“Geen hervormingen meer zonder revolutionaire strijd”. Tekst LSP-congres 2015

Deze tekst is ook in boekvorm verkrijgbaar of je kan de pdf downloaden.

We publiceren hier de politieke resolutie zoals die geamendeerd en goedgekeurd werd op het congres van LSP in november 2015. Dat greep plaats drie jaar na het vorige, een jaar langer dan voorzien in de statuten. Dat komt doordat het NC vorig jaar besliste het congres met een jaar uit te stellen om alle kracht op het actieplan van de vakbonden te kunnen richten. Deze beslissing werd op het congres bekrachtigd.

-> PDF van deze tekst

De voorbije drie jaar waren niet van de minste. Het proces waarbij elementen van revolutie en contrarevolutie afwisselend de bovenhand halen, bleef aanhouden. In het Midden-Oosten betalen de massa’s het falen van de revoluties met wanhoop, contra-revolutie, burgeroorlog en barbarij, maar zien we ook een aantal elementen van herstel van de klasse. In Europa kwam voor het eerst in decennia een Griekse regering aan de macht waarvan veel arbeiders dachten dat ze de hunne was, tot ook zij het volgende memorandum goedkeurde. In Engeland werd een linkse rebel tot voorzitter van Labour verkozen. In de VS is een soortgelijke rebel de belangrijkste uitdager van Hillary Clinton. Alles samen biedt dat enorme kansen voor onze stroming. Vooral in de VS, Zuid-Afrika en Brazilië konden we die in de voorbije periode benutten, maar we denken dat het aantal kansen in de komende periode zal toenemen.

Ook in België is met het aantreden van de rechtse regering een keerpunt bereikt. Het actieplan van de vakbonden in het najaar van 2014 was uniek in haar soort. We hebben deze kans maximaal benut om onze jongerenwerking een impuls te geven, een aantal verloren gegane tradities van de klasse te beginnen herstellen en onze eigen posities fors te versterken. Velen waren, zoals marxisten dat uitdrukken, dronken van revolutie en verloren de talloze complicaties uit het oog. Ze werden daar in het voorjaar brutaal aan herinnerd. De actiebereidheid bleef – zoals we op 7 oktober konden vaststellen – overeind, maar veel van de illusies maakten plaats voor teleurstelling en woede. In de komende maanden zullen we meermaals de kans krijgen om die om te buigen naar vastberadenheid. We hopen dat dit zich in het voorjaar van 2016 vertaalt via de verkiezing van talloze strijdsyndicalisten.

De congresteksten werden geschreven lang voor de afschuwelijke aanslagengolf door IS op en rond 13 november in Parijs, Beiroet, Bagdad en Tunis en de angstpsychose die erop volgde. Uiteraard werd daar op het congres uitgebreid op ingegaan. De grondslag van die discussie werd nadien neergeschreven in een reeks artikels op socialisme.be en vooral in De Linkse Socialist van december 2015. Voor LSP moet veiligheid niet onderdoen voor de sociale kwestie, maar is het er juist deel van. We hebben begrip voor diegenen die in shock zijn; het zou er nog aan ontbreken. We begrijpen dat velen maatregelen om meer politie en delen van het leger op straat te brengen ondersteunen. We denken echter dat noch het buitenland- noch het binnenlandbeleid van Michel I de terreurdreiging zal verminderen, integendeel. We betwijfelen eveneens of het haar wel echt om onze veiligheid te doen is. Chique hotels hebben soldaten en politie voor de deur, maar scholen in achtergestelde wijken moeten het stellen met een patrouille. Metrostations werden gesloten, maar niet het centraal station of de noord-zuid as van de NMBS. Die inconsistentie vloeit voort uit de echte betrachting van deze regering: haar imago in het buitenland oppoetsen en misschien ook wel van de gelegenheid gebruik maken om te testen hoe ver ze kon gaan.

Een congres van LSP beperkt zich niet tot een tweedaagse bijeenkomst, zelfs niet tot de niet minder belangrijke 6 weken discussie over de congresteksten. Onze analyses en de taken die we uit die analyses afleiden worden dag in dag uit aangescherpt op basis van onze concrete ervaringen. De congresperiode is eerder een moment waarop onze analyses in herinnering gebracht worden, nagegaan wordt in welk stadium we ons bevinden, wat de meest waaschijnlijke verwachtingen zijn, hoe we daarop inspelen qua programma, strategie, taktiek en oriëntatie en welke prioritaire taken we daaruit distilleren.

Niet elk lid is op ieder moment mee met elk onderdeel van onze analyse. Om daaraan te remediëren, hen de kans te bieden opnieuw aan te haken en het meteen op te slaan voor de toekomstige generaties, opteren we ervoor de belangrijkste gebeurtenissen en onze interpretaties ervan op te slaan in een tekst over perspectieven. Het is de bedoeling dat leden dat, telkens wanneer nodig, snel terug kunnen opdiepen. Het zorgt er wel voor dat de congresperiode voor sommigen, zelfs voor ervaren leden, wat kort kan uitvallen om alles te verwerken. Anderen zullen in eerste instantie slechts enkele begrippen mee hebben, terwijl een groot deel van de perspectieven hen nog boven het hoofd stijgt. Ze hoeven zich daarover geen zorgen te maken: we nemen met zoveel mogelijk leden de nodige tijd om alle informatie te verwerken. Met sommigen zal dit nog lukken voor het congres, bij anderen kan het wat meer tijd in beslag nemen, maar de globale doelstelling blijft bewuste en politiek geschoolde leden die met kennis van zaken onze analyses, programma, strategie en taktiek mee helpen ontwikkelen. Dat is hoe wij echte democratie zien.

Het congres wordt samengesteld uit afgevaardigden, maar ook wie geen afgevaardigde is, is welkom op het congres en heeft spreekrecht. Enkel afgevaardigden hebben effectief stemrecht, de anderen zal om een raadgevende stem gevraagd worden. Als de beschikbare tijd te beperkt is om iedereen aan het woord te laten, krijgen afgevaardigden voorrang. In een eerdere tekst schreven we: “Om echte discussie op het congres mogelijk te maken, verkiezen de afdelingen a rato van de leden die in orde zijn met hun ledenbijdragen, een aantal afgevaardigden, mensen waarvan ze de de sterktes en de zwaktes kennen en die de afdeling beschouwt als de beste woordvoerders van elke in de afdeling aanwezige trend. Ze nemen deel aan het congres zonder vooroordeel. Met de bedoeling zich te verrijken aan de bundeling van de inzichten van alle afdelingen en zonder een bindend mandaat, want het congres is souverein. Op basis van deze discussies, inzichten en uiteindelijke beslissingen verkiezen ze een nationale leiding, liefst een ploeg, die behalve haar deelname zoals ieder lid aan de dagelijkse uitvoering in het kader van zijn/haar afdeling, ook nog, de taak op zich neemt om het congres na haar ontbinding te blijven vertegenwoordigen tot een volgend congres haar van die taak ontlast.

Voor het Uitvoerend Bureau
Eric Byl


Internationale en Belgische vooruitzichten voor een uitgeleefd kapitalisme

Geen hervormingen meer zonder revolutionaire strijd

Met de lengte van de titels van perspectievendocumenten wordt al eens gelachen. Die van 2012 had er een extra lange: “Aan de vooravond van nieuwe, nog heviger conflicten beginnen de klassentegenstellingen zich ook op het politieke terrein te uiten. Structurele crisis kapitalisme vereist socialistisch programma”. Achteraf bekeken was dat een behoorlijk accurate beschrijving van de ontwikkelingen en de uitdagingen die ons te wachten stonden. Het laatste nationaal congres van LSP dateert dus van december 2012. Vorig jaar besliste het nationaal comité immers om het congres met een jaar uit te stellen. Dat was nodigom de volledige partij en haar periferie toe te leggen op het actieplan van de vakbonden tegen de maatregelen van de regering-Michel.

De voorbije drie jaar waren niet van de minste. Het wereldkapitalisme is haar crisis van 2008-2009 nog steeds niet te boven gekomen. Groeicijfers blijven historisch laag en nog steeds moeten overheden, centrale banken en internationale instellingen met goedkoop geld de economie aan de praat houden en regelmatig uitrukken om uitslaande branden te blussen.[1]

“Als de welvaartsmotor nu niet aanslaat, wanneer dan wel?” vraagt Bart Sturtewagen zich in De Standaard af.[2] Sedert halfweg 2014 is de oliemarkt in elkaar gestuikt. Olie is op een jaar tijd ruim de helft goedkoper geworden. Alle energie- en grondstoffenprijzen volgen die dalende trend.De prijzenindex voor grondstoffen (Commodity Research Bureau)heeft haar laagste peil in 16 jaar bereikt, en dat was nog voor de onrustwekkende economische vertraging in China.[3] Tegelijkertijd is geld spotgoedkoop. De rentevoeten, zeg maar de kostprijs van geld, staan dicht bij nul. Sinds het begin van de crisis neemt bovendien de toename van de nominale loonkosten jaar na jaar af.[4]Dat zijn ideale voorwaarden om te investeren, maar het gebeurt niet. In de woorden van Sturtewagen: “geld en olie klotsen tegen de plinten, maar de economie blijft kwakkelen.”

Sturtewagen vraagt zich af of we iets over het hoofd zien dat over een paar jaar, in de voorspellingen achteraf, vanzelfsprekend zal klinken. Ernstiger analisten kunnen zich dat wachten op Godot niet veroorloven.[5] In haar rapport van eind vorig jaar – “de motor doen aanslaan en in een hogere versnelling schakelen”[6] – prijst de OESO het soepele monetaire beleid van de VS en Groot-Brittanië. Tegelijk raadt dit rapport de Europese centrale Bank (ECB) en de Europese Commissie (EC) aan om het harde bezuinigingbeleid te laten varen. Zoniet, aldus de OESO, dreigt een gevaarlijke combinatie van vraaguitval, nulgroei en deflatie waarop het beleid geen vat meer krijgt omdat het proces een zelfvoedend karakter krijgt.

Vooropig lijkt dat van de baan. Maar wat zou gebeurd zijn indien de ECB haar rentevoet in september 2014 niet verlaagd had tot 0,05% en vooral indien ze niet tegelijk een aankoopprogramma voor obligaties ten belope van 1.000 miljard euro had aangekondigd om de kredietverlening te stimuleren? Het spookbeeld van Japan was niet meer veraf. Japanzonk 7 jaar na haar bankencrisis van 1987 weg in deflatie.Het kampt net als Europa vandaag met torenhoge overheidsschulden, superlage rentes en vergrijzing van de bevolking.Al 25 jaar lang glijdt Japan om de zoveel maanden wegin recessie.[7]Bij Japanse problemen horen Japanse remedies, moet ECB-voorzitter Draghi gedacht hebben. Zijn beleid van massaal veel geld in de economie pompen, wordt nu al Draghenomics genoemd naar analogie met de Abenomics van de Japanse premier.

Bijna-dood-ervaring voor de Eurozone

Intussen zijn de ECB en de Europese Commissie erin geslaagd een andere nachtmerrie af te wenden:een Grexit die wellicht het begin had ingeluid van het ontbindingsproces van de eurozone. De Griekse regering-Tsipras is gezwicht voor de dreigementen en sabotage. Had ze geen keuze? De overgrote meerderheid van de bevolking (61%) had nochtans in het referendum van 5 juli te kennen gegeven dat ze de wurg- en woekervoorwaarden van de ‘instellingen’ voor nieuwe leningen verwierp. De arbeidersbeweging en vooral de jongeren waren massaal gemobiliseerd in de campagne voor de neen. Ze hadden zich niet laten misleiden door de media en waren bereid de confrontatie met Junker en Cie aan te gaan. Ze waren zich bewust van de honderden solidariteitsbetogingen elders in Europa en dat wellicht nooit eerder zoveel anderstaligen het Grieks voor neen (Oxi) kenden.Velen keken al reikhalzend uit naar de resultaten van links in de Spaanse verkiezingen dit najaar.

In “Whither France” beschrijft Trotsky hoe in de jaren ’30 hervormingen of concessies van de regering al een tijd lang enkel nog voorkwamen als een nevenproduct van revolutionaire strijd.[8] Elementen daarvan zijn ook vandaag aanwezig. Tsipras en ook Varoufakis hadden dat niet begrepen. Ze dachten verkeerdelijk de troika met argumenten te kunnen overtuigen om een einde te stellen aan de ondraaglijke besparingen.De regering-Tsipras had noch de analyse, noch het programma, noch het kaliber om het mandaat van het referendum uit te voeren en bezorgde de talloze enthousiaste activisten een ijskoude douche. Het is deel van het pijnlijke rijpingsproces waar de arbeidersbeweging door moet. Het zal wellicht leiden tot een tijdelijke demoralisatie, mogelijk een versterking vanGouden Dageraad, maar legt ook de basis voor een nieuwe linkse formatie, Volkseennheid genoemd, naar analogie met de Unidad Popular van Salvator Allende.

Veel tijd om te bekomen van deze bijna-dood-ervaring heeft het Europese establishment niet gekregen. Tsipras is nog maar net in het gelid of er staat al een nieuw enfant terrible op de stoep. Jeremy Corbyn heeft het gehaald in de voorzittersverkiezingen van Labour. Alsof het Europees establishment al niet genoeg zorgen om het hoofd had met de opmars van Schots nationalisme en de belofte van Cameron voor een referendum over een Brexit. Het partij-establishment zal Corbyn saboteren enmogelijk een splitsing ensceneren. Labour recupereren voor de arbeidersbeweging wordt aartsmoeilijk en betekent sowieso een fundamentele verandering van die partij.Toch staat nu al vast dat de verkiezing van Corbyn een keerpunt is in het proces om de krachten bijeen te brengen voor een nieuwe arbeiderspartij. Haar rol in het bijeen brengen van activisten en syndicalisten binnen TUSC(Trade Union and Socialist Coalition)maakt van de Socialist Party (LSP in Engeland en Wales) een moeilijk te omzeilen factor in dit proces.

Ondanks alle subjectieve hinderpalen, teleurstellingen, verraad en nederlagen, doetde crisis van het kapitalisme het objectieve proces van de vorming van nieuwe arbeiderspartijen steeds krachtiger opflakkeren. In bijna alle landen in West-Europa zijn intussen nieuwe‘radicaal’ linkse formaties ontstaan, links van de sociaaldemocratie en de groenen. Het tijdperk dat men zich door een stem voor ‘radicaal’ links in de marge van de maatschappij plaatste, begint te keren. Tot recentwas dat uitsluitend een proteststem, zonder ambitie om het beleid te wijzigen, dat hetexclusieve terrein van de regerings-en oppositiepartijen van het esthablisment bleef.

Dat kenmerk is nogaltijd dominant. Machtsdeelname door sommige ‘radicaal’ linkse partijen als junior-partner op lokaal, regionaal of nationaal vlak, heeft dat niet gekeerd. Maar ondanks het verraad heeft de vorming van de Syriza-regering, de overname door linkse eenheidslijsten van het stadsbestuur in een tiental Spaanse steden waaronder Mardrid en Barcelona en nu het voorzitterschap van Corbyn,daarin een – beetje -verandering op gang gebracht.Het is niet langer geheel ondenkbaar dat misschien ook een linkse kracht die de maatschappij echt wil veranderen daarvoor voldoende steun kan verwerven.

Dat is niet zomaar ‘bijkomstig’. Wie in deze eerste kleine overwinningen slechts de illusies en het verraad ziet en geen oog heeft voor de zoektocht naar een alternatief programma en daarbij horende organisatie, kan nooit een revolutionaire massapartij bouwen. Dat gebeurt immers niet in een ingebeelde ideale omgeving, maar in de reële wereld, waar het onmogelijk is abstractie te maken van de onvermijdelijke illusies waar de massa’s door moeten.

Dat was waarom Marx zo hard uithaalde naar de purist Weitling tijdens diens bezoek in 1846 aan Brussel[9], waarom de communistische internationale in haar 21 toelatingsvoorwaarden naast voorwaarden gericht tegen het reformisme en het centrisme ook een belangrijke voorwaarde opnam die aandringt op het werken inde massaorganisaties.[10] Het is de reden waarom Trotsky de Amerikaanse trotskisten in de jaren ’30 aanspoorde naast de revolutionaire partijook een bredere Labor Party te propageren en in Europa aandrong dat de trotskisten zouden aansluiten bij de sociaal-democratie die toen een strijdtoneel was van linkse en rechtse stromingen. Het is ook waarom het CWI, in tegenstelling tot hopeloze sectairen,denkt dat het opbouwen van revolutionaire partijen slechts mogelijk is door de arbeidersbeweging bij te staan inhet afrekenen met haar illusies, in plaats van universele waarheden te debiteren vanop de zijlijn.

Zes tot zeven jaar economische crisis en stagnatie heeft het politieke establishment in Europa fors dooreen geschud. In die mate dat de Deutsche Bank een studie wijdt aan ‘populistische’ partijen in Europa.[11] Ze bedoelt daarmee partijen van ‘radicaal’ links en uiterst rechts. Onder de redenen waarom voor die partijen gestemd wordt, haalt ze de economische toestand, de werkloosheid, de migratie en de druk op ons sociaal stelsel aan. Allemaal verschijnselen waarvoor het establishment geen oplossing meer vindt. De bank had er ook de wijdverspreide corruptieschandalen en het nationale vraagstuk kunnen aan toevoegen. Het valt op dat onder de geciteerde ‘populistische’ partijen geen enkele regionalistische of nationalistische voorkomt. Dat ligt wellicht gevoelig.

De studie bevestigt dat als links geen antwoord biedt, rechts populistische of neo-fascistische partijen de leegte zullen opvullen. In Oostenrijk staat de FPÖ met 27% op kop in de peilingen, in Frankrijk moest het FN in maart met 25% in de eerste ronde enkel de UMP laten voorgaan. Uiteraard levert dat complicaties op. De vorming van linkse formaties berust echter op solider fundamenten. Het beantwoordt aan een objectief proces: de sterkte van de arbeidersbeweging.Verkiezingsuitslagen van rechts-populistische en neo-fascistischeformaties kunnen schijnbaar indrukwekkender zijn, maar zijn gebaseerd op een oppervlakkiger fundament, hoofdzakelijk de subjectieve frustraties over het gebrek aan een links alternatief.Dat kankeren als de arbeidersbeweging een hele reeks fundamentele nederlagen oploopt, maar dit is niet het meest waarschijnlijke perspectief.

Hoewel het CWI als enige politieke stroming sinds het begin van de jaren ’90 de vorming van nieuwe arbeiderspartijen had zien aankomen, bleven we lange tijd toeschouwers die geen of nauwelijks krachten ter plekke hadden. Denk maar aan de Rifundazione in Italië of pakweg het Links Blok in Portugal. Pas in het nieuwe millennium werden we deelnemers. Nu lijkt het erop dat we stilaan doordringen naar de kern van het proces. Het derde memorandum betekent economische zelfmoord voor Griekenland. Voor de arbeiders en hun gezinnen komt het neer op een nog dieper sociaal drama. Tsipras wou snel nieuwe verkiezingen vooraleer duidelijk werd wat hij juist getekend had. Intussen heeft hij die gewonnen met een percentage vergelijkbaar met dat van januari 2015. De enorme demoralisatie blijkt echter uit de historisch lage deelname: minder dan 50% ondanks kiesplicht. Syriza zelf verloor 320.000 kiezers.

In tegenstelling tot in Italië – waar het verraad van de Rifondazione Comunista in de regering-Prodi II (mei 2006 – januari 2008) de arbeidersbeweging onthoofdde en achterliet zonder enige politieke vertegenwoordiging – ontstond in Griekenland uit het verraad van Tsipras de nieuwe linkse formatie Volkseenheid (LAE). Die miste vooral door de algemene demoralisatie, ook door de korte tijd om zich te organiseren en helaas de pedante en ondemocratische houding die de leiding aanvankelijk innam, op een haar na de kiesdrempel (2,87% ipv 3). De toekomst van LAE blijft daardoor onzeker. Als LAE echter tot leven komt, dan zal Xekinima – LSP in Griekenland -daarin wellicht een belangrijke rol spelen. Xekinima heeft immers het respect van veel activisten door haar reputatie van meest consequente pleiter voor eenheid van niet-sectair links rond een anti-kapitalistisch programma, met onder andere het initiatief van de 1000, dan de lokale linkse allianties, dan de beweging van de 17e juli en tenslotte het onderschrijven van de oproep tegen het nieuwe memorandum.

Maar vooral in de Ierse Republiek met de Anti-Austerity Alliance kunnen we voor het eerst dé sleutelrol spelen in dit proces. Zeker nu ruim meer dan twintig activisten, waaronder parlementslid Paul Murphy, lid van de Socialist Party -LSP in Ierland – voor de rechter gesleept worden voor de ‘gijzeling’ van Labour-minister Joan Burton. Benieuwd hoe het zal overkomen als Burton nauwelijks enkele maanden voor de verkiezingen als centrale getuige moet optreden in een proces tegen de slachtoffers van haar besparingsbeleid. Die hebben het immers aangedurfd te protesteren in een context waarin 57% van de gezinnen weigeren de nieuwe gehate waterbelasting te betalen. Niet alleen in de rechtzaal, maar tot in het parlement zullen onder meer de drie parlementsleden die lid zijn van de Socialist Party daaraan herinneren.

Aanslepende economische moeilijkheden ondermijnen overal de maatschappelijke stabiliteit. Tegenstellingen worden daardoor scherper, oplossingen radicaler en de gebeurtenissen volgen elkaar in sneller tempo op. De autoriteit van de traditionele instrumenten van heerschappij en de efficiëntie van klassieke mechanismes van overleg en conflictbeheersing, laten het afweten. Dat zorgt er niet alleen voor dat de ruimte voor geleidelijkheid afneemt en hervormingen haast enkel nog voorkomen als nevenproduct van revolutionaire strijd, maar ook dat de situatie snel kan keren. Plotse veranderingen en scherpe wendingen zijn kenmerkend voor dit tijdperk.

VS – tweepartijenstelsel op de helling

In de VS hebben beide partijen van het grootkapitaal eveneens af te rekenen met presidentiële kandidaten die ze verafschuwen. Bij de Republikeinen ligt Trump nog steeds voorop, maar vooral de slechte peilingen voor Jeb Bush verontrusten het partijestablishment. Bij de Democraten lijkt Sanders op weg om de belangrijkste uitdager van Clinton te worden. De opflakkering van verzet aangekondigd door the Battle of Seattle (1999) en opnieuw aangewakkerd met de Occupy-beweging, 15Now en Black Lives Matter, begint zich nu ook op federaal vlak politiek te weerspiegelen. Alleen Socialist Alternative – LSP in de VS – had die trend zien aankomen en heeft er met haar verkiezingsdeelnames berekend, maar stoutmoedig op ingespeeld. Het is er dankzij de verkiezing van Kshama niet alleen in geslaagd daar erkenning voor af te dwingen, maar ook het proces op zijn beurt te versterken door de eis van een minimumloon van 15 $ te transformeren van propaganda naar agitatie en op de politieke agenda te plaatsen. En verder ook omhet proces te versnellen door de druk op Sanders om te kandideren voor het presidentschap op te drijven.

Het perspectief van de OESO dat de Amerikaanseeconomie ‘stevig vooruit zou stomen’ was veel te optimistisch, maar er is wel degelijk herstel, het traagste sinds 1945.[12]Dat volstaat echter om het zelfvertrouwen vande arbeidersbeweging te versterken en helpt de populariteit verklaren van de eis voor 15$. De VSprofiteren van lage energieprijzen, de instroom van kapitaal op zoek naar veilige havens en het nulrentebeleid. Maar dat creëert tegelijk nieuwe schuldenbubbels, waarmee de FED volgens Stephen Roach, ooit een toonaangevende stem in Wall Street, de kiemen voor de volgende crisis zaait.[13]Volgens de voormalige hoofdeconoom van de Bank voor Internationale Betalingenliggen de schulden van de bedrijven, de gezinnen en de overheden in de twintig grootste economieën nu zelfs 30% hoger dan in 2007.[14]De rentevoeten moeten bijgevolg dringend opgetrokken worden, maar dat is niet zonder gevaar. Toen de FED in mei 2013 aankondigde te zullen “taperen” – de maandelijkse injectie van vers geld in de economie af te bouwen – veroorzaakte dat wereldwijd paniek op de financiële markten. Het verklaart de extreme omzichtigheid waarmee Janeth Yellen, huidig gouverneur van de FED, aankondigt dat de FED overweegt op 17 september de rente op te trekken mits een derde gunstig banenrapport.

