte zich in mei 2015 te laten herkiezen. Hoe dan ook, die strategie stond de regering Michel toe zich te herstellen, ze zou daarna nog de Wet-Peeters doorvoeren, de taxshift et talloze andere antisociale maatregelen.

In 2015 werd wel actie gevoerd door het gemeenschappelijk vakbondsfront in maart en begin april, gevolgd door een staking door de ACOD op 22 april, maar het was met de handrem op en de ontgoocheling over het magere resultaat van het prachtige actieplan in de herfst van 2014 woog zwaar. Niettemin gaven opnieuw 100.000 betogers op 7 oktober 2015 gehoor aan de oproep van het gemeenschappelijk vakbondsfront. Op 9, 19 en 20 oktober werd door het CGSP regionaal gestaakt bij het spoor, maar zonder ACV-Transcom dat de voorkeur gaf aan een informatiecampagne en nadat Ludo Sempels van ACOD Spoor in Vlaanderen publiek afstand had genomen. Op 19 oktober vond ook een regionale algemene staking van het ABVV plaats in Luik. Een echt actieplan bleef echter uit. De regering Michel en het patronaat maakten daarvan gebruik om het stakingsrecht onder vuur te nemen. Een wegblokkade in Luik werd aangegrepen om de stakers ervan te beschuldigen dat ze bloed aan hun handen hadden en tegelijk stapten Infrabel en Bpost naar de rechter voor dwangsommen tegen stakersposten. De regering buit sindsdien iedere zwakte van de vakbonden uit om het recht op protest dat al eerder was aangetast met GAS-boetes en eenzijdige verzoekschriften, verder aan banden te leggen. Het maakt deel uit van een internationale trend naar meer autoritair bestuur en illustreert hoe het overlegmodel door patronaat en regering ingeruild wordt voor een conflictmodel waarbij het patronaat, als het haar zin niet krijgt, steeds kan terugvallen op de regering.

De vakbonden zijn nochtans nog steeds een enorme potentiële kracht. Sinds 2006 groeide het aantal vakbondsleden met 200.000, waarvan 130.000 bij het ABVV. We zijn nu met 3,5 miljoen leden, ABVV, ACV en ACLVB samen. Op een actieve beroepsbevolking van 4,45 miljoen zijn er 2,28 miljoen gesyndikeerd. Die potentiële sterkte werd bevestigd in de sociale verkiezingen van 2016 met een recordaantal van 132.750 kandidaten, meer dan in 1979, ook al zijn er intussen al heel wat industriële bastions verdwenen. Peilingen in mei 2016 gaven aan dat 81% van de Franstaligen en 75% van de Vlamingen de vakbonden belangrijk vinden om hun rechten te verdedigen. De regering Michel heeft veel binnen gehaald, maar de ruggengraat van de arbeidersbeweging breken, kon ze niet. Hoezeer we de frustraties over het verraad van de vakbondsleidingen ook begrijpen, die enorme kracht gewoon overlaten aan een stel bureaucraten waarvan sommigen echt wel beantwoorden aan de beschrijving “luitenanten van het kapitaal in de arbeidersbeweging” zou een onvergeeflijke fout zijn. Dat er tegenover het verraad aan de top ook druk van onderuit bestaat, werd bevestigd door een reeks spontane stakingen in de lente van 2016. Wellicht verklaart dit waarom de vakbonden In mei 2016 een nieuw actieplan aankondigden, 80.000 arbeiders betoogden op 24 mei. Exact een maand later zou een algemene staking volgen, maar dan wel enkel van het ABVV, hetgeen de meningsverschillen binnen het gemeenschappelijk vakbondsfront illustreert. Dat zou gevolgd worden door een betoging op 29 september en een staking in gemeenschappelijk vakbondsfront op 7 oktober.

Als de vakbondsleiding geen ordewoorden geeft, haar leden niet raadpleegt en stakingen van bovenaf uitroept en weer intrekt, zijn spontane en van elkaar geïsoleerde, langduriger en radicalere conflicten tegen een achtergrond van toenemende werkdruk en voortdurende besparingen, niet uitgesloten. Indien deze strijdbewegingen geen steunpunten vinden, en net als voor de zomer van 2016 geïsoleerd gehouden worden, dan lopen ze het gevaar zich uit te putten. Dat overkwam de Brusselse en Waalse penitentiaire agenten die gedurende 55 dagen staakten, tot het doodbloedde nadat de regering erin geslaagd was met een communautair onevenwichtig akkoord de Vlaamse vakbonden uit te kopen. Het overkwam ook de spoorarbeiders in mei 2016 tijdens hun staking tegen onder meer het verlies van kredietdagen en het optrekken van de productiviteit met nog eens  4% per jaar. Het was de eerste keer dat de directie van het spoor op zo’n grote schaal sancties trof tegen stakers. Dat de  vakbondsleidingen nadien een akkoord sloten dat nog steeds het verlies van twee extralegale feestdagen  bevatte en bovendien van het intrekken van de sancties geen breekpunt maakte, zit veel spoormannen  hoog. In plaats van de dynamiek van onderuit te benutten en trouwens samen met de Franse arbeiders tegen de wet El Kohmri in actie een vuist te maken, werd toen het actieplan door de leiding als excuus gebruikt om deze dynamiek bewust te stoppen. Zo kregen diegenen met een anti‐stakingsagenda de kans om de stakers en stakingen in het algemeen in een slecht daglicht te stellen. Dat de vakbonden zich zowel bij de penitentiaire agenten als bij de spoorstaking, communautair uiteen lieten spelen is een groot gevaar voor de arbeidersbeweging.

Het ABVV betaalde daar trouwens al een prijs voor tijdens de staking van 24 juni 2016 die in een aantal sectoren matig of helemaal niet opgevolgd werd, deels uit frustratie over de houding van de vakbondsleiding, deels door onderlinge verdeeldheid. In Antwerpen maakte Bart De Wever hier misbruik van om 4 piketten van de Algemene Centrale één voor één met een indrukwekkende politiemacht te breken en de Antwerpse ABVV-voorzitter gedurende 4 uur op te pakken. Dat zou een waarschuwing moeten zijn om in het vervolg stakingen grondiger voor te bereiden, maar het lijkt erop dat de vakbonden nauwelijks of geen lessen trekken uit de agressie van regering en patronaat. Niet dat er geen actiebereidheid is. Op de betoging van het gemeenschappelijk front de 29ste september 2016 waren we alweer met 70.000 ondanks het feit dat men tijdens de zomer de staking van 7 oktober had afgeblazen. De 15e november betoogden 10.000 militairen en op 24 november 2016 20.000 werknemers van de non-profit. Eind oktober 2016 zaten de vakbondsleiders samen om een voorstel te bespreken voor regionale stakingen in december en een nationale algemene staking in januari, maar ook dat haalde het niet.

Intussen werden bij Caterpillar, ING, Douwe Egberts en talloze andere privébedrijven sociale bloedbaden aangericht, ging de commercialisering van de zorg een versnelling hoger, bleef de regering maar inhakken op onze levensstandaard en worden publieke middelen voor onderwijs ingeruild voor private investeerders en liefdadigheid. Aan de basis neemt de spanning toe, hier en daar ontstaan nieuwe kritische netwerken, zoals  SWAN (Sociaal Werk Actienetwerk) dat ontwikkelde in een ad hoc strijdcomité in de strijd van de Antwerpse sociale sector, of CRS, Comité de Résistances Sociales in Brussel. Meestal ondersteunen de vakbonden het verzet, maar het blijft veelal zeer defensief, zonder dat de vakbonden daar een offensieve strategie tegenover stellen. Waar de vakbonden wel strijdbaarheid aan de dag leggen, slagen ze er soms in kleine overwinningen af te dwingen, zoals het van de tafel gooien van de patronale eisenbundel van 187 bladzijden in de chemie- en farma-sector of het sociaal plan bij de VRT in september 2016 waardoor 60 jobs gered werden via arbeidsherverdeling, of de staking bij Aviapartner in mei 2016 waardoor de overuren gepresteerd na de aanslagen van 22 maart 2015 op een correcte manier werden uitbetaald. Maar er zijn net zo goed voorbeelden waar de arbeiders spontaan in actie gingen, zoals recent nog bij Volvo Cars waar de vakbonden een akkoord onderhandelden met de bazen dat door een meerderheid van de arbeiders verworpen werd, maar toch toegepast wordt. In een aantal gevallen worden de vakbondsdelegaties door arbeiders gezien als aanhangsels van de directie.

De materiële voorwaarden voor een krachtige mobilisatie zijn vervuld, maar het geloof in de bereidheid van de vakbonden om voet bij stuk te houden en een strijd ook effectief tot een overwinning te leiden is bij velen zoek. De vakbondsleidingen zijn zich zeer goed bewust van de inspanning die het in de huidige conjunctuur vereist om zelfs maar een kleine overwinning af te dwingen en ze beseffen ook wel dat iedere overwinning zodra de beweging is gaan liggen door het patronaat, ook in de openbare diensten, telkens weer in vraag gesteld zal worden. Als dat al het geval is op bedrijfsniveau, wat betekent dat dan wel op het niveau van een sector, laat staan van heel de economie. Tijdens het actieplan van 2014 hebben de vakbondsleidingen heel even geproefd van het type strijd dat het zou vergen om op dat niveau offensieve eisen binnen te halen. Ze zullen het wel zo niet verwoorden, maar eigenlijk kunnen echte verbeteringen in de huidige conjunctuur enkel afgedwongen worden als bijproduct van revolutionaire strijd. In 2014 hebben ze even ondervonden welke dynamiek een dergelijke strijd op gang kan brengen, ze hebben even over de rand van de afgrond gekeken, zijn geschrokken van de kracht die ze in beweging gebracht hadden en hebben zich terug getrokken en de arbeiders overgeleverd aan de sociale afbraak van regering en patronaat. Hier zien we een illustratie van de limieten van het reformisme in al haar schakeringen.

Onder de vakbondsleidingen en tussen de leiders van de centrales van de vakbonden zijn er diepe meningsverschillen over de te volgen strategie. Een groot aantal van de vakbondsleiders heeft alle hoop opgegeven en heeft maar een wens: deze regering uitzweten. Andere zouden wel nog in actie willen, maar worden gedemoraliseerd door de houding van hun collega’s of soms botweg gesaboteerd. Ze stoten bovendien vaak op cynisme bij de basis en onverschilligheid onder de arbeiders. Depolitisering door de jarenlange afwezigheid van echt linkse voorstellen in het publieke debat heeft zijn sporen achtergelaten, vooral in Vlaanderen, onder de arbeiders maar ook bij veel actieve syndicalisten. Een syndicale vorming die hoofzakelijk technisch geworden is, gericht is op de overlegstructuren en ideologisch ondermijnd is door de algemene atmosfeer in de maatschappij en soms door de bewuste keuze van de leiding, laat een syndicale beweging achter die voorlopig niet opgewassen is tegen de enorme taken die de huidige conjunctuur haar oplegt.

Zelfs onder de meest strijdbare arbeiders die de gevolgen van de sociale kaalslag direct ondervinden en er spontaan in actie tegen komen, zijn rechtse opvattingen, racisme, seksisme, homofobie en een enorm wantrouwen tegenover alles wat links is, helaas geen uitzondering. Veel linkse en strijdbare afgevaardigden en militanten hebben geen flauw idee hoe ze dat kunnen keren, velen gaan de discussie dan maar uit de weg, anderen blijven er hard tegen aan gaan, maar zonder enig idee te hebben hoe ze die trend ook echt zullen keren. Het is één van de centrale uitdagingen van de syndicale linkerzijde om die militanten te groeperen en te bewapenen met een programma, tactieken, een strategie en een overgangsbenadering die hen in staat stelt de momenten te herkennen waarop en de methode waarmee men dit kan keren. Een syndicale afgevaardigde is maar zo krachtig als de basis waarop hij of zij kan steunen. Alleen zo kan een krachtsverhouding opgebouwd worden om de algemene oriëntatie van de vakbonden te keren. Het is een uitdaging voor de linkse politieke partijen en organisaties om op een verstandige en bevattelijke wijze de syndicale basis, in de eerste plaats de afgevaardigden en de eigen werkvloer opnieuw te politiseren. Dat vereist bewust nadenken over de gebeurtenissen die we kunnen aangrijpen en zin voor timing om de juiste momenten uit te kiezen.

Politieke ontwikkelingen

Gelukkig zijn we daarvoor niet enkel op onszelf aangewezen, maar zijn er objectieve gebeurtenissen die dat proces beïnvloeden. Er is de klassieke golfbeweging waarbij arbeiders nu eens de sociale weg uitproberen en als die geblokkeerd zit, ze zich massaal naar het politieke terrein keren. Dat fenomeen speelt zeker mee in het succes van Podemos nadat de indignados waren vastgelopen op de verkiezing van de PP. Het speelde een belangrijke rol in de opgang van Sanders na de Occupy beweging of die van Corbyn en Mélenchon. We denken dat het ook een rol speelt in de electorale opmars van de PVDA/PTB. Anderzijds zou de aanwezigheid op een grotere schaal van de PVDA/PTB in het parlement, maar ook in het publiek debat een politiserend effect hebben dat zich onvermijdelijk elders in de maatschappij, ook in de vakbonden zal uitdrukken. Het kan het verdedigen van linkse ideeën meer mainstream, minder wereldvreemd maken en creëert daardoor enorme mogelijkheden. De mate waarin die mogelijkheden benut worden, zal echter in belangrijke mate afhangen van de subjectieve factor. Blijft het bij algemene ideeën gericht naar een breed publiek met hoofzakelijk electorale bedoelingen of wordt het ook aangegrepen om op de werkvloer en in de syndicale vergaderingen argumenten aan te reiken die de slagkracht van de arbeidersbeweging vergroten?

