1936: revolutionaire hoop in Spanje

spanish-civil-war-03.photoblog900Tachtig jaar geleden kwamen de werkenden en arme boeren in Spanje in opstand tegen kapitalistische uitbuiting, de vreselijke armoede en de fascistische dreiging. Het was het hoogtepunt van een jarenlange strijd. Op bepaalde ogenblikken hadden de arbeiders en arme boeren de macht in handen.

Dossier door Tony Saunois uit Socialism Today

In juli 2016 vieren we de 80ste verjaardag van een van de belangrijkste strijdbewegingen uit de geschiedenis van de internationale arbeidersklasse: de Spaanse burgeroorlog en revolutie. Het leidde destijds tot een enthousiasme onder de internationale arbeidersbeweging, duizenden mensen trokken met de internationale brigades naar Spanje om te vechten tegen de fascistische krachten van generaal Franco. Vanuit Groot-Brittannië trokken mijnwerkers, dokwerkers en anderen naar Spanje. Eén van hen was de socialistische schrijver George Orwell. Een andere was Jack Jones die nadien de linkse leider van de machtige Transport and General Workers Union (voorloper van Unite) zou worden. De overwinning van Hitler en de nazi’s in Duitsland in 1933 maakten de dreiging van een nieuwe fascistische overwinning in Spanje des te belangrijker.

De wonden van deze strijd zijn nog steeds niet geheeld in het actuele Spanje. Zelfs de kwestie van de erkenning van de vermiste en geëxecutioneerde personen blijft moeilijk liggen. De campagne die nu gevoerd wordt om straatnamen in Madrid die naar fascisten verwijzen te veranderen, toont aan hoe diep de wonden nog steeds zijn.

Leon Trotski, medeleider van de Russische revolutie van 1917, stelde dat er in deze epische strijd van de heldhaftige Spaanse arbeidersklasse niet één maar minstens tien revoluties mogelijk waren. Ondanks de enorme inspanningen en opofferingen, werd de revolutie op tragische wijze de kop ingedrukt en kwamen de fascisten van Franco aan de macht met een brutaal regime dat vier decennia zou standhouden. In de burgeroorlog kwamen er naar schatting 200.000 mensen om, in de daaropvolgende jaren een gelijkaardig aantal.

Indien de Spaanse revolutie tot een overwinning had geleid, dan zou het verdere verloop van de Europese en de wereldgeschiedenis er anders uitgezien hebben. Het vreselijke bloedbad van de Tweede Wereldoorlog had vermeden kunnen worden. We moeten er vandaag lessen uit trekken voor de strijd tegen extreemrechts, racisme en kapitalisme.

Volksfront verkozen

In februari 1936 kwam het Volksfront aan de macht bij de verkiezingen. Het gaf aanleiding tot een revolutionaire beweging van de arbeiders en arme boeren, maar ook tot een fascistische revolte in het leger wat zou leiden tot een bloedige burgeroorlog. De overwinning van het Volksfront kwam er na jaren van opstanden en strijd door de Spaanse werkende bevolking. Na de verkiezingsoverwinning van de republikeinse en socialistische partijen in 1931 trad koning Alfonso af. Er volgde een stakingsgolf en een hele reeks hervormingen werd doorgevoerd. Maar er werd niet gebroken met het kapitalisme. In 1933 wonnen de monarchisten de verkiezingen en veel hervormen werden teruggedraaid. In oktober 1934 begon een revolutionaire opstand onder de mijnwerkers met als epicentrum de commune van Asturië. Er vielen minstens 5000 doden en 30.000 mensen werden gevangengenomen. Het was een voorloper op de revolutionaire gebeurtenissen die twee jaar later zouden uitbarsten. Het leek wat op de nederlaag van de Russische revolutie van 1905 die een generale repetitie was op de revolutie van 1917.

