De Belgische algemene staking van 1936

19361936. In Duitsland zijn de nazi’s aan de macht en wordt een brutaal anti-arbeidersbeleid gevoerd. De rechterzijde in ons land kijkt met enige sympathie hiernaar. Extreemrechts kent in de verkiezingen van 24 mei 1936 een doorbraak, zowel het VNV (Vlaams Nationaal Verbond) als Rex van Léon Degrelle deden het uitstekend. In Spanje en Frankrijk zijn er bewegingen en pogingen om linkse regeringen te vormen, maar deze breken (onder meer op aandringen van het stalinistische Rusland) niet met het kapitalisme waardoor de linkse partijen in deze regeringen in de greep van de kapitalistische crisis vastzitten. De woede is groot en zoekt uitwegen. Artikel door GEERT COOL.

Spontane stakingsgolf van onderuit

De politieke spanningen waren ook in ons land te snijden. In de verkiezingscampagne werden in Antwerpen twee militanten van de socialistische transportbond BTB vermoord door extreemrechtse militanten. Albert Pot en Theofiel Grijp kwamen om het leven. Op de dag van hun begrafenis, 26 mei, werd een 24-urenstaking gehouden. Het ongenoegen beperkte zich niet tot het dodelijke geweld op de twee collega’s, in de haven broeide het al langer en over veel meer. De lonen liepen achter op de prijsstijgingen en er werd al jarenlang bespaard op de levensstandaard van de werkenden. De moord op Pot en Grijp was slechts de druppel die de emmer deed overlopen.

De vakbondsleiding werd gepasseerd door de basis die zich niet neerlegde bij een éénmalige 24-urenstaking. De basis was symbolische acties om wat stoom af te laten beu. De BTB-leiding zag zich onder druk van de basis – met onder meer een vechtpartij voor de lokalen van de BTB aan de Paardenmarkt – genoodzaakt om een grote meeting in het Sportpaleis te houden en om op 2 juni de oproep voor een staking te lanceren met als centrale eisen een 40-urenweek, algemene loonsverhoging, een minimumloon van 32 frank per dag en zes dagen betaald verlof. De vakbondsleiders erkenden dat de staking “over den kop van de leiding uitbrak.”

De staking sloeg snel en spontaan over naar andere sectoren: scheepsherstellers, de diamantsector, … en vanaf 9 juni ook onder meer de steenkoolmijnen en de metaalsector. FN-Herstal, in de buurt van Luik, werd bezet door het personeel. Het was meteen de eerste grote bedrijfsbezetting uit de Belgische sociale geschiedenis. Communistische militanten speelden een grote rol in de uitbreiding van de staking, onder meer in de diamantsector. Over twee leiders van die beweging in de diamant, Emiel en Piet Akkerman, verscheen recent een uitstekend boek waarover later meer op deze site (“Piet Akkerman. Van Antwerpse vakbondsleider tot Spanjestrijder”, uitgegeven door de Algemene Centrale).

De beweging groeide snel: eerst in Wallonië waar tegen 15 juni de staking algemeen was in de arbeiderscentra en daarna ook in Vlaanderen en Brussel. De zwaartepunten lagen in Antwerpen, Luik en de Borinage. Pogingen om communautaire verdeeldheid te zaaien, werden beantwoord met de slogan: “Uw voornaam is Vlaming of Waal, uw achternaam is arbeider.” Het aantal stakers liep op tot een half miljoen. De regering zag zich verplicht om op 17 juni voor het eerst in de geschiedenis nationaal overleg te houden met de vakbondsleidingen en de werkgevers.

Regering en patronaat moeten toegeven

Regering en patronaat moesten toegevingen doen, ze vreesden een verdere uitbreiding van de stakingsbeweging en hadden de ervaring van de stakingsgolf van 1932 nog vers in het geheugen. De vakbondsleiders hadden de beweging amper onder controle, deze beweging kon leiden tot een breuk met het kapitalisme. Als de werkgevers in 1936 toegevingen deden, was dit niet uit sociale voelendheid. Het was omdat hen het stakingsmes op de keel werd gezet.