De houding van de PVDA/PTB dat politiek voor de partij is en het syndicale voor de vakbonden is geen goed voorteken. Het zorgt ervoor dat de PVDA de talloze linkse syndicalisten, of die nu lid zijn van de partij of niet, geen oriëntatie aanbiedt om de vakbondsmilitanten, laat staan de werkvloer, te politiseren en de politiek van de vakbonden naar links te duwen. Het verklaart ook waarom vakbondsafdelingen die geleid worden door PVDA/PTB-leden niet altijd, maar al te vaak nauwelijks te onderscheiden zijn, noch door hun politiek werk, noch door het veralgemenen van personeelsvergadering of zelfs militantenvergaderingen, noch door hun syndicale strijdvaardigheid. In plaats van de onvermijdelijke trend naar bureaucratie georganiseerd te bestrijden, zegt de PVDA/PTB dat dit haar taak niet is, maar die van de vakbonden zelf. Ze laat het m.a.w. aan de individuele militant over om die strijd op zijn/haar eentje aan te gaan en maar al te dikwijls wordt die door andere partijmilitanten in de vakbond terecht gewezen wegens ‘oncontroleerbaar’.

De PVDA/PTB baseert zich daarvoor op een terechte frustratie onder veel strijdbare syndicalisten die vinden dat het partnerschap van het ABVV met SP.a en PS en dat van ACV met CD&V de syndicale strijd afremt. Wij delen die frustratie en roepen al jaren op om die band te breken, niet omdat de vakbonden niet aan politiek zouden doen, maar omdat de politiek van die partijen al decennia regelrecht ingaat tegen de belangen van de arbeidersbeweging. Van bij het ontstaan van de vakbonden, zowel de voorlopers van het ACV als die van het ABVV werd er eigenlijk maar één politieke fractie geduld, die van de christendemocratie in het ACV en die van de sociaaldemocratie in het ABVV. Vanaf 1924 tot in de jaren ’60 werden regelmatig communisten uitgesloten van leidinggevende posities. Zelfs in de paar Waalse gewesten waar onverenigbaarheid bestaat tussen de positie van volksvertegenwoordiger en een leidinggevende functies in het FGTB, waar de vakbond officieel “onafhankelijk” is, was dit eigenlijk maar een dekmantel waarachter het monopolie van de sociaaldemocratische fractie schuil ging. In 1999 werd de PVDA/PTB daar bijna zelf het slachtoffer van toen het ABVV-bureau aankondigde dat diegenen die “een tegenvakbond willen opzetten” eruit moeten. Regelmatig nog wordt in de pers gesuggereerd dat de PVDA/PTB het ABVV “infiltreert”, alsof het niet zou kunnen dat ABVV-leden zelfstandig het besluit nemen dat de PVDA op politiek vlak hun belangen beter zal verdedigen dan de PS of de SP.a.

De historische neergang van de christendemocratie heeft er in Wallonië voor gezorgd dat de unieke band met de CDH onder druk kwam te staan en dat er ook met andere partijen gesproken wordt, vooral Ecolo en de PS. In verschillende centrales, vooral in de CNE krijgen soms radicaal linkse militanten en secretarissen een zekere bewegingsvrijheid. De echte beslissingen worden uiteraard nog steeds genomen door diegenen met een sterk zuilverleden. In het ACV is dat proces minder ver gevorderd. De band met de CD&V is er nog zeer dominant, maar ook daar neemt de druk toe en vooral bij LBC zijn meer linkse vakbondsleiders aanvaard en worden radicaal linkse militanten en secretarissen niet meer automatisch aan de deur gezet. Tot voor kort hield de structuur van het ABVV hardnekkig vast aan haar unieke band met de SP.a en dat was in het FGTB spijts haar soms formele onafhankelijkheid van de PS niet anders. De enorme electorale klap die de PS tegemoet gaat en de opmars van de PVDA/PTB zullen die relaties dooreen schudden. Een beschuldiging van “infiltratie” en het “opzetten van een tegenvakbond” wordt nu zo goed als onmogelijk. Wellicht zal dat zorgen voor iets meer ruimte in het ABVV en de mogelijkheid om syndicalisten bijeen te brengen zonder onmiddellijk van infiltratie beschuldigd te worden.

Dat de opmars van de PTB/PVDA ook elders in de maatschappij linkse opvattingen bespreekbaar zal maken is nu al volop aan de gang. Een van de argumenten van Lutgen om de stekker van de Rooms-Rode coalities uit te trekken was juist het ‘”achternalopen” van de PVDA/PTB door de PS. De publicatie van het boek “Nouvelles Conquêtes” van Di Rupo bevestigt het. Het klopt dat hij er de klassenstrijd in afschrijft, maar hij positioneert er de PS ook op de vierdagenweek of de collectieve arbeidsduurvermindering. Bedrijven die zich daartoe engageren wil hij ter compensatie financiële voordelen aanbieden. Hij pleit ook voor eco-socialisme, echt gratis onderwijs, een fiscale revolutie door een globalisering van alle inkomens en wil de pensioenleeftijd terug brengen naar 65. “De maatschappij die ik in mijn boek voor ogen heb, is een andere dan die van Di Rupo”, liet SP.a-voorzitter John Crombez onmiddellijk optekenen. Hij werd daarover terecht gewezen door Louis Tobback en intussen werd ook een nieuwe beweging “Wij zijn de socialisten” opgericht wellicht met Corbyn in het achterhoofd, maar we vrezen dat het daarvoor te laat is en het niet meer dan een zwakke heruitgave van “SP.a Rood” zal worden.

Van de hand van Di Rupo stoten deze plotse stellingnames uiteraard op scepticisme. Volgens een peiling van Ivox in opdracht van Sudpresse op 24 augustus 2017 vertrouwt één op drie PS-kiezers hem niet en geeft 35% aan niet meer PS te zullen stemmen als hij voorzitter blijft. Toch had het ABVV die voorstellen moeten aangrijpen, niet om zich achter Di Rupo te scharen, maar om uit te leggen waarom het ABVV zelf arbeidsduurverkorting in haar programma staan heeft en wat dat zou betekenen, om een grote informatiecampagne op te starten. In die zin was Thierry Bodson beter bij de pinken. Hij greep dat aan om te pleiten voor een progressieve coalitie van PS, PVDA/PTB en Ecolo na de verkiezingen van 2019 op regionaal vlak. Daarmee zijn we aanbeland bij een punt dat we ook al in onze tekst naar aanleiding van de doorbraak van de PTB/PVDA in mei 2017 schreven (zie hierna in dit boek). We wezen er toen op dat de druk op de PTB/PVDA om toe te treden tot een regering enorm zou toenemen, vooral vanuit de vakbonden, maar ook bij veel arbeiders en hun gezinnen die hunkeren naar en andere politiek en die hopen dat de PVDA/PTB daar een instrument voor kan zijn. We schreven dat de PVDA/PTB niet gewoon kan stellen dat ze dan maar geduldig moeten wachten tot de PVDA/PTB een absolute meerderheid behaalt want dat dit zou leiden tot demoralisatie en electoraal afgestraft zou worden. Dat een linkse partij meer moet zijn dan een tegenbeweging en een perspectief moet bieden op een echt linkse regering, een arbeidersregering.

In die tekst lichten we ook toe hoe de PTB/PVDA haar leden en sympathisanten daar best op voorbereiden kan, welke programmapunten ze als voorwaarde kan stellen en hoe ze vanuit lokale progressieve coalities met een front van verzet de dwangbuis van besparingen waarin de regionale en federale overheden de gemeenten vastklemmen, kan doorbreken. We kennen de rigide structuur van de PVDA/PTB, de zwakte van haar programma, de gevaren van directe eisen die niet gehanteerd worden als opstap naar de strijd voor een socialistische maatschappijverandering, maar ervan losgekoppeld worden. We hebben dat allemaal uitvoerig bekritiseerd en systematisch gewaarschuwd voor de limieten van haar benadering. We moeten en zullen dat blijven doen. Tegelijk mogen we echter de dynamiek niet uit het oog verliezen die gepaard gaat met de opmars van de PVDA/PTB. Het zou een fout zijn om daar niet op een constructieve en intelligente manier op in te spelen, om afwezig te blijven daar waar veel arbeiders en hun gezinnen naar kijken. In de tekst van mei 2017 over de opmars van de PTB/PVDA hebben we getracht haar enkele mogelijke scenario’s aan te reiken voor wat wij denken dat de belangrijkste uitdagingen zullen zijn waarmee de PVDA/PTB de komende periode geconfronteerd zal worden. Beknopte uittreksels van die scenario’s hebben we gepubliceerd in onze krant en uitgedeeld aan Manifiesta onder de vorm van een pamflet. We hebben de PVDA/PTB ook nogmaals aangeschreven om samen te zien hoe we hun campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 kunnen versterken, inclusief het aanbod van LSP/PSL kandidaten voor hun lijsten. We kregen nog geen antwoord, maar blijkbaar hebben ze het op hun politiek bureau wel besproken.

Ecolo-co-voorzitster Zakia Khattabi antwoordt bijzonder scherp op het voorstel van Thierry Bodson voor een Waalse progressieve coalitie. Eerst prikt ze door te stellen dat ze op geen enkel voorstel ingaat, want dat haar formateur de kiezer is (en dus niet Bodson) en dan komt het: “M. Bodson spreekt over 2019, maar ik, ik ben geïnteresseerd in wat nu gebeurt, nu onmiddellijk. Wat mij verontrust is 2017, als ik zie wat de federale regering doet! Men kan altijd dromen over wat er zal gebeuren in 2019, maar de nachtmerrie voor de arbeiders, dat is nu. Het is vandaag dat de ongelijkheid groeit, dat de N-VA en de MR de sociale zekerheid uitkleden, dat Theo Francken spreekt over “opkuisen” van het Maximiliaanpark. Om weerstand te bieden, te reageren, zou ik een gemeenschappelijk vakbondsfront willen, dat ja, dat is nodig, een onmiddellijke prioriteit voor M. Bodson.” Khatabbi illustreert hier hoe scherp ze als politica wel is, ze pakt Bodson op zijn zwakste plek, op het feit dat de vakbonden hun verantwoordelijkheid ontlopen en alle hoop richten op de verkiezingen in 2019. We zouden uiteraard niet wensen dat de PVDA/PTB op dezelfde arrogante manier Bodson van antwoord zou dienen. De PVDA/PTB had anderzijds wel Bodson vriendelijk kunnen uitnodigen voor een gesprek over 2019 en hem tegelijk kunnen voorstellen gezamenlijk een breed front van verzet tegen de huidige maatregelen van Michel en Borsus op te bouwen. Waarom reageert Khattabi zo gepikeerd? Om dezelfde reden als die waarom Michel op de familiedag van de MR in Walibi waarschuwt voor een terugkeer van het communisme. Door een progressieve meerderheid in 2019 in Wallonië voor te stellen, doorbreekt Bodson immers de consensus die sinds november 2014 al dan niet stilzwijgend bereikt werd, nl. die van de primauteit van de politiek.

De PVDA/PTB bestaat intussen al bijna 50 jaar en heeft veel waters doorzwommen. Haar standpunten heeft ze al talloze keren veranderd, wat ze gisteren met vuur verdedigde kan ze morgen met evenveel vuur verwerpen. Denk maar aan haar positie over de vakbonden of over regimes zoals dat van Noord-Korea. Veel woorden maakt ze daar niet aan vuil, of toch niet publiek. Haar interne structuur heeft ze ook drastisch gewijzigd, maar wat intact bleef, is haar indrukwekkend partijapparaat en de vaste kern van loyale en opofferingsgezinde militanten. Voor zover wij weten, waren dat er een paar jaar terug 600 die wekelijks of tweewekelijks vergaderen, omringd door een 1.500 basisleden die maandelijks bijeen komen. Daarnaast zijn er sinds het vernieuwingscongres van 2008 bij de 9.000 leden die in principe een jaarlijks lidgeld van 20 euro betalen en enkel kunnen deelnemen aan één of twee ledenvergaderingen per jaar. We waren een beetje verrast toen Le Soir in een dossier over de financiering van de PVDA/PTB op 25 augustus 2017 melding maakte van 300 à 400 militanten en een 50-tal kaderleden die aan een gemiddeld arbeidersloon werken voor de partij. We weten niet wat daar van aan is, maar het is wel merkbaar dat het militante werk van de partij te lijden heeft onder het parlementaire en electorale. De partij is bij grote evenementen in staat veel volk op de been te brengen, maar is soms traag in haar reactievermogen bij kleinere en minder voorspelbare activiteiten. Ze heeft wel een voldoende sterk apparaat en zichtbaarheid om snel die achterstand in te lopen wanneer ze dat wenst.

Hoe dan ook, de PVDA/PTB vertoont de kenmerken die gemeenschappelijk zijn aan alle nieuwe linkse formaties. Een beperkte leidinggevende kern van getrouwen, vrij gesloten, omringd door een enthousiaste, maar zeer instabiele laagdrempelige golf van nieuwe leden met een zeer beperkte betrokkenheid en een zwakke ideologische basis. Ze heeft zeker niet de stabiliteit die de sociaaldemocratie had toen dat nog burgerlijke arbeiderspartijen waren die konden rekenen op de actieve deelname van duizenden arbeiders en waarin ruimte zat was voor actie en debat. Ideologisch is de partij bovendien wat ontwricht. Ze noemt zichzelf marxistisch of neomarxistisch, maar gaat daar verder nauwelijks op in. Dat uit zich in allerlei vreemde wendingen zoals het aanbod van Peter Mertens aan de SP.a en Groen om een kartel te vormen in Antwerpen bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 als alternatief op het huidige bestuur. Dat zal bij veel nieuwe leden wellicht goed onthaald worden, maar we kunnen ons inbeelden dat de meer geschoolde militanten even de wenkbrauwen fronsten. De opmars van de PVDA/PTB is een zeer welkom gegeven dat enorme kansen creëert, maar zowel ideologisch als in haar organisatie is ze instabiel en daardoor ook gesloten voor deelname en debat. Voor zover dat al mogelijk zou zijn, zou het voor ons verkeerd zijn om ons exclusief op de PVDA/PTB te richten, onze onafhankelijke partij te ontbinden en als marxistische fractie aan te sluiten bij de PVDA/PTB.