Het Volksfront was een coalitie van de Partido Socialista Obrero Español (PSOE), de Partido Comunista de España en zogenaamde ‘progressieve’, ‘liberale’ en republikeinse partijen: Izquierda Republicana, Unión Republicana, Esquerra Republicana de Catalunya (Catalaanse zusterpartij van IR), andere kleine Catalaanse en Galicische partijen die spoedig vervoegd werden door Baskische nationalisten. Het was de coalitie met deze zogenaamd progressieve kapitalistische krachten die een fatale fout zou blijken te zijn.

De rampzalige ‘stadiatheorie’ van Stalin en de Communistische Internationale (Comintern) in Moskou dicteerde het beleid van communistische partijen doorheen de wereld. Het zou leiden tot een bloedbad onder de Spaanse arbeidersklasse. Communistische partijen en sommige andere linkse krachten blijven hier vandaag nog steeds aan vasthouden. Ze stellen dat het nodig is om het kapitalisme in economisch achtergebleven landen eerst verder te ontwikkelen vooraleer een tweede stadium, dat van strijd voor socialisme, op de agenda kon staan.

In Spanje werkte destijds 70% van de werkenden op het land. De stadiatheorie stelde dat het nodig was om ‘progressieve’ kapitalisten over te winnen en dat deze best niet geprovoceerd werden met maatregelen die te radicaal leken. Eens de Spaanse fascistische krachten zich mobiliseerden, werd daaraan toegevoegd dat de eerste prioriteit was om Franco te verslaan en dat hiervoor een blok met ‘progressieve’ kapitalisten nodig was. Hetzelfde beleid werd decennia later toegepast in Chili onder de coalitie geleid door Salvador Allende (1970-73). De gevolgen waren even rampzalig voor de arbeidersklasse.

Tweestadiatheorie vandaag

De ervaring van de succesvolle Russische revolutie van oktober 1917 toonde aan dat het kapitalisme niet kan ontwikkeld worden in economisch achtergebleven landen met een groot aantal kleine landbouwers. De zwakke nationale kapitalistische klasse in deze landen was met handen en voeten gebonden aan de banken en economieën van de imperialistische machten, en de kapitalisten en grootgrondbezitters waren ook onlosmakelijk met elkaar verbonden. In zo’n situatie was industriële en economische ontwikkeling – samen met democratische en arbeidersrechten, alsook het recht op nationale zelfbeschikking – enkel mogelijk door de arbeidersklasse die met de steun van de arme boeren een socialistische planning voor de economie invoert en de samenleving democratisch beheert. Dit moest verbonden worden met de arbeidersklasse in de machtige kapitalistische economieën en de vorming van een socialistische federatie van verschillende landen.

De aanhangers van een moderne versie van de tweestadiatheorie, zoals sommigen ter linkerzijde in Podemos, stellen dat eerst het ‘neoliberale kapitalisme’ moet verslaan worden. Ze vertrekken van het utopische idee van een ‘meer humaan’ kapitalisme. Daarbij wordt vergeten dat zelfs het stoppen van privatiseringen en harde besparingen, wat uiteraard zeer welkom zou zijn, op zich niet volstaat om te antwoorden op de ellende, armoede en uitbuiting die eigen is aan het kapitalisme als systeem. Dit is nu des te meer het geval in een periode van wereldwijde onrust, stagnatie en crisis.

De vreselijke omstandigheden van de werkende klasse en de armen zullen niet verdwijnen door de ene versie van een kapitalistisch beleid te vervangen door een andere terwijl het systeem intact blijft. De capitulatie en het verraad door Syriza in Griekenland toont in de praktijk waartoe dit beleid leidt. Het is cruciaal om voor elke mogelijke hervorming en toegeving voor de arbeidersklasse te strijden, maar als dit niet verbonden wordt met een strijd om het kapitalisme te verslaan en een socialistisch alternatief in te voeren, dan zullen deze hervormingen niet standhouden.