Het nationaal overleg kwam tot een voorstel met een loonsverhoging van 7 tot 8%, de invoering van een wettelijk minimumloon, de invoering van de 40-urenweek in de mijnen en het recht op 6 dagen betaald verlof voor alle werkenden. In een aantal sectoren werden voor het eerst paritaire comités (voor overleg tussen werkgevers en werknemers) opgezet. De havenarbeiders werd een bijkomende loonsverhoging beloofd. De nationale vakbondsleiders stelden voor om vanaf 24 juni het werk te hervatten. In een aantal sectoren werd die oproep niet gevolgd, zo staakten de Antwerpse scheepsherstellers tot begin augustus en de textielarbeiders van Moeskroen tot 6 juli. In een aantal sectoren werd voor 24 juni niet gestaakt, maar nadien wel om ook in deze sectoren paritaire comités te bekomen om onder meer regelingen voor het betaald verlof uit te werken.

Op 8 juli 1936 was de wet over het betaald verlof een feit. Voor de toepassing ervan in alle sectoren waren nog acties nodig. Bij de stakingsacties die tot het bekomen van het betaald verlof leidden, vielen gewonden en zelfs een dode: een vrouw in Quaregnon werd gedood door kogels van de rijkswacht die willekeurig schoten loste na eerdere confrontaties met stakers.

Betaald verlof

Voor 1936 bestond betaald verlof enkel in grote bedrijven waar de vakbonden sterk stonden. Zo werd in 1925 acht dagen vakantie afgedwongen bij de spoorwegen. Maar het was pas in 1936 dat het recht op betaald verlof voor iedereen gold. Voor kleine ondernemingen met minder dan tien werknemers werd dit pas in 1938 ingevoerd. De druk van het massale arbeidersprotest en de radicalisering na de Tweede Wereldoorlog leidde tot een verdubbeling van het vakantiegeld. Onder druk van de opstandige en revolutionaire algemene staking van 1960/61 werd in 1963 een derde vakantieweek ingevoerd.

Iedere verworvenheid die we als gewone werkende kennen, is er niet zomaar gekomen. Het is op basis van strijd en stakingen dat we zaken afgedwongen hebben. Daarbij hebben de werkgevers op ieder ogenblik geklaagd over de stakers die de bevolking en de economie zouden ‘gijzelen’ en zich onverantwoord opstelden. Als we de werkgevers laten doen, dan zouden we geen enkele sociale bescherming kennen want dat bedreigt hun ‘concurrentiepositie.’ Dan zouden ze onze werkloosheid en miserie organiseren, onze koopkracht kelderen en wie daar iets over durft te zeggen, meteen repressief de mond snoeren.

Hoe links zich kan opbouwen in bewegingen

De stakingsbeweging van 1936 leidde niet alleen tot belangrijke sociale verworvenheden in ons land, het bracht ook een discussie over politieke alternatieven teweeg. De sociaaldemocratie zat in de regering voor de verkiezingen van mei 1936 en wilde ook in de volgende regering postjes opnemen. De sociaaldemocratie ging dan ook op de rem staan, bevriende vakbondsleiders deden hetzelfde en zagen hierdoor de beweging steeds meer aan hun controle ontglippen met een groeiende invloed van linkse militanten, waaronder leden van de Communistische Partij maar ook anderen.

De Communistische Partij in België (KPB) stond na de splitsing van 1928 – toen allerhande manoeuvres nodig waren om te vermijden dat de trotskistische strekking een meerderheid kon behouden – erg zwak met een paar honderd leden. Dat aantal liep verder terug in de daaropvolgende jaren, zo had de KPB aan de vooravond van de stakingsbeweging van 1932 nog slechts een 20-tal actieve leden in Antwerpen. Op basis van de staking van 1932 groeide dat aantal aan en het syndicale gewicht van de communistische militanten werd groot in de aanloop naar de stakingsbeweging van 1936 waarin deze militanten een grote rol speelden.