Wat wel mogelijk is, is een constructieve en open benadering combineren met eigen onafhankelijke initiatieven waar mogelijk. De luisterbereidheid naar onze voorstellen zal trouwens mee bepaald worden door onze capaciteit om de relevantie ervan te bewijzen in de praktijk. We deden dat tijdens de scholierenacties in Gent in 2014, in onze syndicale tussenkomsten en voorstellen in het actiecomité Gent-Zuid en daar waar we personeelsvergaderingen konden afdwingen. We herhaalden het tijdens onze tussenkomst in de spoorstaking van mei 2016. Met de lancering van ROSA, dan de succesvolle ROSA-betoging in Gent en de dynamische delegatie op de anti-Trump betoging illustreerden we onze capaciteit om een momentum te herkennen en te grijpen.

Met onze sticker naar aanleiding van de staking van de openbare diensten op 10 oktober 2017 trachten we eveneens gebruik te maken van de actualiteit. Die staking stoot op scepsis bij veel militanten, vooral bij het spoor. Ze werd zonder de achterban te raadplegen van bovenaf uitgeroepen, maar ze komt wel op een moment waarop in veel sectoren het water aan de lippen staat en bijgevolg kende de stakingsoproep snel uitbreiding naar andere sectoren. Michel greep in door de stakers gijzelneming te verwijten. Het is wellicht de eerste keer dat een premier dat verwijt in de mond neemt, tot dan liet men dat over aan de pers of politici van tweede rangorde. Michel tracht daarmee de zwakte van de staking uit te buiten, maar hij polariseert ze, verhoogt de inzet en mobiliseert er ongewild voor. Het wordt zeker geen gemakkelijke staking, maar ze zal wel veel discussie veroorzaken en veel militanten die niet kunnen meestaken omdat ze in andere sectoren werken of omdat hun vakbond niet mee staakt, zouden maar al te graag op een of andere manier hun solidariteit willen uiten. Wij reiken hen met deze sticker daartoe een instrument aan, maar het was nog veel beter geweest indien de vakbonden in gemeenschappelijk front of de PVDA dat initiatief op veel grotere schaal hadden genomen. Het zou misschien niet de hele maatschappelijke atmosfeer rond die staking hebben kunnen keren, maar het zou wel aangetoond hebben dat niet iedereen geen begrip heeft voor de staking. Dat soort gelegenheden zal zich in de komende jaren steeds meer voordoen. Het zullen evenveel kansen zijn om onze krachten op te bouwen.

 

[1] Regionale economische vooruitzichten 2017-2022 Federaal Planbureau 13 juli 2017

[2] Zie daarvoor IMF data mapper – real GDP growth

[3] Economische indicatoren voor België van de NBB. Van 2014 tot 2016 nemen de loonkosten per eenheid product in België af met -0,2%, -1,1% en -0,2% terwijl ze in de Eurozone gemiddeld toenemen met +0,6%, +0,3% en +1,3%. In 2017 nemen ze in België toe met 0,9% tegenover 1,2% in de Eurozone en in 2018 met respectievelijk +0,9% en +1,4%.

[4] Loonstudie van WSI, een Duits sociaaleconomisch onderzoeksinstituut verbonden met de Duitse vakbondskoepel DGB

[5] Le Printemps économique s’installe en Belgique – Le Soir 19 mei 2017

[6] De Tijd 8 april 2017

[7] De Tijd 9 maart 2017

[8] Federaal Planbureau – perscommuniqué 13 juli 2017

[9] Somers is duidelijk een aanhanger van de keynesiaanse vraageconomie in tegenstelling tot de monetaristische aanbodeconomen die vandaag wereldwijd het hoge woord voeren. Er zit zoals altijd een graad van waarheid in zijn redenering, maar deze theorie bereikte al in het begin van de jaren ’70 haar limieten toen we in een periode van stagflatie belandden. Die theorie gaat verkeerdelijk uit van de onmogelijkheid van overproductiecrisissen en kent evenmin het verschijnsel van dalende winstvoeten als gevolg van een verandering in de organische samenstelling van kapitaal, weg van waarde creërend variabel kapitaal naar vast kapitaal dat zelf geen meerwaarde oplevert, maar hooguit haar waarde afstaat aan het eindproduct.

[10] ‘Eerst besparen om dan lasten te verlagen? Dat werkt niet’ De Tijd 29 juli 2017

[11] RSZ Snelle ramingen van de loontrekkende tewerkstelling voor het eerste kwartaal 2017

[12] Jeholet durcit déjà le ton avec le Forem et les demandeurs d’emploi – Le Soir 28 augustus 2017

[13] La fonction publique attire toujours – Références Le Soir 27 mai 2017

[14] ‘Vlaanderen lakser dan de verguisde PS-regering’ De Standaard 10 maart 2017

[15] “Les métiers en pénurie ne sont pas la solution” Le Soir 1 september 2017

[16] Extra kost 1 miljoen €, maar na aftrek van de besparingen op werkloosheidsuitkeringen 500.000€ voor 14,86 VTE

[17] De Redactie 7 juli 2017

[18] Vreg- sociaal rapport maart 2017

[19] Interview op Radio 1 op 15 september 2017

[20] ING Focus – vermogen 31 augustus 2017

[21] 221 milliards s’envolent de belgique vers les paradis fiscaux – Le Soir 14 augustus 2017

[22] 13 september 2017

[23] “Le gouvernement Michel est à côté de la plaque », le Soir 6 september 2017

[24] Bpost, Proximus, SNCB … Le fantôme de la Privatisation – Le Soir 26 augustus 2017

[25] De ‘kamikazepiloot’ meet zich intussen met Dehaene – De Standaard 4 september 2017

[26] PS bruxellois: Onkelinx entre départ et nouveau départ – Le Soir 9 september 2017

[27] Hoe België een veiligheidscultuur kreeg – De Tijd 18 maart 2017

[28] Le sommet “sécurité” bouclé, l’ “économique” s’annonce – Le Soir 15 mei 2017

[29] Terreur vreet politie op – De Standaard 21 januari 2017

[30] Cijfers van het Federaal Migratiecentrum Myria


Peter Mertens en Raoul Hedebouw op de pensioenbetoging in december. Foto: Liesbeth

In dit derde deel van ons congresboek nemen we een tekst op die in mei 2017 werd geschreven over de doorbraak van de PVDA. Dit is een belangrijke ontwikkeling in de Belgische politiek. We brengen onze inschatting en voorstellen om het proces van linkse doorbraak te versterken. 

Naar historische doorbraak van de PVDA – Inschatting en voorstellen van LSP

Als vandaag verkiezingen zouden plaatsgrijpen, dan wordt de PTB in Wallonië voor het federaal parlement tweede net na de MR, maar voor de PS. In Brussel zou de partij derde worden, met ruime voorsprong op Ecolo, Défi en CDH. In Vlaanderen zou de PVDA de kiesdrempel en meteen 3 zetels behalen. In totaal zou de partij liefst 16 zetels halen. Met vergelijkbare resultaten in regionale verkiezingen zou de PVDA/PTB goed zijn voor nog een pak meer regionale parlementsleden. Dat betekent honderden parlementaire- en fractiemedewerkers en een fenomenale toestroom van partijfinanciering met wellicht tientallen extra-vrijgestelden voor de partij. In de gemeenteraadsverkiezingen zou dat zich vertalen in honderden verkozenen. Het zijn uiteraard maar peilingen, maar alles wijst erop dat PVDA/PTB voor een historische doorbraak staat.

Dit bevestigt in grote lijnen de analyse van LSP sinds de val van de Berlijnse muur (1989). We wezen er toen al op dat het verdwijnen van een alternatief systeem op het kapitalisme – de stalinistische karikaturen van socialisme in het Oosten – een proces van verburgerlijking van de sociaaldemocratie op gang trok. Die vervelde, aan een ritme dat verschilde van land tot land en van regio tot regio, van wat Lenin nog ‘burgerlijke arbeiderspartijen’ noemde, tot zuivere ‘burgerlijke partijen’, vergelijkbaar met wat de ‘Democratische Partij’ in de VS altijd al geweest was. Vandaag wordt dat vrij ruim aanvaard, maar in heel de jaren ’90 en een eind in het nieuwe millennium stonden we met deze analyse alleen.

Gekoppeld daaraan pleitten we vanaf het midden van de jaren ’90 voor ‘nieuwe brede arbeidersformaties’. Ideaal zouden die formaties – partijen, fronten of bewegingen – zich qua sociale samenstelling hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend, baseren op arbeiders. Best zouden het strijdorganen zijn met een revolutionair overgangsprogramma en een overgangsbenadering. We baseren ons echter niet alleen op het ideaal dat we nastreven, maar enten onze benadering op de reële levende processen. Het karakter en programma van die nieuwe formaties zou mee bepaald worden door de objectieve omstandigheden, door het bewustzijn onder activisten en bredere lagen en ook door de ervaring en benadering van de initiatiefnemers.

Rekening gehouden met het algemeen bewustzijn, gingen we ervan uit dat die formaties reformistische, links reformistische en eventueel centristische (revolutionair in woorden, reformistisch in daden) opvattingen zouden omarmen. Dat maakt hen niet minder belangrijk als noodzakelijke organen om ideeën te bediscussiëren en aan de praktijk te toetsen, vandaar de bereidheid van LSP om die formaties mee te helpen opbouwen. Dat stootte destijds op onbegrip ter linkerzijde. De PVDA beschuldigde ons tot voor haar vernieuwingscongres van 2008 van ‘opportunisme’ en het willen vormen van een “tweede SP”, anderen vonden ons dan weer te ‘sectair’ omdat we de sociaaldemocratie te snel ‘afschreven’.

Zouden die nieuwe formaties ontstaan uit splitsingen van de sociaaldemocratie of de communistische partijen waar die over een massabasis beschikten? Zouden ze gevormd worden op initiatief van de vakbonden of enkele linkse centrales? Zouden ze ontstaan als geheel nieuwe formaties, al dan niet met – delen van – radicaal links? In tegenstelling tot wat andere linkse stromingen die aanvankelijk de nood aan die nieuwe formaties ontkend hadden, nadien als vast schema voorop stelden, sloten wij geen enkel scenario of geen enkele combinatie van scenario’s uit, juist omdat politiek huivert voor leegtes en de neiging vertoont om die op een of andere manier te vullen. Zelfs een toestroom naar de oude sociaaldemocratie sloten we niet helemaal uit indien nieuwe formaties te lang zouden uitblijven, maar niet zonder dat dit gepaard zou gaan met een volledige omvorming van die partijen, stelden we.

Voorbeschouwingen over de dubbele taak

Hoe belangrijk die formaties ook mogen zijn, hoe groot ook hun electorale successen en hun aanhang, hoe indrukwekkend hun woordvoerders… het programma blijft cruciaal. Zowel de historische als de actuele ervaringen met centrisme, links reformisme en reformisme, hebben de beperkingen ervan bloot gelegd. Denk maar aan de Spaanse POUM in de jaren ’30. Die slaagde er niet in Franco’s contrarevolutie te stoppen, ook door een aantal cruciale fouten. Ze weigerde in de vroege jaren ’30 in te gaan op het voorstel van de jongsocialisten om toe te treden en de beweging mee te leiden. Ze vervoegde in 1936 dan weer wel de Catalaanse regering met kapitalistische partijen, liet ook na om arbeidersraden op te richten en weigerde te werken onder de basis van de CNT. Het falen van het Volksfront in Frankrijk in diezelfde periode maakte de weg vrij voor extreemrechts onder maarschalk Pétain. Pinochet maakte misbruik van de reformistische illusies van Allende in Chili om diens regering te liquideren voor een bloedige dictatuur. Mitterand stootte in Frankrijk in het begin van de jaren ’80 op een kapitaalstaking en gooide zijn links reformistisch beleid om naar een neoliberale afbraak. Op de ervaring met Tsipras in 2015 komen we later in de tekst nog terug.

Juist omwille van die beperkingen, om dezelfde fouten niet keer op keer te blijven herhalen, is LSP er altijd van uit gegaan dat we met die nieuwe formaties weliswaar eenheidsfronten zouden aangaan, er misschien zelfs revolutionaire strekkingen in zouden opbouwen, maar dat we naast en gelijktijdig met onze bijdrage aan die organisaties, steeds onze eigen revolutionaire strekking zouden uitbouwen. Dat is hetgeen we de “dubbele taak” noemen van LSP. Het is onze manier om een principiële houding omtrent programma en strategie te combineren met een flexibele tactiek die rekening houdt met het heersende bewustzijn.

Toen de sociaaldemocratie nog burgerlijke arbeiderspartijen waren, keek de rechtervleugel al neer op het streven naar een andere maatschappij, op de socialistische ideologie. Dat interesseerde de mensen niet, beweerde ze, die wilden ‘concrete maatregelen’ en bijgevolg werd de ideologische vorming bewust verwaarloosd. Maar een achterban die slechts losse punten aan elkaar knoopt en geen algemeen begrip heeft van de socialistische ideologie, valt gemakkelijk ten prooi aan allerlei populisten. Niet toevallig heeft extreemrechts zich ingeplant in veel voormalige socialistische en in sommige landen, communistische, wijken. Een beweging, zeker de arbeidersbeweging, heeft een beeld nodig van de maatschappij die ze nastreeft en al wat ze doet moet afgemeten worden aan de mate waarop dit die maatschappij dichter bij brengt of verder van ons verwijdert.