Daar komt nu nog een complicatie bij. In “de motor doen aanslaan en in een hogere versnelling schakelen” was de OESO er nog van overtuigd dat vooral de groeilanden stevig vooruit zouden stomen. Enkele maanden later wordt Brazilië geteisterd door recessie, inflatie, een fiscale crisis en massaprotest. De Chinese vastgoedmarkt stuikt in elkaar, op de beurzen van Shangai en Shenzen gaat tot 4.000 miljard € in rook op, de industriële productie en de export nemen fors af. De Russische economie kende in het tweede kwartaal van 2015 een krimp van -4,6% ten opzichte van hetzelfde kwartaal in 2014, nadat ze ook in het eerste kwartaal al met -2,2% gekrompen was ten opzichte van datzelfde kwartaal een jaar eerder. De 15 grootste groeilanden kennen de grootste kapitaaluitstroom sinds het begin van de Grote Recessie in 2009 en die stroom gaat vooral naar de VS. Als Yellen de rentevoeten optrekt, zal die stroom nog extra vaart nemen. Maar intussen weten we dat Yellen die nochtans dringend geachte maatregel heeft uitgesteld. Intussen blijven de schuldenbubbels toenemen.

Hun moraal, onze verontwaardiging

De burgerlijke economen raken er niet meer aan uit. Ze spreken elkaar en zichzelf tegen. Het stoort Peter Vanden Houte, hoofdeconoom bij ING, dat de Amerikaanse economieprofessor Larry Summers, voormalig minister van Financiën onder Clinton, het heeft over ‘seculiere stagnatie’.[15] Dat was de terminologie die na de Grote Depressie van de jaren ’30 uitdrukte dat men nog jaren van ondermaatse groei verwachtte. Volgens Vanden Houtte is dat te pessimistisch: “het is niet onmogelijk dat zich de komende jaren omwille van nieuwe baanbrekende innovaties een positieve productiviteitsschok voordoet”.“De voorspelling van eeuwig durende stagnatie is ook na de Grote Depressie geen werkelijkheid geworden”, voegt hij eraan toe, maar “de doemdenkers hebben wel een punt als ze zeggen dat er eerst een wereldoorlog tussen zat voordat de periode van grote economische vooruitgang aanbrak.”Een paar maand later besluit diezelfde Vanden Houte een artikel waarin hij de situatie in China vergelijkt met die van Japan in de jaren ’90: “Het is nog niet helemaal duidelijk wat we van de Chinese ecomomie in de komende jaren mogen verwachten, maar dat de groei volatieler en gemiddeld lager zal uitvallen, lijkt wel vast te staan.”[16]In dat artikel verwijst hij ook naar de beruchte middeninkomensval. Wij gingen daar in 2011 al uitgebreid op in.[17]

Het tijdperk van de zogenaamde rationaliteit – de idee van de klassieke economen dat het algemeen belang het best gediend is als ieder zijn eigenbelang nastreeft – ligt al een tijd onder vuur. De meest opvallende bekeerling is voormalig Thatcheriaan en oud-VLD-parlementslid Paul De Grauwe. Maar ook Mia Doornaert van De Standaard wijst er in “de wraak van het kapitaal”[18]op dat de welvaart in West-Europa voor de val van de Berlijnse muur (november 1989) “niet te danken was aan de ongebreidelde vrije markt, maar aan de politiek, door een welbewust beleid van herverdeling van de rijkdom.”… “In het hart van Europa werd immers de competitie uitgevochten tussen het communisme en de vrijheid.” (Ze bedoelt het kapitalisme.) “Mede uit die strijd is de verzorgingsstaat geboren… als iemand geprofiteerd heeft van het bestaan van de Sovjet-Unie en haar imperium, dan was het de West-Europese werknemer.” Ze besluit: “Er bestaat geen systeem dat automatische welvaart en welzijn genereert. Daarvoor zal altijd een politiek beleid nodig zijn dat over hetdelicate evenwicht tussen vrijheid en solidariteit waakt. En dat dus de morele spelregels doet naleven, ook door de markten.”

Zelfs Ivan Van de Cloot van de rechtse denktank Itinera vindt het stilaan welletjes[19]. Hij klaagt aan dat 43% van alle financiële activa in de ongeveer 8000 Europese banken zich op de balans van 15 grootbanken bevindt en dat slechts 10% van de verhandelde financiële producten betrekking hebben op de reële economie! Dat minder dan 10% van alle schuldpapier verband houdt met niet-financiële ondernemingen. Dat maar 5% van de wisselkoersactiviteit te maken heeft met werkelijke import en export van goederen en diensten. “De Europese financiële sector drijft dus hoofdzakelijk handel met en in zichzelf. Er wordt op grootschalige wijze aan inteelt gedaan.” “Het beste wat ons kan overkomen”, besluit Van de Cloot, “is de ondergang van een bepaald soort kapitalisme, meer bepaald de ondergang van het ‘transactie-gebaseerde financiële kapitalisme’. We moeten terug naar een ‘relatie-gebaseerd kapitalisme.” Van de Cloot belandt uiteindelijk op hetzelfde punt als Mia Doornaert: “Economie is enkel zinvol als ze moreel is.”[20]

Die vraag naar meer moraliteit is uiteraard wel ergens op gebaseerd. Volgens Oxfam – maar de cijfers worden betwist – zou het vermogen van de 80 rijksten wereldwijd in 2014 evenveel bedragen als dat van de 3.500.000.000 armsten. In 2010 waren daarvoor nog de 388 rijksten vereist.[21]Een rapport van Oxfam in 2012 stelde dat de 240 miljard $ die de 100 rijksten dat jaar verdiend hadden, volstond om 4 keer de wereldwijde extreme armoede te beëindigen![22]In het Global Risk Report, het jaarlijks verslag voor het Wereld Economisch Forum opgesteld door 700 experten over de grootste risco’s voor de komende 10 jaar, staat de groeiende ongelijkheid helemaal bovenaan als grootste bedreiging.[23]Het loon van de patroons van de grote groepen op de Londense beurs – basisloon, bonussen, stockoptions en andere voordelen inbegrepen, maar uiteraard niet dividenden of andere kapitaalinkomsten – bedroeg in 2010 gemiddeld 160 keer de wedde van hun doorsnee voltijdse werknemers; in 2014 was dat al 183 keer.[24]Een doorsnee voltijdse werknemer van die groepen heeft dus 15 jaar en 3 maand nodig om te verdienen wat de patroon op een maand incasseert, tegenover 13 jaar en 4 maand 4 jaar geleden!

Het enige excuus dat men nog kan verzinnen is dat de hedendaagse superrijken nog moeten onderdoen voor een aantal historische figuren. Daarvoor werd een speciaal meetmodel uitgewerkt. MeasuringWorth.com houdt niet alleen rekening met bezittingen, maar ook met de impact ervan t.o.v. het BBP, de technische mogelijkheden etc. Bill Gates zou pas de 9de rijkste uit de geschiedenis zijn, voor Dzjengis Kahn (10de), maar na Rockefeller (7de) , Stalin (5de) en de Romeinse keizer Augustus (2de).[25] De Afrikaanse koning der koningen van het rijk van Mali, Manse Moussa (einde 13de, begin 14de eeuw) zou de rijkste aller tijden zijn. Of dat het minder erg maakt dat zowat 4700 miljard euro aan financieel vermogen weggestopt zit in fiscale paradijzen en de fiscus daardoor jaarlijks 130 miljard € aan inkomsten derft, durven we betwijfelen.[26]Net zomin als de wettelijke vrijstelling van het betalen van belastingen op haar jaarloon van € 380.939 Christine Lagarde, algemeen directrice van het IMF, moreel vrijpleit als ze meent de Grieken te mogen vermanen hun belastingen correct te betalen.[27]Maar het hoeft niet onwettelijk of van bedenkelijke morele standaard te zijn om verontwaardiging op te wekken. Uit een studie van vermogensbeheerder Henderson Global Investors blijkt dat in 2014 bij de 1.200 grootste bedrijven ter wereld ruim 1.023 miljard euro wegvloeide naar aandeelhouders, 10,5% meer dan in 2013.[28]

Gebrek aan uitweg werpt existentiële vragen op

Er zijn jaren geweest waarin alles wat de kapitalisten aanraakten in goud leek te veranderen. Dat is voorbij. Nu heeft alles een donkere keerzijde. De lage grondstoffenprijzen zorgen er wel voor dat de consumenten minder besteden aan benzine, diesel of stookolie, maar het drukt ook de al lage inflatie die dreigt om te slaan in deflatie.[29] Dat kan er op zijn beurt toe leiden dat consumenten hun uitgaven uitstellen en er een zogenaamde liquiditeitsval ontstaat waardoor de lagere energieuitgaven zich niet of slechts gedeeltelijk vertalen in andere consumptie. Deflatie of dalende verkoopprijzen reduceren ook de winstmarge van de bedrijven.

Daar staat tegenover dat dalende energie- en grondstoffenprijzen ook een besparing zijn voor heel wat bedrijven, vooral in de transport en de luchtvaart. Maar voor de oliesector en haar toeleveranciers is dat niet het geval. Net zomin als voor olieproducerende landen als Venezuela, Rusland en pakweg Noorwegen.[30]Noorwegen is voor de helft van haar export afhankelijk van olie. Sinds de prijsdaling gingen er al 20.000 jobs in de sector verloren. In het eerste kwartaal van 2015 kende de Noorse economie een krimp van -0,1%.[31]Oliestaten als North Dakota of Louisiana moeten de minderontvangsten compenseren met bezuinigingen op de overheidsuitgaven. Oliedrillers stellen hun investeringen uit. Sinds juli 2014 zouden al voor 200 miljard $ aan investeringen bevroren zijn.[32]Het is dan ook de bedoeling van de OPEC en vooral Saoedi-Arabië om de ontwikkeling van schalieolie in de VS tegen te gaan door hun productie op een hoog peil te houden en zo de prijzen te drukken. Schalieolie is immers pas rendabel vanaf een koers van 60 à 75 dollar per vat, de ontginning van Saoedische aardolie is dat al vanaf 10 à 30 dollar per vat.[33]De huidige prijs schommelt rond de 40 $, het laagste peil sinds 2009.[34]De lage olieprijs zorgt er intussen ook voor dat minder geïnvesteerd wordt in alternatieve energiebronnen.[35]

Ook het soepele monetaire beleid waarvoor de OESO de VS en Groot-Brittanië prees, heeft een keerzijde. Volgens consultant McKinsey is de totale schuld – particulieren, bedrijven en overheden samen – van de belangrijkste economieën op wereldvlak sinds 2007 met 40% toegenomen tot 200.000 miljard $ of 286% van het globaal BBP. Het schaduwbankieren dat ontsnapt aande klassieke regulering is ook al tot 75.000 miljard $ gegroeid, evenveel als het globaal BBP.[36] De Bank voor Internationale Betalingen wijst erop dat naarmate de regels voor banken verstrengd zijn, de rol van durfkapitaalfondsen en vermogensbeheerders op de financiële markten toegenomen is. Ook zij zijn nu goed voor een investeringskapitaal van 75.000 miljard $ en, – wat erger is – een twintigtal fondsbeheerders heeft daarvan 40% in handen.[37]William White waarschuwt voor een nieuwe financiële crisis.[38]

Het kan niet anders dan dat zoveel tegenstellingen existentiële vragen opwerpen. Wat moeten we anders denken van de titel “de verwoestende kracht van ongelijkheid”[39] Of ook “Les robots pourraient occuper la moitié de nos emplois”[40] Of “Hoe technologie onze koopkracht dreigt weg te vreten”[41] Crisis is steeds een gevolg van een bijzondere samenloop van talloze verschillende factoren. Crisissen exclusief verklaren aan de hand van één enkele of zelfs een paar factoren is juist eigen aan de verschillende scholen van burgerlijke economisten, ongeacht of het om mercantilisten, klassiek-liberalen, de Oostenrijkse school, de historische school, het marginalisme, het utilitarisme, het monetarisme, het libertarisme, het keynesianisme, de neo-keynesianen, of nog anderen gaat.

Vooruitgang en kapitalisme

De kritische (of marxistische) economie bestudeert levende processen die op elkaar inhaken en elkaar beïnvloeden. Dat betekent daarom nog niet dat er geen wetmatigheden of tendentiële wetten – in tegenstelling tot zogenaamde ‘ijzeren’ of absolute wetten – werkzaam zijn, die eigen zijn aan de kapitalistische productiewijze:[42]de systematische neiging naar overproductie bijvoorbeeld, omdat de winst voortkomt uit de onbetaalde arbeid van de arbeiders. Neo-keynesianen als Paul De Grauwe, Paul Krugmann, Joseph Stiglitz of pakweg Yanis Varoufakis, hebben geen ongelijk als ze het achterop blijven van de vraag benadrukken. Volgens de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) hadden de lonen in de ontwikkelde landen na een teleurstellende toename met 0,1% in 2012 en 0,2% in 2013, eind vorig jaar nog steeds niet het niveau bereikt van voor 2007. De IAO denkt dat dit het zwakke herstel en het toenemend risico op deflatie in de Eurozone verklaart. Het achterblijven van de vraag door de ongelijke verdeling van de rijkdom is zeker in de huidige aanslepende crisis een zeer belangrijke factor.

De IAO bevestigt nog een andere “wetmatigheid’ onder het kapitalisme: dat het zijn eigen grafdelvers voortbrengt. Als de lonen op wereldvlak toch nog een zekere groei hebben gekend, dan is dat hoofdzakelijk te wijten aan een stijging in de groeilanden, met 6,7% in 2012 en 5,9% in 2013. Vooral in China heeft de arbeidersbeweging van de groei van de voorbije 15 jaar gebruik gemaakt om betere lonen af te dwingen: zonder China bedroeg de toename van de lonen op wereldvlak in 2013 geen 2%, maar slechts 1,1%.[43]

Geen enkele door Marx blootgelegde wetmatigheid werd echter meer betwist dan die over de (relatieve) verarming van de arbeidersklasse. Maar nu waarschuwt zelfs de OESO dat vermindering van de ongelijkheid noodzakelijk is. “De afgelopen decennia heeft 40% van de bevolking van de OESO-landen niet geprofiteerd van de groei; daardoor raakt ook een deel van de middenklasse achterop. Deze mensen krijgen slechter onderwijs, minder werk en minder kansen. Dat stopt de noodzakelijke sociale mobiliteit in onze lidstaten.” Volgens de OESO zouden de toegenomen inkomensverschillen tussen 1985 en 2005 de groei tussen 1990 en 2010 met 4,7% afgezwakt hebben. “Vroeger dachten we dat gelijkheid iets communistisch was”, zegt OESO-topman Angel Gurria. “Maar er is niets ideologisch aan. Meer inkomensgelijkheid zorgt voor meer economische groei, meer sociale cohesie en meer vertrouwen in de politiek.”[44]

Ongelijke verdeling is echter niet altijd een rem geweest op de economische groei onder het kapitalisme. Tot laat in de 19de eeuw was het samen met een ongebreidelde competitie juist een noodzakelijke voorwaarde om voldoende kapitaal te accumuleren waarmee een revolutie in de ontwikkeling van productiemiddelen op gang getrokken werd. De schrik van de toenmalige ambachtslieden, boeren, thuisarbeiders en manufactuurarbeiders voor het jobvernietigend effect van de introductie van machines was niet helemaal onterecht, maar uiteindelijk creëerde de industriële revolutie toch meer jobs dan de machines er vernietigd hadden. Vandaag verwijzen de patroons graag naar deze historische periode bij herstructereringen en bedrijfssluitingen. Arbeiders en vakbonden die zich daartegen verzetten worden conservatisme aangewreven. Het vergelijk met de Engelse luddieten die in het begin van de 19de eeuw de machines stuk sloegen, is nooit veraf. Maar zoals ongelijkheid is omgeslagen van een stimulans op vooruitgang naar een rem erop – in marxistische bewoordingen: ‘is omgeslagen in haar dialectisch tegendeel’ –, zo is vandaag ook het effect op de tewerkstelling van nieuwe technische en wetenschappelijke toepassingen anders dan in de ontstaansfase van het kapitalisme.

Technologische werkloosheid

Keynes erkende dat al in 1930, toen hij waarschuwde voor “technologische werkloosheid”: werkloosheid als gevolg van technische en wetenschappelijke vooruitgang. In een tekst waarin hij 100 jaar vooruitblikt, ‘naar de mogelijkheden waarvan onze kleinkinderen zouden kunnen genieten op voorwaarde dat er zich geen belangrijke oorlog of bevolkingsgroei voordoet’, oppert Keynes dat het kapitalisme die technologische werkloosheid zou absorberen door de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur te verminderen tot 15u/week of 3 uur /dag.[45]Die herverdeling van werk komt er echter niet zomaar. Ze wordt bepaald door de krachtsverhouding tussen arbeid en kapitaal. Na een periode van arbeidsduurverkorting ten tijde van de verzorgingsstaat, stellen we vandaag, naast een verlenging van de arbeidstijd en ophoping van de arbeidsdruk, massale structurele werkloosheid vast. Dat levert een leger van werklozen op – een arbeidsreserveleger noemde Marx dat – waardoor de prijs van arbeidskracht daalt en de positie van het kapitaal in de klassenstrijd versterkt.

Maar ook het bestaan van een arbeidsreserveleger levert in een bepaald stadium meer nadelen op dan voordelen voor de kapitalisten. Voorspellingen dat binnen één tot twee decennia het gebruik van steeds intelligentere robots 47% van de Amerikaanse jobs overbodig zullen maken, worden steeds ernstiger genomen.[46] Er bestaan intussen volledig geautomatiseerde bedrijven waar machines de klok rond draaien zonder menselijke tussenkomst; zogenaamde light-out bedrijven. Dat bedreigt niet alleen industriële jobs, maar ook bijvoorbeeld medische banen, met robots die dokters en verplegers bijstaan, of in het onderwijs met online-lessen.[47]Volgens een studie van ING zouden 2,2 miljoen van de 4,5 miljoen huidige jobs in België de komende decennia geautomatiseerd kunnen worden, waaronder 96% van de boekhouders, 95% van de verkopers, 93%van de belastingsambtenaren, 90% van de kelners, 86% van de postbodes, 66% van de verzekeringsmakelaars, 49% van de loodgieters etc.[48] Correspondent robotica en artificiële intelligentie Nico Tanghe bericht in De Standaard over zijn bezoek aan zo’n robotfabriek van de toekomst in Japan.[49] Op langere termijn dreigt dat de koopkracht van de lage en middenklasse te ondermijnen, waarschuwt Citygroup, en dat kan de economie verlammen.[50]

Wetenschap en techniek zijn ontwikkeld tot op een niveau waarop het kapitalisme niet langer in staat is het proces te beheersen. Nieuwe producten vergen soms jarenlange investeringen in kostbaar onderzoek. Het is een typisch verschijnsel van maatschappijen in verval om vooruitgang af te remmen. Dat geldt in zekere mate voor de onderdrukten – in dit geval de arbeiders die zich verzetten tegen innovatie vanuit het besef dat dit onder het kapitalisme leidt tot werkloosheid, uitsluiting en armoede. Maar het geldt nog veel meer voor de heersende klasse van kapitalisten, die net zoals hun feodale voorlopers de vrije ontwikkeling en noodzakelijke uitwisseling van wetenschap en techniek afschermen, in hun geval om de concurrentie voor te blijven. Het betekent een enorme verspilling. Zodra een product op punt staat, moet het bovendien in de kortst mogelijke tijd renderen. Vandaar het overvloedig gebruik van ongezonde volcontinue arbeid en een onmenselijk arbeidsritme; vandaar ook de vraag naar koopzondagen en 24-urencrèches; een 24-ureneconomie. Elk jaar pakt Apple uit met een nieuwe iPhone om niet achterop te raken. Automodellen moeten voortaan niet om de 6 à 7 jaar vernieuwd worden, maar om de vijf jaar, met na 2 à 3 jaar een tussentijdse lifting. Dat vergt enorme investeringen en nochtans neemt tegelijk de gemiddelde levensduur van het wagenpark toe, in België bijvoorbeeld van 6 jaar en 3 maand in 1993 naar 8 jaar en 1 maand in 2013.[51]

Marc Goblet vertelt dat in de sectoren waarvoor hij als voorzitter van de Algemene Centrale verantwoordelijk was tot hij algemeen secretaris werd van het ABVV, de loonkosten slechts 7% tot maximaal 20% van de totale kosten vertegenwoordigden.[52]Door de ontwikkeling van wetenschap en techniek is het aandeel kapitaal dat besteed wordt aan energie en machines – samen met gebouwen en andere grondstoffen het ‘constant kapitaal’ genoemd – proportioneel toegenomen ten opzichte van het ‘variabel kapitaal’, namelijk dat deel van het productief kapitaal dat aan loonkosten wordt besteed. Marx noemt die verhouding de organische samenstelling van kapitaal. Maar aangezien constant kapitaal haar waarde afstaat aan het eindproduct zonder er nieuwe waarde aan toe te voegen en enkel variabel kapitaal nieuwe waarde of meerwaarde toevoegt, vertoont de winstvoet, de winst per geïnvesteerde hoeveelheid kapitaal, de neiging om af te nemen. Marx noemt dat de tendentiële daling van de winstvoet. Het is dat verschijnsel dat verklaart waarom de financiële markten sinds de jaren ’70 exponentieel gegroeid zijn. Heel wat kapitalisten verkiezen beursspeculatie boven investeren in de reële productie omdat de winsten die ze daar hopen te realiseren hen onvoldoende of onzeker lijken.

Er zijn talloze factoren die de ‘seculiere stagnatie’ of, eerder nog, een lange neergaande fase met daarin weliswaar periodes van zwakke heropleving, maar ook nieuwe diepe inzinkingen, mee verklaren. De tendentiële daling van de winstvoet is ongetwijfeld de belangrijkste onderliggende verklaring. Het achterblijven van de productiviteitsgroei ondanks de digitale revolutie is daarvan een uitdrukking, net zoals het daarmee verbonden achterblijven van productieve investeringen in de reëele economie.[53] Maar dat wil niet zeggen dat er geen tegenwerkende krachten aan het werk zijn. De voorbije jaren werd de winstvoet zelfs in beperkte mate hersteld door het arbeidsritme op te drijven, gebruik te maken van ultraflexibele arbeidscontracten, onproductieve momenten weg te snijden, zich toe te spitsen op de meer productieve corebussiness, etc. Kortom: door de uitbuitingsgraad op te drijven. Eén van de gevolgen daarvan is een toename van de kloof tussen de gezamenlijke koopkracht van alle arbeiders samen en de totale waarde van de door hen geproduceerde goederen. Krediet of het gebruik van spaargeld kan ook dat verschijnsel tijdelijk tegenwerken. Zonder het belang van de tendentiële daling van de winstvoet te ontkennen, is het in de huidige conjunctuur vooral de schrik om geen afzet te vinden die een rem zet op productieve investeringen. In marxistische bewoordingen: de schrik van de kapitalist dat hij de geproduceerde meerwaarde niet kan realiseren bij gebrek aan kopers.

Groeilanden vervoegen wereldwijde muntoorlog

Tussen januari 2013 en januari 2014 verloor de Braziliaanse real -16,46% van haar waarde ten opzichte van de dollar; de Argentijnse peso -37,93%; de Turkse lire -21,80%; en de Indische roepie -13,80%. De belangrijkste reden daarvoor was “tapering”: het afbouwen van de geldinjectiedoor de FED waarnaar we al eerder verwezen. Het bracht een ommekeer op gang van de zogenaamde carry-trade. Dat is het verschijnsel waarbij speculanten geld lenen in de VS aan lage rente om er obligaties in de groeilanden mee op te kopen aan een hogere rente, met de bedoeling het verschil op te strijken. Een van de nevenverschijnselen ervan was dat het de waarde van de munten en de beurskoersen van die groeilanden opdreef en een injectie van goedkoop krediet veroorzaakte. De repatriëring van die fondsen naar de VS heeft het omgekeerde effect. De munten van die groeilanden verliezen hun waarde, geïmporteerde goederen worden duurder, dat veroorzaakt inflatie en investeringen vallen stil. In India en Argentinië stegen de prijzen met meer dan 10%. In juli 2014 brachten twee zogenaamde gierfondsen die in 2005 niet meegestapt waren in de schuldherschikking die was onderhandeld met 93% van de schuldeisers, Argentinië opnieuw op de rand van het bankroet. Datzelfde jaar haalde een front van drie trotskistische organisaties (FIS) er 1,2 miljoen stemmen, 3 nationale parlementsleden en verschillende regionale verkozenen.