De radicalisering in de jaren voor de staking van 1936 kwam vooral sterk naar voor binnen de Belgische Werkliedenpartij. Dit gebeurde niet zozeer bij de leiding ervan, maar wel aan de basis. Het ‘plan De Man’, een op zich beperkt programma van hervormingen via parlementaire weg, leidde tot een brede mobilisatie waarbij de hoop op verandering centraal stond. Trotski drong er bij de Belgische trotskisten op aan om een politieke kritiek op het Plan te brengen maar tegelijk “aan een zo breed mogelijke laag van arbeiders aan te tonen dat, voor zover de burgerij de verwezenlijking van het Plan poogt te dwarsbomen, wij hand in hand met hen zullen strijden om ze te helpen bij het doormaken van de ervaring. We zullen met hen alle moeilijkheden van de strijd delen, maar wat we niet zullen delen zijn de illusies die er aan verbonden zijn.” De kritiek op het Plan moest niet gericht zijn op het verhogen van de “passiviteit van de arbeiders” door er een “voorgewende theoretische rechtvaardiging” aan te geven, maar integendeel moest deze kritiek gericht zijn op het versterken van revolutionaire krachten.

Jammer genoeg was slechts een kleine groep van Belgische trotskisten in staat om de voorstellen van Trotski ook effectief in de praktijk om te zetten. Het geeft wel aan wat op grotere schaal mogelijk was geweest in onder meer Spanje indien daar gelijkaardige voorstellen van Trotski waren opgenomen. Trotski stelde voor om binnen de sociaaldemocratische BWP te werken om deel te zijn van het radicaliseringsproces en er richting aan te geven. Niet door de illusies van de leiding te delen, maar door een eenheidsfront aan de basis uit te bouwen. Een kleine groep Belgische trotskisten, voornamelijk in Charleroi georganiseerd, voerde deze tactiek uit en ging binnen de BWP werken. Er werd nauw samengewerkt met de linkse stroming ‘Action Socialiste’. Die stroming stond al snel onder druk om een keuze te maken tussen een revolutionaire koers of het aanvaarden van het kapitalisme. Onder meer Spaak maakte die laatste keuze en werd daar nadien voor beloond met ministerpostjes en na de Tweede Wereldoorlog zelfs met de functie van secretaris-generaal van de NAVO. Maar een ander aanzienlijk deel, onder leiding van Walter Dauge, vormde de ‘Action Socialiste Révolutionnaire’ die nadat ze uit de BWP gezet werd de Parti Socialiste Révolutionnaire vormde met weekblad ‘Lutte Ouvrière’. Deze groep was door de trotskisten overgewonnen waardoor ze met 800 leden uit de sociaaldemocratie kwamen en een reële inplanting en invloed hadden in Henegouwen. Zo haalde Dauge een meerderheid in de gemeenteraadsverkiezingen in Flénu, waarop de koning weigerde om hem als burgemeester aan te stellen.

De nederlaag in Spanje en het feit dat de Franse beweging niet verder ontwikkelde, zorgden ervoor dat de opgaande fase van klassenstrijd nog in 1936 zelf gestopt werd. Het leidde tot meer ruimte voor contrarevolutionaire ontwikkelingen. Zo is het geen toeval dat de Moskouse processen en de vervolging van elke mogelijke oppositiekracht in de Sovjet-Unie eveneens in 1936 van start gingen. Samen met de naderende oorlog maakte dit de consolidatie van de nieuwe trotskistische organisatie in België moeilijk, de bredere groep rond Dauge werd niet geïntegreerd in een revolutionaire stroming en verdween samen met de oorlog. Toch bleef de groep van Charleroi standhouden en een rol spelen in het overleven van het Belgische trotskisme.

De stakingsbeweging van 1936 toonde niet alleen hoe een spontane offensieve beweging tot overwinningen kan leiden met nieuwe sociale verworvenheden. Deze beweging zette ook de discussie over politieke alternatieven op de agenda. Niet alleen de stalinistische KPB kon daar gebruik van maken, ook al was het mee door het internationaal prestige van de Sovjet-Unie en het internationale gewicht van de stalinistische stroming vooral de KPB die kon groeien. Ook de kleine trotskistische krachten konden waar ze stoutmoedig inspeelden op radicalisering en massabewegingen zonder toe te geven op hun programmatorische vastberadenheid uitgroeien tot een factor van belang.

Print Friendly, PDF & Email