De Spaanse revolutie omvat cruciale lessen voor de nieuwe linkse partijen die vandaag opkomen, denk maar aan Podemos en Izquierda Unida in Spanje, Die Linke in Duitsland of PSOL in Brazilië. Het idee van een coalitie met voormalige arbeiderspartijen zoals PSOE, SPD of de Braziliaanse PT kan tot een rampzalige situatie leiden. Deze partijen zijn volledige burgerlijke partijen geworden die een pro-kapitalistisch beleid voeren zodra ze aan de macht zijn. In plaats van deze partijen naar links te duwen door er een coalitie mee te vormen, dreigen de nieuwe linkse partijen zelf de gevangenen van regionale en nationale coalities te worden. Zoals in Spanje 80 jaar geleden kan dit enkel tot nederlagen leiden. Dit zagen we overigens ook in de ineenstorting van de Rifondazione Comunista (PRC) in Italië in 2008 na deelname aan verschillende coalities die het besparingsbeleid verderzetten.

Revolutionaire golf

De verkiezingsoverwinning van het Volksfront in Spanje in 1936 was een vonk voor de massa’s. Ze wachtten niet tot de regering haar programma in het parlement doorvoerde. De massa’s trokken de straten op en voerden het programma zelf door binnen de 48 uur. Managers van wie geweten was dat ze banden hadden met de fascisten of sympathie ervoor werden uit de fabrieken verdreven. Er werd een 44-urenweek ingevoerd. Fabrieken en landbouwgrond werd bezet. Arbeiders die wegens hun syndicale activiteiten afgedankt waren, kregen hun werk terug. Zowat 30.000 politieke gevangenen werden uit de gevangenissen bevrijd.

De ‘liberale’ kapitalisten wilden enkel terugkeren naar de grondwet van 1931 en namen maatregelen om zichzelf economisch te beschermen door de prijzen te verhogen en andere maatregelen. Dit leidde tot nieuwe bewegingen. De woede van de Spaanse arbeiders blijkt uit de naar schatting 113 lokale algemene stakingen in de vijf maanden na de verkiezing van het Volksfront. Het was deze massale revolutionaire golf waar de heersende klasse bang van was, veel meer dan de verkiezing van het Volksfront op zich.

In deze periode maakten de fascisten, werkgevers en grootgrondbezitters plannen en bereidden ze zich voor. Op 17 juli begon er een fascistische revolte met een militaire opstand in Marokko, dat gecontroleerd werd door Moorse huurlingen. De kapitalistische partijen in het Volksfront vertegenwoordigden niet echt de kapitalistische klasse, maar zoals Trotski opmerkte ‘de schaduw’ van deze klasse. De kapitalisten gingen in blok over naar de fascistische opstand om hun belangen te verdedigen. Maar de schaduw van het Spaanse kapitalisme zou als een Trojaans paard binnen het Volksfront handelen. Toen de heersende klasse plannen maakte met de fascisten, probeerde de regering te onderhandelen met deze samenzweerders.

De massa’s aarzelden echter niet, de arbeiders van Barcelona stonden vooraan. Ze gingen meteen over tot strijd omdat ze de dreiging van de fascisten begrepen. Ze hadden het bloedbad tegen de commune van Asturië in 1934 meegemaakt en de twee jaar van brutale repressie die daarop volgde. Honderdduizenden mensen trokken de straten van Spanje op, er werden wapens gezocht om de fascisten te bestrijden maar de regering weigerde deze te geven. Als het van de besluiten van de Volksfront-regering afhing, was er wellicht gewoon een capitulatie voor de militaire revolte gekomen.

De massa’s lieten dit niet toe. Op 19 juli namen de arbeiders van Barcelona de situatie zelf in handen. Ze bestormden de eerste barakken toen het leger een mobilisatie voorbereidde. Gewapend met stoelpoten, stukken dynamiet vanop bouwwerven, enkele sportgeweren en wapens die ze kregen van bevriende lokale politie-agenten, werd de confrontatie met het leger aangegaan. Ze vochten als leeuwen en riepen de gewone soldaten op om naar hun kant over te gaan. De arbeiders behaalden een historische overwinning. In zijn uitstekende boek ‘Revolution and Counter-Revolution in Spain’ vertelt Felix Morrow dat de arbeiders “tegen 14u de volgende dag heer en meester waren over Barcelona.” Binnen enkele dagen was Catalonië volledig in handen van de arbeidersklasse.