Enkel China leek de economische tegenslag vlot te verwerken, maar dan wel op basis van een investeringsinjectie gebaseerd op krediet. De totale schuld in China – overheid, particulieren en bedrijven samen – bedroeg 160% van het BBP in 2008; in 2014 was dat al 230%. Investeringen vertegenwoordigden in 2014 meer dan 50% van het BBP.[54] Intussen is de totale schuld opgelopen tot bij de 300% van het BBP.[55] De Chinese economie kampt met overcapaciteit, deflatie, een crisis op de huizenmarkt en een schuldencrisis bij de lokale overheden. De groei is sowieso een pak lager dan de officiële cijfers. Sommige economen waarschuwen voor een harde landing. Vorig jaar stelden de Chinese leiders nog dat de vertragende economie een gecontroleerde ingreep was om de economische groei gebaseerd op overmatige investeringen te herbalanseren naar een duurzame groei gebaseerd op consumptie. Maar nu zowel consumptie als investeringen, samen met zowat al de rest, aan het stagneren zijn, lijkt de ‘gecontroleerde vertraging’ en de ‘herbalansering’ te zijn ontspoord.[56]

Eind juni, begin juli crashten de beurzen van Shanghai en Shenzen. Het triggerde een paniekreactie bij het Chinese regime. Veel van de Chinese beleggers zijn immers particulieren, de stedelijke middenklasse, een belangrijke sociale laag voor het regime, die al eerder geraakt werd door de vastgoedcrash. Het regime dacht dit te kunnen compenseren door een sterke groei van de beurzen zodat deze sociale laag niets zou verliezen en zelfs rijker kon worden. Ze moedigde de bevolking zelf aan om te beleggen op de beurs om de groeivertraging te compenseren, ook op basis van geleend geld.[57] Die Chinese droom is nu uit elkaar gespat. De werkelijke situatie van de Chinese economie komt bovendrijven: producentenprijzen die al 40 maanden onafgebroken afnemen, de bedrijfswinsten ondermijnen en het aflossen van schulden bemoeilijken; een inflatie van slechts 1,6% – eigenlijk een deflatie als de voedselprijzen eruit gelicht worden; in juli een daling van de export op jaarbasis met 8,3% en een scherpe stijging van de yuan t.o.v. de euro en de yen waardoor de export naar Europa voor de eerste 7 maanden van 2015 afnam met 2,5% en die naar Japan met 10,5%.[58]

Resultaat: alle hens aan dek. Sinds 27 juni werden de intrestvoeten naar beneden gehaald, werd meer kapitaal in de banken gepompt, werden nieuwe aandelen geblokkeerd, werden pensioenfondsen en overheidsbedrijven opgelegd om aandelen te kopen en kwam er een ‘marktstabiliseringsfonds’. Het financiële systeem van de overheid wordt gemobiliseerd in een massale reddingsoperatie die een hoogtepunt kende met de aankondiging op 5 juli dat de centrale bank zal optreden als laatste toevlucht om aandelen te kopen en de neergang te stoppen. Dit werd door sommige commentatoren omschreven als ‘Chinese QE’ (Quantitative Easing). Die wanhopige maatregelen wijzen erop dat de situatie mogelijk een pak erger is dan wat nu geweten is. Er kan een kettingreactie ontstaan die heel wat bedrijven, lokale overheden en ook banken meesleurt. Het prestige van het regime staat op het spel. Eind 2012 lanceerde Xi Jinping immers zijn hervormingsstrategie waarbij de markten een ‘beslissende rol’ kregen. Dat kan het regime nog zuur opbreken.

Het verklaart een drastische verandering in de strategie van het Chinese regime. Zowel tijdens de Aziatische muntcrisis van de late jaren ’90 als tijdens de crisis van 2008 had het Chinese regime vastgehouden aan haar politiek van een sterke munt. Het hoopt immers van de yuan een reservemunt te maken. Bovendien zou waardeverlies van de yuan kapitaalvlucht uit China op gang trekken. Volgens Tom Orlik, de verantwoordelijke econoom voor Azië bij Bloomberg, zou elk procent waardeverlies van de yuan tegen de dollar leiden tot een vertrek van ongeveer 40 miljard dollar uit China. Maar deze politiek is nu onhoudbaar geworden en dus besliste de Chinese volksbank op 11 augustus een éénmalige devaluatie met -1,9%. De 12de volgde al een nieuwe met -1,6% en de 13de een derde met -1%. De Volksbank beweert dat ze daarmee de wisselkoers meer marktgericht maakt. Vermoedelijk speculeert ze erop dat de markten bij gebrek aan vertrouwen in de Chinese economie een neerwaartse druk zullen blijven zetten op de yuan. China heeft daarmee de trend naar devaluatie ingezet en stapt dus mee in de wereldwijde muntoorlog in een poging de deflatie te exporteren en handelsvoordeel te hebben op andere economische markten.

De Chinese beslissing tilt de muntoorlog die al een tijd aan de gang was op een kwalitatief hoger niveau. Onmiddelijk na de Chinese devaluatie verloor de Thaïse baht -0,7% tegen de dollar en de Singaporese dollar viel met -1,2% tot het laagste niveau in vijf jaar. De Filippijnse peso staat eveneens op het zwakste niveau sinds vijf jaar en de Indonesische en Maleisische munten staan op het laagste peil sinds de Aziatische crisis van 1998. Intussen hebben ook Vietnam en Kazachstan hun munten gedevalueerd.[59] Die landen doen daarmee slechts wat hen werd voorgedaan door Europa. Daar werden de geldpersen sinds 2014 opengedraaid om de economie te stimuleren, leningen goedkoper te maken en investeringen te bevorderen, deflatie tegen te gaan, maar uiteraard ook om de euro te verzwakken waardoor de export wordt aangezwengeld. In haar jaarlijks valutamanipulatierapport wijst het Amerikaanse ministerie van Financiën de eurozone daarvoor terecht.[60] Maar eigenlijk doet de eurozone slechts wat de VS zelf heeft toegepast toen haar economie het slechter deed. Pas de laatste jaren probeert de VS voorzichtig deze politiek terug te draaien. Het is niet ondenkbaar dat, als de economische groei in de VS door de lage olieprijs en de sterke dollar wegvalt, de VS de geplande renteverhoging uitstelt – intussen is dat gebeurd -en mogelijk zelfs teruggrijpt naar quantitative easing. Dan zou de valutaoorlog compleet zijn.[61]

Internationale spanningen lopen op

Er zijn wel meer indicaties van getouwtrek tussen de grootmachten. Tot groot ongenoegen van de VS zijn een aantal Europese landen in het kielzog van het Verenigd Koninkrijk uiteindelijk meegestapt in de Asian International Investment Bank (AIIB), een door China opgezette tegenhanger van de Wereldbank. China heeft ook formeel aan het IMF gevraagd de yuan op te nemen in het mandje van valuta waarmee het IMF rekent, de Special Drawing Rights. Die bestaan momenteel voor 49% uit dollars, voor 33% uit euro’s, voor 11% uit ponden en voor 7% uit yen. Door toe te treden tot de AIIB hoopt Londen de eerste beurs in Europa te worden waar in yuan verhandeld wordt.[62]De centendiplomatie die China verweten wordt, lijkt dus te werken. Sinds 2005 zou China al voor 870 miljard dollar geïnvesteerd hebben, niet alleen om zich van een wereldwijde aanvoer van energie en grondstoffen te verzekeren, maar ook om andere BRICS-landen aan zich te binden en haar positie in Europa en Latijns-Amerika te versterken.

Maar China probeert niet als enige grootmacht haar positie te versterken. Het transatlantische verdrag (TTIP) zou de relaties tussen de VS en Europa moeten vastklinken. Het moet de economische NATO worden, die vermijdt dat Europa aan economische relevantie verliest en het zwaartepunt verschuift van de Atlantische naar de Stille Oceaan. Het moet ervoor zorgen dat op beide continenten de markt aan dezelfde regels is onderworpen en dat de normen en regels die er afgesproken worden de standaard zetten voor heel de wereld. “Zoniet zullen de opkomende economieën het voor ons doen. En dan zullen de normen een stuk lager liggen”, beweert Anthony Gardner, de Amerikaanse ambassadeur bij de EU.[63] Dat is larie. Het is de bedoeling een vrijhandelszone te creëren met zo weinig mogelijk handelsbelemmeringen. In Europa worden mens, dier en natuur beter beschermd dan in de VS.[64]Amerikaanse landbouwbedrijven en andere ondernemingen willen de Europese regulering terugschroeven.[65]Volgens de vakbonden en ziekenfondsen zou het verdrag een negatief effect hebben op onderwijs, gezondheidszorg en sociale bescherming.[66]En dan is er nog de geschillenprocedure die buitenlandse investeerders toelaat nationale overheden voor een private abritragerechter te dagen. Voorlopig lopen de onderhandelingen daarop vast.

In de VS roept TTIP weinig tegenstand op. Daar is men meer begaan met het Trans Pacific Partnership (TPP) tussen de VS en een dozijn Aziatische landen, China niet inbegrepen. Dat verdrag zou bijna rond zijn. Van TTIP verwacht men in de VS dat het de normen voor bescherming van mens en milieu zal optrekken, terwijl TPP het tegenovergestelde effect zou scoren. Oppositie tegen dat verdrag komt van gezondheidswerkers, milieuactivisten, vakbonden, privacy-experts en een zeldzame politicus, o.a. Sanders. Zij maken vooral bezwaar tegen de geheimhouding bij de onderhandelingen en de draagwijdte van het verdrag. Deze controverse is gelijklopend met die ten aanzien van andere handelsverdragen waarbij de VS zijn betrokken, zoals TTIP, CETA, NAFTA, enz.

Tot open militaire conflicten tussen de grootmachten zal het voorlopig niet komen. Het zou teveel oppositie opwekken, ook al omdat een direct conflict tussen de grootmachten apocalyptische gevolgen kan hebben. Zolang de arbeidersbeweging geen reeks fundamentele nederlagen heeft opgelopen, is een derde wereldoorlog zo goed als uitgesloten. Wie daaraan twijfelt, zou beter eens terugdenken aan de massale internationale anti-oorlogsbewegingen tegen de interventies in Afghanistan en Irak. In alle andere gevallen kon het imperialisme pas ingrijpen nadat het erin geslaagd was dat te verkopen als een humanitaire interventie. Maar dat betekent niet dat de grootmachten laten betijen. Militaire afschrikking blijft een belangrijk verlengstuk van hun economische en politieke belangen. In 2014 besteedden de VS 580 miljard $ of 3,3% van het BBP aan defensieuitgaven: nog steeds net iets meer dan alle 9 andere landen uit de top tien samen. China besteedde 129 miljard $ of 1,2% van het BBP, Saoedi-Arabië stond met 80 miljard $ op de derde plaats, 10,7% van het BBP! De top tien wordt vervolledigd door Rusland, het VK, Frankrijk, Japan, India, Duitsland en Zuid-Korea, in die volgorde.[67]

Proxy-oorlog in Oekraïne

Sinds de onanfhankelijkheid in augustus 1991 werd het bestuur in Oekraïne gekenmerkt door corruptie en repressie. Onder Leonid Koutchma, president van 1994 tot 2005, werden opposanten vermoord, de pers aan banden gelegd en de economie geplunderd. Sociale voorzieningen werden geschrapt, hele delen van de economie ‘geprivatiseerd’ en een speciaal partnerschap met de NATO getekend, maar toen het Westen Koutchma omwille van de talloze schandalen moest laten vallen, zocht en kreeg hij steun bij Rusland. Wanneer diens premier Viktor Ianoukovytch de presidentsverkiezingen van 2004 wint, wordt die verdacht van verkiezingsfraude, breekt de oranje revolutie uit en moet die het uiteindelijk afleggen tegen Viktor Iouchtchenko, die trouwens ook al premier was geweest onder Koutchma. Iouchtchenko stelt teleur en in 2010 wordt Viktor Ianoukovytch dan toch verkozen. Tegen dan is de bevolking het moe de speelbal te zijn van oligarchen die nu eens aanleunen bij Rusland, dan weer bij het Westen. Het geloof in een oplossing in Oekraïne is ondermijnd en zo snel mogelijk toenadering tot de Europese Unie lijkt de kortste weg naar welvaart.

Wanneer Ianoukovytch weigert het trouwens anti-sociale associatieverdrag met de Europese Unie te tekenen, wordt dat geïnterpreteerd als een stap weg van Europese integratie. De protesten zijn massaal als ook het parlement op 21 november (2013) beslist om het geplande akkoord met de Europese Unie uit te stellen. Er zijn elementen van revolutie, nog aangevuurd door een poging om Maidan op 30 november te ontruimen waarbij talloze gewonden vallen. Bij gebrek aan grote arbeidersorganisaties met een onafhankelijk klassenstandpunt, zien reactionaire politici van de oppositie hun kans. Leden van Svoboda en de fascistische militie Rechtse Sector treden op als stoottroepen en verhinderen vakbondsmilitanten en linkse activisten het protest te vervoegen. Ianoukovytch krijgt Euromaidan niet meer onder controle. Eind februari 2014 wordt hij afgezet. Ondertussen wordt in Kiev de nieuwe pro-Westerse regering-Jatsenjoek gevormd. De anti-Russische retoriek en de betrokkenheid van extreemrechts, dat belangrijke ministerposten in handen heeft, leiden tot angst onder de etnisch Russische minderheid die vooral in het oosten en het zuiden van het land woont. Rusland speelt hierop in vanuit haar eigen economische en politieke belangen.

In de overwegend Russischtalige delen breken protesten uit. De Krim wordt feitelijk bezet door Russische troepen. In een door het Westen betwist referendum op 16 maart 2014 spreekt een overweldigende meerderheid zich er uit voor aansluiting bij Rusland. Vrije en democratische discussie was er inderdaad niet mogelijk: de Tataren en de Oekraïenstalige minderheid klaagden over intimidatie, maar wellicht was de meerderheid toch voor aansluiting bij Rusland omwille van het reactionaire karakter van de nieuwe regering. Dat zou de matige reactie van het Westen verklaren. In het oosten van Oekraïne (regio-Donbass) kwam het vervolgens tot een gewapende strijd tussen het Oekraïense leger en militieleden en separatisten, gesteund door Rusland.De spanning tussen de VS en Rusland liep op. Zo hielden de NATO en Rusland bijna gelijktijdig militaire oefeningen aan de Russisch-Europese grens, wil de VS zwaar militair materieel posteren in verschillende Oost-Europese en Baltische staten, dringt de VS aan wapens te leveren aan de Oekraïense overheid en dreigt Rusland met de uitbreiding van haar kernwapenarsenaal terwijl Russische vliegtuigen al een paar keer testten hoever ze kunnen binnendringen in het Noord-Amerikaanse en het Europese luchtruim.

Europa – Merkel en Hollande in het bijzonder – is wel bereid tot economische sancties tegen Rusland, maar wil het conflict niet laten escaleren. Het dringt aan op het uitwerken van het politieke hoofdstuk van de akkoorden van Minsk, een speciaal statuut voor de regio’s die gecontroleerd worden door de pro-Russen, wat voorlopig door de Oekraïense regering geblokkeerd wordt. Het verzet zich ook tegen wapenleveringen aan Oekraïne omdat voor elke levering, Rusland wellicht in staat is evenveel vuurkracht te leveren aan de separatisten. Merkel en Hollande willen de relaties met Rusland normaliseren. Maar intussen vermenigvuldigen de inbreuken op het staakt-het-vuren zich, waarbij beide kampen elkaar beschuldigen een militair offensief voor te bereiden.[68] In die omstandigheden kan de mogelijkheid van een proxy-oorlog tussen de VS en Rusland niet helemaal uitgesloten worden.

ISIL hertekent de kaart van het Midden-Oosten

Maar ook voor proxy-oorlogen is het enthousiasme bekoeld door de uitkomst van de militaire interventies van de voorbije decennia. Somalië, Afghanistan, Irak, Libië, Mali en Jemen zijn één na één ten prooi gevallen aan totale desintegratie. In zijn afscheidsspeech zei de pensioengerechtigde Amerikaanse stafchef van het landleger, generaal Ray Odierno, dat Irak best opgesplitst wordt.[69]Eigenlijk erkent hij hiermee de realiteit op het terrein. Destijds heette dat een doemscenario. Het bestaan van een onafhankelijke Koerdische oliestaat in Noord-Irak en van een sjiietische staat aan de westgrens van Iran zou het machtsevenwicht in heel de regio verstoren. Het zou de positie van NAVO-lidstaat Turkije aantasten en die van het sjiietische regime in Iran versterken ten nadele van de soennitische bondgenoot Saoedi-Arabië en ook van Israël.

Gedurende decennia is Noord-Afrika en vooral het Midden-Oosten de speelbal geweest van imperialistische belangen, waar oorlogen en proxy-oorlogen werden uitgevochten, religieuze en etnische tegenstellingen werden opgeklopt en de meest reactionaire dictaturen in het zadel gehouden werden. Dat in 2011 niettemin de hele regio overspoeld werd door massaprotesten en revoluties toont de capaciteit van de arbeidersbeweging om te herstellen van nederlagen. Reactionaire krachten konden helaas van de afwezigheid van voldoende ingeplante en voorbereide arbeidersorganisaties en -partijen gebruik maken om de beweging af te leiden naar contrarevolutie. Ook hier wordt nog maar eens aangetoond waarom het opbouwen van revolutionaire partijen absoluut noodzakelijk is. Nieuwe kansen zullen zich echter voordoen: dat wordt aangetoond door de massabeweging in Libanon naar aanleiding van de afvalcrisis[70], de massale beweging in Irak naar aanleiding van de moord door de politie op een jonge betoger die protesteerde tegen het gebrek aan openbare voorzieningen[71], en de toename van het aantal stakingen en arbeidersbetogingen in Egypte in de loop van augustus en september.[72] Officieel is het aftreden van de Egyptische regering te wijten aan een corruptieschandaal, maar wellicht is de heropleving van sociale strijd er niet vreemd aan.[73]

Tot dan hebben de massa’s voor de nederlaag van 2011 echter een zware prijs betaald, vooral in die landen waar de arbeidersbeweging het zwakst staat. Zelfs Tunesië, waar de heersende klasse de schijn van democratie tracht te bewaren omwille van de sterkte van de arbeidersbeweging, wordt geteisterd door terreuraanslagen. Egypte is verscheurd tussen religieus fanatisme en militaire dictatuur. De arbeidersbeweging en de revolutionaire jongeren zijn er jarenlang het initiatief kwijt geweest. In Jemen voeren Saoedi-Arabië en Iran een proxy-oorlog. Maar het is vooral ISIL (Islamitische Staat in Irak en de Levant) dat op een jaar tijd gigantische terreinwinst heeft geboekt in Syrië en Irak, met groepen jihadi in Libië, Afghanistan, Egypte en elders die zich beroepen op ISIL of een eigen kalifaat willen uitroepen zoals Boko Haram in het noordoosten van Nigeria.

Vroeger werd ervan uitgegaan dat op het einde van een gewapend conflict een vredesakkoord met de verliezer volgde. Die akkoorden waren doorgaans vernederend en plunderden de economie van de verliezer, maar men trachtte wel, al was het uit zelfbehoud, voor een maatschappelijke structuur te zorgen, als het moest een bezettingsmacht. Nu is de vernietigingskracht en de ongelijkheid in middelen zodanig dat er dikwijls geen spaander meer overeind blijft van een mogelijke structuur, terwijl een bezettingsmacht duur is en moeilijk te verdedigen in de westerse publieke opinie. Zowel in Irak, als in Afghanisten, Jemen of Libië is er ofwel geen, ofwel een zeer zwakke centrale macht die niet in staat is het hele grondgebied te controleren. Bovendien heeft het imperialisme het oorlog voeren deels geprivatiseerd, met huurlingen van privébedrijven die enkel geinteresseerd zijn in de buit, zoals Blackwater USA, Dyncorp of pakweg Kellogg, Brown & Root, het vroegere Halliburton. Die privéfirma’s ontsnappen aan elke controle en geven niet om een stabiele na-oorlogse structuur. Er moet opgemerkt worden dat de implosie van de staatsstructuren in die landen vooral te wijten is aan de crisis van de nationale burgerijen in die landen. In een context van zwakke economische groei op wereldvlak en hun eigen politieke diskrediet zijn ze niet meer in staat etnische of sectaire spanningen, die ze zelf mee hebben aangespoord, onder controle te houden. Dit proces werd verder verscherpt door de militaire interventies van het imperialisme. Met de verdere verzwakking en zelfs het uiteenvallen van de nationale burgerij verliest het imperialisme een belangrijk instrument om haar belangen te verwezenlijken.

ISIL heeft deze situatie op haar manier juist ingeschat. Het heeft gebruik gemaakt van de chaos in Irak en Syrië. Het speelde in op de haat over de brutaliteiten van het imperialisme en de dictators die het er decennialang in stand hield. Het koppelde dit aan de frustratie van talloze Maghrebijnse migranten overal ter wereld over de schrijnende en straffeloze onderdrukking van de Palestijnen, over de hypocrisie van de leiders van de Arabische landen en over de islamofobie in het Westen sinds 11 september 2001. Het instrumentaliseert de afwezigheid van enig ander perspectief, versterkt door de ontgoocheling over de uitkomst van de zogenaamde Arabische revolutie. Brutale stoerdoenerij en extreem geweld moeten tonen dat ISIL wél tot het einde wil gaan. Het uitroepen van het kalifaat was als een lokroep naar radicale moslims overal ter wereld.

Bovendien heeft ISIL geleerd van private oorlogsbedrijven. Het heeft zich tot op zekere hoogte omgevormd tot een bedrijf. Door inbeslagname van cruciale infrastructuur, bankovervallen, afpersing, de verkoop van kunstschatten, private schenkingen en vooral het uitbaten van olievelden, beschikte ISIL in augustus 2014 over naar schatting 1,13 miljard euro.[74] Met de inval in Irak benutte het niet alleen de frustraties over de communautaire politiek van Al-Maliki, maar trok het ook voormalige officieren van het Leger van Saddam aan en recupereerde het een modern wapenarsenaal op de Iraakse troepen. Een beslissingsmacht die dicht bij de lagere echelons ligt,maakt het moeilijk ISIL te onthoofden. [75]

Het imperialisme is stilaan de wanhoop nabij. De humanitaire en economische prijs die de VS moest betalen voor de interventies in Afghanistan en Irak zindert nog steeds na. Het mag er niet aan denken welk effect een conflict van die grootteorde zou hebben op een stagnerende economie. Destijds had het CWI gewaarschuwd dat het gemakkelijker is een oorlog te beginnen dan er één te eindigen; intussen wordt dat algemeen erkend. “No boots on the ground,” verklaarde Obama, of toch geen Amerikaanse. Wel door de Amerikanen bewapende Koerdische Peshmerga’s, Iraakse sjiietische milities en zelfs Iraanse Revolutionaire Wachten. Het nucleair akkoord van de 5 vetomachten van de VN en Duitsland met Iran heeft ongetwijfeld ook daarmee te maken. Netanyahu mag dan wel zijn duivels ontbinden tegen dat akkoord, maar ook hij kan niet anders dan de nieuwe situatie onder ogen zien. Zijn regering zou in het geheim onderhandelen met Hamas, tot groot ongenoegen van Abbas en de PLO. In Afghanistan zouden ook de Taliban in een strijd verwikkeld zijn met de lokale ISIL.

In de Koerdische provincies in Syrië is de PYD, de lokale tegenhanger van de PKK, er tot groot ongenoegen van Turkije in geslaagd ISIL met Amerikaanse luchtsteun te stoppen in Kobanê. LSP is het oneens met het programma van de PKK en de PYD, dat nog steeds gebaseerd is op de stalinistische tweestadiatheorie. We zijn het eveneens oneens met de methodes, met de aanslagen en met de idee dat de verdediging van Kobanê het werk moest zijn van milities terwijl de bevolking op de vlucht sloeg naar Turkije, in plaats van gewapende zelfverdedigingscomités te vormen. Maar Rojava en het expliciet seculiere model ervan vormen een directe bedreiging voor de reactionaire theocratische agenda van ISIL. Vrouwelijke strijders met AK-47’s in de strijd tegen een bijzonder vrouwonvriendelijke groepering, het is een beeld dat bij velen tot de verbeelding spreekt. De verworvenheden in Rojava en het verzet in Kobanê bieden een mogelijke brug op weg naar Koerdische zelfbeschikking en meer algemeen als mogelijk referentiepunt voor de heropleving van de strijd van arbeiders en jongeren tegen de horror van ISIL en de dictatoriale regimes in het Midden-Oosten.[76] Het heeft ongetwijfeld meegespeeld in de electorale doorbraak van HDP in de Turkse parlementsverkiezingen van 7 juni 2015. Hoe betrouwbaar het bondgenootschap met de VS wel was, ondervinden de Koerden nu Turkije met steun van de NATO groen licht heeft gekregen om niet alleen ISIL, maar ook de PKK en zelfs de PYD te bombarderen.