De nieuwe formaties zouden net het terrein moeten zijn voor actie en debat, ook en vooral over een andere maatschappij. Ze zouden ideologische vorming moeten koppelen aan een strijdprogramma om de maatschappij die we nastreven ook effectief te realiseren. Uiteraard horen ook concrete maatregelen thuis in het arsenaal van arbeiderspartijen, maar niet als surrogaat voor ideologie, noch als illusie ter vervanging van het strijdprogramma, maar integendeel als onderdeel ervan dat meehelpt om het vertrouwen om verder te gaan op te bouwen. We stellen helaas vast dat ook in de nieuwe formaties die discussie dikwijls uit de weg gegaan wordt en beperkt tot “concrete maatregelen” “omdat dit anders tot verdeeldheid kan leiden”. Velen zijn vatbaar voor dat argument van verdeeldheid, maar het is daarom niet minder verkeerd want het ontwapent de militanten op ideologisch vlak.

Gevolgen van de val van het stalinisme

Het heeft lang geduurd vooraleer de volle implicaties van de val van het stalinisme doordrongen. Sommigen weigerden tot laat in de jaren ’90 te aanvaarden dat het kapitalisme in Rusland hersteld was. Ze dachten zich nog steeds in een ‘bipolaire’ wereld te bevinden. Een wereld waarin twee fundamenteel tegengestelde systemen, het stalinisme en het imperialisme, elkaar in evenwicht hielden. Die had intussen al lang plaats gemaakt voor een ‘unipolair’ systeem. Op basis van die foute inschatting dachten ze dat het regime van Najibullah in Afghanistan overeind zou blijven, dat Nelson Mandela in de gevangenis zou sterven en het ANC niet zou omgevormd worden tot het belangrijkste politieke instrument van het Zuid-Afrikaanse kapitalisme en dat de draai naar rechts van de sociaaldemocratie in West-Europa slechts een tijdelijk verschijnsel was. Ze dachten dat de Russische stalinistische bureaucratie de genationaliseerde en geplande economie na verloop van tijd zou herstellen en begrepen niet dat het stalinisme als historische factor haar rol uitgespeeld had.

Het hoeft niet altijd zo karikaturaal: pas in 2008 gaf de PVDA toe wat het al eerder had aangevoeld, namelijk dat het stalinisme gedumpt moest worden om als partij te overleven. Vermoedelijk heeft het initiële succes van het Comité voor een Andere Politiek (°2005) rond voormalig SP-volksvertegenwoordiger Jef Sleeckx en oud-ABVV topman Georges Debunne, waarbij ook LSP sterk betrokken was, mee gewogen in die ommezwaai.

Dat ook het ‘unipolair’ systeem van verschillende handelsblokken onder leiding van de VS, plaats zou maken voor een ‘multipolair’ systeem met toenemende spanningen tussen en binnen de handelsblokken zelf door de economische, sociale, politieke en ecologische crisis, werd lang door velen weggezet als fantasie. Dat het proces van globalisering uiteindelijk zou vastlopen op de limieten van de kapitalistische crisis en plaats zou maken voor een toename van protectionisme en handelsoorlogen, met het onvermijdelijke ontrafelen van de Europese Unie en de Euro als gevolg, werd al helemaal beschouwd als ‘te gek voor woorden’. Het zijn nochtans essentiële inzichten die mee de impasse helpen verklaren waarin het Amerikaans imperialisme zowel in het binnenland als inzake buitenlandbeleid is beland. Het verklaart ook mee het moeras waarin democraten en republikeinen wegzinken en de populariteit die linkse en socialistische ideeën er kennen. In Europa legt het mee de wereldvreemdheid van de traditionele politici uit, de politieke fragmentatie, de onmacht om rechts populisme te bestrijden en de opkomst van nieuwe linkse formaties.

Omvorming sociaaldemocratie naar burgerlijke partijen, creëert ruimte voor radicaal links

De sociaaldemocratie heeft zich altijd al opgeworpen als de betere beheerder van het kapitalistisch systeem. Zij was het die samen met de christendemocratie de architectuur van de wederopbouw na WOII had uitgewerkt en daardoor mee het voortbestaan van het kapitalisme had gegarandeerd. Zij ook beweert aan de basis te liggen van de ‘kathedraal’ van de sociale zekerheid. Een socialistische maatschappij en ideologie was voorbehouden voor toespraken op 1 mei, de rest van het jaar stond vooral technocratisch beheer op de agenda. De enige factor die lange tijd in de weg stond, was de achterban die toen nog hoofdzakelijk uit arbeiders bestond en af en toe de partij naar links duwde. Na de val van de stalinistische regimes in het Oosten deed de sociaaldemocratie zoals altijd: haar diensten aanbieden voor het verdere beheer van het systeem. Van de demoralisatie en verwarring waarmee de val van de stalinistische karikaturen van socialisme in het Oosten gepaard ging, maakte ze gebruik om alle socialistische ballast uit het verleden overboord te gooien, de sociale samenstelling van de partij te herschikken van arbeiders naar middenlagen en de laatste restjes van interne democratie te liquideren.

De sociaaldemocratie dacht daarmee een betrouwbaarder partner te zijn voor het beheer van het kapitalisme. Al in 1982 had de Nederlandse vakbondsleider en latere premier voor de PVDA, Wim Kok, meegewerkt aan het Akkoord van Wassenaar van loonmatiging in ruil voor arbeidsduurverkorting. Maar vooral Felipe Gonzalez van de Spaanse PSOE, Tony Blair van New Labour met zijn ‘derde weg’ en Gerhard Schröder van de SPD wierpen zich eind de jaren ’80, begin de jaren ’90 op als de sociaaldemocratische architecten van het neoliberalisme in al haar aspecten. Samen met de Europese Volkspartij mag de sociaaldemocratie zich op het ouderschap beroepen van de Europese Unie en haar voorlopers, de EGKS en de EEG, en van de Euro en haar voorloper, de ECU. Officieel was dat een project voor vrede en vooruitgang door samenwerking, in werkelijkheid was het een politiek keurslijf voor deregulering, privatisering, liberalisering en sociale afbraak. In essentie was het bedoeld om nationale regeringen minder gevoelig te maken voor druk vanuit de arbeidersbeweging. In Vlaanderen ging de SP.a daar quasi volledig in mee, de PS in Frankrijk en België behielden een iets linksere retoriek – socialisten, geen sociaaldemocraten – maar zodra ze aan de macht waren werden ze loyale uitvoerders van de sociale afbraak.

De rechtse koers van de sociaaldemocratie zorgde overal wel voor een terugloop van het ledenaantal, maar aangezien dat een verschijnsel was dat zich in alle traditionele partijen voordeed, bleef de sociaaldemocratische leiding daar stoïcijns kalm bij. Op electoraal vlak was er wel een geleidelijke erosie, maar die ging verborgen achter een cyclische afwisseling van electorale nederlagen met overwinningen. Sinds het einde van de jaren ’80 was er wel de electorale opmars van rechts populistische partijen en sinds het begin van de jaren ’90 ook een aantal nieuwe linkse formaties, maar alles samen vormde dat toen nog geen onmiddellijke bedreiging voor de macht. De Italiaanse Partito della Rifondazione Comunista (°91) beantwoorde het best aan wat we als een nieuwe strijdpartij van de arbeiders kunnen beschouwen met de actieve deelname van tienduizenden arbeiders, maar ze liep zich stuk op deelname aan de besparingsregering Prodi II (2006-2008). In Nederland kende de voormalige maoïstische SP vanaf de jaren ’90 een forse groei tot 50.000 leden (2009) en 16,6% in de verkiezingen van 2006. De partij neemt sinds het einde van de jaren ’90 deel aan gemeentelijke coalities met allerlei mogelijke partners, ook D66, CDA, VVD of de ChristenUnie.

In 2007 ontstond Die Linke uit de fusie van de Oost-Duitse erfgenaam van de SED, Die Linkspartei, en de WASG, in West-Duitsland opgericht door voormalige vakbondsvertegenwoordigers en oud-SPD voorzitter Oscar Lafontaine. Die Linke zit vandaag in de Berlijnse deelstaat in een regering met SPD en Groenen, in Brandenburg met SPD en in Thüringen leidt ze een coalitie met SPD en Groenen. In Schotland won de Scottish Socialist Party in 2003 6 zetels die ze in 2007 allemaal kwijt speelde na een forse draai naar rechts en interne strubbelingen. In Spanje kende Izquierda Unida een electoraal hoogtepunt (11%) in 1996. In Denemarken is Rood-Groen sinds 1994 vertegenwoordigd in het parlement. De Socialistische Volkspartij, een afsplitsing van de Communistische Partij na de Hongaarse revolutie van 1956, verliest een groot deel van haar electorale basis nadat ze de sociaaldemocratische regering in 1990 had gesteund, maar kan zich in 2007 herstellen en behaalt 13%, haar beste resultaat sinds 1980. In Zweden behaalt de Linkse Partij in 1998 12% en start een samenwerking met de sociaaldemocraten.

In 1995 behaalt Arlette Laguiller van LO 5,6% in de Franse presidentsverkiezingen en in 2002 5,72%, nog in 2002 behaalt LCR 4,25% en in 2007 4,08%, terwijl de PCF afgestraft wordt voor haar deelname aan de regering van de Gauche Plurielle (1997-2002) en van 8,64% in 1995, ineen stuikt naar 3,37% in 2002 en 1,93% in 2007. Een gezamenlijke lijst voor het Europees parlement in ’99 van LO en LCR behaalt 5,18%. Noch LO, noch LCR grijpen de electorale steun aan om een brede partij te vormen met zichzelf als revolutionaire fractie. In 2009 zal LCR zich wel omvormen naar NPA, maar een zelfvoldane en sectaire houding ten opzichte van het Front de Gauche isoleert de partij die vervelt tot een LCR-bis. In ’99 wordt in Portugal het Links Blok opgericht dat in 2005 6,5% van de stemmen behaalt, terwijl de CDU, de coalitie met de PCP 7,5% scoort. Na haar deelname via het front van links, beweging en ecologie (Synaspismos) aan een coalitieregering met ND en PASOK in 1989, valt het front uiteen en behaalt de KKE die doorheen de jaren ’80 steeds bij de 10% behaalde, minder dan 5% in 1993. Daarna klimt de partij tot maximaal 8% in 2007. De eurocommunisten die doorgaan onder de naam Synaspismos vallen in ’93 terug tot 2,5% en blijven onder de 5% tot 2007.

Grote Recessie van 2008 werpt vraag op naar arbeidersalternatief op besparingen

Het proces van omvorming van de sociaaldemocratie van burgerlijke arbeiderspartijen naar zuiver burgerlijke maakte hen misschien wel betrouwbaarder beheerders, maar ondermijnde meteen hun bestaansreden: hun capaciteit om het verzet van de arbeidersbeweging in een voor het kapitalisme veilige bedding te kanaliseren. Tot voor de Grote Recessie van 2008 leek het electoraal effect echter beheersbaar. Ze verloren wel wat stemmen aan rechts populisten en aan de nieuwe linkse partijen die her en der ontstonden, maar al bij al bleef de electorale aanhang van die laatste beperkt tot de meer bewuste lagen. De grote meerderheid van de kiezers bleef traditioneel stemmen en het verlies van de sociaaldemocratie aan radicaal links werd deels opgevangen door winst op de rechterflank. Dat veranderde helemaal met de Grote Recessie. In mei 2010 sloot de toenmalige Griekse PASOK-premier Papandreu in ruil voor een lening, een ‘reddingspakket’, een memorandum met de Europese Commissie, de ECB en het IMF, de trojka, in ruil voor drastische besparingen. In juli 2011 was echter al een tweede pakket vereist, opnieuw gekoppeld aan drastische besparingen. Papandreu begreep het enorme ongenoegen daarover en kondigde ten einde raad een referendum aan voor 11 november 2011. Onder intense druk van vooral Duitsland en Frankrijk liet hij dat varen en nam ontslag ten voordele van de door de trojka opgelegde technocraat en voormalig ECB vice-voorzitter Demetrios Papademos aan het hoofd van een voorlopige regering.

De verkiezingen daarop werden de twee traditionele partijen afgestraft. PASOK, in 2009 nog goed voor 43,9% hield in mei 2012 maar 13,2% over. ND werd wel de grootste partij, maar met slechts 19% komende van 33,5%. In één ruk wipte Syriza van 4,6% in 2009 naar de tweede plaats (16,8%). De winst van KKE bleef beperkt tot 1% (2012: 8,5%). Cruciaal in die periode was het voorstel van Syriza voor een gezamenlijk front van Syriza, KKE en Antarsia om de besparingen te stoppen. Voor het eerst leek een ‘arbeidersalternatief’ op de besparingen niet meer geheel onmogelijk. Maar Antarsia en KKE weigerden. Met die uitslag een regering vormen bleek onmogelijk. Een maand later volgden nieuwe verkiezingen. Daarin behaalde ND 29,66%, Syriza 26,89% en PASOK 12,28%. Had Syriza haar programma net in die periode niet afgezwakt, dan was ze wellicht toen al de grootste partij geworden. KKE (4,5%) en Antarsia (0,33%) waren irrelevant geworden door hun weigering om een uitweg uit de impasse te ondersteunen. Een nieuwe regering van ND-PASOK en DIMAR trad aan. Vanaf oktober 2013 begon de trojka druk uit te oefenen voor een derde ‘reddingspakket’.