Dit vond een weerklank in Madrid waar de regering eveneens weigerde om de arbeidersklasse te bewapenen. In Málaga, een belangrijke havenstad voor het transport van en naar Marokko, ondernamen de arbeiders de ingenieuze actie om de kazerne volledig te omsingelen met een brandende barricade waardoor de soldaten niet weg raakten. De beweging breidde uit en op een bepaald ogenblik was tot vier vijfden van het land onder de controle van de arbeiders en boeren. Het initiatief was uit de handen van de ‘liberale’ kapitalisten gehaald.

Strijd op de linkerzijde  

Maar ondanks de heldhaftige en creatieve inzet van de arbeidersklasse, waren er beperkingen door de rol en het beleid van haar partijen en leiders. Het ontbreken van een massale marxistische partij met een duidelijk programma om de revolutionaire verworvenheden te organiseren, consolideren en uitbreiden zodat een breuk met het kapitalisme tot stand kwam en een arbeidersdemocratie gevestigd werd, bleek fataal.

De meest negatieve rol werd gespeeld door de stalinistische leiding van de Partito Comunista de España (PCE) die het meest expliciet opkwam voor een stadiatheorie. De partij werd de drijvende kracht die het de kapitalisten uiteindelijk mogelijk maakten om terug te komen, de arbeidersmilities te ontbinden en de revolutie op een zijspoor te zetten. De stalinisten gingen daarbij over tot brutale repressie tegen anderen ter linkerzijde die zich tegen hen verzetten. Zo keerden ze zich fel tegen de Partido Obrero de Unificación Marxista (POUM), een partij opgezet door voormalige trotskisten en onderdeel van het Volksfront. Een van de partijleiders, Andrés Nin, werd gemarteld en vermoord door de PCE of agenten van die partij. Anderen die tot de niet-stalinistische linkerzijde behoorden, ondergingen hetzelfde lot.

Deze brutale acties waren rechtstreeks verbonden met de politieke contrarevolutie die bezig was in de Sovjet-Unie. Zelfs agenten of vertegenwoordigers die door Stalin’s regime naar Spanje gestuurd werden en daar aangestoken werden door het vuur van de revolutie, werden bij hun terugkeer in Rusland vermoord. Dit was onder meer het geval met Vladimir Antonov-Ovseyenko, de Russische ambassadeur in Spanje. Hij stuurde verslagen naar Moskou waarin hij Stalin vroeg om de revolutionaire strijd te ondersteunen.

Aanvankelijk stonden de stalinisten niet sterk in Spanje. Ze konden zich echter snel uitbouwen na fouten door de aanhangers van Trotski in Spanje, de Spaanse afdeling van de Internationale Linkse Oppositie. Die weigerden het aanbod van de jongeren van de PSOE in 1934 om aan te sluiten en de jongerenafdeling te ‘bolsjewiseren’. Trotski had er nochtans op aangedrongen om dit wel te doen. Het liet ruimte voor de stalinisten die de kans grepen om een sterke basis uit te bouwen.

De PSOE was verdeeld in twee vleugels: de rechterzijde onder leiding van Indalecio Prieto en de linkerzijde rond Largo Caballero. Die laatste begon politiek niet aan de linkerzijde. Hij had een functie binnen de rechtse dictatuur van Primo de Rivera van 1923 tot 1930. Zijn eigen ervaringen en vooral de effecten van de revolutionaire beweging duwden hem naar links.