Migratiestromen en klimaatopwarming

Je zou verwachten dat de overwinnaar van een militair conflict tracht om zich van een sociale basis te voorzien door minstens een deel van de opbrengst van natuurlijke rijkdommen te laten terugvloeien naar de getroffen maatschappij, mogelijk door zelf te investeren in herstel van de infrastructuur. Zelfs Alexander de Grote en de eerder genoemde Manse Moussa hadden dat eeuwen geleden al begrepen. Maar onder het huidige imperialisme is de bereidheid daartoe omgekeerd evenredig met de opgebouwde vernietigingskracht. Voor heropbouw is er tijd noch middelen. De plundertocht door private aasgieren kan niet snel genoeg beginnen. Het gevolg is dat de getroffen landen maar niet gestabiliseerd raken en conflicten blijvend aanslepen. Dat stemt ook de imperialisten tot nadenken vooraleer ze zich in een nieuw avontuur storten. Het verklaart wellicht waarom het aantal gewapende conflicten wereldwijd tussen het begin van de crisis in 2008 en 2014 voortdurend is afgenomen, van 62 naar 42. Let wel, in diezelfde periode nam het aantal dodelijke slachtoffers nog veel sneller toe, van 56.000 in 2008 naar 180.000 in 2014.[77]

Het kan niet anders of dat brengt een vluchtelingenstroom op gang. De jongste maanden wordt Europa ‘overspoeld’. Als we de media moeten geloven zijn hele hordes vluchtelingen op weg naar West-Europa. Vluchtelingenorganisaties nuanceren dat. Voor 2014 meldde de VN een recordaantal van bijna 60 miljoen ontheemden of mensen op de vlucht voor oorlogsgeweld of vervolging. Daarvan vluchtten 38 miljoen binnen de grenzen van hun land. Van de 19,5 miljoen vluchtelingen die niet meer in hun eigen land zijn, is ruim vijf miljoen Palestijn. Van de 12 miljoen vluchtelingen van Syrië zijn goed vier miljoen hun land ontvlucht.[78] Van die 4 miljoen bevinden er zich 1,2 miljoen in Libanon dat zelf een bevolking heeft van 6,8 miljoen en een BBP van 48 miljard $ (vgl. België 528 miljard $), 1,7 miljoen in Turkijë en meer dan 600.000 in Jordanië. Het aantal Syrische vluchtelingen in Europa bleef tot nu toe al bij al beperkt tot 130.000, maar dat zou wel eens snel kunnen oplopen.

Het onvermogen van het imperialisme om de situatie te stabiliseren, het eindeloos aanslepen van conflicten, de totale vernietiging van huizen en infrastructuur, dooft voor velen de hoop om ooit nog terug te keren. Overleven in een tentenkamp is enkel draaglijk als er een perspectief is om weldra terug naar huis te kunnen. Naarmate dat perspectief zich verwijdert, zullen steeds meer vluchtelingen overwegen hun leven elders op te bouwen. Waarom dan het risico lopen om dat in een buurland te doen dat misschien weldra eveneens gedestabiliseerd wordt? Waarom niet meteen trachten het stabiele West-Europa te bereiken? Wat we nu zien, zou wel eens het begin kunnen worden van een massale doorstroming van vluchtelingen die nu in Turkije en Libanon verblijven. En wat zou vluchtelingen uit Irak, Somalië en talloze andere brandhaarden in de wereld kunnen tegenhouden om dezelfde weg te kiezen?

Dat dit in een omgeving van sociale afbraak, structurele werkloosheid en tekorten op zowat alle vlakken door velen wordt aangevoeld als een bedreiging voor hun levensstandaard, hoeft niet te verwonderen. Wie gelooft er nu dat de kapitalisten dit niet zullen aangrijpen om de lonen en arbeidscondities nog verder onder druk te zetten? Wie gelooft er dat de regeringen de uitgaven voor de opvang van de vluchtelingen niet zullen recupereren op andere sociale uitgaven? Rechtse politici grijpen dit aan om verplichte gemeenschapsdienst, een speciaal statuut voor vluchtelingen, etc. te promoten.“Bouw nu een muur rond je sociaal zekerheidssysteem of bouw een muur rond je land”,zegt N-VA kamerlid Sarah Smeyers in De Zevende Dag.[79] De grootste afbreker van de sociale zekerheid profiteert van de situatie om zich voor te doen als de grootste verdediger ervan.

Het klopt dat 350.000 vluchtelingen maar 0,07% vertegenwoordigen van de bevolking van de Europese Unie, maar dat wordt niet noodzakelijk zo aangevoeld door wie ermee in concurrentie gezet wordt in de zoektocht naar een job, een woning etc. Het is ook juist dat die mensen vluchten voor afschuwelijk geweld. Maar ondermijnen die ‘gemakkelijke’, moraliserende argumenten niet meteen onze argumentatie als de aantallen verder zullen toenemen? Als het morgen niet langer gaat om mensen die vluchten voor oorlog, maar ‘slechts’ voor extreme uitbuiting? Er is niets verkeerd aan medeleven, maar we moeten tegelijk begrijpen dat dit snel op de limieten van het kapitalisme zal stoten. Vandaar het belang van een klassenbenadering. Onze sociale zekerheid en al onze democratische en andere rechten zijn afgedwongen door gezamenlijke strijd van alle arbeiders, inclusief migranten. Die rechten vandaag verdedigen zal eveneens een programma vereisen van eenheid van de volledige arbeidersbeweging voor gelijke rechten en gelijke lonen, voor het recht op werk en huisvesting, voor een maatschappij waarin de productie gericht is op het welzijn van allen en niet op de winsten van enkelen.

Dat is dan nog gerekend zonder een ander gigantisch probleem dat op ons afkomt, dat van de leefbaarheid van onze planeet. Oceanograaf en klimaatwetenschapper Katherine Richardson is niet overtuigd door slogans als “save the planet” of “save the climate”. “De planeet redt zichzelf wel,” zegt ze, “we moeten de mens redden.” De planeet bevindt zich zo’n 12.000 jaar in een toestand van klimaatrust, waardoor de homo sapiens die al 200.000 jaar rondtrekt zich eindelijk kon settelen en de menselijke beschaving tot wasdom kon komen. Die periode kan zich nog zeker 15.000 jaar doorzetten, tenzij menselijke activiteit die staat van rust doorkruist. Onze voorouders konden tijdens heftige klimaatschommelingen nog rondtrekken, maar met 7 miljard wordt dat moeilijk. (Deze hypothese over klimaatrust wordt vandaag door wetenschappers echter als achterhaald beschouwd.) Volgens Richardson verstoren de aantasting van de biosfeer en de stikstof- en fosforvervuiling dat evenwicht nu al, wordt het gevaarlijk bedreigd door het landgebruik en de klimaatverandering en vormt ook de zoetwaterconsumptie, de verzuring van de oceanen, de concentratie van aerosol, de ozonlaag en de impact van nieuwe chemische stoffen en andere entiteiten op termijn een probleem.[80]

De discussie over de schadelijke impact van de menselijke activiteit op de capaciteit van de planeet om zich te herstellen, lijkt beslecht. Het tijdperk waarin tegenover iedere studie over verstoring van het klimaat een andere klimaatsceptische stond, doorgaans betaald door bedrijven of lobbyisten van bedrijven die daar belang bij hadden, is over haar hoogtepunt heen. Dat het klimaat sinds het begin van de industriële revolutie met 0,85°C is opgewarmd en de extreme droogtes en stormen die we recent ondervonden er een rechtstreeks gevolg van zijn, wordt niet meer betwist. Dat er nog dramatischere veranderingen op til staan evenmin. Een graad opwarming in de komende 50 jaar kan leiden tot een verhoging van de zeespiegel met 2 meter. Voor de dichtbevolkte kustgebieden is dit een ramp. Toch slagen politici er niet in om tot een akkoord te komen om de opwarming beperken.

De grootschalige uitbuiting van de landbouwgrond botst eveneens op haar grenzen: over 60 jaar zouden de belangrijkste landbouwgronden uitgeput zijn. “Binnenkort is het te laat (…) Onze consumptiepatronen zijn niet verenigbaar met de gezondheid van de planeet,” verklaarde Ban Ki-moon, algemeen secretaris van de VN,in een reactie op de studies van het Internationaal Klimaatpanel (IPCC).[81] Over wiens consumptiepatroon hij het had, lichtte hij niet nader toe, maar het is wel handig: zo wordt iedereen op gelijke voet verantwoordelijk gesteld. Veel milieuorganisaties en -activisten gaan daarin mee: als we onze levensstijl maar aanpassen en genoegen zouden nemen met een lagere levensstandaard, zouden de problemen opgelost zijn. Dat is een illusie. Twee derden van alle CH4- (methaangas) en CO2-uitstoot (koolstofdioxide) sinds het begin van de industriële revolutie werd veroorzaakt door slechts 90 bedrijven.[82] Zolang deze niet worden aangepakt, zal er wezenlijk niets veranderen.[83]

De echte inzet van de discussie bevindt zich niet op het vlak van consumptie, maar van de productie. ‘We kunnen vandaag nog de honger in de wereld oplossen’, beweert Hilal Elver, VN-rapporteur voor het recht op voedsel, ‘maar dan moeten we ingrijpen in de vrije markt.’[84]“We moeten de reden voor de aantasting van de planneet zoeken in de intrinsieke onrechtvaardigheid van ons ontwikkelingsmodel en de extreme en selectieve consumptie van een minderheid van de wereldbevolking”, adus de pauselijke encycliek over de obsessie van groei.[85]‘Het probleem is niet technisch, maar cultureel en ideologisch,’ beweert Naomi Klein. ‘Er valt nog teveel te verdienen aan de onontgonnen fossiele brandstoffen.’ Doet de uitstoot van broeikasgassen het ijs aan de Noordpool smelten, dan heeft dat alleen een rush veroorzaakt van meerdere landen die met elkaar strijden om daar als eerste naar petroleum te kunnen boren. “Ofwel redden we de aarde, ofwel het kapitalisme,” besluit Klein, “maar beide samen, dat zal niet lukken.”[86]

Enkel al de bestaande ideeën en mogelijkheden optimaal benutten, zou tot een grote vooruitgang leiden. Denk maar aan passiefhuizen, recyclage, hernieuwbare energie, versterking van openbaar vervoer, … Vandaag zijn veel ecologische mogelijkheden enkel toegankelijk voor wie voldoende middelen heeft en zich tegelijk een goed geweten kan kopen. Maar de uitdaging van de klimaatopwarming zal de mobilisatie van het volledige technische en wetenschappelijke potentieel vereisen. Dat kan enkel door de sleutelsectoren van de economie te nationaliseren en de productie democratisch te plannen. Enkel zo kan de overgang naar uitsluitend gebruik van hernieuwbare energie gerealiseerd worden. “Is het realistisch erop te hopen dat wie geobsedeerd is door winstmaximalisatie stil blijft staan bij de milieu-effecten die hij aan de volgende generaties zal nalaten?” vraagt paus Franciscus zich af in bovenvermelde encycliek.

België: Wel of niet aantrekkelijk voor investeerders?

De manier waarop de burgerlijke economen de Belgische economie analyseren verschilt niet veel van die waarop ze de internationale analyseren: ze spreken elkaar en zichzelf tegen. Deels heeft dat te maken met belangenverdediging en met propaganda. Onder de titel ‘België zakt voor investeerders’ citeert De Tijd in mei 2014 een “studie” van Ernst & Young (EY). Die peilde bij 200 internationale bedrijfsleiders naar hun perceptie van België als investeringsland. Hoe representatief dat is? Wie de studie bestelde? Daarover vernemen we niets. Wel dat de lonen te hoog zijn, dat er dringend geïnvesteerd moet worden in mobiliteitsinfrastructuur en dat de belastingsdruk voor bedrijven te hoog is. Net toen had busbouwer Van Hool besloten een deel van zijn standaardproductie te delokaliseren naar Macedonië en dus vroeg De Tijd aan Jan Jambon – toen nog oppositielid – om een reactie: “Natuurlijk kunnen we niet concurreren met landen als Macedonië, maar nu knijpen we alle goesting uit de ondernemers.”[87] We getroostten ons de moeite dat eens na te gaan: in 2014 bedroegen de buitenlandse investeringen in België 4,3miljard $ tegen een povere 127 miljoen $ in Macedonië.[88]

‘Buitenlands geld in België: 231 miljard weg in vijf jaar’, leest een alarmerende titel in De Morgen op 20 juni 2015.[89] Bij nader toezien is die kop gebaseerd op een rapport van de vrijdaggroep[90]: “de grote leegloop”[91].Tussen 2008 en 2013 namen de buitenlandse directe investeringen af met 231 miljard €, heet het daarin, een cijfer dat Eurostat bevestigt[92], maar de titel van het rapport is misleidend. Het klopt dat de voorraad directe buitenlandse investeringen (BDI) na 2008 met 295 miljard € naar beneden donderde, maar het niveau blijft wel buitengewoon hoog en bovendien neemt het sindsdien opnieuw jaarlijks toe met ruim 20 miljard. Wat was er gebeurd? Geen leegloop, maar niet meer dan een correctie. Cijfers van de wereldbank tonen dat de DBI in België in 2008 met een recordbedrag van 184 miljard $ toenamen: dat was evenveel als in China en zes keer zoveel als in Duitsland! Veel ervan was louter boekhouding om maximaal gebruik te maken van de notionele interestaftrek en andere fiscale gunsten. Nog in 2008 stuurde de fiscus daarom een rondzendbrief om één van de misbruiken van de notionele interestaftrek, het dubbelgebruik via moeder- en dochterondernemingen, tegen te gaan. Het resulteerde in een forse uitzuivering van de vertekende cijfers.[93]

België blijft zonder enige twijfel een zeer aantrekkelijk investeringsland. De geaccumuleerde voorraad aan buitenlandse investeringen bedraagt hier bijna 200% van het BBP, net zoals de voorraad aan Belgische investeringen in het buitenland trouwens. Uit een selectie van 22 ontwikkelde kapitalistische landen hebben op België na enkel Ierland en Nederland ook een voorraad aan buitenlandse directe investeringen van meer dan 100% van het BBP, maar in beide gevallen is de stroom aan uitgaande investeringen aanzienlijk groter dan die aan inkomende.[94] Uiteraard speelt de ligging daarin een rol en worden de cijfers vertekend door de overslagtrafiek van de Antwerpse haven, net zoals die in Nederland door die van de haven van Rotterdam. Fiscale maatregelen zoals de notionele interestaftrek bij ons en het feit dat in Nederland dividenden, royalties en rentebetalingen grotendeels zijn vrijgesteld, zorgen voor de passage van een kapitaalstroom die nauwelijks iets oplevert. Maar er is toch nog een andere factor die het succes van België als investeringsland verklaart: de enorme productiviteit van de arbeiders. Door alle propaganda heen moet EY trouwens erkennen dat het aantal buitenlandse investeringen in ons land in 2014 haar hoogste peil bereikte sinds 2005. Enkel 4 grote Europese landen, het VK (met de Londense City), Duitsland, Frankrijk en Spanje trokken meer investeringen aan.[95] Dat was in 2013 en in 2012 trouwens niet anders.[96]

De productiviteit van de Belgische werknemer

Zelfs het VBO kan niet anders dan de productiviteit van de werknemers in België erkennen, maar het doet dat op haar eigen manier. “Allereerst, recente cijfers tonen inderdaad aan dat Belgische bedrijven gemiddeld productiever zijn dan bedrijven in het buitenland. Volgens The Conference Board bedroeg de productiviteit van de Belgische economie in 2013 45,9 euro per uur, tegenover 45,2 euro in Nederland, 44,6 euro in Frankrijk en 43,2 euro in Duitsland. Ons land heeft deze voorsprong vooral opgebouwd tot ongeveer het midden van de jaren ’80 (zie grafiek). Daarna is deze echter geleidelijk gekrompen, met een versnelling vanaf het jaar 2000 (o.a. door het toenemend belang van de niet-marktsector in de tewerkstelling).”[97] Aldus het VBO. Wat bij The Conference Board nog ‘arbeidsproductiviteit per gewerkt uur’ heet, noemt het VBO ‘de productiviteit van de Belgische economie’. Nog volgens het VBO zijn niet de ‘Belgische werknemers’, maar de ‘Belgische bedrijven’gemiddeld productiever, en niet de ‘Belgische werknemers’maar ‘ons land’ heeft een voorsprong op (de collega’s in) de buurlanden.

Bovendien krimpt die voorsprong volgens het VBO en om dat kracht bij te zetten,voegt het in haar persmededeling een grafiek toe waarvan het suggereert dat die van The Conference Board zelf komt. In werkelijkheid gaat het om een eigen compilatie. We hebben dat eens nagerekend: het VBO heeft de cijfers bijgestuurd.[98] Al jaren behoren de Belgische werknemers tot de top-5 inzake productiviteit. Werknemers in Luxemburg en Noorwegen bezetten steeds plaats 1 en 2. Dat komt omdat in Luxemburg bijna evenveel grensarbeiders uit Duitsland, Frankrijk en België bijdragen aan het BBP als plaatselijke bewoners. Die worden in de berekening van het BBP per werknemer niet meegerekend in Luxemburg, maar in het land waar ze wonen; de opbrengst van hun arbeid wordt echter wel meegerekend bij Luxemburg. Door het gewicht van de oliesector, die overal tot de meest productieve sectoren behoort, staat ook Noorwegen telkens weer aan de top. Tot 1980 stond België na Nederland en de VS op plaats 5, vanaf 1980 haalde het de VS in en vanaf 1990 ook Nederland. Ook voor 2014 stond België op plaats drie voor de VS, Ierland en Nederland. Gemiddeld produceert een werknemer in België elk uur een waarde van 66,9 $ (ongeveer 10.700 $/maand).[99] Vooral de werknemers in grote industriële bedrijven en in sectoren als energie, chemie en farmacie trekken het gemiddelde op.

Maar het VBO volhardt: “Ten tweede moeten we verduidelijken wat we wel en niet onder een hoge productiviteit verstaan. Het betekent bijvoorbeeld niet dat Belgische werknemers gemiddeld ‘harder zouden werken’ dan werknemers in het buitenland. Veel cijfers spreken dit zelfs tegen. Bijvoorbeeld: in België bedraagt de gemiddelde arbeidsduur (inclusief deeltijdse werknemers) volgens de OESO 1.574 uur per jaar tegenover 1.765 uur voor de OESO in haar geheel. ”Wat het VBO onder ’productiviteit’ verstaat, is ons een raadsel. Wij houden het zoals iedere ernstige economist op de waarde die door één uur arbeid gemiddeld wordt toegevoegd aan goederen of diensten. Van de ‘veel’ cijfers die zouden tegenspreken dat de Belgische werknemers gemiddeld ‘harder werken’, haalt het VBO er maar één aan, en dat illustreert nu net het tegendeel. Als de werknemer in België gemiddeld immers 1.574 uur per jaar presteert, dan is dat voor collega’s in Nederland 1.381 uur, in Duitsland 1397 en in Frankrijk 1.479. Dat dit gemakkelijk na te pluizen is, weten ze bij het VBO ook wel en dus vermelden ze dat… in een voetnoot.

“Onze hoge productiviteit heeft dus niets te maken met het feit dat Belgische werknemers harder zouden werken, maar wel met het feit dat er om 1 euro welvaart in ons land te creëren, gewoonweg minder arbeid nodig is. De reden hiervoor is dat Belgische bedrijven, als gevolg van onze torenhoge loonkostenhandicap, sterker in de automatisering van hun productieproces hebben moeten investeren om competitief te blijven. Nagenoeg nergens anders ter wereld is de vervanging van mensen door machines daarom zo ver doorgedreven als bij ons.” De beste leugen omhult zich met een grond van waarheid. Het klopt dat bedrijfsleiders in België het met de arbeidersbeweging niet onder de markt hebben gehad. Meer dan elders hebben ze er bijgevolg de voorkeur aan gegeven de relatieve uitbuiting op te drijven door performantere machines te installeren, boven het aangaan van een confrontatie om de absolute uitbuiting op te drijven. We hebben de productiviteit van de Belgische werknemer dus vooral te danken aan de strijdbaarheid van die werknemer.

Het VBO, toch het verbond van Belgische ondernemingen, vertelt er echter niet bij dat het vooral buitenlandse ondernemingen waren die investeerden in automatisering in België. Denk maar aan de enorme BDI waarover we het enkele paragrafen geleden hadden. De Belgische ondernemingen daarentegen verkozen te beleggen in het buitenland, waar al die inspanningen in onderzoek en ontwikkeling niet hoefden, hetzij omdat ze zich inkochten in bestaande bedrijven, hetzij omdat ze gebruik maakten van goedkope arbeidskrachten in het buitenland. België trekt nochtans knappe koppen aan.[100] In absolute cijfers is het na het VK en Duitsland het derde land in Europa qua netto-instroom van hoogopgeleide Europeanen, maar de Belgische ondernemers doen daar maar heel weinig mee. Toen Albert Frère, de rijkste Belg, op 89-jarige leeftijd terugtrad uit de leiding van zijn holding GBL (Groupe Bruxelles Lambert), werden vijf prominenten van de financiële wereld gevraagd wat zijn belang was geweest voor de Belgische economie. Hun laconieke antwoord? “Hij heeft vooral goed voor zichzelf gezorgd.”[101]

De vijf bevestigen in hun verklaringen wat ook al door fiscaal expert Michel Maus een jaar eerder was vastgesteld, namelijk: ‘je kan niet rijk worden, door hard te werken.’[102] Het is zodanig schrijnend dat Yves Prete, baas van Techspace Aero, meent de Belgische patroons de les te moeten spellen: “de prioriteit: herindustrialiseren.”[103] Charles Beauduin van Van de Wiele & Barco doet er nog een schep bovenop: “met onze machines spelen de loonkosten geen rol meer” – en verder: “de lonen stijgen in China met 15% per jaar. In België met 2%. In dat tempo duurt het amper 12 jaar voordat de lonen in beide landen min of meer gelijk zijn.”[104] Met andere woorden: hou op met zagen en innoveer. Of de lonen in China binnen 12 jaar effectief gelijk zullen zijn aan de Belgische, is nog afwachten. Intussen is door de conservatieve houding van de Belgische ondernemingen, vertegenwoordigd door het VBO, wel al de helft van de 30 grootste bedrijven qua omzet en qua werknemers buitenlands.[105] Dat is uitzonderlijk veel.

De middenstand aan de macht?

De vrijdaggroep waarover we het eerder hadden – of ook nog KUL-professor Johan Lambrecht, directeur van het Studiecentrum voor Ondernemerschap – besluiten daaruit dat de overheid de multinationals te veel in de watten legt. Zij vinden dat die middelen beter besteed zouden zijn aan KMO’s.‘Small is Great,’ luidt de titel van een boek van Lambrecht. Hij noemt dat zelf “een academische aanklacht tegen de razernij van de hebzucht” en pleit voor “een alternatief kapitalisme waarin niet het grote, maar het grootse ondernemen centraal staat.”[106] Er wordt daarin nogal geschermd met het feit dat 94% van de ondernemingen minder dan 10 werknemers telt en 5,1% 10 tot 49. De Morgen, die Lambrecht ook al verkeerd situeert aan de VUB, besluit daaruit voorbarig dat 99,1% van alle werknemers in een kleine KMO werkt. Dat is onzin. Uit de overheidsstatistieken van 2012 vernemen we dat de 94% ondernemingen met minder dan 10 werknemers goed waren voor 34% van de werkzame personen en 24% van de toegevoegde waarde (TW), de 5% ondernemingen met 10 tot 49 werknemers voor 20% van de werkzame personen en 20% van de TW. De 0,7% ondernemingen met 50 tot 249 werknemers waren goed voor 16% van de werkzame personen en 19% van de TW en de 0,2% met meer dan 250 werknemers voor 30% van de werkzame personen en 38% van de TW.[107]

Lambrecht onderschat het gewicht van de grote bedrijven en overschat dat van de kleintjes. Wat de cijfers niet weergeven, is dat veel van die kleine bedrijven eigenlijk verzelfstandigde onderdelen zijn van grotere. Dat het werk dat ze verrichten nog steeds hetzelfde is, maar om fiscale of andere redenen wordt ondergebracht onder een andere entiteit. Andere kleine ondernemingen zijn eigenlijk onderaannemingen die hetzelfde werk verrichten als voorheen intern door eigen personeel verricht werd; nog andere werken slechts voor één of enkele opdrachtgevers, etc. Als we daar ook de schijnzelfstandigen bijtellen, dan komen we al snel tot de vaststelling dat achter small in het kapitalisme niet altijd great schuilt, maar dikwijls afbraak van arbeidscondities en verloning. Dat small ook ethischer tewerk zou gaan dan grote ondernemingen waar de vakbonden doorgaans sterker ingeplant zijn, strookt ook niet met de werkelijkheid op het terrein.