Het zou uiteindelijk leiden tot vervroegde verkiezingen in januari 2015 die uitdraaiden op een strijd tussen voor- en tegenstanders van een derde memorandum. Syriza behaalde 36,34%, ND 27,81% en PASOK eindigde pas 7de met 4,68%. Tsipras vormde een coalitie met ANEL, de Onafhankelijke Grieken, destijds opgericht door enkele voormalige ND-leden uit onvrede met de volgzaamheid van ND tov de trojka.

In de eerste maanden leek het alsof de nieuwe Griekse regering de afspraken van de vorige regeringen met de trojka niet zou nakomen. Het minimumloon werd opgetrokken, de dertiende maand voor gepensioneerden hersteld en de ontslagen van ambtenaren werd gestopt en zelfs deels teruggedraaid. De privatisering van het Griekse energiebedrijf werd gestopt. In maart dreigde de minister van defensie de vluchtelingensluis naar Europa open te draaien. Maar ondertussen hield de trojka het been stijf en eiste dat Griekenland haar schulden zou aflossen.

Het was duidelijk dat de Griekse regering voor de keuze gesteld zou worden: ofwel steeds verdergaande maatregelen nemen, de volledige financiële sector en andere sleutelsectoren van de economie nationaliseren, een monopolie op de buitenlandse handel instellen en een oproep doen aan de Europese arbeidersbeweging om gezamenlijk te mobiliseren tegen de besparingsdrang van het Europees establishment, ofwel betalen en het beleid van de vorige regeringen verder zetten. De regering trachtte die keuze uit te stellen door op 21 april per decreet 1500 overheidsinstellingen en staatsbedrijven hun tegoeden te doen overmaken aan de centrale bank om op korte termijn aan de betalingsverplichtingen voldoen. Het resultaat was nog veel dramatischer dan wat Tsipras had gevreesd indien hij effectief was overgegaan tot een regelrechte confrontatie: er ontstond paniek, een bank run en binnen de kortste keren dreigde Griekenland financieel dood te bloeden.

Ontwikkelingen in Griekenland openen nieuw hoofdstuk

Op 26 juni kondigde Tsipras onverwacht een referendum aan. Aanvaard de Griekse bevolking het voorstel van de Europese Commissie, de lidstaten van de eurogroep, de ECB en het IMF, zoals dat voorgelegd werd op de bijeenkomst van ministers van Financiën van de eurozone van 26 juni 2015, of niet? Die raadpleging ging door op 5 juli. De bevolking stemde massaal tegen een nieuw memorandum.

Op het elan van het referendum, na een zo overduidelijke verwerping van de trojka door de Griekse bevolking, had de regering Tsipras alsnog kunnen overgaan tot bovenstaande socialistische maatregelen gekoppeld aan een Europese oproep voor solidariteitsmanifestaties die zeker in Zuid-Europa massaal opgevolgd zouden zijn. Maar net op dat cruciaal ogenblik sluit de regering Tsipras op de Eurotop van 12 juli een principeovereenkomst over nieuwe leningen aan Griekenland. Op 11 augustus komen de trojka en de regering een nieuw reddingpakket voor 86 miljard euro overeen, alweer in ruil voor drastische besparingen. Door het grote verzet binnen SYRIZA verliest de regeringscoalitie haar parlementaire meerderheid. Op 20 september worden nieuwe verkiezingen gehouden: Syriza behaalt 35,64%, ND 28,10%, PASOK 6,28%, Gouden Dageraad 6,99% en de KKE 5,5%. De coalitie van Syriza met Anel wordt verder gezet. Veel Grieken waren van oordeel dat Tsipras gedaan had wat hij kon, maar op de onwil van de trojka was vastgelopen. Sindsdien zijn een pak PASOK-leden overgelopen naar Syriza en een groot aantal oorspronkelijke Syriza leden gedemoraliseerd. Het zal tijd vergen vooraleer de beweging deze nederlaag verwerkt heeft.

De ontwikkelingen in Griekenland en de economische en politieke brutaliteit van het establishment laten echter diepe sporen na. Een deel van de sociaaldemocratie vreest voor een PASOK-scenario en maakt in woorden een draai naar links. Zo verslaat PS-kandidaat Hollande in 2012 de zittende president Sarkozy met de belofte een rijkentaks door te voeren en een linkse regering te vormen. Diens minister voor industriële zaken van de linkervleugel van de PS dreigt zelfs even met inbeslagname van een site van Arcelor-Mittal wanneer de sluiting ervan wordt aangekondigd. De draai naar links is echter van korte duur en binnen de twee jaar lopen Hollande en de PS opnieuw braafjes in de pas. In Nederland kent de SP in aanloop naar de verkiezingen van 2012 een forse opstoot in de peilingen. Partijleider Roemer wil niet opnieuw zoals na de verkiezingsoverwinning in 2006 in de oppositie belanden en kondigt aan dat hij bereid is te besturen, ook met de VVD, zelfs als dat bezuinigen betekent. Door een mea culpa namens de PVDA voor haar centrumpolitiek, door aan te kondigen dat hijzelf geen regeringspost zou aannemen tenzij als premier, liefst van een links blok met de SP en Groen Links, kon Diederik Samson van de PVDA net voor de verkiezingen het tij keren. Uiteindelijk winnen de VVD die net een einde gesteld had aan het gedoogbeleid met de PVV van Wilders en de PVDA elk ruim 5%, terwijl de SP zelfs nog licht achteruit gaat. Wat volgt is een hard bezuinigingskabinet van VVD en PVDA. In 2017 verliezen VVD en PVDA samen 37 van hun 79 zetels, de SP verliest er dan 1.

In Spanje werd in 2014 Podemos opgericht door activisten van de 15 mei beweging, ontstaan in het protest van 2011-2012. In de parlementsverkiezingen van december 2015 behaalt de partij die duidelijk aangeeft een anti-besparingsmeerderheid te willen vormen 20,66%. Dat is minder dan de peilingen hadden aangegeven, deels omdat Podemos mee de prijs betaalt voor het verraad van Tsipras waarmee de partij zich altijd nauw verbonden heeft verklaart. De PP blijft wel de grootste partij met 28%, maar verliest 16% en haar absolute meerderheid, de PSOE verliest 6,75% en komt uit op 22%. De PP slaagt er niet in een regering te vormen, ook geen minderheidsregering omdat de PSOE onder leiding van Pedro Sanchez aankondigt tegen een hernieuwing van Rajoy te stemmen. In juni moeten nieuwe verkiezingen soelaas brengen. PP gaat licht vooruit naar 33%, PSOE behaalt 22,6% en de coalitie Unidos-Podemos (met IU) 21,15. Nog steeds is onthouding van de PSOE vereist om een minderheidsregering van PP en Ciudadanos (13%) te kunnen vormen. Het zal uiteindelijk in oktober een coup binnen de partij van de oude rechtervleugel rond Felipe Gonzalez vereisen om de PSOE niet te doen tegenstemmen. Pedro Sanchez treed af als partijleider, zo’n 20.000 leden zeggen in de weken erna hun lidmaatschap van de PSOE op. In Duitsland tracht de SPD de rol van haar voormalige beleidsmakers te doen vergeten door voormalig Europees parlementsvoorzitter Martin Schultz naar voor te schuiven. We weten niet in hoeverre de verkiezingen in de deelstaat Saarland indicatief zijn, maar hebben sterke twijfels in hoeverre dit maneuver als geloofwaardig verkocht kan worden.

Bij de meer bewuste militanten van de arbeidersbeweging en politieke activisten laat de ervaring in Griekenland een gigantische kater na over de gemiste kansen door het verraad van de leiding van Syriza. Dit analyseren, bestuderen en er de lessen uit trekken is ontzettend belangrijk. Daarbij mogen we echter ook het ruimere plaatje niet uit het oog verliezen. Bredere lagen zijn ook, maar minder geraakt door het verraad van Tsipras. Zij gaan ervan uit dat hij tenminste geprobeerd heeft, terwijl anderen hetzij onmiddellijk geplooid zijn, hetzij alleen maar commentaar van op de zijlijn leveren. Bij hen is blijven hangen dat de greep op de politiek door de traditionele partijen doorbreken niet zo onmogelijk is als ze voorheen dachten. Rechtse populisten spelen daarop in, maar ook nieuwe linkse partijen kennen daardoor een opmars. In recente peilingen voor de Franse presidentsverkiezingen staat Le Pen tweede met 22% en Mélenchon derde met 20%. Geen enkele van de officiële kandidaten, noch van les Républicains, noch van de PS (7,5%!) maakt nog kans. Electoraal lijken populistisch rechts en echt links aan elkaar gewaagd, maar dat is electoraal. Mélenchon baseert zich op de actieve laag van de bevolking en mobiliseert op zijn meetings tienduizenden aanhangers terwijl Le Pen het moet hebben van de passieve, inerte lagen die doorgaans nauwelijks de straat op te jagen zijn.

Ook België niet onaangeroerd

Het heeft er lange tijd naar uitgezien dat de Belgische PS voor de crisis van de sociaaldemocratie resistenter was dan gemiddeld. Ondanks 26 jaar onafgebroken regeringsdeelname kon ze zich blijven opstellen als interne oppositie binnen de regering tegen een dominante rechtse meerderheid in Vlaanderen. Ze profiteerde ook en vooral onrechtstreeks en zonder daarvoor dankbaarheid te tonen van de aanwezigheid van een aanzienlijke laag strijdsyndicalisten, vooral in het FGTB, die door het vakbondsapparaat electoraal systematisch in de richting van de PS geduwd werd. Ze had noch op haar linkerflank, noch zoals in Vlaanderen van rechts een concurrent voor de stemmen van de arbeiders vergelijkbaar met de CD&V of meer nog haar voorloper de CVP. In Wallonië geeft het FGTB de toon aan voor sociale strijd en is het CSC dikwijls aangewezen te volgen. In Vlaanderen verschuilt de ABVV-top zich maar al te dikwijls achter de dominantie van het ACV om niet in actie te gaan. Minder sociale actie heeft zich in Vlaanderen vertaald naar een veel snellere en ongenuanceerder draai naar rechts van de SP.a en de opkomst van rechtse zogenaamde anti-establishment partijen.

Door premier te worden aan het hoofd van een federale besparingscoalitie, heeft Di Rupo het schaamlapje waarachter de PS zich kon verschuilen weggerukt. Het laatste greintje illusies dat de arbeidersbeweging op de PS kon rekenen om gespaard te blijven van sociale afbraak verdampte. Al op 1 mei 2012 lanceerde het ABVV van Charleroi Zuid Henegouwen een oproep voor een eengemaakte linkerzijde links van de PS en Ecolo ‘omdat al jaren was aangetoond dat de socialistische gemeenschappelijke actie niet meer werkte’. De gewenste eenheid kwam er helaas niet volledig. De PTB weigerde onze aanwezigheid op gemeenschappelijke lijsten voor 2014 “omdat PSL zich net als PTB wil opbouwen” en twee bouwers volgens de PTB ‘niet te verzoenen zijn’. Wel kwam er een lijst PTB-Gauche d’Ouverture met de Parti Communiste en de LCR, die er enkele maanden later ‘verassend’ opnieuw zou mee breken. LSP riep in 2014 in Vlaanderen op PVDA+ te stemmen, maar aan te sluiten bij LSP. Nadat PTB/PVDA kandidaten van LSP op haar lijsten geweigerd had, kwamen we in Brussel op onder Gauches Communes omdat daar een systeem van lijstverbinding mogelijk is. PTB/PVDA weigerde da echter ook. In Wallonië riepen we op voor een stem op PTB-Go in Luik en Charleroi, waar het behalen van verkozenen mogelijk was en een stem voor PTB-Go, VEGA of MG elders. PTB-GO behaalde 2 verkozenen in het federaal parlement, 2 in het Waals en 4 in het Brussels parlement. We beschreven dat als “een echte doorbraak”.

Hoe beslissend die doorbraak wel was, komt nu pas volop tot uiting. Lange tijd heeft de PS haar onwil om voor een echt links en socialistisch programma te mobiliseren en het ook uit te voeren, trachten compenseren met cliëntelisme. In een periode van economische groei kan dat nog werken, maar de crisis heeft de marge daarvoor fors uitgehold. Als de ideologie, het streven naar een andere maatschappij wegvalt, resten enkel de carrières en de privilegies. Dat de PS tot aan de knieën weggezonken was in corruptie, is binnen de politiek niet eens zo uitzonderlijk. Niemand gelooft dat de partijtop niet wist dat sommige PS’ers zich gedragen als regelrechte kapitalisten en het vanzelfsprekend vinden dat ze qua verloning niet moeten onderdoen voor de best betaalde CEO’s. Maar dat dit uitbarst op een moment van massale werkloosheid en voortdurende inleveringen, net op het moment dat er een links alternatief voorhanden is dat bovendien vertegenwoordigers naar het parlement afvaardigt die er terecht een erezaak van maken te leven aan een arbeidersloon, heeft alle onderliggende ongenoegen over de PS eensklaps doen uitbarsten.