Ook in andere perioden van massastrijd waren er gelijkaardige ontwikkelingen. Zo gebeurde dit ook met Tony Benn in Groot-Brittannië eind jaren 1960 en begin jaren 1970. Benn had een aristocratische achtergrond en was minister onder Harold Wilson. Hij behoorde tot het ‘centrum’, eigenlijk de ‘rechterzijde’ binnen Labour. Maar zijn ervaringen en de arbeidersstrijd in die tijd duwden hem naar links. Hetzelfde zagen we de voorbije maanden in de Amerikaanse presidentsverkiezingen waar Bernie Sanders verder naar links geduwd werd door de miljoenen mensen die zijn campagne steunden.

Met de revolutioniare opstanden in Spanje ging dit process een pak verder. Caballero, een voormalige leider van de vakbondsfederatie UGT (Unión General de Trabajadores), zou bekend worden onder de naam ‘de Lenin van de Spaanse revolutie.’ Jammer genoeg was hij niet in staat om dezelfde politieke conclusies te trekken als Lenin in Rusland. Zijn fouten droegen op beslissende wijze bij tot de nederlaag in Spanje. Revolutionair klinkende slogans en verklaringen door Caballero en andere linkse kopstukken van de PSOE werden niet omgezet in concrete daden en acties.

De verdeeldheid in de PSOE voor de fascistische revolte ging in de richting van een splitsing van de partij. Prieto slaagde erin om het partijcongres uit te stellen. De partijleiding verbood de krant van Caballero, Claridad, en herstructureerde de districten die door hem gecontroleerd werden. Toen de revolutie en de burgeroorlog uitbraken, gebruikte de linkerzijde rond Caballero zijn meerderheid niet en werd de controle over het partijhoofdkwartier aan Prieto overgelaten met het argument dat dit de ‘harmonie’ in de partij zou versterken. De linkerzijde zag af van verdere stappen om de controle over de partij te verkrijgen. Als Jeremy Corbyn vandaag pogingen wil doen om de rechtse aanhangers van Blair in Labour te vriend te houden in plaats van hen regelrecht te bestrijden, kan hij wel eens een zelfde weg als Caballero opgaan.

Op het hoogtepunt van de revolutionaire strijd kwam Caballero met kritiek op Prieto, de stalinisten en de burgerlijke elementen in de regering. Maar zonder duidelijk alternatief of bereidheid om de revolutie tot een conclusie door te trekken, kwam hij steeds dichter bij hen te staan en uiteindelijk zou hij in september 1936 aan het hoofd van de regering staan. Hij zag toe op maatregelen die hij voordien had bekritiseerd, zoals de ontbinding van de milities om deze te vervangen door een militaire eenheid onder regeringscontrole. Dat was een poging om de kapitalistische staatsmachine terug op te bouwen. Uiteindelijk werd het centraal comité van de milities ontbonden en de macht ervan werd overgedragen aan de Ministeries van Defensie en Binnelandse Veiligheid. Toen hij zijn nut voor de contrarevolutionaire krachten bewezen had, werd Caballero in mei 1937 als premier afgezet.

Anarchisten en revolutionaire arbeiders

De coalitie van het Volksfront was een rem op de arbeidersklasse en had rampzalige gevolgen. In Catalonië had de anarchistische Confederación Nacional del Trabajo (CNT) een massabasis. De meest revolutionaire arbeiders vormden deel van de CNT. Maar de ideologische visie van de anarchisten op de staat zorgde ervoor dat de anarchistische leiders niet in staat waren om een onderscheid te maken tussen een arbeidersstaat en een kapitalistische staat.

Deze verwarring zorgde tot een tegenstrijdige situatie waarbij een anarchistische organisatie (die tegen gelijk welke staat was) deel werd van de door Caballero geleide regering in Madrid. De CNT werd ook deel van de regering in Catalonië (de Generalitat) samen met kapitalistische partijen. De leiders van de CNT slaagden er niet in om de macht en invloed van de CNT te gebruiken, ze waren bang dat dit zou leiden tot ‘een burgeroorlog binnen de burgeroorlog.’ Maar dit was reeds bezig naarmate de contrarevolutie een opmars kende en een aanval inzette op alle verworvenheden van de arbeidersklasse.