Het probleem is niet groot of klein, noch een woordspeling tussen groot en groots, maar de manier waarop de productie georganiseerd wordt en de eigendomsverhoudingen. Ook bij de N-VA was dat een terugkerend thema: de boze multinational versus de kleine lokale KMO. Eens aan de macht, blijft van die retoriek niets overeind. Dat veel van die KMO’s als toeleverancier afhankelijk zijn van die MNO’s zal daar wel mee te maken hebben. Bovendien is het gejammer van die KMO’s niet bedoeld om de grote multinationals van hun privileges te beroven; integendeel, wat veel van die lokale managers en onderaannemers willen, is van diezelfde privileges gebruik maken, maar dan liefst met de arbeidscondities en verloning die eigen zijn aan een KMO. Dat wil niet zeggen dat er geen arme zelfstandigen bestaan of geen kleine ondernemingen die met moeite het hoofd boven water houden, maar ook zij zullen dikwijls de oplossing zoeken in het verlagen van de loonkosten en de sociale bijdragen. Het zijn nochtans net die lagere lonen en sociale bijdragen waarmee ketens de kleine middenstander, die dikwijls veel meer uren presteert en over meer ambachtelijke kennis beschikt, wegconcurreren.

De Tijd onderzocht het fenomeen op basis van cijfers van Graydon en kwam tot de vaststelling dat 36% van de slagers, 30% van de vishandels, 23% van de bakkers, 30% van de krantenwinkels, 20% van de schoenenwinkels en 7% van de kledingwinkels sinds 2000 verdwenen. Het aantal buurtsupermarkten daarentegen nam toe met 64%. “De middenstanders verliezen de strijd met de ketens en de onlinewinkels,” citeert De Tijd Luc Ardies van Unizo.[108] Daaruit besluiten – zoals de Tijd doet – dat de middenstand het land ‘niet meer’ regeert, staat wel haaks op alle realiteit. “Het Belgisch kapitalisme baseert zich traditioneel op een historisch compromis tussen burgerij, overheid en vakbondsleiders. De overheid levert de infrastructuur, een gunstig investeringsklimaat en koopt desnoods de sociale vrede af. De burgerij investeert in het optrekken van de productiviteit en wordt beloond met een gunstig fiscaal regime. De arbeiders krijgen een redelijk brutoloon met relatief goede sociale voorzieningen. Aan de kostenzijde vergt dat relatief hoge belastingen die echter vooral geïnd worden op arbeid. Voor de arbeiders is dat een draaglijke kost als daar goede sociale voorzieningen tegenover staan. Voor de middenklasse is het echter een bron van frustratie. Zij kent de productiviteit niet van de grote bedrijven, betaalt wel hogere brutolonen en geniet niet in dezelfde mate van het gunstig fiscaal regime,” schreven we in oktober 2011.[109]

Kortom, het is niet juist dat de middenstand ooit het land geregeerd heeft. Ze heeft altijd de leiding van het Belgisch grootkapitaal aanvaard. Dat grootkapitaal heeft wel meer dan eens haar strategie bijgestuurd. Toen de traditionele sectoren eind jaren ’50, begin jaren ’60 in crisis belandden, verkoos het de platgelopen paden van het financiekapitalisme te volgen. Het zette holdings op om haar kapitaal te spreiden over de sectoren. Tegelijk werd aan de regeringen overgelaten om de nodige infrastructuur te bouwen en aan de vakbonden om de arbeidskrachten te leveren, waarmee multinationals naar hier werden gelokt. Wat deed de middenstand? Ze werd de loopjongen van de multinational, diens lokale manager en toeleverancier. Het tijdperk van de globalisering dwong het Belgisch grootkapitaal haar strategie verder aan te passen. Ze spreidde haar kapitaal voortaan niet enkel meer over de sectoren, maar ook over de grenzen. Het groeiend belang van transnationale ondernemingen, van grensoverschrijdende handel, van internationale financiële markten, maakte duidelijk dat voortaan op continentale schaal moest geageerd worden.

Waar het hem bij de communautaire impasse echt om ging

Het Belgisch grootkapitaal is daarin verder gegaan dan de meeste van haar collega’s in andere landen. De open economie, de beperkte thuismarkt, maar vooral haar conservatisme helpen dat verklaren. Ze is er zodanig ver in gegaan dat ze de instellingen waarlangs ze traditioneel haar heerschappij uitoefent vanaf de jaren ’90 begon te verwaarlozen: haar politieke instrumenten, de kerk, het onderwijs, justitie,media, etc. Alles wat Marx beschrijft als bovenbouw. Zolang de economie groeide, was er geen haan die daar naar kraaide. We pakken de problemen wel aan als ze zich stellen, zei wijlen premier Dehaene. Maar zodra de economie begon te sputteren, kwamen de onderliggende zwakheden en frustraties met verhevigde kracht naar boven. Dan begon het systeem vast te lopen op haar tegenstellingen. Traditioneel zijn dat er vooral drie in België: de klassentegenstellingen, de nationale en de confessionele. De klassentegenstelling, de belangrijkste, kwam zoals gewoonlijk eerst boven.

Eigenlijk had de arbeidersbeweging al die tijd haar alternatief kunnen opleggen, had ze maar over een leiding beschikt die daar ook van overtuigd was. De algemene staking van ’93 tegen het globaal plan was numeriek de grootste sinds 1936! De innovatie van toen was het afzetten van industriezones. De val van het stalinisme in het Oostblok had echter het vertrouwen in de mogelijkheid van een alternatief op het kapitalisme ondermijnd. De sociaaldemocratie had de ontgoocheling en de desoriëntatie daaromtrent misbruikt om elke verwijzing naar socialisme overboord te gooien en de markteconomie te omarmen. De vakbondsleidingen waren het daar fundamenteel mee eens, zelfs al konden ze dat niet steeds in zoveel bewoordingen toegeven. Als we deze regering wegstaken, is ieder alternatief nog rechtser, heette hun excuus om de beweging uit te doven.

Het duurde een tijd vooraleer de arbeidersbeweging van dat verraad herstelde, maar in ’97 slaagde de syndicale delegatie van Forges de Clabecq er, ondanks de openlijke tegenwerking van de officiële vakbondsstructuren, wel in liefst 70.000 syndicalisten samen te brengen op haar multicolore mars. Ze zou er een zware prijs voor betalen: uitsluiting uit de vakbonden en een proces dat jarenlang aansleepte en enorm veel energie en middelen opslorpte. Dat de vakbondsleiders er alles aan zouden doen om een arbeidersalternatief te kelderen, was nu wel duidelijk. Het werd nogmaals geïllustreerd tijdens de algemene stakingen van 7 en 28 oktober 2005 tegen het Generatiepact. Tijdens die stakingen werd geëxperimenteerd met gezamenlijke stakerspiketten aan de grote invalswegen. Maar ook toen slaagden de vakbondsleiders erin de beweging uit te doven. De verdeeldheid aan de top tussen ACV en ABVV stond in schril contrast met de eenheid aan de basis. Bovendien speelden de vakbondsleiders volop communautaire tegenstellingen uit. Het is toen dat de splitsing van de metaalcentrale van het ABVV op de agenda kwam en ook dat militanten van het ABVV het SP.a-congres symbolisch de rug toekeerden.

Met die leiding kon een uitweg uit de crisis niet van de arbeidersbeweging komen, maar evenmin van de burgerij. Haar belangrijkste politieke instrument, de CVP, belandde na de dioxinecrisis van 1999 voor het eerst in 41 jaar in de oppositie. Het was al geleden van de socialist Leburton I en II, in ’73 en ’74, dat nog eens iemand die geen christendemocraat was – de liberaal Guy Verhofstadt – premier werd. Een vernieuwingsoperatie drong zich op. In september 2001 wordt de CVP omgevormd naar CD&V, maar de verkiezingsuitslag in 2003 valt tegen. Yves Leterme neemt het voorzitterschap over van De Clerck. Hij denkt dat de CD&V best haar sterkste troeven uitspeelt: haar vermogen om te goochelen met de traditionele tegenstellingen. De klassentegenstellingen uitspelen via het ACW zou de burgerij echt niet op prijs stellen. De confessionele zou de CD&V wel eens zuur kunnen opbreken. Het veiligst lijkt de communautaire. Er was al een tijdje vraag naar een Vlaamsgezinde, flink rechtse formatie in Vlaanderen om het Vlaams Belang de wind uit de zeilen te nemen. Waarom zou de CD&V dat niet incorporeren?

Leterme trekt dus onmiddelijk de communautaire kaart. Dat leek toen nog een onschadelijke operatie. In 2001 was uit het puin van de Volksunie de N-VA ontstaan, geleid door stijve hark Geert Bourgeois. In 2003 behaalde die enkel in West-Vlaanderen de kiesdrempel, maar in geen enkele andere Vlaamse provincie, noch voor de senaat. Wat hield de CD&V nog tegen om zich vanaf Valentijn 2004 op haar Vlaamse flank te versterken met kartelpartner N-VA en het de regering-Verhofstadt eens flink lastig te maken? Aanvankelijk moeten ze bij de CD&V gedacht hebben: ‘bingo!’ Bij de Vlaamse verkiezingen van 2004 haalde dit kartel 26% en werd Leterme I gevormd met twee andere kartels: sp.a/spirit en VLD/Vivant. Bij de federale verkiezingen van 10 juni 2007 behaalt CD&V/N-VA een nog grotere overwinning (30%), met bijna 800.000 voorkeurstemmen voor Leterme. Kris Peeters wordt Vlaams minister-president. Maar na 194 dagen moet uittredend premier Guy Verhofstadt een overgangsregering vormen omdat de federale Leterme I, bij gebrek aan akkoord over een staatshervorming, niet van start kan. Op 23 september 2008 houdt het kartel op te bestaan.

Dan pas begint te dagen welk monster van Frankenstein Leterme daar tot leven heeft gebracht en dat hij de situatie totaal verkeerd ingeschat heeft. Er is altijd wel een laag van Vlaamsgezinde kleine patroons geweest voor wie de Vlaamse sociale ontvoogding de weg moet vrijmaken voor een patronale pletwals. Daarnaast is er een veel grotere laag van kleine patroons die eigenlijk maar weinig uitstaans hebben met Vlaamse ontvoogding, maar wel beseffen dat hun programma federaal doorvoeren zo goed als uitgesloten is. Als Vlaanderen daarbij kan dienen als hefboom voor sociale afbraak, dan moet dat maar. Zowel het Vlaams Belang als Lijst De Decker hebben zich aan die laag aangeboden als politieke spreekbuis, maar het Vlaams-nationalisme was daarvoor te aangebrand. Toen de NV‐A in kartel met de CD&V plots ontluisd werd van de verdenking van autoritaire trekjes, grepen die Vlaamse patroons hun kans. In plaats van de CD&V te versterken, heeft Leterme de N-VA de ‘missing link’ aangeboden om het Vlaams-nationalisme terug aanvaardbaar te maken.

Klassieke partijen kunnen opmars NV-A niet stuiten

Van dan af is er geen houden meer aan. In 2009 boekt N-VA op eigen kracht een overwinning in de Europese en vooral de Vlaamse verkiezingen. Ze behaalt 13% en treedt toe tot Peeters II, een coalitie met CD&V, N-VA en SP.a. In 2010 veroorzaakt Alexander De Croo vervroegde federale verkiezingen. Hij trekt de stekker uit Leterme II wegens het uitblijven van een oplossing voor het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde (BHV). Dat is het enige arrondissement waar anderstalige partijen in ééntalig grondgebied – Halle-Vilvoorde – lijsten kunnen neerleggen, een inbreuk op de taalwetgeving volgens de Vlaamse partijen. Een opsplitsing van het arrondissement zou deze ‘discriminatie’ wegwerken. De Franstalige partijen staan daar niet voor te springen. Er wonen immers veel kiezers van Franstalige lijsten. In die vervroegde verkiezingen wordt de N-VA qua stemmenaantal de grootste partij van het land. Een oplossing voor BHV, bijkomende bevoegdheden voor de gewesten en een herziening van de financieringswet worden onontbeerlijk.

Het vergt een wereldrecord van 541 dagen regeringsvorming om op 6 december 2011 Di Rupo I in het zadel te lichten, een klassieke tripartite. Op dag 459 zag de 6de staatshervorming – of het vlinderakkoord, naar de das van Di Rupo – het licht. Daarvoor moest de MR wel eerst het FDF dumpen waarmee het sinds 1993 een federatie vormde. Zoals we verwacht hadden, leidde dat vlinderakkoord niet tot de splitsing van België en evenmin tot de Copernicaanse omwenteling van federalisme naar confederalisme. Wel konden de Vlamingen claimen dat BHV gesplitst werd met een minimum aan compensaties en de Franstaligen dat in de 6 faciliteitengemeenten op Brusselse lijsten gestemd kan worden. Een niet onaanzienlijk aantal bevoegdheden, inclusief delen uit de sociale zekerheid, worden overgeheveld naar de gewesten en de gemeenschappen.

Er zitten echter wel wat adders onder het gras. Zo krijgen de gemeenschappen bijkomende dotaties voor hun nieuwe bevoegdheden, maar niet zonder automatische besparing omdat de economische groei slechts voor een gedeelte in rekening wordt gebracht, bijvoorbeeld in ouderenzorg en gezondheidszorg. De gemeenschappen worden geresponsabiliseerd en zullen voortaan bijdragen aan de pensioenkosten van hun statutaire ambtenaren. Er is een compensatie voor de gemeenschappen die verliezen aan de nieuwe financieringswet, maar die dooft na 10 jaar uit. De gewesten krijgen een prestatiegericht dotatiesysteem, met boni (of mali) voor het behalen van de doelstellingen inzake tewerkstelling of zoals vastgelegd door de nationale klimaatcommissie. Voorts kunnen ze meer op- en afcentiemen heffen op de personenbelasting en hebben ze de mogelijkheid kortingen te geven op de vennootschapsbelasting. Ook zij worden geresponsabiliseerd voor de pensioenen van hun statutaire ambtenaren.

De 6de staatshervorming bevat een pak ingrediënten die garant staan voor nieuwe communautaire uitbarstingen en zal zeker niet tot blijvende communautaire pacificatie leiden. Daarvoor is de verleiding te groot om met de bevoegdheden van het eigen bestuursniveau die van andere, met een andere politieke samenstelling, spaken in de wielen te steken. Vlaams minister-president Bourgeois maakte er een zaak van dat de federale overheid zich zou terugtrekken uit de internationale organisatie van de francofonie. De Waalse regering verzet zich tegen de verdeling van de begrotingsinspanning door de federale.[110] Daarbij verwijt Magnette de federale regering de regio’s te behandelen als kolonies.[111] Het hielp niet echt dat federaal minister van Financiën Van Overtveldt (N-VA) de dotaties aan de deelstaten met 600 miljoen euro onderschat had.[112] De 310.000 Franstaligen in Vlaanderen klagen over aanhoudende pesterijen.[113] Vlaams N-VA-minister Homans weigert de kandidaat-burgemeester van haar federale regeringspartner MR in Linkebeek te benoemen en wil een regeringscommissaris sturen.[114] Diezelfde Homans joeg Michel de kast op door in het Vlaams parlement te beweren dat diens handelsmissie in Japan een bevoegdheidsovertreding was.[115]

Intussen bestelt stokebrand Bourgeois een nieuwe studie over geldtransfers richting Wallonië.[116] De Naamse universiteit schat die op bijna 8 miljard per jaar.[117] Eerder al vroeg N-VA artikel 195 van de grondwet open te verklaren. Dat wordt gezien als een noodzakelijke stap naar confederalisme.[118] In dat verband liet De Wever optekenen dat hij blijft ijveren voor volledige fiscale autonomie.[119] Het Brussels gewest wordt dan wel geherfinancierd, maar de vereiste middelen door de bevolkingsexplosie zijn veel groter dan dat. Nieuwe middelen vragen op een moment dat de nieuwe financieringswet ter discussie staat omdat het gat in de Vlaamse begroting groter is dan verwacht, wordt geen wandeling door het park.[120] Wat het gebrek aan mobiliteit op de arbeidsmarkt betreft… dat valt wel mee. Tussen 2005 en 2014 is het aantal bewoners van Wallonië dat in Vlaanderen werkt toegenomen met 42% naar bijna 50.000. Er zijn 47.000 bewoners van Brussel die in Vlaanderen werken, een toename met 28%. Het aantal Vlamingen dat in Wallonië werkt nam in diezelfde periode toe met 29% naar 25.000, terwijl het aantal Vlamingen dat in Brussel werket afnam met 0,7% naar 234.000.

De regering-Di Rupo wou de N-VA niet alleen communautair de wind uit de zeilen halen, maar ook aantonen dat de besparingen met de PS en op federaal vlak gerealiseerd konden worden. Aanvankelijk strubbelde formateur Di Rupo nog tegen. Maar toen Standard & Poor’s eind 2011 de kredietwaardigheid van België verlaagde, schoten de rentevoeten naar 6%. Ontslagnemend premier Yves Leterme deed toen beroep op de Belgische spaarder met een staatsbon aan 4% rente (voor die op 5 jaar) en een verlaagde roerende voorheffing (15% i.p.v. 25%). Op een mum van tijd werd daarmee meer dan 6 miljard € opgehaald. Het maakte ‘de markten’ duidelijk dat speculeren op een doemscenario voor België geen zin had omdat de Belgische spaarders massaal de overheidsschuld kunnen financieren. Voor Di Rupo was dat de vereiste wake-up call. De volgende dagen werd een akkoord bereikt om het begrotingstekort tegen 2015 volledig weg te werken. Al op 22 december 2011 volgde een 24-urenstaking in de openbare diensten tegen de pensioenhervorming en op 30 januari 2012 een algemene staking gekenmerkt door het enorme aantal stakersposten aan de bedrijven.

Het bleek echter een illusie de N-VA de wind uit de zeilen te halen door haar beleid dan maar zelf door te voeren. Tijdens de verkiezingen voor de provincie- en gemeenteraden in 2012 boekte de N-VA alweer een eclatante overwinning. Dat herhaalde ze nog eens tijdens de federale verkiezingen in 2014. De N-VA behaalde toen 32,5%, terwijl de PS bijna 5% verloor. Maar wie daaruit zou besluiten dat de Vlamingen anti-Belgisch zijn, vergist zich. Zelfs op het hoogtepunt van de communautaire discussies sprak maar 22% van de Vlamingen zich resoluut uit voor onafhankelijkheid, terwijl 75% België liever niet zag verdwijnen en 42% resoluut tegen onafhankelijkheid was. Vergelijk dat met Schotland. Daar sprak zich na een heuse angstcampagne toch nog 45% uit voor onafhankelijkheid in het referendum van 18 september 2014. Op 7 mei 2015 werd de pyrrhus-overwinning van de politici van Westminster afgestraft. De Scottish Nationalist Party behaalde 56 van de 59 zetels van Schotland met voor de Tories, Labour en de Liberal Democrats telkens maar één zetel. De opkomst voor het symbolisch referendum in Catalonië in november 2014 viel met 2,2 miljoen van de 5,5 miljoen kiesgerechtigden wel tegen, maar daarvan stemde wel 80% voor onafhankelijkheid.

Een studie aan de UCL over het niveau waarmee Belgen zich identificeren bevestigt dit. In 2014 identificeert 23% van de Vlamingen zich uitsluitend met België, het dubbele van 2010. Slechts 17% voelt zich eerder Vlaming dan Belg, in 2010 was dat nog 27%. Identificeert zich uitsluitend met Vlaanderen: 8,7% in 2014 tegen 8% in 2010 en 7% in 1999. In Wallonië voelt 37% zich uitsluitend Belg en maar 12% eerder Waal dan Belg. Van de N-VA-kiezers identificeert 42% zich hetzij als eerste of als tweede keuze met België, tegen 3,3% van het partijkader. Bij het PS-kader leeft een zeker regionalisme, terwijl bij de PS-kiezers eerder een belgicisme merkbaar is.[121] Een analyse van de KUL over het communautaire in de verkiezingen van 25 mei 2014 toont dat de inzet van die verkiezingen volgens de Vlaamse kiezers hoofdzakelijk het sociale was (bijna 40%), dan het economische (bijna 30%) en slechts voor 6% het communautaire (tegen 20% in 2010 en 13% in 2007). Het aantal Vlaamse kiezers dat zich unitarist noemt of voor een terugkeer naar een meer federaal België, blijft sinds 2003 stabiel op 24%. Het aantal dat een splitsing van het land wil, halveert in vergelijking met 2010 van 12% naar 6%. Zelfs bij het Vlaams Belang wil in 2014 maar 31% de splitsing van het land. Bij de N-VA is dat 11%. Op de vraag waarmee de Vlaamse kiezer zich het meest verbonden voelt, antwoordt 56% België als 1ste keuze en 22% als 2de. Vlaanderen is voor 27,7% de 1steen voor 37,9% de 2dekeuze, de eigen gemeente is voor 12,8% de 1ste keuze en voor 23 % de 2de.[122]

Waarom hebben de sociaal-democratie en de groenen de verkiezingen van 2014 met hun thema’s als belangrijkste inzet, niet met de vingers in de neus gewonnen? Omdat ze elk greintje aan geloofwaardigheid verspeeld hebben. Het programma van N-VA is rechts liberaal en Vlaams, maar dat verklaart haar succes niet. Wel dat het erin slaagt de frustraties van de middenklassen te benutten en het gebrek aan alternatief vanwege de arbeidersbeweging electoraal in haar voordeel om te buigen. Het doet dat via de traditionele politiek van verdelen om te heersen. Aan de middenstander vertelt ze dat de lonen van de loontrekkende te hoog zijn. Aan de hardwerkende Vlaming vertelt ze dat de overheid zijn loon afroomt om het aan de werkloze profiteurs te geven die zich nestelen in de hangmat van de sociale zekerheid. Aan de bewoners van sociale woningen en uitkeringsgerechtigden dat de migranten en asielzoekers, die nooit hebben bijgedragen, zich hier komen nestelen. Aan de ‘goede’ Chinese migranten dat de Marokkaanse Berbers de boel om zeep helpen. De N-VA weet perfect de frustraties te bespelen en telkens een zondebok uit te kiezen om de aandacht af te leiden van het echte probleem: het winstbejag eigen aan het kapitalisme. Speelt het communautaire dan helemaal niet? Toch wel. Als de arbeidersbeweging geen antwoord biedt zullen velen – vooral uit de middenlagen – elders op zoek gaan naar oplossingen en kunnen communautaire scherpslijpers opnieuw gehoor vinden.

De verkiezingen van 25 juni

De federale verkiezingen van 2014 draaiden uit op een enorme overwinning voor de N-VA, maar hoofdzakelijk ten koste van extreem- en populistisch rechts. De tripartite haalde zelfs een meerderheid in Vlaanderen, waar ze voordien een zetel tekort had. Een federale tripartite was dus rekenkundig mogelijk en net dat leverde de burgerij een enorme opportuniteit op. Dat ze vroeg of laat zou moeten afrekenen met de N-VA, besefte ze al langer. Een splitsing van België in hartje Europa, dat zou pas een onvergeeflijke slag toebrengen aan het prestige van de Belgische en van de Europese burgerij. Maar de vraag was hoe? Een cordon sanitaire rond de N-VA die net de verkiezingen glansrijk gewonnen had, zou die partij in staat stellen om zich vanuit de oppositie binnen 5 jaar incontournable te maken. Haar opnemen in de regering leek een betere optie, op voorwaarde dat ze haar communautair programma minstens 5jaar opborg. De geesten rijpten. Het zou de mogelijkheid bieden om de N-VA te verbranden aan de macht en tegelijk uit te testen hoever men kan gaan in de aanval op de arbeidersklasse.

De burgerij heeft lang getwijfeld. Toen de CDH de informateursnota van De Wever resoluut afwees, leek het erop dat men de richting uitging van een tripartite. De Vlaamse kleinburgerij was al in paniek. Zou ze alsnog haar gedroomde rechtse coalitie zien mislukken? Toen deed Unizo iets zeer uitzonderlijks. Ze organiseerde ‘een bevraging’ van 1.709 zelfstandigen en kmo’s, eigenlijk meer een dreigement om een tripartite te boycotten en het land in een crisis te storten. Uiteindelijk ging de burgerij overstag. Pieter Timmermans van het VBO haalde er zelfs Deng Xiao Ping bij: ‘de kleur van de kat doet er niet toe, zolang ze maar muizen vangt.’[123]

Moeten we daaruit besluiten dat met de regeringsdeelname van N-VA, mede door het dreigement van UNIZO en de steun van Voka, de kleinburgerij of de middenstand nu wel aan de macht is? Vertel dat maar aan de talloze bakkers, slagers, kledingwinkels, etc., die zullen weggeconcurreerd worden door winkelprojecten als Uplace in Machelen, Alcopa in Vilvoorde en talloze andere. Het is niet omdat de regering met haar federaal kmo-plan de eerste drie aanwervingen vrijstelt van sociale bijdragen en het minimumpensioen van zelfstandigen belooft op te trekken, dat de middenstand aan de macht is. Wat deze regering vooral doet, is schermen met reëel bestaande armoede onder een deel van de zelfstandigen om nog meer geschenken te geven aan de echt grote bedrijven. De middenstand is net zomin aan de macht met deze regering als de arbeidersbeweging was met de regering-Di Rupo.