Het ziet er niet goed uit voor de PS die wellicht de grootste electorale klap uit haar geschiedenis tegemoet gaat. Het zal voor een deel van haarzelf, voor een deel van de PTB, afhangen of ze die ooit nog te boven komt, maar wellicht staan we voor een historisch keerpunt waarbij de PS haar rol als enige dominante politieke kracht in Wallonië definitief kwijt is. Toch blijft de PS een factor waarmee ook in de toekomst rekening gehouden zal moeten worden. Haar crisis bereikt echter nog niet de bodem van de Italiaanse PSI van Craxi begin de jaren ’90, het Griekse PASOK in 2012 of de Nederlandse PVDA en de Franse PSF dit jaar. De PS mist geloofwaardigheid, de SP.a mist niet alleen dat, maar ook relevantie. De partij wordt zelfs niet meer uitgenodigd als de media de oppositie aan het woord willen laten. Groen en zelfs de regeringspartij CD&V komen veel sterker voor de dag en de dag ligt in het verschiet dat Groen ook electoraal de SP.a achter zich laat. Enkel de ABVV top klampt zich krampachtig vast aan dit zinkende schip en wil tegen beter weten in de socialistische gemeenschappelijke actie doen herleven. Het overtuigt de achterban al lang niet meer, integendeel het drijft die weg in de handen van rechtse populisten, terwijl we net een linkse alternatief nodig hebben. De leiding van het ABVV is deels verantwoordelijk voor het uitblijven van een links alternatief. Strijdbare militanten moeten de vakbondsleiding daar systematisch mee confronteren en mogen het niet langer nemen dat de vakbondsleiding in onze naam koketteert naast de steeds meer gehate sociaaldemocratie.

Zoals de meeste strijdbare arbeiders en linkse activisten is ook LSP zeer enthousiast over de jongste peilingen. Eindelijk wordt radicaal links een reële uitdager voor het establishment, zeker in Wallonië, in mindere mate in Brussel en hopelijk op niet te lange termijn ook in Vlaanderen. De PVDA heeft gelijk als ze waarschuwt voor te hoge verwachtingen en erop wijst dat de buit nog niet binnen is. We zijn inderdaad nog anderhalf jaar verwijderd van de gemeenteraadsverkiezingen en nog twee jaar van de federale. Peilingen kunnen zoals de PVDA waarschuwt ook fout zitten. Bovendien zal het establishment een gigantische propagandacampagne voeren om potentiële kiezers de stuipen op het lijf te jagen over het rode gevaar. Bij de MR wordt al een cordon sanitaire gesuggereerd, Jean-Marie Dedecker is al in de pen gekropen, maar er zullen niet alleen brutale aanvallen komen uit zwakte, er zullen ook intelligentere instekers volgen die dieper en efficiënter inspelen op mogelijke twijfels. Het antwoord daarop overlaten aan historici en pleiten voor socialisme 2.0 zonder uit te leggen wat misgegaan is met socialisme 1.0 zal de militanten ideologisch ontwapenen.

Niet gewoon een “tegenbeweging”, maar een arbeidersregering nodig

Maar het gevaar komt niet alleen uit de hoek van de tegenstanders. Peter Mertens wijst erop dat in het Zuiden van het land de druk op de PTB om kost wat kost in een regering te stappen nu al groeit. Dat is ook niet te verwonderen. Veel arbeiders en hun gezinnen hunkeren naar een andere politiek. Ze hopen dat de PVDA daar op een of andere wijze een instrument voor kan zijn. Gewoon stellen dat ze dan maar geduldig moeten wachten tot de PVDA een absolute meerderheid behaalt om haar ideale maatschappij door te voeren, in essentie de positie die het Franse Lutte Ouvrière in 1995-2002 innam, zou leiden tot demoralisatie en electoraal afgestraft worden. Een linkse partij moet meer zijn dan een “tegenbeweging”, ze moet ook een perspectief bieden op een echt linkse regering, een arbeidersregering. Maar die regering moet dan wel een fundamentele breuk betekenen met de politiek van sociale afbraak. Toen we nog werkten in de SP was de formule die we daarvoor gebruikten “voor een socialistische meerderheid op een socialistisch programma”. Dat was geen droombeeld, we waren er echt van overtuigd dat de socialistische partijen op basis van een echt socialistisch programma destijds een absolute meerderheid bijeen konden mobiliseren. In het VK luidde die slogan “Labour to power on a socialist program.”

Zelfs als een echt linkse regering nog niet mogelijk is, moeten we rekening houden met die wens voor een ander beleid. Toen de rechtse UNP (United National Party) samen met dissidenten van de SLFP (Sri Lanka Freedom Party) in 1964 de linkse coalitie in Sri Lanka van SLFP en LSSP (Lanka Sawa Samaja Party – gelijkheidspartij Sri Lanka) ten val wilden brengen, stemde de LSSP-R (Revolutionary), een linkse afsplitsing van LSSP met twee parlementsleden mee met rechts waardoor de regering ten val gebracht werd. Dat werd door brede lagen geïnterpreteerd als samen heulen met rechts en LSSP-R werd ervoor afgestraft en viel uiteen in diverse splitsingen. Wij waren het – enkel wat dat betreft – ook eens met de Italiaanse PRC toen die na de val van de rechtse regering Berlusconi in 1996 de vorming van de Olijfboomcoalitie Prodi 1 ondersteunde zonder tot de regering toe te treden. De gedoogsteun van het Links Blok en de PCP van Portugal in november 2015 aan een minderheidsregering van Costa (SP) om de rechtse regering van Coelho (SDP) te wippen, was correct, al hadden ze de lat voor hun steun best wat hoger mogen leggen en kunnen koppelen aan buitenparlementaire mobilisatie.

In aanloop naar de algemene verkiezingen van eind februari 2016 in de Ierse republiek wezen peilingen op een forse nederlaag voor de uittredende besparingscoalitie van Fine Gael en Labour en een opmars voor Sinn Fein en in mindere mate AAA-PBP, waarin de Socialist Party, onze zusterpartij, 3 van de 4 parlementairen leverde. Op een bepaald ogenblik kon niet meer uitgesloten worden dat Sinn Fein en Labour een alternatieve linkse meerderheid konden vormen. Tot zo een coalitie toetreden was uitgesloten, maar de vorming ervan tegen houden door tegen te stemmen of te onthouden had moeilijker gelegen. Bijkomend probleem in dat geval was de belofte van Sinn Fein voor een referendum over de grens met Noord-Ierland omdat dit ongetwijfeld de sectaire tegenstellingen in Noord-Ierland zou doen oplaaien en de eenheid van de arbeiders bemoeilijken. Uiteindelijk slaagde Fine Gael erin een minderheidsregering te vormen met steun van buiten af van Fianna Fail. Toen Podemos in volle opmars was in Spanje stelde onze sectie een anti-besparingsminderheidsregering van Podemos met steun van buitenaf voor als benadering.

Anderzijds zou kost wat kost een regering willen vorm en, of zelfs nog maar aanbieden er een te vormen, zoals de zegezekere Emiel Roemer van de Nederlandse SP in 2012 deed, ook als dat bezuinigen betekende, een nog oneindig veel grotere fout zijn. Peter Mertens voelt die bui al hangen. Als de PTB/PVDA in de verkiezingen een score behaalt vergelijkbaar met die in de jongste peilingen of wat helemaal niet uitgesloten is, nog beter, zal vooral vanuit de vakbonden, maar ook bij bredere lagen, druk worden uitgeoefend voor progressieve coalities, eerst op stedelijk, maar na de regionale verkiezingen, misschien ook op Waals en Brussels niveau. Terecht waarschuwt Mertens dat men “van de PTB toch niet kan verwachten dat ze in een regering stapt om de pensioenleeftijd te verhogen, de werklozen verder op te jagen of de openbare diensten verder te liberaliseren.” Als de PTB tot een regering toetreedt moet het zijn om te breken met het huidige beleid. Wanneer de mogelijke ‘progressieve’ partners daartoe niet bereid zijn, dan kan de PTB/PVDA nog steeds vermijden verantwoordelijk gesteld te worden voor de vorming van een rechtse regering door steun van buitenaf aan een progressieve coalitie mits aan een aantal minimumvoorwaarden voldaan is of door te onthouden.

Breuk met besparingsbeleid vergt naast mobilisatie en grassroots partij ook minutieuze voorbereiding

We begrijpen de nadruk die de PTB/PVDA legt op een aantal concrete alternatieven. Ze citeert daarvoor haar energiealternatief op de Turteltaks, het Kiwimodel en de miljonairstaks. Los van het feit dat LSP steeds bedenkingen heeft geuit bij het Kiwimodel, een systeem van openbare uitbesteding dat de lonen en arbeidscondities van de betrokken werknemers onder druk zal zetten, denken we dat die concrete alternatieven op zich niet zullen volstaan voor een grondige breuk met het huidig besparingsbeleid. Ook de regering Tsipras nam een aantal concrete maatregelen zoals het optrekken van de minimumlonen, het herstel van de 13de maand voor de pensioenen, het stopzetten van de ontslagen van ambtenaren en van de privatisering van het Griekse energiebedrijf. Voor een breuk met het huidige beleid had de regering Tsipras echter veel verder moeten gaan en zoals we hierboven schreven de hefbomen van de economie moeten overnemen en socialistische maatregelen doorvoeren. Dat was de belangrijkste reden waarom de regering Tsipras faalde en vandaag zelf het vierde memorandum uitvoert dat nog harder is dan de vorige. We zijn het ermee eens dat Syriza onvoldoende beroep deed op de mobilisatie en organisatie van de bevolking, maar dat ze die links liet liggen en dat dit de reden was voor haar falen, zoals Mertens schrijft, is een vergissing. Het referendum en de campagne ernaar, mobiliseerden honderdduizenden activisten, syndicalisten, wijkcomités, studentenorganisaties etc.

Terecht wil de PVDA haar parlementair werk koppelen aan sociale actie, een grassroots partij blijven, sensibiliseren, mobiliseren en organiseren. Ze roept haar kiezers, potentiële kiezers en sympathisanten op om zich te organiseren in vakbonden, jongeren-, vrouwen-, milieu-, antiracisme-, studenten- en vredesbewegingen, in wijkcomités, theatergezelschappen, muziekensembles en sportverenigingen. “Het gaat erom die stem om te zetten in een collectieve kracht, organisatorisch en cultureel,” zegt ze. Uit de ervaring met Syriza in Griekenland trekt ze het besluit dat een breuk met het huidige beleid niet kan gerealiseerd worden zonder actief engagement van 10.000-en mensen, “omdat de marges om een andere politiek te voeren steeds kleiner worden.” “Binnen het kader van de Europese besparingsdictaten is er vandaag geen andere politiek mogelijk … Wij willen de Europese verdragen ten gronde veranderen, en dat kan alleen als een regering een botsing wil organiseren met de huidige uitgangspunten van concurrentie en onevenwicht, en als de regering daarvoor ook de actieve steun heeft en vraagt van haar bevolking.”

LSP betwist niet dat de PVDA een partij is van actie en mobilisatie, van betrokkenheid, die ook luistert naar wat de 99% te vertellen hebben en niet gewoon voorkauwt wat reclamebureaus en spindoctors hebben uitgewerkt. Het is een van de vele positieve kenmerken die de PVDA onderscheiden van de traditionele partijen. De doorbraak van de PVDA betekent bovendien dat eindelijk ook de verontwaardiging van de gewone man voortaan in politieke debatten aan bod komt. Het zal de voorstellen van links zonder enige twijfel bespreekbaarder maken. Maar luisteren, aanklagen en mobiliseren, hoe belangrijk ook, zal op zich niet volstaan om het huidige beleid te doorbreken. Ook Syriza luisterde, klaagde aan en mobiliseerde. De vakbonden luisteren, klagen aan en mobiliseren, maar al te dikwijls wordt al lang voor het tot een ernstige botsing komt ingebonden. Er is meer nodig: gerichte acties en debat om de kiezers, potentiële kiezers en sympathisanten en de bevolking in haar geheel voor te bereiden op die botsing, op de mogelijke tegenzetten van het establishment en de wijze waarmee we daar omspringen. Waarom organiseert de PVDA niet overal ten lande een reeks meetings om dat debat naar aanleiding van de peilingen met brede lagen aan te gaan?

In Solidair stond een uitstekend artikel over de strijd tegen de Poll Tax, een forfaitaire gemeentebelasting voor alle +18 jarigen, die Margaret Thatcher eind de jaren ’80, begin de jaren ’90 wou doorvoeren en haar uiteindelijk fataal werd omdat 18 miljoen Britten de belasting weigerden te betalen. “Onmiddellijk nadat de belasting bij de bevolking bekend werd, kwamen de Britten in de volkswijken op straat… Ook toen de “baillifs” (de ambtenaren die de taks kwamen innen) bij de mensen langskwamen, werd hen op veel plaatsen de toegang verhinderd door actiegroepen.” Overal in het hele Verenigd Koninkrijk werden anti-Poll Tax-comités opgericht. “Een belangrijk moment voor de organisatie van het verzet was de oprichting van de zogeheten “All Britain anti-Poll tax federation” – veelal ‘The Fed’ genoemd. Tweeduizend afgevaardigden uit het hele land namen deel aan de eerste conferentie van The Fed op 25 november 1989. Ze kreeg de officiële steun van verschillende vakbondsdelegaties en vijftien volksvertegenwoordigers van Labour. The Fed werd het leidende orgaan van de strijd tegen de Poll Taks en lanceerde een massabeweging van burgerlijke ongehoorzaamheid met als ordewoord: “Don’t pay the poll tax”… ondanks het feit dat burgers die de taks niet vrijwillig betaalden, uit hun huis konden gezet worden en zelfs een gevangenisstraf riskeerden, bleven de Britten het gezag uitdagen.”