Het potje kookte over in mei 1937 in Barcelona. Regeringstroepen probeerden het telefoniegebouw, een bastion van de CNT en de revolutionaire arbeiders, over te nemen. Het was een provocatie gericht tegen de macht van de arbeidersklasse. Arbeiders doorheen Barcelona verzetten zich tegen de aanval. Er werden barricades opgeworpen in de hele stad in een nieuwe opgang van de strijd. Dit was een symbool van de dubbelmacht doorheen Spanje. Zo’n dubbelmacht komt in elke revolutie voor als het beheer van de samenleving in de weegschaal ligt: de heersende klasse is te zwak om de gebeurtenissen te controleren, maar de arbeidersklasse heeft haar beheer van de samenleving nog niet geconsolideerd. Een dergelijke situatie kan niet oneindig blijven duren. Ofwel moet de arbeidersklasse een eigen staat vestigen ofwel moet de heersende klasse de macht terug in handen nemen.

De andere partij die een uitweg had kunnen bieden, was de POUM. De partij groeide snel van 1.000 tot 30.000 leden op zes weken tijd in 1936. Tegen eind 1936 telde de POUM ongeveer 70.000 leden. De belangrijkste basis was in Catalonië en de partij stond voor een strijdbare revolutionaire positie, maar de POUM beging ook ernstige fouten. Op een bepaald ogenblik sloot de partij bij de Generalitat aan, vooraleer ze in december 1936 uit deze regering werd gezet. Het leidde tot verwarring onder de arbeiders. Tegen juni 1937 was de partij verboden door de centrale regering en werden de leiders opgepakt.

Tegelijk probeerde de POUM zich aan de slippen van de CNT-leiders vast te klampen. Er waren diplomatische discussies met hen achter de schermen, in plaats van naar buiten te komen met een stoutmoedig eigen standpunt. In plaats van de militanten te laten werken onder de massale basis van de CNT in Catalonië werd samengewerkt met de veel kleinere vakbond UGT. In plaats van te agiteren voor een stoutmoedige revolutionaire koers onder de leden van de CNT-milities werden eigen afzonderlijke milities opgezet.

Met een stoutmoedig socialistisch programma had de POUM de meest revolutionaire arbeiders van de CNT die het niet eens waren met het beleid van hun leiders kunnen bereiken. Zo had de POUM ingang kunnen vinden onder de troepen die aan het Aragon-front rond de ‘Vrienden van Durruti’ vochten en militaire overwinningen boekten. Ze vochten daar als een leger van sociale bevrijding waarbij de militaire strijd tegen de fascisten niet losgekoppeld werd van de sociale revolutie. Als de POUM zo had gehandeld, dan had een massale revolutionaire marxistische partij kunnen ontstaan.

Potentieel voor een arbeidersstaat

Is het mogelijk dat een dergelijke kracht die vooral in Catalonië gebaseerd was het verloop van de burgeroorlog had kunnen veranderen? Het korte antwoord is ja omwille van de omvang van de revolutionaire beweging, de massamobilisatie en de radicalisering. Indien zo’n partij had ontwikkeld, dan had deze stappen kunnen zetten opdat de Catalaanse arbeidersklasse de macht zou grijpen. Van daaruit had dit voorbeeld snel navolging kunnen krijgen in de rest van Spanje. Maar door dit niet te doen, miste de POUM een gouden kans. Dat opende de weg naar een fascistische overwinning.

Een van de noodzakelijke stappen om de revolutie tot een overwinning te brengen, was de vestiging van arbeidersraden. Tijdens de Spaanse revolutie werden geen dergelijke raden gevormd, het was een van de cruciale zwakheden van de revolutie. Geen enkele van de partijen steunde stappen in de richting van het opzetten van raden. De arbeidersraden (in het Russisch ‘sovjets’) die tijdens de Russische revolutie tot stand kwamen, omvatten op de werkplaatsen verkozen vertegenwoordigers die permanent afzetbaar waren. Elke partij nam deel aan de verkiezingen en de sovjets werden zowel organen van strijd als de potentiële basis voor een nieuwe arbeidersstaat met de coördinatie in regionale en nationale congressen.