Met haar opbod inzake neoliberale voorstellen wou de Open VLD bovendien de N-VA dwingen om zich van haar meest asociale kant te tonen. De CD&V gaf het premierschap af om niet nog een van haar tenoren te moeten opbranden, maar hem integendeel te vrijwaren voor na de kamikaze. Voor Michel en de MR was dit een enige kans om ook eens op de stoel van federaal premier te mogen zitten en lucratieve ministerpostjes uit te delen. Dat De Wever verkoos in Antwerpen te blijven als schoonmoederende burgemeester zegt veel over het vertrouwen dat hij er zelf in had. Voor de burgerij was het echter een win‐winsituatie. Als de regering erin zou slagen een deel van haar rechts programma door te voeren, zou ze dat met plezier incasseren. Indien de regering zou vallen onder sociaal verzet, dan kon zonder de horde van verkiezingen overgeschakeld worden naar een klassieke tripartite. Maar gelijk welke politieke constellatie zou een versnelling hoger moeten schakelen in het besparingsoffensief. De wereldwijde crisis liet het Belgische kapitalisme immers geen andere keuze dan te proberen haar competitiviteit te herstellen op de kap van de werkende klasse. Dat betekent echter niet dat het geen verschil maakt.

Een Thatcheriaanse regering – de lichte cavalerie

In de zomer van 2014 was duidelijk dat de volgende regering een rechtse zou worden. Eind juli werd daarvan al een Vlaamse versie in de steigers gezet: de regering-Bourgeois. Als was het om te tonen dat de verandering onmiddelijk inging, pakte die uit met een gigantisch besparingsprogramma van 8 miljard euro. Ambtenaren, gemeenten, kinderopvang, kindergeld,… Maar ook een eerder symbolische maatregel die 160 miljoen € moest opbrengen: de verhoging van het inschrijvingsgeld voor hoger onderwijs. In het verleden stootte dat telkens op hevig protest. Het was een test om de weerbaarheid van studenten in te schatten en een graadmeter om te zien wat gebeuren kon als heel de arbeidersbeweging werd aangepakt. We schreven dat als het experiment slaagde, de weg open zou komen te liggen voor de geleidelijke introductie van eliteonderwijs met inschrijvingsgelden die doen denken aan de situatie in de Angelsaksische wereld, waar studenten al gauw 8.000 euro moeten betalen voor 1 studiejaar.

Doorgaans beschrijven marxisten de jongerenbeweging als de lichte cavalerie van de klassenstrijd. Jongeren dragen minder verantwoordelijkheden, zijn minder getekend door de nederlagen van het verleden, komen sneller in actie en zijn wendbaarder. De industriële arbeiders noemen we de zware bataljons. Ze komen moeilijker op gang, maar eens ze aan het rollen gaan, is er geen houden meer aan. Het was toen echter al van 2003 geleden – de invasie in Irak – dat de jongeren nog eens massaal in beweging waren gekomen. Dat had niet alleen de kracht van LSP onder jongeren aangetast, maar ook hun bewustzijn en hun ervaring met strijd. Hier lagen echter mogelijkheden om de situatie te keren en al vroeg in augustus brachten we ons jongerencomité samen om deze kans te grijpen. We begrepen dat als het van VVS (Vlaamse Vereniging van Studenten) of Comac zou afhangen, de beweging zou worden gedepolitiseerd, de studenten geen zeggenschap zouden krijgen en de acties symbolisch zouden blijven. Dat keren zou ons niet lukken, maar als we erin zouden slagen de oriëntatie van de Actief Linkse Studenten op de arbeidersbeweging, onze methode en ons programma ergens in de praktijk te brengen, dan zou dat een belangrijk minderheidsstandpunt in de beweging kunnen worden.

We concentreerden alle energie op de Gentse scholieren, richtten actiecomités in de scholen op, brachten een regionale overkoepeling in stelling, organiseerden betogingen en stakingen en oriënteerden de scholieren op het actieplan van de vakbonden. Het was lang geleden dat we nog eens op zo’n geconcentreerde wijze alle kracht richtten op het punt van de aanval. Aan elke actie ging een uitgekiende mobilisatie vooraf, met tot in de details bediscussieerde pamfletten die rekening hielden met de actualiteit, gevoeligheden bij de ouders, de leraars en de directies, met slogans waarover was nagedacht, voorstellen voor na de actie en een korte persmededeling met de cruciale punten. Op elke actie had ieder zijn taak, van animatie over verkoop tot toespraken. Waar het kon, werd de band met het personeel zoveel mogelijk in de verf gezet. Elke actie eindigde – zoals we hadden geleerd van de anti-globaliseringsbeweging – in een algemene vergadering waar de volgende stap bediscussieerd werd. Op een bepaald moment werd ALS onder scholieren een kleine hype. We slaagden erin om de beste scholieren te politiseren en te winnen, alsook een aantal studenten die door de acties werden aangetrokken. Dit was extreem belangrijk. De enige verworvenheid die misschien even zwaar doorweegt in de balans – en niet verloren mag gaan – is de schat aan ervaringen die de partij heeft opgedaan doorheen deze strijdbeweging.

Een Thatcheriaanse regering – de zware bataljons

Het was Leemans van het ACV die in de zomer van 2014, toen de besprekingen over de te vormen rechtse regering nog volop aan de gang waren, als eerste de vergelijking met Thatcher in Groot-Brittanië in de jaren ’80 opperde. Het voornaamste verschil tussen deze regering en alle voorgaande sinds de jaren ’80, was immers dat ze een radicale breuk wou met het Belgisch overlegmodel, volgens haar een obstakel voor drastischer saneringen. Deze regering wou afmaken waar de rechtse coalities van de jaren ’80 in faalden. De voorwaarde daartoe was het breken van de vakbonden en het omkeren van de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal. Een deel van de rechterzijde, zeker bij N-VA, is ervan overtuigd dat de vakbonden overblijfselen zijn van de vorige eeuw die als kaartenhuisjes in elkaar stuiken als hen de werkloosheidsuitkeringen en de syndicale premies worden afgenomen. Ze kennen de vakbonden niet van binnenin. Voor hen zijn het “apparaten” en niets meer. Hun achterban van kleine patroons heeft weinig of geen ervaring met de vakbondsdelegaties uit de grotere bedrijven, de sterkere sectoren of de openbare diensten.

Voor hen zijn de traditionele politici maar slapjanussen en moeten die vakbonden een lesje geleerd worden. Ze denken te kunnen winnen. Ook dat is een reden waarom de echte burgerij niet warm loopt voor die betwetende kleinburgerij. Maar als die kolos van de arbeidersbeweging in beweging komt, zal de echte burgerij zich wel tijdig uit de wind zetten. Liefst 17 miljard euro wou de rechtse regering besparen. En indien de groeicijfers zouden tegenvallen – zoals vandaag reeds het geval is – dan mochten we ons aan nog meer bezuinigingen verwachten. Al op 23 september, toch twee weken voor de federale regering-Michel gevormd was, warmden 7000 syndicalisten zich op voor de strijd op het Brusselse Muntplein. LSP waarschuwde dat rekenen op de CD&V om die regering te stoppen een illusie was en verder dat men ACV- en ABVV-militanten tegen elkaar zou trachten op te jutten, net zoals men Vlamingen, Walen en Brusselaars tegen elkaar in het harnas jaagt.

‘Geen Thatcher in België’ vatten we het algemeen gevoelen samen op onze pancartes en pamfletten en we riepen op voor een actieplan dat tot onze grote verbazing bijna letterlijk werd overgenomen door de vakbondsleidingen. Plots bleken die dus wel te weten hoe een mobilisatie op gang getrokken wordt, met degelijke en tijdige informatie, gewestelijke interprofessionele vergaderingen en algemene vergaderingen op de werkvloer. Met een nationale betoging, evaluatievergaderingen en beurtstakingen die uitmonden in een nationale 24-urenstaking. Het resultaat was verbluffend. We hadden dat zien aankomen. De aanhef van ons pamflet op de betoging van 6 november 2014: “Vandaag dienen we de regering en de patroons van antwoord. Ja, de vakbonden kunnen nog massaal veel volk op de been brengen. Neen, de arbeidersbeweging is geen concept uit de vorige eeuw, maar is integendeel alive and kicking. En ja, die arbeidersbeweging is nog steeds de motor van sociale verandering die hele lagen van de bevolking op sleeptouwkan nemen.” We kregen geen ongelijk: liefst 150.000 mensen marcheerden die dag door de straten van Brussel. Zelfs het uitvergroten van de rellen op het einde van de betoging kon het effect ervan niet teniet doen. De vakbondsleiders zelf hadden het over 120.000 betogers, wellicht om de verwachtingen te temperen.

Doorgaans gaan de vakbondsleidingen ervan uit dat de maatschappelijke steun voor stakingen gering is. De aanval van de rechtse regeringen was echter zo algemeen dat hele lagen van de bevolking zich spontaan aansloten. Dat was zo voor de jongeren die op 6 november de kop van de betoging namen met een opvallende delegatie Gentse scholieren, maar ook voor minder evidente lagen die zich organiseerden in Hart boven Hard. “Zelfs vet betaalde elite-journalisten die ons al sinds het einde van de 19de eeuw wegzetten als een bierzuipend zootje ongeregeld, moeten voorlopig erkennen dat de steun voor deze betoging wel echt heel breed is,” schreven we.[124] Die steun verdween niet tijdens de provinciale beurtstakingen van 24 november, 1 december en 6 december. We weten niet of de algemene staking van 15 december de grootste ooit in ons land is geworden, maar in een peiling eind december zei meer dan 70% de indexsprong en het optrekken van de pensioenleeftijd tot 67 jaar slechte maatregelen te vinden. 85% van de Vlamingen was toen voor een belasting op vermogens boven 1 miljoen euro, 91% van de CD&V-kiezers en zelfs 78% van die van Open VLD en N-VA. Heel de maatschappij was meegesleept door het enthousiasme over het actieplan van de vakbonden, met inbegrip van heel veel kiezers van de rechtse regeringspartijen.

LSP-leden hebben die periode benut, hetzij om de verloren traditie van personeelsvergaderingen te herstellen en de vakbondswerking op de werkvloer te versterken, hetzij om een stakerscomité op het industrieterrein op te zetten en blijvende contacten te leggen, hetzij om een verworven positie te versterken of een bedreigde te herstellen, hetzij om zich op te werpen als een factor in het gewest of de centrale, hetzij om de eerst stappen te zetten naar de syndicale werking, een collega voor het eerst in actie te brengen, een eerste collega op het werk te winnen of gewoon te abonneren op ons blad. Allemaal samen betekenen die talloze stappen vooruit een enorme versterking van onze syndicale werking. Wie had kunnen denken dat de vakbondsleidingen ons met dit actieplan zo een kans zouden laten? Voortaan is de eis voor een actieplan niet langer een abstract begrip waarbij enkel radicaal-links zich wat kan voorstellen, maar een eis die beantwoordt aan een concrete en enthousiasmerende ervaring.

De beweging, die een ontzettend krachtige kickstart kende met de grootste vakbondsmobilisatie sinds ’86 op 6 november, had het potentieel om Michel I ten val te brengen. Zowel de algemene staking tegen het Globaal Plan in ’93 als die tegen het Generatiepact in 2005 en opnieuw die van 30 januari 2012, werd door de vakbondsleidingen beëindigd met het argument dat iedere alternatieve regering rechtser zou zijn dan de zittende. Dat argument was nu weg. Daardoor kon terug aangeknoopt worden bij de traditie van de politieke algemene stakingen. Het zou betekenen dat het politieke monopolie van de burgerlijke instellingen, van de kamers van ‘volksvertegenwoordigers’ en de door massamedia en spin doctors gestuurde verkiezingen, opnieuw wordt uitgedaagd door een ander, veel democratischer organisme dat nog volop in ontwikkeling is. Gelijk welke daarop volgende regering zou rekening moeten houden met een arbeidersbeweging die een eerste krachtmeting en massa’s zelfvertrouwen gewonnen had.

We denken dat de vakbondsleidingen aanvankelijk ook overwogen om de rechtse regering ten val te brengen en de tripartite opnieuw in het zadel te lichten. Of dit had volstaan om de indexsprong terug te schroeven, de besparingen in de openbare diensten te herzien of het optrekken van de pensioenleeftijd teniet te doen, betwijfelen we. Gedurende heel het actieplan hebben we daarvoor gewaarschuwd. Op de betoging van 6 november was het de titel van onze krant, ons pamflet en onze pancartes: niet alleen Michel I, maar heel het besparingsbeleid wegstaken! Ons eisenprogramma hield rekening met de onmiddellijke behoeften, maar we lieten deze uitzonderlijke conjunctuur in de klassenstrijd niet voorbij trekken zonder een reeks absoluut noodzakelijk bevonden maatregelen aan te reiken die de nood aan socialistische omvorming van de maatschappij verduidelijkten. We brachten de idee van een arbeidersregering naar voor, verbonden dat met de nood aan een linkse strijdpartij, stelden dat PTB-GO een eerste stap in die richting had kunnen zijn, maar brachten ook de idee naar voor van de personeelsvergaderingen als embryo voor het uitwerken van een alternatief van de arbeidersbeweging. We deden dus wat linkse socialisten verondersteld zijn te doen in dergelijke situaties.

De ultieme test

Het is in periodes zoals het najaar van 2014, waarin de tegenstellingen kwalitatief tot uitbarsting komen en de klassenstrijd onbetwistbaar versnelt, dat geschiedenis geschreven wordt.[125] Dan wordt de ‘muggenzifterij’ over perspectieven, strategie, tactiek en programma ineens wel relevant. Dat betekent niet dat revolutionaire partijen zich in afwachting van zo een periode rustig kunnen terugtrekken. Hun reactievermogen wordt immers mee bepaald door hun capaciteit om zich ook in kalmere periodes op te bouwen of in stand te houden. Dat vergt een enorme investering met een nauwelijks merkbaar rendement. Het najaar van 2014 heeft verduidelijkt dat er toen in België drie radicaal-linkse organisaties waren die de capaciteit om collectief te reageren hadden opgebouwd: PvdA, LSP en SAP. Andere groepen bevinden zich ofwel nog in de prille fase van ‘primitieve accumulatie’ of nemen al genoegen met revolutionaire commentaar vanop de zijkant. Dat betekent niet dat sommige van hun leden geen rol spelen, maar ze doen dat hoofdzakelijk op eigen verdienste en niet als resultaat van een collectieve interventie.

Al in de zomer van 2014 hadden we begrepen dat wat op til stond, wellicht kwalitatief verschillend zou worden van de voorgaande periode en dat de kans erin zat dat de vakbondsleiders iets op gang zouden brengen. Uiteraard moesten we waarschuwen voor een aantal gevaren. We hebben ze al opgesomd: syndicaal sectarisme, communautaire verdeeldheid en illusies in de CD&V of een heruitgave van de tripartite. Vanaf 6 november kwamen daar ook illusies in een rechtvaardiger fiscaliteit bij via de zogenaamde tax shift. We begrepen onmiddelijk dat dit bedoeld was om het objectief van de beweging weg te leiden van de val van de regering. Maar we moesten vooral de vakbondsleiders op hun woord pakken, hen in de rug duwen door voortdurend positieve voorstellen te lanceren om de strijd vooruit te helpen. Tegelijk van die opening gebruik maken om op alle mogelijke manieren de syndicale democratie te herstellen en de strijdbare militanten te versterken. En voorts van het ruimere bewustzijn tijdens de acties gebruik maken om de directe eisen van de beweging via een aantal overgangseisen te koppelen aan de nood van een socialistische omvorming van de maatschappij. Trotsky formuleerde het in 1934 onder de titel ‘geen programma van passiviteit, maar een programma van revolutie’ als volgt:”sceptici die denken dat alles verloren is moeten zonder medelijden uit de rangen van de arbeiders verdreven worden.”[126]

De SAP daarentegen stelde in september 2014 vast dat de vakbondsleiders ons nu wel oproepen tot actie, ons zeggen “dat we de munitie moeten klaar leggen” maar tegelijk “de geweren laten roesten in de loopgraven.” De SAP stimuleerde de beweging niet, maar demoraliseerde ze. In gewestelijke vakbondsmeetings kwamen haar militanten niet tussen om andere militanten te motiveren met positieve voorstellen, maar enkel om hun frustratie over het gebrek aan strijdvaardigheid van de leiding te ledigen. In plaats van de vakbondsleiding in een moeilijke positie te plaatsen doordat ze een als positief ervaren voorstel moest afschieten, bood ze die de gelegenheid de strijdbare militanten te isoleren en te demoraliseren. Dat retorisch sectarisme combineerde de SAP met opportunisme in slogans en programma. Op de betoging van 6 november pakte ze uit met “Basta, Michel 1 buiten.” Dat zal op zich wel aangeslaan hebben, maar waarschuwde niet voor de strategie van de vakbondsleiding die er nochtans overduidelijk op gericht was de tripartite terug te halen. Over socialisme geen woord, maar in plaats daarvan “een echt democratisch, sociaal en gastvrij Europa.” Als socialisme zelfs op 6 november het vermelden niet waard was, wanneer dan wel? Een aantal eisen uit de pamfletten van de SAP lagen inhoudelijk dicht bij die van LSP, maar het effect ervan werd ondermijnd door de onnodig confronterende manier waarop ze waren aangebracht.

Men had zich geen betere positie kunnen inbeelden om het actieplan aan te vatten dan die van de PvdA. Ze had nog maar net in de federale verkiezingen van 25 mei onder de noemer PTB-Gauche d’Ouverture 2 zetels behaald in de Kamer, 2 in het Waals parlement en 4 in het Brussels parlement. In Vlaanderen, waar voor verruiming in de lijstnaam geen plaats was, werd geen verkozene behaald. Peter Mertens strandde in Antwerpen wel op een zucht van de kiesdrempel. Dat toont dat er links van de sociaaldemocratie en de groenen wel degelijk ruimte is. Het was daarom dat LSP, na alle voorgaande pogingen om daaraan te beantwoorden met CAP en Rood, een jaar voor de verkiezingen, op 25 mei 2013, aan heel radicaal-links gezamenlijke eenheidslijsten ‘onder de naam PVDA-Eenheid of iets dergelijks’ had voorgesteld.[127] Om diezelfde reden waren we nadat dit was verworpen en ingeruild voor Gauche d’Ouverture, bereid kandidaten te leveren voor PVDA+/PTB-GO. Ook dat werd afgewezen. In Brussel werd zelfs het voorstel van lijstverbinding verworpen. We beslisten uiteindelijk om in Antwerpen en Luik geen lijsten in te dienen en een stemoproep te formuleren voor PVDA+/PTB-GO om er de mogelijkheid op een linkse verkozene te vergroten, alsook in Charleroi om de oproep van het gewestelijke ABVV niet te ondermijnen.

De PvdA had haar nieuw verworven positie kunnen inzetten tijdens het actieplan. In de voorpagina van De Linkse Socialist schreven we: “Wat ook de juiste samenstelling van de federale en de regionale regeringen zal zijn, nu al staat vast dat we de komende jaren op alle niveaus, van het federale over het regionale tot het lokale, een lawine van sociale afbraak over ons heen zullen krijgen. Daaraan weerstand bieden, laat staan de trend ombuigen, zal een front van verzet vereisen, samengesteld uit sociale bewegingen, linkse syndicalisten, radicaal-links, wijkactivisten etc. Een dergelijke oproep van enkel LSP zou weinig respons krijgen, maar als die uitgaat van de PVDA met nu 8 parlementsleden en 50 lokale verkozenen, zeker indien enkele vakbondscentrales of gewesten zich daarbij aansluiten, zou die een veel grotere draagkracht krijgen en mee de basis kunnen leggen voor een reële verzetsbeweging van onderaf.[128]

Maar een breed front van verzet was niet de richting die de PvdA uit ging: integendeel, Gauche d’Ouverture werd voor de duur van het actieplan op een laag vuurtje gezet. ‘PTB-GO, stop où encore’ heette het al in het september-oktobernummer van La Gauche. In dat van november-december mocht Daniël Piron, toen nog algemeen secretaris van het ABVV-gewest Charleroi-Zuid-Henegouwen komen uitleggen “Le PTB-GO qui devient PTB, ça ne va pas.” Alsof iets anders kon verwacht worden. Gauche d’Ouverture was tenslotte het resultaat van een manoeuvre van LCR. Die had het front van radicaal-linkse formaties rond het initiatief van Charleroi om tot een gezamenlijke lijst met alle groepen rond de tafel te komen, met zichtbaar genoegen opgeblazen door een afzonderlijk akkoord met de PvdA te sluiten. Zodra dat duidelijk was, koos ook de PC voor afzonderlijke gesprekken. Daardoor kon de PTB haar partners à la carte uitkiezen en toch de schijn van verruiming opwekken. De voorspellling dat de PTB de GO zou dumpen zodra de electorale doorbraak gerealiseerd was, werd formeel bevestigd in januari 2015, officieel omdat Gauche d’Ouverture niet ruim genoeg was.

De PvdA had zelfs zonder front van verzet kunnen wegen op het actieplan. Haar talloze militanten in de bedrijven hadden de oproep van de vakbonden ter harte kunnen nemen en overal personeelsvergaderingen in de werkplaatsen stimuleren. Ze hadden zoals de Genste LSP’ers op het industrieterrein Gent-Zuid stakerscomités kunnen helpen opzetten, op veel grotere schaal dan wij vermogen. Ze hadden de vakbondseisen kunnen onderbouwen met argumentatie, niet alleen in de studiedienst, maar op basis van discussies op de werkvloer. Ze hadden een aantal objectief noodzakelijke eisen die doorgaans op meer weerstand stoten, zoals een 32-urenweek zonder loonverlies, kunnen populariseren. Ze hadden de idee van een arbeidersregering kunnen aanbrengen als antwoord op de illusies van de vakbondstop in een heruitgave van de tripartite. Ze hadden na 15 december de nood aan een nieuw, groter en harder actieplan in aanloop naar een 48-urenstaking kunnen propageren en het de vakbondsleiders moeilijker kunnen maken om verraad te plegen.

Maar dat was duidelijk niet de intentie van de PvdA. Zelfs toen de vakbonden nog lieten doorschemeren dat deze rechtse regering weg moest, beperkte de PvdA er zich al toe te eisen dat de regering haar asociale maatregelen terug zou intrekken. Toen De Standaard in april 2015 peilde naar mogelijke kritieken van de PVDA op de vakbondsleiding, zei Peter Mertens het volgende: “Wij leven in een totale communicatiemaatschappij. En dus moeten de bonden er veel meer mee bezig zijn hoe ze hun boodschap kunnen vertalen naar een groot publiek. Het klopt niet dat ze alleen nog bezig zijn met verworven rechten. Er lopen daar veel progressieve mensen rond, met progressieve ideeën. Ze hebben geweldig veel tentakels in de samenleving. Maar toch slagen ze er niet in om op de debatten te wegen. (…) Ik ben een grote fan van al die nieuwe burgerbewegingen, zoals Straten-Generaal of Ademloos, maar ze kunnen de bonden nooit vervangen. Ze hebben bijvoorbeeld geen machtig wapen zoals het stakingsrecht. En daarom moeten de bonden, net zoals de PVDA, een nieuw tijdperk intreden. In 2008 hebben wij ook beslist om met een reclamebureau te gaan samenwerken.”[129]

Dat de externe communicatie van de bonden niet ideaal is, kan niet ontkend worden. Maar of een reclamebureau daaraan kan verhelpen, durven we betwijfelen. Het probleem met die communicatie is immers niet alleen de vorm ervan, maar vooral de inhoud. Dat komt doordat de bonden de bevriende sociaal- en christendemocratische partijen niet voor de voeten willen lopen. Mertens zegt ook niets over het veel schrijnender gebrek aan interne communicatie, aan democratie, bijvoorbeeld op het ogenblik dat het eerste actieplan afliep en geen vervolg kreeg. We begrijpen dat Mertens een aantal kritieken liever binnenskamers houdt, zeker in een interview met De Standaard. Maar in datzelfde interview verklaart Mertens ook dat hij geen zin heeft om de concurrentie aan te gaan met SP.a en Groen en dat hij hoopt over 10 of 15 jaar in een regering te kunnen stappen en dan een miljonairstaks te kunnen invoeren. Kortom, de afwezigheid van inhoudelijke kritiek op de vakbondsleiders kan te maken hebben met het feit dat ook Mertens een regering met hun bevriende partijen wel ziet zitten, op voorwaarde dat hij er deel van uitmaakt.