Als je dat zo leest, zou je denken dat heel die beweging zonder minutieuze voorbereiding, zonder intern debat, vrijwel spontaan uit de lucht viel. Niets is minder waar. Aanvankelijk waren diegenen die opkwamen voor betaalweigering in een minderheidspositie. Labour riep op om de wet na te leven en viel de leiders van de anti-Poll Tax beweging daarop aan. Zelfs toen begin 1990 heel wat gemeenteraadsleden eindelijk mee begonnen demonstreren, was er niet één gemeenteraad die weigerde de taks door te voeren. De meeste vakbondsleiders boycotten de beweging of betoogden zonder actief op te roepen voor betaalweigering. Radicaal linkse organisaties als SWP pleitten voor een ambtenarenstaking, maar vonden de tactiek van betaalweigering aanvankelijk verkeerd. Het is Militant, vandaag de Socialist Party, de Britse zusterpartij van LSP, dat maandenlang campagne voerde, overal in het land anti-Poll Tax comités opzette en de slogan ‘can’t pay,won’t pay’ populariseerde en consolideerde. Het vergde een politieke strijd om de Scottish Anti-Poll Tax Federation en dan de All-Britain Anti-Poll Tax Federation op te zetten. De voorzitter Tommy Sheridan en de secretaris Steve Nally waren allebei prominente leden van Militant. Militant was de stuwende kracht achter de strijd tegen de deurwaarders en lanceerde de slogan “Better to break the law than to break the poor” toen een paar honderd activisten in de gevangenis gegooid werden, waaronder Labour MP en Militant-lid Terry Fields omwille van hun betaalweigering. De FED moest bovendien een strijd voeren om het massakarakter van de beweging te vrijwaren tegen het Anarchistische Class War wiens bijdrage vooral beperkt bleef tot deelname aan de betogingen om de beweging te “radicaliseren” en op 31 maart 1990 op de betoging in Londen aan te sturen op rellen.

Als de PVDA “een botsing wil organiseren met de huidige uitgangspunten van concurrentie en onevenwicht” zal ze snel tegen de muur van verzet van heel het kapitalistisch systeem knallen en daarvoor zullen organisatie en mobilisatie alleen niet volstaan. Ze zal net als Militant in de strijd tegen de Poll Taks een politieke strijd moeten voeren tegen diegenen die aansturen op een compromis, die de relaties met de EU niet in gevaar willen brengen, die zullen oproepen om de wet of de Europese verdragen te respecteren. Om die strijd te winnen zal ze net als Militant in de anti-Poll Tax comités haar kiezers, potentiële kiezers en sympathisanten daarop systematisch moeten voorbereiden door met hen de te volgen strategie, tactiek en programma openlijk en democratisch te bediscussiëren. Het nadeel daarvan is dat de vijand uiteraard mee zal luisteren, maar dat zal niet opwegen tegen het enorme voordeel dat de PVDA haar kracht zou putten uit de reële deelname van duizenden militanten die in hun vakbonden, actiegroepen, bedrijven, wijken, universiteiten en scholen honderdduizenden anderen zouden kunnen mobiliseren.

Voor een front van lokale progressieve meerderheden …

Peter Mertens heeft gelijk dat de PVDA “nog (lang) niet in de situatie is” om “een regering te vormen die de botsing met de huidige uitgangspunten van concurrentie en onevenwicht” wil organiseren en “daarvoor ook de actieve steun heeft en vraagt van haar bevolking.”

Gelukkig maar, dat biedt ons nog wat kostbare tijd en ruimte om ons maximaal voor te bereiden. Maar als de PTB in Wallonië en in mindere mate in Brussel in de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2018 de peilingen bevestigt, dan kan de kwestie van “progressieve meerderheden” op lokaal vlak zich al binnen anderhalf jaar stellen. Volgens Ipsos zou de PS in de regio Luik van 38% naar beneden tuimelen naar 22,7, MR zou 5,1% (naar 16,1%) verliezen en CDH 6% (naar 8%). Ecolo zou 8,8% winnen (naar 21%) en PTB 10,4% (naar 16,8%). Dat is voor de regio. Het is niet uitgesloten dat in sommige gemeenten in de Luikse regio, misschien ook ergens in Henegouwen of in een Brusselse gemeente, misschien zelfs in een of ander district in Antwerpen de mogelijkheid van een progressieve meerderheid zich al in 2018 opwerpt.

Zeker in de grotere steden zullen de vakbondsleidingen druk uitoefenen in die richting, maar zij niet alleen, ook dat deel van de bevolking dat hunkert naar een andere politiek. Is dat mogelijk met een PS die een geschiedenis van sociale afbraak , van cliëntelisme, van duistere affaires, met Publifin als voorlopige laatste in de rij, achter zich aan sleept? Kan die partij nog op enige wijze haar geloofwaardigheid herstellen? De PVDA/PTB zal ook op dat vlak sluitende garanties moeten eisen en misschien zelfs minderheidsbesturen met steun van buitenaf door de PS als ontluizingsvoorwaarde moeten opleggen.

Binnen Ecolo, maar vooral in de PS zal die kwestie ongetwijfeld tot discussie leiden. Het zal de crisis van de PS nog verdiepen. Sommigen zullen absoluut weigeren om met de PTB in de boot te stappen en de voorkeur geven aan coalities met de MR. Anderen zullen eerder neigen in de richting van progressieve coalities, inclusief de PTB. Het zal de relaties van de PS, of toch delen ervan, met het FGTB onder druk zetten. De tegenstelling tussen voorstanders van progressieve coalities in de PS en tegenstanders dreigt na verloop van tijd een regionalistische dimensie aan te nemen. Zowel in de PS als in het ABVV-apparaat bestaat nu al een stroming die haar gebrek aan strijdvaardigheid verbergt achter een regionalistische retoriek en de Vlaamse arbeidersbeweging een gebrek aan strijdbaarheid verwijt. Het kan als we niet opletten binnen de Vlaamse vakbonden diegenen versterken die denken aan een communautaire splitsing van de centrales en dreigt de arbeidersbeweging fors te verzwakken. De Vlaams nationalistische rechterzijde zal het graag zien, zij hoopt immers dat de vraag voor een volgende staatshervorming, niet vanuit Vlaanderen zal komen, maar vanuit Wallonië dat op die manier hoopt onder de federale besparingspolitiek onderuit te komen. Terecht wijst de PVDA erop dat er in België wel degelijk twee democratieën zijn, maar niet een Vlaamse en een franstalige, wel één voor de rijken en een andere voor wie weinig geld heeft. De beslissing om Raoul Hedebouw ook meer in het Noorden van het land meer in te zetten, verdient onze volle steun.

De verkiezingskalender is vanuit het oogpunt van de PVDA/PTB relatief gunstig. De eerstvolgende verkiezingen zijn de gemeenteraads- en provinciale verkiezingen in oktober 2018, maar wel al in mei 2019 gevolgd door regionale, federale en Europese verkiezingen, iets later was beter geweest. Echte linkse coalities, arbeidersmeerderheden, op lokaal vlak, zeker in de grotere steden zouden de kwestie van een echt linkse regionale regering aan de orde kunnen stellen. Voorwaarde daartoe is wel dat die lokale meerderheden onmiddellijk bij hun aantreden duidelijk maken dat ze een fundamenteel andere politiek willen afdwingen. Dat kan door een aantal etterende kankers zoals de massale werkloosheid, de toenemende armoede, het gebrek aan betaalbare huisvesting, de groeiende onzekerheid qua jobs en inkomen, onmiddellijk aan te pakken. Het onmiddellijk invoeren van een 30-urenweek zonder loonverlies voor alle gemeentepersoneel met bijkomende aanwervingen, het vervangen van precaire contracten door degelijke ambtenarenstatuten of toch minstens contracten van onbepaalde duur, een massaal programma van publieke investeringen in o.a. kwaliteitsvolle en energieneutrale sociale woningbouw en ondertussen degelijke opvang voorzien voor wie dakloos is of in armoede leeft, dat en veel andere concrete maatregelen zou de basis kunnen leggen voor massale mobilisatie van de bevolking om de financiële wurggreep waarin de regionale en federale regeringen de gemeenten nu vastklemmen, te lossen.

Er bestaan op dat vlak tal van voorbeelden, zowel historische als actuele, waaruit de PVDA inspiratie kan halen. Zo was er de Poplar rebellie in 1921, geleid door George Lansbury, de Labour-burgemeester die het jaar voordien verkozen was en het wijkbestuur, in het Londense Tower Hamlets, dat bijna uitsluitend uit industriearbeiders bestond. In de wijk was er massale werkloosheid, honger en armoede. Het wijkbestuur startte een programma van sociale hervormingen en bestrijding van de armoede met onder meer het fors optrekken van de minimumlonen voor gemeentearbeiders en het doorvoeren van gelijk loon voor vrouwen. Dat programma kon niet gerealiseerd worden binnen de beschikbare begroting van de arme wijk waar de gemeentebelasting veel minder opleverde dan in de meer welgestelde wijken. Het wijkbestuur wou de lokale belastingen niet nog verder optrekken en besloot haar bijdragen aan de Londense raad niet langer door te storten. Die bracht de zaak voor het hooggerechtshof. Achter een spandoek “Poplar wijkbestuur op weg naar het hooggerechtshof en mogelijk naar de gevangenis” stapte het bestuur met 2000 aanhangers naar het hooggerechtshof. Dertig wijkbestuurders, waaronder 6 vrouwen waarvan 1 zwanger, werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van onbeperkte duur. De revolte won massale aanhang en omringende wijkbesturen dreigden ermee dezelfde politiek te voeren. De vakbonden steunden de revolte en hielden collectes voor de gezinnen van de bestuursleden. Na 6 weken werden ze vrijgelaten en nog datzelfde jaar werden de gemeentebelastingen in het parlement op een meer evenwichtige wijze herschikt.

… om de opgelegde besparingen met een strijdplan te doorkruisen

In 1982 overtuigde Militant, de marxistische vleugel die er nochtans in een minderheid was, het district van Labour in Liverpool ervan de strijd met de regering van Thatcher aan te gaan. Volgens Militant stortte de federale regering uit het gemeentefonds 30 miljoen £ te weinig door naar de stad en moest de gemeenteraad een illegale deficitaire begroting indienen om aan de behoeften van de bevolking tegemoet te komen . Ondanks een lokale en nationale perscampagne tegen dit voorstel, won Labour op basis ervan 12 zetels in de deeltijdse verkiezingen van 1983, voldoende om de controle over het stadsbestuur over te nemen van de coalitie van Tories en Liberals die er van 1979 tot 1983 bestuurd hadden. Om een einde te maken aan de verkrotting van Liverpool lanceerde het stadsbestuur in 1984 een massaal programma van publieke investeringen om 5000 sociale woningen te bouwen, 7 sportcentra, 6 kleuterscholen en andere werken, waarvan de meeste volledig gerealiseerd werden. Een tegenstander van Militant, Lord Reg Underhill, schreef in September 1985 in The Guardian: “het vijfjarenplan moest komaf maken met verouderde woningen die niet aan de kwaliteitsnormen beantwoorden, krotwoningen en zielloze flats in buildings. Er zijn al 3800 alleenstaande woningen gebouwd met een tuintje en nabijgelegen parkings… De straten liggen er verbeterd bij en er werden lokale parken aangelegd. Er zullen 7 sportcentra gebouwd worden, waarvan drie al geopend zijn. Het hele programma levert 12.000 banen op met als neveneffect nog eens duizenden banen. Ik wil geen commentaar geven op de weigering om de belastingen op te trekken, maar hoeveel zou deze tewerkstelling de staatskas intussen al opgeleverd hebben?

De gemeenteraad annuleerde de 1200 afdankingen die de vorige coalitie gepland had en creëerde 1000 nieuwe gemeentejobs. Het bureau van de Lord-Mayor, en ceremoniële post werd afgeschaft en de ceremoniële koets en paarden verkocht. Labour had in 1982 54.000 stemmen behaald, in 1983 77.000 en in 1984 al meer dan 90.000. Zelfs al groeide het aandeel van Militant-aanhangers, er waren nooit meer dan 16 van de uiteindelijke 47 Labour gemeenteraadsleden (op een totaal van 60) lid van Militant. In juni 1983 won brandweerman en Militant-lid Terry Fields onder de slogan “een arbeider als parlementair aan het loon van een arbeider” de parlementszetel voor Broadgreen op de Tories. Zelfs in 1987, nadat de gemeenteraadsleden al uitgesloten waren uit Labour en veroordeeld door de rechtbank, vergrootte hij nog zijn meerderheid. Hij zou in 1991 eveneens uit Labour worden uitgesloten. Voordien, in 1984 had de gemeenteraad met regionale stakingen en betogingen de regering Thatcher verplicht met extra geld over de brug te komen, ook al omdat Thatcher toen nog de handen vol had met de stakende mijnwerkers en zich geen tweede front kon veroorloven.

Dat tweede front kwam er toch, want in 1985 nam Liverpool deel aan een front van 17 Labour-gemeenteraden die zich verzetten tegen de door Thatcher opgelegde gemeentebesparingen. Het idee was dat die gemeenteraden zouden weigeren een begroting neer te leggen, maar één voor één gingen ze door de knieën, met uitzondering van Lambeth en Liverpool. De gemeenteraad mobiliseerde actief de bevolking in betogingen en stakingen om haar positie te ondersteunen, maar toen in juni 1985 de illegale begroting door het stadsbestuur werd aangenomen en bankroet dreigde, weigerde een deel van de vakbondsleiders om de oproep voor een algemene regionale staking te ondersteunen. In november 1985 werd het District Liverpool van Labour door de nationale leiding geschorst en in juni 1986 werden verschillende gemeenteraadsleden uitgesloten uit Labour. Op die manier werd de weg vrijgemaakt om de 47 gemeenteraadsleden van Labour te vervolgen voor de illegale begroting van 1985. Ze werden veroordeeld tot een boete van £106.000 die in beroep werd opgetrokken naar £242.000 en volledig werd opgehaald in de arbeidersbeweging. Hun burgerrechten werden hen ontnomen en sommigen moesten een eigen zaak beginnen omdat geen enkele patroon in de regio hen nog wou aanwerven.