De linkerzijde van de PSOE verzette zich tegen de vorming van arbeidersraden met het argument dat de PSOE zelf zo’n rol moest spelen. Ze was ook voorstander van een fusie met de stalinisten. Anders gezegd: alles moest wachten tot een meerderheid van de arbeiders besloot om bij de PSOE aan te sluiten. Er kwamen in Spanje comités met vooral gecompromitteerde vertegenwoordigers van verschillende partijen in plaats van de massa’s te betrekken, te vertegenwoordigen en te organiseren in de revolutionaire beweging. De milities waren allemaal afzonderlijk georganiseerd per partij. In de milities werden de commandanten aangeduid door de partijleiders.

De burgeroorlog duurde tot 1939 toen Franco uiteindelijk won. De nederlaag van Barcelona in 1937 was een keerpunt. Hierna was het eerder een militair conflict waarin de massa’s steeds meer ontgoocheld raakten. De burgeroorlog eindigde met een dictatuur in beide delen van Spanje. De ‘republikeinse’ kolonel Casado greep samen met José Miaja de macht van de ‘democratische’ republikeinen en begon vredesonderhandelingen met Franco. Het leidde tot de ineenstorting van het door de republikeinen gecontroleerde gebied en Franco werd de dictator van Spanje.

Het moderne Spanje is erg verschillend van dat in de jaren 1930. De strijd in de komende jaren zal een andere vorm aannemen. Maar de lessen van de arbeidersstrijd tijdens de revolutie en de gebeurtenissen in de burgeroorlog zijn van groot belang voor de werkenden en jongeren die internationaal willen strijden tegen racisme, extreemrechts en het kapitalisme. Als deze lessen getrokken worden, zullen de opofferingen van deze heldhaftige generatie in de jaren 1930 niet voor niets geweest zijn.

 

Chronologie van de gebeurtenissen

1931

  • April: revolutie vestigt de tweede republiek. Koning Alfonso gaat in ballingschap. Hervormingen doorgevoerd
  • Juli-augustus: stakingsgolf. Algemene staking in Sevilla wordt neergeslaan door de republikeinse regering

1933

  • November: verkiezingen gewonnen door rechts en de monarchisten

1934

  • Oktober-november: algemene staking leidt tot nederlaag. Commune van Asturië bloedig neergeslaan door Franco

1935

  • Augustus: Communistische Internationale komt naar buiten met het beleid van het Volksfront
  • September: POUM opgericht

1936

  • Februari: Volksfront verkozen, massale revolutionaire beweging
  • Juli: fascistische opstand begint in Marokko en verspreidt zich naar Spanje. Arbeiders grijpen naar wapens nadat Catalaanse Generalitat weigerde om hen te bewapenen
  • Augustus: niet-interventiepact van Frankrijk en Groot-Brittannië
  • September: Largo Caballero wordt premier op voorwaarde dat de PCE deel uitmaakt van de regering. CNT en POUM treden bij tot de Generalitat
  • Oktober: regering beëindigt de onafhankelijkheid van de milities. Begin van de belegering van Madrid
  • November: anarchisten worden deel van de centrale regering in Madrid
  • December: POUM uit de Catalaanse regering gezet

1937

  • April: de Baskische stad Guernica wordt gebombardeerd door luchttroepen van nazi-Duitsland en Italië
  • Juni: POUM verboden, leiders ervan worden opgepakt

1938

  • Januari: bombardement van Barcelona
  • April-juni: troepen van Franco snijden Spanje in het midden door
  • September: laatste gevechten door de internationale brigades

1939

  • Januari: Barcelona geeft zich op, in maart gevolgd door Madrid en Valencië
  • Februari: Frankrijk en Groot-Brittannië erkennen het bewind van Franco
  • Augustus: Stalin-Hitler pact
Print Friendly, PDF & Email