En dus concentreerde de PvdA zich tijdens het actieplan op een andere niche. Ze had de brede steun voor de beweging goed aangevoeld en dacht dat daar wel wat meer mee te doen was. De PvdA was zeker de motor achter Hart Boven Hard, een initiatief dat ook wij trouwens toejuichen. Voor de PvdA moest het echter vooral breed blijven, niet té politiek, toegankelijk voor allerlei progresssieven en ook figuren uit de sociaal-democratie en de groenen. Een beetje een coalitie van de straat, in aanloop naar een toekomstige regeringscoalitie? Hoe dan ook wou de PvdA absoluut vermijden dat die bonte achterban zou aangetrokken worden door een radicalere spelbreker; vandaar de parades in plaats van betogingen, vandaar de strikte enscenering, vandaar de fobie voor alles wat té links bevonden werd tot het verbieden van pamfletten, vlaggen en pancartes toe, tenzij vanachter een dikke rij ordedienst.

De PvdA pikt voorlopig de ruimte in die zich links van de sociaal-democratie en de groenen bevindt. Zo wordt dat ook gezien door heel wat strijdbare syndicalisten en radicaliserende jongeren. Dat maakte het ons er de jongste jaren niet echt gemakkelijker op om te bouwen. Die ruimte zou nog vele malen groter kunnen worden, indien er een brede inclusieve strijdpartij van de arbeiders zou bestaan. Uit het voorgaande blijkt echter dat de PvdA enkel breed wil zijn op voorwaarde dat ze de volledige controle heeft en dat ze de maatschappij heel geleidelijk wil veranderen, te beginnen via een regeringsdeelname binnen 10 à 15 jaar en niet via sociale strijd, die hooguit in het teken staat van een electorale positionering. Dat betekent dat die ruimte er nog enige tijd zal zijn. De PvdA zal daarbij een moeilijk te omzeilen obstakel blijven, waardoor de kwestie van een echte strijdpartij mogelijk op de lange baan wordt geschoven. Als de maatschappij in beweging blijft kunnen deze processen echter veel sneller tot ontwikkeling komen dan wat men zich vandaag kan voorstellen. We merken nu al dat de verschillen in methode en programma duidelijker worden en de kansen om LSP op te bouwen in evenredigheid toenemen. Het is opvallend met welk gemak een aantal arbeiders en jongeren hun korte ervaring met de PvdA achter zich laten en aansluiting zoeken bij LSP.

Hoe de situatie tijdens de jaarwisseling kon keren

Het zal wel niet aan het actieplan van dit najaar te wijten zijn, maar sinds 2015 is ook in de buurlanden de sociale temperatuur toegenomen. In Duitsland is het aantal arbeidsdagen die verloren gingen aan stakingen opgelopen van 156.000 in 2014 naar al meer dan een miljoen dit jaar. In Dundee in Schotland staakten brancardiers 13 weken en dwongen een loonsverhoging van 20% af. In Glasgow staakten de maatschappelijk werkers 14 weken. In mei staakten in Bursa in het noordoosten van Turkije de arbeiders van Automotive rond de Renault-fabriek voor een loonsverhoging van 60%. In Spanje staakte het personeel van de luchthavens en in Franrijk de dokwerkers. In Nederland heeft het FNV een ultimatum gesteld aan de regering voor een loonsverhoging in de publieke sector. Voor een aantal vakbonden gaat het om de eerste stakingen in jaren. The Economist vraagt zich af of de vakbonden van de economische groei gebruik willen maken om hun bestaansreden “na jaren van inactiviteit en ledenverlies” te rechtvaardigen.[130] Wij volgen deze ontwikkelingen met aandacht, want het zou een stimulans kunnen zijn om ook hier de draad terug op te nemen.

De Belgische vakbondsleidingen hadden aangekondigd dat ze de dag na de algemene staking van 15 december zouden evalueren en indien nodig een vervolg zouden voorstellen. In die weken moet druk overlegd zijn. Het is toen dat de Groep van 10 plots met deelakkoorden kwam. Zijn er beloftes gedaan over Arco – de coöperatieve holding van het ACW die door het instorten van Dexia failliet ging – of heeft het patronaat beloofd geen olie op het vuur te gooien? Is het daarom dat de discussies over inperken van het stakingsrecht wat stil gevallen zijn? Wellicht hebben de vakbondsleidingen zich toen gerealiseerd dat deze regering ten val brengen een inspanning zou vereisen die ze niet bereid waren te leveren. “They looked over the cliff,” zegt men in het Engels; en ze kregen schrik. De evaluatie werd hoe dan ook uitgesteld, en uitgesteld en uitgesteld. Er zijn ooit tijden geweest dat bedrijfsdelegaties in staat waren de beweging vooruit te duwen tegen de wil van de vakbondsleidingen in, maar dat was nu niet het geval, tot grote opluchting van de nationale vakbondsleiders.

Had het ABVV van Charleroi-Zuid Henegouwen geen anti-kapitalistisch 10- puntenprogramma opgesteld?[131] Het was nochtans een uitstekend document.[132] Het wees op de frustratie van een deel van het vakbondsapparaat dat het achterna lopen van de traditionele partijen grondig beu was. Het uitvoerend bureau (UB) van het gewest – zijzelf noemen het “le Comité Permanent” – had haar kop uitgestoken, stelde sinds 2010 de bevoorrechte relaties met de sociaal-democratie in vraag en had in het voorjaar van 2013 6 radicaal-linkse formaties bijeen gebracht in de hoop de creatie van een flink linksere partij te faciliteren. Maar het beging ook fouten die haar uiteindelijk fataal zouden worden. De intentie om haar brochures “8 vragen” en “10 doelstellingen” met de delegaties te bespreken en te verdelen, is er nooit echt van gekomen. Daardoor bleef het teveel een initiatief van bovenaf, dat weliswaar beantwoordde aan een stemming onder de militanten, maar te weinig als hun eigen project aanzien werd en door hen actief werd uitgedragen.

Het uitvoerend bureau had ook te kampen met felle tegenwerking. Van bovenaf werd getracht een aantal gewestelijke centrales los te wrikken. Dat lukte met de bediendencentrale (BBTK) en later ook met die van de openbare diensten (ACOD). Het UB wist niet hoe daarmee om te gaan. Het kreeg in de regio rond de jaarwisseling 2013-2014 te maken met de sluiting van twee glasbedrijven, AGC en St Gobain, en twee herstructureringen, Caterpillar en Ikea. De dossiers overlapten elkaar, ongeveer gelijktijdig met het uitbrengen van het anti-kapitalistisch programma. LSP stelde voor om dat aan te grijpen voor een regionale betoging, aangetrokken door de getroffen arbeiders, maar met de bedoeling om te tonen dat alle werknemers van Charleroi achter hen stonden en de Waalse regio voor zijn verantwoordelijkheid te stellen. Mobilisatie van de klasse had ongetwijfeld de druk op de bediendencentrale en die van de openbare diensten opgevoerd om de rangen met de Metaalcentrale, de Algemene Centrale en anderen, te sluiten. Had het UB dat niet begrepen? Het is er in ieder geval nooit van gekomen. Een anti-kapitalistisch programma verspreiden en in de eigen bastions machteloos moeten toezien op bedrijfssluitingen en herstructureringen – het gaat niet samen.

In aanloop naar de verkiezingen voerde de PS de druk op de gewestelijke leiding op. Ook de bediendencentrale en die van de openbare diensten verhoogden bijgevolg de druk. Een dramatische gebeurtenis in het privé-leven van Piron heeft er ongetwijfeld in meegespeeld dat hij een stap opzij zette. In de periode van 1 mei 2014 en de verkiezingen verliet hij met slaande deuren zijn post. Diezelfde 1ste mei stelde gewestvoorzitter Carlo Briscolini vanop de tribune de manoeuvers van de PS (zonder die bij naam te noemen) aan de kaak en herinnerde eraan dat het gewest enkele maanden eerder PTB-GO een interessante eerste stap had genoemd. Maar het was vooral de toespraak van de vertegenwoordiger van de ABVV-jongeren en diens kritieken op de politiek van de PS die de kopstukken van die partij voor het hoofd stootten. Demonstratief stapten ze op, gevolgd door de vertegenwoordigers van BBTK en ACOD en een kleine minderheid van de deelnemers. Dat toonde nog maar eens aan welke kant de meerderheid van de militanten stond. Na een korte terugkeer na de verkiezingen, zal Daniel Piron zijn post van algemeen secretaris helemaal opgeven en vervangen worden door iemand die aanleunt bij de PvdA. Carlo Briscolini blijft wel aan als algemeen secretaris van de Algemene Centrale en als lid van het gewestelijk uitvoerend bestuur, maar legt zijn mandaat als voorzitter van de regionale neer ten voordele van de vertegenwoordiger van de metaal, die eveneens aanleunt bij de PvdA. We weten niet wat gebeurd zou zijn indien Piron niet had opgegeven en Briscolini geen stap terug had gezet. De verkiezingsuitslag heeft hun positie bevestigd. Het actieplan van de vakbonden in het najaar zou hen de kans geboden hebben hun programma te bediscussieren op een veel bredere schaal dan ooit tevoren. Feit is dat na 15 december ook in Charleroi de acties werden stilgelegd.

Met de verandering van leiding in het gewest Charleroi werd onder het mom van een verderzetting, de inhoud van hun initiatief geheel veranderd. In plaats van de vorming van een nieuwe formatie, links van de sociaal-democratie en de groenen, te faciliteren, stuurt men nu duidelijk aan op een opening naar de PS en Ecolo. Dat komt zowel tegemoet aan de PS die haar controle over het gewest wil herstellen, als aan de strategie van de PvdA van een “front van progressieven” met PS en Ecolo.We kunnen daaruit maar één besluit trekken: delen van het apparaat kunnen naar een meer strijdbare syndicale politiek gedreven worden. Ze kunnen daarin zoals het UB van Charleroi-Zuid-Henegouwen zeer ver gaan, maar zonder sterke beweging aan de basis, zonder mobilisatiecapaciteit om deze posities ook in de praktijk te onderstutten, zullen ze steeds weer stuk lopen. Er is nood aan een netwerk van strijdsyndicalisten die hun ervaringen met het opbouwen van sterke delegaties uitwisselen, die van de vakbondsdemocratie op de werkvloer en in de centrale een centraal punt maken en die opkomen voor een breuk met de traditionele partijen en ijveren voor een brede inclusieve strijdpartij die onze eisen politiek kan omzetten.

De aanslag op Charlie Hebdo op 7 januari 2015, de ontknoping van de gijzelingsactie op 9 januari en tenslotte de schietpartij in Verviers op 15 januari waarbij twee terroristen gedood werden, hebben de sociale strijd doorkruist. Samen met de minimale toegevingen op de lonen en de welvaartsenveloppe die als pasmunt ingezet werden om de vakbonden van verdere acties te doen afzien, stelde dat de regering in staat om haar positie enigszins te herstellen door verzoening en nationale eenheid tegen de gemeenschappelijke vijand te veinzen. Let wel, deze jihadi’s staan zelf voor een aarstreactionair regime gebaseerd op kapitalistische en feodale uitbuiting en onderdrukking, censuur en verbodsregels. Maar de imperialistische oorlogen, de stigmatisering van moslims, het besparingsbeleid en de ondraaglijke discriminatie kunnen niet zomaar onder tafel geveegd worden. Er was een poging om de spons daarover te vegen uit naam van solidariteit met de slachtoffers.

Op de betoging van 12 januari in Brussel weerstond LSP als enige partij aan die druk, niet door het terrein helemaal over te laten aan rechts en afwezig te blijven, maar door de confrontatie met die ideeën aan te gaan. Er waren hier en daar opmerkingen, maar de overgrote meerderheid van de betogers kon zich vinden in onze kritiek dat er nooit zo weinig meningen geuit waren op een betoging die nochtans expliciet opriep voor vrije meningsuiting. Voor de regering was het dé gelegenheid om daadkracht te illustreren. Ze pakte uit met 12 antiterrorisme-maatregelen waaronder de inzet van het leger. Zelfs de Orde van de Vlaamse Balies, niet direct de voortrekker van verzet tegen het establishment, waarschuwde dat deze maatregelen een bedreiging vormen voor de privacy. LSP wees erop dat Big Brother het terrorisme niet zou stoppen; daarvoor “is fundamentele verandering nodig. Een systeem waarin de allerrijksten meedogenloos en ten koste van alles en iedereen zichzelf blijven verrijken, terwijl de overgrote meerderheid van de bevolking groeiende ellende kent, leidt onvermijdelijk tot meer geweld. Dit is geen individueel probleem, het is onderdeel van hoe dit systeem functioneert.”[133]

Vakbondsleidingen spelen met vuur

Op 10 februari was het zover. Dan keurde de algemene raad van het ACV het ‘sociaal ontwerpakkoord’van de Groep van 10 goed met de niptste meerderheid ooit: 49% voor, 45% tegen, 6% onthouding (147 stemmen voor, 135 stemmen tegen, 17 onthoudingen). De ACV-top moest bovendien toezeggen actie te blijven voeren in gemeenschappelijk vakbondsfront. Het ABVV had het ontwerpakkoord eerder verworpen. Op 5 februari schreef het werkgeversblad FDMagazine: “Het VBO is opgetogen over het ontwerpakkoord […] met daarin een indexsprong, uiterst beperkte reële enveloppes voor loononderhandelingen voor 2016 en een lastenverlaging. […] Daarnaast blijft voor 2015 een reële loonblokkering (0%-norm) van kracht. Pas vanaf 2016 zijn zeer beperkte enveloppes voor loononderhandelingen voorzien (alles bij elkaar 0,8%) en daar gaat het om maxima, wat betekent dat sectoren en bedrijven minder (of zelfs niets) kunnen geven.” Strikt genomen maakt de indexsprong inderdaad geen deel uit van het ontwerpakkoord. De tekst zegt het zelfs expliciet, maar het patronaat, hun politici en hun media weten dan al dat het ACV door dit sociaal akkoord goed te keuren, zich automatisch ook neerlegt bij de indexsprong.

Het ACV zette daarmee meteen ook de deur open voor allerlei mini-akkoorden. Binnen het ABVV begonnen Jorissen van ABVV-metaal en Dedeyn van de BBTK te zeggen dat ze de indexsprong geen staking waard vonden. Er kwamen nog wel vakbondsconcentraties op 13 maart en dan van de openbare diensten op 19 maart, gevolgd door de Grote Parade van Hart boven Hard met 20.000 deelnemers in de gutsende regen en tenslotte een algemene staking van de openbare diensten op 22 april, maar de wil om er echt voor te gaan was bij de leiding duidelijk weg. Thematische betogingen tegen het effect van het regeringsbeleid op jongeren (12 mei), op vrouwen (4 juni) en op gepensioneerden (15 juni) en tegen sociale dumping (24 juni) konden dat niet verhullen. Ook bij het ABVV was het voortaan ieder voor zich, zonder ernstige inspanning om de wil tot strijd – die aan de basis duidelijk aanwezig was – te bundelen in een gemeenschappelijk actieplan om ook het ACV via haar achterban mee te slepen.

Onder de titel “Is de stakingsbereidheid geblust of spelen de vakbondsleidingen met vuur?” kwamen we terug op het ACV-congres van eind april 2015. Dat was er blijkbaar één van opgekropte frustraties en woede. Leemans had er onder meer gepleit om het stakingswapen in te ruilen voor modernere actievormen, maar moest uiteindelijk herbevestigen dat het ACV nog steeds gebruik zal maken van het stakingswapen als dat nodig is. Bovendien was het ACV “nog niet rijp” voor het medebeheer, moest hij toegeven. Wij schreven dat Leemans best op zijn tellen zou passen. In januari haalde hij nog nipt de meerderheid over het loonakkoord omdat vertegenwoordigers van de beroepscentrales hem toen niet publiekelijk te kijk wilden zetten. Als hij hen zo blijft schofferen, zou dat in de toekomst anders kunnen uitdraaien, en deze keer niet alleen bij de bediendencentrales.

We kwamen ook terug op het federaal comité van het ABVV, eveneens eind april. De pers ging er prat op dat ‘slechts’ 35% zich had uitgesproken voor een algemene staking op 12 mei. Wij lazen dat anders: na de slecht georganiseerde actieweek van april en de staking van de openbare diensten vreesden wij en vele anderen dat een algemene staking zo kort voor de zomer slechts een opgestoken middelvinger zou betekenen die eerder de zwakte dan de sterkte van de beweging zou illustreren. Dat er toch nog zoveel voor staking stemden, is een uiting van protest tegen het gebrek aan een daadkrachtige strategie van de ABVV-top, een protest dat ook door heel wat van de 65% tegenstemmers gedeeld wordt, wier tegenstem niet ingegeven was door steun aan de top, maar door vrees voor een mislukking op 12 mei.

Wie denkt dat het sociaal verzet ‘over and out’ is, vergist zich, voegden we eraan toe. Het was ons opgevallen dat Marc Goblet op de jongerenbetoging van 12 mei een nieuw actieplan in het najaar had aangekondigd ‘van de grootteorde van dat van najaar 2014.’ Op de actie tegen sociale dumping van 24 juni riep hij als laatste spreker tot vijf keer toe op om massaal te mobiliseren naar een nationale betoging van het gemeenschappelijk vakbondsfront op 7 oktober. Daarbij viel vooral op dat alle andere sprekers, inclusief Leemans, Ska, maar vooral ook De Leeuw, die betoging niet eens vermeld hadden. Het zal niet gemakkelijk zijn om na het verraad van dit voorjaar de wekker van de sociale strijd opnieuw op te winden.

De vakbondsleidingen zullen van een mindere aanwezigheid misbruik maken om het dit najaar vooral niet te laten komen tot een actieplan die naam waardig. Blijkbaar werd binnen het ABVV als ‘compromis’ een flauw afkooksel uitgewerkt met provinciale beurtrolacties. Of ook het ACV daaraan zal deelnemen, is nog onduidelijk, maar wellicht niet. Als de beurtrolacties zwak zijn, kan dit de demoralisatie verder versterken en de spanningen tussen de vakbonden opdrijven, ook aan de basis. Maar in de huidige politieke context kan veel gebeuren. Indien die mobilisaties door een of andere gebeurtenis een massaal karakter aannemen, is het mogelijk dat één of meerdere centrales van het ACV door haar achterban gedwongen worden om de rangen van de vakbondsbureaucratie te breken en de eenheid met het ABVV te herstellen.

Intussen is duidelijk dat het merendeel van de vakbondsleidingen ernaar overhelt om deze regering uit te zitten in de ijdele hoop dat N-VA bij de volgende verkiezingen wordt afgestraft. Het is een gevaarlijke gok die, ook al vergt het wat tijd, aan de basis niet in dank zal afgenomen worden. Heeft de vakbondsleiding dan niets geleerd uit de ervaring van de Britse TUC? Die ging ervan uit dat Labour niet kon verliezen en verkoos de verkiezingen van 8 mei 2015 af te wachten. Labour stelde zich echter zo rechts op dat veel kiezers gewoon afhaakten of SNP stemden. Door de stemmen van haar liberaal-democratische coalitiepartner op te slorpen slaagden de Tories erin met lichte vooruitgang een meerderheid van de zetels te behalen. Bovenop de 80 miljard £ besparingen van de uittredende regering wil de nieuwe nog eens 12 miljard £ besparen en ook het stakingsrecht verder inperken. Gelukkig wordt dat doorkruist door een revolte aan de basis, zowel op straat als in de voorzittersverkiezingen voor Labour. En de TUC-leiding? Die stond erbij en keek ernaar.

Michel I is nog maar een jaar ver. Deze regering zal nu nog niet op haar lauweren rusten, en ook het patronaat zal na de eerste successen nog meer willen. De tax shift die men ons tijdens het actieplan verkocht had als een stap naar meer evenwicht, werd een regelrecht cadeau voor de patroons. De enige ‘trofee’ waarmee CD&V kan uitpakken, is de ‘toegeving’ om de BTW-verhoging op elektriciteit niet te neutraliseren in de index. In ruil daarvoor krijgt Open VLD de afschaffing van de belastingsschijf van 30% en N-VA het optrekken van het aantal militairen op straat naar 200. Benieuwd welke wortel de ACV-top ons nu voor de neus zal houden en hoe geloofwaardig dat nog bevonden zal worden.

Tenslotte staan er nog een hele reeks dossiers te wachten, onder andere die over de beperking van het stakingsrecht door de installatie van een minimumdienst bij de NMBS. Dat zou nog voor eindejaar rond moeten zijn. Als de sociale partners er niet uit raken, dreigt de regering het eenzijdig op te leggen. In november zou bij de NMBS daarover, en over het opdoeken van HR-Rail en het alsmaar slinkende personeelskader, al een week beurtstakingen gepland zijn, te volgen door een nationale 48-urenstaking. Dat gebeurt helaas van bovenaf, zonder wie dan ook te raadplegen. In plaats van de strijd ernstig voor te bereiden, lijkt het erop dat de leiding van ACOD-Spoor nog eens alle registers wil opentrekken zodat niemand haar achteraf een gebrek aan strijdbaarheid zou kunnen verwijten. Ons lijkt het hier eerder te gaan om een kamikazepolitiek die door ACV-Transcom zal worden aangegrepen om niet mee te doen en wel eens op een zware nederlaag zou kunnen eindigen.

Dat er op zijn minst sectorale confrontaties aankomen, is onvermijdelijk. Behalve bij de NMBS zijn ook in het Franstalig onderwijs – waar een loonstop werd afgekondigd – en de social profit bewegingen te verwachten. Sommige patroons zullen zich bovendien na dit voorjaar gesterkt voelen om zich agressiever op te stellen en op bedrijfsniveau soms harde confrontaties uit te lokken. Dat alleen al betekent dat het najaar niet zonder sociale strijd aan ons voorbij zal trekken. Of de vakbondsleidingen een veralgemeende confrontatie kunnen tegenhouden? Wellicht wel. Maar op iets langere termijn zal dat de spanningen binnen de vakbonden alleen maar opdrijven. Deze keer niet alleen tussen delen van het apparaat, maar ook met de basis.

We moeten ervoor zorgen dat dit niet leidt tot een uittocht, maar dat we samen vechten om van de vakbonden opnieuw instrumenten te maken waarmee we onze belangen kunnen verdedigen. Het najaar wordt een belangrijke uitdaging voor onze vakbondswerking, maar dat worden de sociale verkiezingen van 2016 eveneens. De procedure van de volgende sociale verkiezingen zal normaal gezien aanvangen in december 2015, met als eindpunt de eigenlijke verkiezingen in mei 2016. Dan moeten we trachten op zoveel mogelijk plaatsen strijdsyndicalisten te laten verkiezen. We weten nu hoe een actieplan een krachtsverhouding kan opleveren en wat er schort aan de leiding. De arbeiders hebben de eerste veldslag na een beloftevolle wending uiteindelijk nog verloren. Het patronaat en deze rechtse regering zijn echter niet uit op een veldslag, maar op een heuse klassenoorlog waarbij alles op de schop moet. Het actieplan heeft ons getoond wie de strijdbare militanten in het bedrijf zijn. Hen overtuigen om op de lijsten te staan en zoveel mogelijk van hen laten verkiezen is een van de vele veldslagen die in die klassenoorlog moeten uitgevochten worden.

Binnen de regering is men zich blijkbaar meer bewust van de inzet dan de vakbondsleidingen. Terwijl Kris Peeters de goeie flik speelt en de vakbondsleiders wil overtuigen van de goede bedoelingen van de regering, speelt diens federale collega Reynders op 15 januari 2015 gastheer in de elitaire zakenclub Cercle Lorraine voor Vlaams minister-president Bourgeois. Die legde er uit: “ik besef dat ik hier voor een elite spreek. Maar ik geloof in de positieve kracht van een elite. U hebt allen grote verantwoordelijkheden, ik zou u willen vragen die verantwoordelijkheid te blijven opnemen.” Hij kwam ook terug op de stakingen van het najaar die hij een “catastrofe” met “verregaande gevolgen” noemde om onder luid applaus te pleiten om stakingen via gerechtelijke weg te breken. Volgens De Tijd was Bourgeois er als Vlaams-nationalist opmerkelijk goed thuis. Op een bijeenkomst van Vlaamse vakbondsmilitanten zou dat veel minder het geval zijn. Klein detail: de inkom voor de toespraak van Bourgeois bedroeg 50 euro voor leden en 145 euro voor niet-leden.

Zoektocht naar alternatieven

Het falen van het kapitalisme op economisch, ecologisch en sociaal vlak, de extreme ongelijkheid, de brutaliteit van de rechtse regeringen, … doen het zoeken naar alternatieven toenemen. Zo pakte Femma in september 2014 uit met een voorstel van veralgemeende arbeidsduurverkorting tot 30 uur per week.[134] Wees er maar zeker van dat er zich die ochtend bij het patronaat en in het bijzonder bij de patroons van de christelijke zuil, meer dan één in hun koffie verslikt hebben.En niet alleen daar. Femma is immers geen aftands anarchistisch vrouwenclubje, maar het vroegere KAV, de Kristelijke Arbeiders Vrouwenbeweging. Femma pleit niet voor arbeidsduurverkorting zonder loonverlies, wat wij wel doen. Maar haar argumentatie is niettemin een striemende kritiek op de jacht naar winst in de kapitalistische maatschappij. Femma zegt het ook expliciet: “achter ons Femmavoorstel voor een 30-urige werkweek schuilt een samenlevingsmodel dat fundamenteel anders is dan het huidige.”