Liverpool kwam in zekere zin te laat, toen Labour haar draai naar rechts al volop had ingezet onder Neil Kinnock die de weg voorbereidde voor Tony Blair, toen de arbeiders in het Westen doorgaans al in het defensief gedrongen waren en het neoliberalisme als dominante politiek van de heersende klasse stilaan haar plaats aan het veroveren was ten koste van het Keynesianisme. Of misschien ook weer te vroeg, vooraleer de arbeidersbeweging de nederlagen die met de val van het Stalinisme een hoogtepunt bereikten en in het Westen leidden tot een periode van milde reactie, te boven kon komen en zich stilaan kon herstellen met de creatie en uitbreiding van nieuwe linkse formaties. Om een strijd zoals die in Liverpool vraag je niet, je wordt ertoe gedwongen door de concrete omstandigheden, in dat geval de degradatie van Liverpool tot een economische en sociale woestijn en de financiële drooglegging van de gemeenten door de rechtse Thatcher regering. LSP pleit er niet voor dat de leiders van de PVDA/PTB morgen in de gevangenis belanden en veroordeeld worden tot fenomenale boetes, maar we denken wel dat ook vandaag hogere overheden lagere overheden in een financiële dwangbuis drukken om hen te laten opdraaien voor een deel van de antisociale besparingspolitiek en dat dit bij een deel van de bevolking stilaan ondraaglijk wordt.

Strijdpunten voor lokale overheden vandaag

Het verschil met toen is dat er nu overal in Europa en erbuiten nieuwe linkse formaties bestaan. Al in 1989 werd door de PT-gemeenteraad van Porto-Alegre in Brazilië “participatieve democratie” ingevoerd, een systeem waardoor de plaatselijke bevolking zelf een deel van de begroting kon toewijzen. Er bestonden daarover destijds heel wat illusies en het zou ook effectief geleid hebben tot een daling van de armoede, een toename van de fiscale inkomsten, een afname van corruptie omdat de begrotingsdiscussies er transparanter door werden en omdat er een actievere controle was van de bevolking op openbare werken in het kader van de participatieve democratie. In totaal zouden in de volgende Jaren zo’n 1300 steden wereldwijd op zowat alle continenten één of andere vorm van participatieve democratie hebben doorgevoerd. Actieve deelname van de bevolking aan het beleid is uiteraard zeer welkom, net zoals een controle door de bevolking op het financiële beleid van de overheden in Luik en elders meer dan welkom zou zijn. De PVDA beroept zich ook terecht ook op een politiek van betrokkenheid van de bevolking in de districtsraad van Borgerhout, waar ze met SPa en Groen in een coalitie zit. Maar actieve deelname mag geen keurslijf van besparingen worden, waarbij de bevolking uiteindelijk zelf de keuze krijgt wie het best inlevert, maar niet de mogelijkheid krijgt de besparingen in vraag te stellen en het beleid fundamenteel te veranderen. Dat is wat in Porto-Alegre uiteindelijk leidde tot een verkiezingsnederlaag van de PT in 2004 en een overname van de stad vanaf 1 januari 2005 door rechts dat de participatieve democratie grotendeels terug draaide.

In de Zweedse stad Göteborg startte de meerderheid van sociaaldemocraten, groenen en de Linkse Partij (de voormalige communistische partij) een experiment in een publiek rusthuis, Svartedalen, met de invoering van de 30-urenweek in plaats van de 38,25 uur aan hetzelfde loon. Het experiment liep 23 maand vanaf 1 februari 2015 tot 31 december 2016. Het betrof enkel de 68 verpleegkundigen, niet het andere personeel. Eerder werd een 30-urenweek al ingevoerd in Kiruna in Lapland in de ijzermijnen in 1989, maar dat werd toen niet wetenschappelijk opgevolgd en de effecten ervan bleven betwist. In Zweden vonden in de jaren ’90 ook dergelijke experimenten plaats in rusthuizen in Oslo, Stockholm, Helsingborg, Umea en Malmö en voorts in het Toyota Services Centre in Göteborg om de klant langere openingstijden te kunnen aanbieden. De bedoeling van het experiment in Svartedalen was de effecten van de 6-urendag wetenschappelijk in kaart te brengen. Op het vlak van gezondheid van het verplegend personeel en de zorgkwaliteit zijn de resultaten bijzonder gunstig, met een forse daling van het ziekteverzuim en meer activiteiten voor de bewoners. Toch is het volgens Van Eetvelt van Unizo of ook nog Geert Noels economische nonsens, onbetaalbaar. Eigenlijk viel de kostprijs nochtans mee, de aanwerving van 14,86 voltijds equivalente werknemers leverden een extra kost van 1 miljoen €, maar als daar de besparingen op werkloosheidsuitkeringen van afgetrokken worden, zakt die naar 500.000 €, dat is 33500 € per werknemer. Als alle loonsubsidies en andere fiscale geschenken aan de patroons zoveel rechtstreekse tewerkstelling zouden opleveren, dan was er in België geen sprake meer van werkloosheid.

Het initiatief van Göteborg is lovenswaardig, maar staat uiteraard nog veraf van de strijd die in Liverpool gevoerd werd. Alles gebeurde nog netjes binnen de beschikbare begroting en hoewel de rechterzijde het zo snel mogelijk wil afvoeren, vereiste het nog geen rechtstreekse confrontatie met de centrale overheid. In ons land gaan stemmen op om eveneens te experimenteren met de 30-urenweek. Onder andere de minister voor tewerkstelling in Brussel, Didier Gosuin van Défi zou de 30-urenweek willen invoeren voor de reinigingsdiensten om banen te creëren voor laaggeschoolden, maar het zou pas ingaan in 2019, als het ooit zover komt en intussen bedraagt de werkloosheidsgraad in Brussel nog steeds bijna 20%. Het PS-gemeentebestuur van Sint-Joost spreekt erover voor het gemeentepersoneel en zou vanaf 2018 die mogelijkheid bieden aan 120 55+ers. Dat zou 20 à 25 nieuwe voltijdse banen opleveren voor een kost van 900.000 euro deels gedragen door het Gewest. Er waren in 2016 in Sint-Joost 1890 niet werkende werkzoekenden. De regionale regering van het Waals gewest zou het eveneens willen, maar enkel voor haar werknemers ouder dan 60 en als blijkt dat het ziekteverzuim daardoor fors afneemt. Het is er nog niet en als het er ooit komt, is het zeer onwaarschijnlijk dat de PS dat zal uitbreiden naar alle werknemers van de openbare diensten, laat staan opleggen aan de privé. Het is er de PS vooral om te doen aan te tonen dat de PVDA wel spreekt over arbeidsduurvermindering, maar de PS het uitvoert. Dat mag de vakbonden er niet van weerhouden die eis in te zetten als centraal strijdmiddel tegen de werkloosheid in alle sectoren en de PVDA evenmin om het als strijdpunt op de agenda te plaatsen als één van de breekpunten voor een progressieve coalitie.

Op 24 mei 2015 kregen in Spanje de vele mobilisaties van de werkenden en sociale bewegingen van de afgelopen jaren – met de beweging van indignado’s in 2011 en drie algemene 24-urenstakingen in 2012 en 2013 – een politieke vertaling in de lokale verkiezingen. In 5 van de 17 regionale hoofdsteden van Spanje, inclusief Barcelona en Madrid werden burgemeesters verkozen op linkse eenheidslijsten. Deze lijsten waren eenheidsfronten rond Podemos, Izquierda Unida (of toch minstens de linkerzijde ervan), linkse ecologisten en soms linkse nationalisten zoals de CUP in Catalonië of Anova in Galicië. Er werd ook aan deelgenomen door strijdbare syndicalisten, activisten tegen uithuiszettingen, antiracistische militanten, … Zelfs indien deze lijsten vaak met Podemos geassocieerd worden, hebben ze een onafhankelijk profiel. Ze werden gezien als vertegenwoordigers van een links verzet tegen het besparingsbeleid.

Geen enkele linkse eenheidslijst behaalde een absolute meerderheid, hetgeen op een aantal plaatsen leidt tot discussies over coalities met andere partijen, ook de PSOE. Deze discussies moeten vertrekken van het programma en de vraag hoe een beleid kan gevoerd worden dat een einde maakt aan de besparingen. Doorgaans waren de programma’s van de lijsten gericht tegen de besparingen, voor een democratische audit van de gemeentelijke schulden, voor toegang tot water en energie voor de armsten, voor een stopzetting van de uithuiszettingen en ook andere eisen van de arbeidersbeweging en sociale bewegingen in strijd. Zowel in Madrid als in Barcelona maakten de linkse eenheidslijsten van het stoppen van uithuiszettingen een prioriteit. Binnen het wettelijke kader is dat niet mogelijk, enkel met campagnes om steden uit te roepen tot ‘zones zonder uithuiszettingen’, een beleid waarbij banken die tot uithuiszettingen overgaan worden geboycot en dit vooral door de mobilisatie van een massale steun onder de bevolking, kan de andere autoriteiten en de lokale politie ertoe dwingen om de uitvoering van uithuiszettingen te schorsen. De publieke druk en massale burgerlijke ongehoorzaamheid maken dat de linkse besturen sterk staan tegen eventuele juridische betwistingen.

Het probleem beperkt zich evenwel niet tot het stopzetten van de uithuiszettingen. Er is ook nood aan betaalbare huisvesting via een massaal plan van publieke investeringen in sociale huisvesting om een antwoord te bieden op de tekorten en de huurprijzen naar beneden te trekken. Dat vereist een confrontatie met de besparingen die door de nationale regering worden opgelegd en met de ‘wet op de begrotingsstabiliteit’ die tekorten op lokaal vlak verbiedt. Om te kunnen investeren in de creatie van jobs en een betere levensstandaard voor de meerderheid van de bevolking, kunnen de regels voor de lokale begroting niet gevolgd worden en moet de afbetaling van de gemeentelijke schulden gestopt worden. Door te mobiliseren en te organiseren, kunnen de besparingspartijen tot toegevingen gedwongen worden. Indien dit voorbeeld in verschillende steden en dorpen gevolgd zou worden, kan het de basis leggen voor een front van verzet dat ingaat tegen de beperkingen en de besparingen van de nationale en de regionale regeringen. Op dezelfde wijze weigeren 19 Griekse lokale besturen om een wet door te voeren waarmee duizenden jobs in de gemeenten en openbare diensten zouden verdwijnen. Een nationaal netwerk van rebelse steden kan de basis vormen voor een nationaal eenheidsfront van onderuit, met onder meer Podemos en Izquierda Unida. Zo’n front zou de basis kunnen leggen voor een linkse regering om een einde te maken aan de besparingen en aanvallen op de levensstandaard van de meerderheid van de bevolking.

De PVDA/PTB is nog niet in een situatie waarin ze een arbeidersregering kan vormen die met de actieve steun van de bevolking de confrontatie aangaat met de uitgangspunten van concurrentie en onevenwicht. Maar de logische conclusie uit de jongste peilingen is wel dat ze die weg, zelfs al is hij nog lang, nu al moet inslaan en dat iedere stap die ze intussen zet deel moet uitmaken van de voorbereiding daarop, mee het vertrouwen moet helpen opbouwen dat de PVDA/PTB deel zal zijn van de kracht waarmee die confrontatie mogelijk wordt. Mobilisatie en organisatie rond een strijdprogramma zullen daarbij nodig zijn, politieke voorbereiding door open en democratische discussie, maar ook de verdediging en het populariseren van een programma dat een overwinning mogelijk maakt. Concrete voorstellen en maatregelen zijn onontbeerlijk, maar ook een visie op wat we gaan doen als het establishment ons tracht droog te leggen, een visie die enkel een echte democratisch socialistische kan zijn omdat “de marges om een andere politiek te voeren” er niet zullen zijn.

De tegenstanders in de federale en regionale regering zullen er alles aan doen om een meerderheid waaraan de PVDA/PTB deelneemt, ook op gemeentelijk vlak, in de dwangbuis van de besparingen te dwingen. Vanuit de oppositie speldenprikken uitdelen is mogelijk, vanuit de meerderheid is een ernstiger confrontatie onvermijdelijk zodra je die dwangbuis wil vermijden. LSP is zeer enthousiast over de peilingen en de uitdagingen die dat opwerpt. We willen graag deel uitmaken van dat proces en zullen aan de PVDA/PTB kandidaten van LSP aanbieden voor de komende gemeenteraadsverkiezingen om in Wallonië en Brussel, maar meer nog in Vlaanderen een zo sterk mogelijke uitslag te realiseren. Als de PVDA/PTB dat opnieuw weigert, willen we nog niet uitluiten dat we in Sint-Gillis en Keerbergen alsnog eigen lijsten indienen, maar blijft onze algemene oproep er één om PVDA/PTB te stemmen. De PVDA/PTB kent onze meningsverschillen, we hebben ze in boekvorm gepubliceerd, en ze weet ook dat LSP zich zal blijven opbouwen. Wij weten dat de PVDA/PTB er niet op gebrand is om ons in de huiskamer uit te nodigen en dat ze beducht is voor groepen die zich als fractie opstellen. Zelfs toen we binnen de voormalige SP werkten, was dat nooit verborgen en steeds open, met onze eigen krant en openlijk op basis van onze ideeën. Maar ons voorstel is niet om aan te sluiten bij de PVDA, ons voorstel is om bij te dragen aan een objectief proces als onafhankelijke kracht, een éénheidsfront, al zijn wij daarin uiteraard een veel kleinere partner dan de PVDA.

Print Friendly, PDF & Email