Femma ziet de veralgemeende 30-urenweek bijvoorbeeld als een middel om onbetaald werk te revaloriseren en de gendergelijkheid te bevorderen. Het wil af van de ‘mannelijke norm van de 40-urenweek’ en voor iedereen een 30-urenweek als nieuwe norm. Dan zouden veel vrouwen wel voltijds werken en dezelfde rechten opbouwen als mannen, luidt het. Femma wijst erop dat we voortdurend zoeken naar middelen en diensten waarvan we denken dat ze ons tijd besparen: kant-en-klare maaltijden, verpakte groenten, gemotoriseerde voertuigen, vliegtickets, een hele resem elektrische apparaten, … Aan veel van die producten hangt echter een stevig milieu- en energieprijskaartje. De 30-urenweek zou de negatieve milieueffecten van een prestatiegerichte maatschappij milderen, de productiviteitsgroei omzetten in meer vrije tijd in plaats van consumptie, de beschikbare arbeid beter verdelen, het werk draaglijker maken, etc.

Poliargus, een linkse denktank ‘die ijvert voor vrijheid, democratie en solidariteit’, onderzocht de overgang van de 39- naar de 35-urenweek in Frankrijk en kwam tot de conclusie dat die maatregel veel positieve effecten had. Er kwamen 350.000 jobs bij en de werkloosheid ging van 10,3% naar 7,5%, er was een verbetering van de levenskwaliteit, meer gendergelijkheid in het gezin, meer ouderen aan de slag en een vermindering van het aantal deeltijdse tewerkstellingen.[135] Maar de maatregel zorgde in Frankrijk ook voor een hogere werkdruk. Femma argumenteert dat een te kleine verlaging van het aantal uren in de werkweek de werkgevers zal aanmoedigen om hun werknemers gewoon hetzelfde werk te laten doen op minder uren. Bij een drastische verlaging – naar de 30-urenwerkweek bijvoorbeeld – is dat niet mogelijk en moeten er wel bijkomende aanwervingen gebeuren om de werklast op te vangen. Voor LSP blijft de eis uit het overgangsprogramma voor glijdende uur- en loonschalen de basis van onze positie. Voorlopig vertalen we dat onder de eis voor een 32-urenweek zonder loonverlies, maar uiteraard staan we open voor verbeteringen.

Een ander voorbeeld van de zoektocht naar alternatieven is de idee van een gegarandeerd basisinkomen. In het verleden werd dat beschouwd als een hopeloze utopie. Een universeel basisinkomen van 1.000 € vanaf de leeftijd van 18 jaar zou in België een uitgave van 108 miljard euro betekenen. Dat is ruim meer dan de 76 miljard euro uitgaven voor de sociale zekerheid in 2014. Men zou kunnen opwerpen dat een aantal uitgaven die men vandaag doet met een basisinkomen zouden verdwijnen, maar dat geldt zeker niet voor de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen die op zich al 29,4 miljard euro vertegenwoordigen. Vermoedelijk wil men ook de kinderbijslag behouden, goed voor 4,8 miljard. Krijgen gepensioneerden voortaan een basisinkomen in de plaats van een pensioen? Wat dan met de pensioenen van meer dan 1000 euro? En waarom zou een loontrekkende recht hebben op zijn volle loon terwijl de gepensioneerde zelf opdraait voor zijn basisinkomen? Wat met de werkloosheidsuitkeringen die hoger zijn dan 1000 euro? Dat mogen er dan wel niet veel zijn, maar worden die dan bijgepast?

Toch is de vraag naar een basisinkomen vandaag een stuk dichterbij dan tevoren. In Nederland zouden er in 4 gemeenten vergevorderde plannen zijn voor lokale experimenten met een basisinkomen (Utrecht, Wageningen, Tilburg en Groningen). In negen andere wordt er onderzoek naar gedaan of werd een motie in die richting gestemd. In nog 28 andere gemeenten zou er in verschillende mate interesse bestaan. Dat schrijft een zekere Rutger Bregman in Vooruitgang op 5 augustus 2015. Hij vermeldt er wel bij dat in gemeentes als Utrecht voorlopig enkel mensen die al een uitkering hebben er recht op hebben, en dat het dus eerder om ‘onvoorwaardelijke bijstand gaat.’ Niettemin is dat een hele ommezwaai vergeleken met het activeringsbeleid dat vandaag in de sociale zekerheid steeds strikter toegepast wordt. Dat is trouwens een van de belangrijkste oorzaken voor de populariteit van een basisinkomen.

In Finland ligt de discussie eveneens op de tafel van de conservatieve coalitie met inbegrip van de Ware Finnen. Daar zou in eerste instantie een basisinkomen worden ingevoerd in regio’s met een hoge werkloosheid; er wordt gesproken over 500 euro en volgens sommigen zelfs 850 tot 1000 euro.[136] De klassieke kritiek luidt dat het mensen zal aanzetten om niet meer te werken, en dan vooral in sectoren waar nu al tekorten zijn. Daartegenover staat dat 79% van de bevolking de maatregel steunt, met uitzondering van de ambtenaren die vrezen voor het verdwijnen van jobs in de openbare diensten.

Tony Atkinson, professor aan de London School of Economics, ook wel de intellectuele vader van Thomas Piketty genoemd, zegt daar het volgende over: “Ik ben lang heel sceptisch geweest over het idee, maar ik denk dat de tijd ervoor gekomen is. Waarom ik van mening ben veranderd? Omdat de maatschappij veranderd is en met name de arbeidsmarkt. Het aantal mensen met een voltijdse vaste betrekking wordt kleiner en kleiner, maar onze sociale zekerheid is wel volledig gebouwd rond het traditionele kostwinnersmodel. We gaan die sociale zekerheid moeten herdenken, om ze efficiënt en rechtvaardig te houden. Een basisinkomen kan daarbij helpen, zeker wanneer we iets willen opbouwen op Europees niveau. Let wel, zo’n basisinkomen is niet vrijblijvend. Je krijgt niet zomaar centen.”[137]

Op de vraag aan Johnny Thys (ex-CEO van De Post) of het basisinkomen geen linkse zotternij is, antwoordt hij: “Dat is het in mijn hoofd lang geweest. Omdat ik altijd geloofd heb dat tegenover een beloning een inspanning moet staan, als motor van vooruitgang. Nu twijfel ik. Je kunt jongeren Chinees leren. Je kunt ze leren computers programmeren, maar er zal altijd een aanzienlijke groep blijven van mensen die niet het juiste talent hebben voor hogere scholing. Wat moet je met handenarbeiders als handarbeid overbodig wordt? Ik zie nog altijd niet hoe we een voldoende hoog basisinkomen voor iedereen kunnen betalen, maar ik sluit het idee niet langer uit.”[138] Als kapitalisten een basisinkomen overwegen, dan is dat vooral omdat ze sociale onrust vrezen en die willen temperen. Vroeger was de sociale zekerheid in staat de ergste uitwasemingen van het kapitalisme te corrigeren. Nu wordtde sociale puinhoop zodanig groot, dat de sociale zekerheid steeds meer onder druk staat.

Ook Poliargus heeft haar twijfels bij een basisinkomen. Het wijst erop dat het voor veel liberale voorstanders een alternatief is op openbare diensten en sociale zekerheid. Dat een deel van de uitkeringsgerechtigden (gepensioneerden, werklozen, …) “erop achteruit zullen gaan omdat hun uitkering wordt vervangen door een lager basisinkomen.”“Dat vermogenden een basisinkomen zouden krijgen bóvenop hun al hoge inkomen.” Voorts dat “openbare diensten niet alleen een belangrijk alternatief zijn voor de op winst gerichte private sector, maar ook heel wat basisvoorzieningen verzekeren (mobiliteit, onderwijs, gezondheidszorg, energie, …), waarvan net zoals bij de sociale zekerheid geldt dat de lagere inkomens en brede middenklasse er meer afhankelijk van zijn dan vermogenden, en dus meer te verliezen hebben bij de afbouw ervan.” Vervolgens wijst Poliargus erop dat zelfs de afbouw van de sociale zekerheid en openbare diensten niet voldoende is om een hoog basisinkomen te financieren. “Als je ziet hoe de tax shift het principe van fiscale rechtvaardigheid met de voeten trad, is het weinig waarschijnlijk dat de financiering van dat basisinkomen op dit moment op een progressieve manier zou gebeuren,” voegt het er nog aan toe.

Poliargus wijst er ook op dat een basisinkomen de oorzaken niet tegengaat waarom een steeds kleiner deel van de koek naar de 99% gaat, nl. de concentratie van rijkdom aan de top. Voorts dat het helemaal niet zeker is of de meerderheid van werknemers jobs zal kunnen weigeren omdat de condities niet naar behoren zijn. En tenslotte dat zolang de sociale norm een bepaald consumptiepatroon voorop stelt, veel mensen niettemin een bullshit-job zullen aanvaarden om aan die norm te kunnen voldoen. “Net daarom,” besluit Poliargus,“zijn collectieve actie en maatregelen een veel beter alternatief dan de afspraken te laten afhangen van de “marktmacht” van de werknemer. Voor andere problemen zijn er dan weer alternatieven die effectiever kunnen zijn dan een basisinkomen. Enkele voorbeelden: universele openbare diensten en progressievere belastingen tegen ongelijkheid, collectieve arbeidsduurvermindering tegen lange werkuren en voor meer vrije tijd, en arbeidsherverdeling en publieke tewerkstelling tegen werkloosheid.”

Poliargus beseft ook wel dat de vraag automatisch luidt: waarom gebeurt dat dan niet? “Dat die beleidsmaatregelen niet worden ingevoerd, komt grotendeels doordat de huidige machtsverhoudingen een progressief beleid verhinderen. Zo komen we tot een essentiële bedenking. Het basisinkomen lijkt voor een deel van de voorstanders een gemakkelijke en snelle route naar vooruitgang in plaats van die moeizame, hobbelige weg van het wijzingen van machtsrelaties. Maar op een moment dat links nog steeds in het defensief zit in West-Europa (en zowat de hele wereld), is het gevaar des te groter dat een basisinkomen op regressieve wijze geïmplementeerd wordt. Dat brengt ons tot een paradox: hoe rechtser het beleid, hoe meer progressieven het basisinkomen als een oplossing zien; maar hoe minder sterk links staat in het politieke veld, hoe groter de kans dat een basisinkomen tot nog meer rechts beleid leidt. Verandering in het beleid vergt dan ook in de eerste plaats een verandering in die machtsverhoudingen. Dat betekent het versterken van de vakbonden, sociale bewegingen en linkse partijen, collectieve actie, sociale strijd en mobilisatie, en de politisering van vraagstukken in links-rechts tegenstellingen. Als die machtsverhoudingen niet veranderen, is de kans zeer groot dat een basisinkomen gebruikt en misbruikt wordt als deel van een rechts project.”

Het is geen toeval dat net Milton Friedman als eerste de idee van een basisinkomen na WOII heropviste. Hij begreep dat massale werkloosheid vanaf de jaren ’80 een structureel kenmerk van het kapitalisme zou blijven. Hij ‘aanvaardde’ dat en verzette zich trouwens tegen pogingen om dit via overheidsinterventie te temperen. Hij wist dat daardoor het solidariteitsmechanisme van de sociale zekerheid onder druk zou komen. Dat was volgens hem een opportuniteit om via een basisinkomen de sociale voorzieningen te individualiseren en de solidariteit tussen werkende en werkloze arbeiders te breken. Op die manier zouden er immers geen werklozen meer bestaan, maar nog slechts mensen die er vrijwillig voor gekozen hadden niet te werken. Wie de sociale zekerheid aanvalt, valt de brutoweddes van alle werknemers aan, maar wie het basisinkomen reduceert, hetzij nominaal, hetzij via de omweg van inflatie, valt slechts dat gedeelte aan dat haar belangrijkste verweermiddel, de mogelijkheid om het werk neer te leggen, ‘vrijwillig’ heeft opgegeven. Voor Friedman en veel van de huidige liberale voorstanders van een basisinkomen is dat vooral een breekijzer om komaf te maken met het collectieve solidariteitsmechanisme van de sociale zekerheid en de openbare dienstverlening.

De kwestie van een basisinkomen kan onmogelijk losgekoppeld worden van de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal. Onder het kapitalisme lijkt ons dat een gevaarlijke utopie die de kracht van de arbeidersbeweging fundamenteel kan aantasten. In de vorige eeuw zouden we ook voor een socialistische maatschappij een basisinkomen hooguit beschouwd hebben als een utopie van mensen die de enorme wereldwijde uitdagingen uit het oog verloren. Maar intussen is de maatschappij veranderd. Vandaag bieden wetenschap en techniek, als ze onder democratische controle en beheer van de gemeenschap komen, ons wellicht voldoende mogelijkheden om niet alleen de beschikbare arbeid te verdelen over alle werkbekwame mensen, hoe weinig en hoe aangenaam dat werk ook mag zijn, maar ook om wie niet wenst, de keuze te laten om niet deel te nemen aan het arbeidsproces en toch over een maatschappelijk aanvaardbaar inkomen te beschikken.

Een laatste element in de zoektocht naar alternatieven dat we willen aanraken is dat van de deeleconomie. De opkomst van internet in de jaren 1990 leidde tot een opkomst van de beweging voor vrije software. Aanhangers ervan kwamen op voor het vrij en gratis delen van software waar collectief aan gewerkt werd. Los van de technische kant, was dit ook het principe waarop nadien projecten als Wikipedia ontstonden. Het werd ook gebruikt voor de zogenaamde ‘deeleconomie’. Dit concept heeft vage grenzen; het omvat een geheel van diensten die zich baseren op solidariteit en samenwerking: autodelen, couchsurfing, groepsaankopen, alternatieve munten, lokale uitwisseling, … Deze ontwikkelingen zijn niet samen met het internet ontstaan, maar het is wel het internet dat toelaat dat ze een grotere omvang krijgen. Sommige intellectuelen ontwikkelden dit verder in theoretische modellen. Er zou een nieuwe vorm van economie ontstaan op basis van een ecologisch bewustzijn, uitwisseling en de bijna oneindige communicatiemogelijkheden die het internet biedt. Deze economie van de toekomst zou het kapitalisme opslokken.[139]

Deze theorieën vertrekken van goede intenties maar een slecht begrip van het kapitalistische systeem. Er wordt niet ernstig ingegaan op het klassenkarakter van het kapitalisme en de noodzaak om te breken met het kapitalisme. De ondernemers zagen uiteraard mogelijkheden en potentieel in nieuwe ontwikkelingen. Ze begonnen de diensten naar zich toe te trekken en verder te ontwikkelen in functie van hun belangen. Airbnb bijvoorbeeld heeft het idee van couchsurfing overgenomen. Crowdfunding of participatief financieren werd opgezet om projecten van verenigingen en actiegroepen te financieren, maar werd overgenomen door bedrijven. Fiverr is een succesvolle Amerikaanse site die lokale uitwisseling van diensten heeft overgenomen maar het gratis karakter ervan heeft vervangen door ‘alles aan 5 euro’. De Franse marktleider inzake autodelen, Blablacar, is een bedrijf dat een exponentiële groei heeft gekend sinds het in 2012 naar een betalend model overstapte.

Het organiseren van mensen in netwerken en het delen van informatie is nog steeds aanwezig, maar de uitwisseling wordt betalend. Waar deze sectoren als ze klein zijn op een alternatieve wijze beheerd kunnen worden, neemt de logica van het systeem het volledig over eens ze groter worden. De deeleconomie is door de kapitalisten overgenomen. Alles wordt gedeeld, behalve de winsten uiteraard. De opkomst van nieuwe technologie brengt nieuwe kansen voor de kapitalisten met zich mee. Het maakt het voor hen mogelijk om toegang te krijgen tot onderdelen van het leven die nog aan de winstlogica onttrokken waren. Dit bevestigt nog maar eens een stelling van Marx, nl. dat het kapitalisme of de warenproductie de neiging heeft om alles om te vormen tot koopwaar. Het delen van auto’s, uitwisseling van diensten onder buren, participatief financieren, gegevens over onze voorkeuren en privéleven, ontmoetingen, … wordt overgenomen door de grote bedrijven.

“Vrije software zoals GNU/Linux, collaboratieve informatiebronnen zoals Wikipedia of OpenStreetMap, en verschillende internet-technologieën kwamen er vooral door een groep van geeks die niet op winsten uit waren. Het toonde het enorme potentieel van netwerken en samenwerking tussen mensen. Dit zijn interessante voorbeelden die we kunnen gebruiken om burgerlijke ideologen te weerleggen, als zij beweren dat de mens van nature egoïstisch zou zijn en dat concurrentie op de vrije markt de beste motor van innovatie zou zijn. Het zijn namelijk integendeel juist de grote multinationals die de grootste rem vormen op vooruitgang en efficiëntie, o.a. door middel van monopolievorming, vendor lock-in d.m.v. onnodige incompatibiliteiten, patenten, enz. Het kapitalisme is echter in staat om zich aan nieuwe situaties aan te passen en om alle stromingen die niet direct met het kapitalisme in confrontatie gaan te recupereren. Denk maar aan de ‘pragmatische’ (lees: rechtse) Open Sourceafsplitsing van de principiëlere Free Software beweging. Algoritmen, ‘big data’, het democratiseren van PC’s en nadien smartphones die steeds performanter worden, 3D-printers, … Het zijn fascinerende zaken die ons kunnen toelaten om de samenleving op een echt democratische wijze te organiseren. We kunnen deze technologie inzetten om democratisch en collectief te beslissen wat we produceren en hoe we dat doen. Het kan het mogelijk maken dat iedereen meer dan ooit voorheen in de geschiedenis zijn of haar mening kan uiten. De mogelijkheden van automatisering kunnen de arbeidstijd drastisch naar beneden trekken. Uber-chauffeurs en gewone taxichauffeurs zouden niet in een absurde concurrentiestrijd meegetrokken worden. Dat is waaraan wij denken als we het over socialisme hebben.

Maar het vereist wel een breuk met het huidige systeem. De meerderheid van de bevolking moet het voor het zeggen hebben en niet een kleine minderheid. We kunnen geen alternatief systeem uitbouwen als de productiemiddelen en de technologische industrie in handen zijn van de heersende kapitalistische klasse. Economische veranderingen als gevolg van de opkomst van het internet en nieuwe technologische mogelijkheden leiden tot belangrijke en noodzakelijke discussies. Al wie voor een breuk met het kapitalisme opkomt, moet rekening houden met deze nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden. Maar het kapitalisme zal niet vanzelf verdwijnen. We moeten de strijd organiseren met een programma en methoden die ingaan tegen de fundamenten van het kapitalisme.

 

Postfeminisme is niet langer een algemene consensus

  1. “Na een lange periode waarin het postfeminisme dominant was, vrouwenstrijd onbestaande en seksisme zogezegd grappig, zagen we de afgelopen jaren stilaan een kentering.” Dit schreven we op Internationale Vrouwendag dit jaar. Niet dat het postfeminisme nu verdwenen is, maar de consensus errond is gebroken. We verwezen naar de massale strijd van vrouwen en mannen tegen geweld op vrouwen in India en Turkije, maar we hadden ook kunnen verwijzen naar de beweging in Spanje ter verdediging van de abortuswetgeving of naar de syndicale strijd in verschillende landen in “vrouwensectoren” als de ziekenhuizen waarin vrouwen de hoofdrol speelden. Zoals we stelden in het begin van de crisis, toen vooral in de industrie banen sneuvelden en mannen hun werk verloren, zou in een tweede fase van besparingspolitiek de aanvallen op de openbare diensten en de zorgsectoren beginnen, waarin ook de jobs en de condities van ganse lagen vrouwelijke arbeiders onder druk komen. We zagen ook dat in Ierland de strijd tegen het grondwettelijk verbod op abortus momentum begon te krijgen, verbonden ook met de strijd voor gelijke rechten voor LGBTQI. En in België – waar we tot dan toe, naast uiteraard het voorstel van Femma voor een 30-urenweek, enkel een aantal spontane acties hadden gezien rond de juridische behandeling van verkrachting – brak in de dagen na 8 maart de massale actie op sociale media “wij overdrijven niet” uit. In al die gevallen brak de beweging uit het carcan van de “individuele actie”, vooral gericht op de media, dat door groepen als Femen naar voor werd gebracht.
  1. Deze verandering in de objectieve situatie leidt tot een herdenken van ons vrouwenwerk en van onze rol in de “vrouwenbeweging”. LSP/PSL begon haar vrouwenwerk immers in de jaren ’90, op het hoogtepunt van de postfeministische consensus. De “vrouwenbeweging” (tussen aanhalingstekens omdat er zeer weinig “beweging” in zat gedurende de laatste decennia), grotendeels samengesteld door de vrouwenorganisaties van de traditionele partijen, hield zich bezig met de strijd voor quota voor hooggeplaatste functies. Haar “actie” bestond uit het organiseren van verkiezingen voor de “vrouwelijke manager van het jaar”.
  1. Van beweging was dus geen sprake, maar op parlementair vlak bleven een aantal vrouwelijke politici actief rond een aantal wetsvoorstellen die hardnekkige “overblijfsels” van ongelijkheid moesten wegwerken. Ook op dat vlak betaalden de vrouwelijke arbeiders een hoge prijs voor de verburgerlijking van SP.a en PS: de wetsvoorstellen waren allemaal 100 % gebaseerd op een burgerlijke en formele visie op gendergelijkheid, niet op de vooruitstrevende kracht van een strijd tegen het kapitalisme, van een strijd waarin de arbeidersklasse alle onderdrukte groepen van de samenleving in beweging brengt. Nochtans is het ook nu weer duidelijk: wanneer de arbeidersklasse massaal op het toneel verschijnt, trekt ze alle onderdrukte groepen met zich mee en geeft ze een boost en een strategie – collectieve actie – aan de vrouwenbeweging, de beweging voor rechten van LGBTQI, vluchtelingen en sans-papiers,…
  1. De wetten die tussen eind jaren ’80 en nu “voor vrouwen” werden gestemd, maar ook de arbeidsreglementering die voortvloeide uit het overleg tussen vakbonden, patroonsorganisaties en regering, plaatsten steeds de belangen van vrouwen tegenover die van mannen, niet tegenover die van de kapitalisten. Het streven naar gelijkheid was voor de politici – in dienst van de patroons – een streven naar de afbouw van “mannenrechten”, niet van een omhoogtrekken van de rechten van vrouwen. IPA na IPA werd een minieme vooruitgang voor de laagste lonen en uitkeringen afgekocht door toegevingen te doen voor de hogere lonen – “solidariteit” betekende niet langer dat de sectoren waarin de werkenden veel hadden verworven meevochten voor degene die nog niet zover stonden, maar integendeel dat in die betere sectoren de arbeiders hun betere positie zagen afbrokkelen omdat ze geacht werden “bij te dragen” voor de vooruitgang van laagbetaalde sectoren. Dat in combinatie met de strijd voor quota en de voorstelling van ieder probleem van vrouwen als een probleem dat door individuele mannen en hun gedrag wordt gecreëerd – de Equal Pay Day campagne van SP.a en ABVV toont in welke mate dat ook in de georganiseerde arbeidersbeweging de hoofdtoon was – maakte dat feminisme in de arbeidersbeweging een nog slechter imago kreeg.
  1. Zo werd op burgerlijke wijze een antwoord geformuleerd op de druk die ontstond uit zogenaamde “vrouwensectoren”, zoals de ziekenhuizen, voor betere lonen en werkvoorwaarden. Want ondanks de ondergang van het feminisme bleef de arbeidsmarkt vervrouwelijken. Dit proces gaat nog steeds door en gaat hand in hand met de toename van laagbetaalde, deeltijdse en tijdelijke contracten, terwijl het aantal “mannenjobs” in de industrie sinds de inzet van de crisis aanhoudend blijft dalen. De arbeiders in die sectoren zijn wel verplicht de strijd op te nemen voor betere condities, ondanks het gebrek aan vakbondsorganisatie, omdat men van die lonen niet kan leven. We zagen dit o.a. bij de Vlaamse onthaalmoeders en vorig jaar zagen we een eerste actie van de arbeiders die werken in het systeem van de dienstencheques.
  1. Tegelijk zien we dat ganse lagen van jonge vrouwen en meisjes, die zijn opgegroeid in de mythe van het postfeminisme, pijnlijk in aanraking komen met de realiteit – op de arbeidsmarkt, op straat en in hun gezinnen,… – en luidkeels gelijkheid en een einde aan seksisme en discriminatie beginnen op te eisen. Hun grote aandeel in het personeel in alle sectoren die van ver of dicht met vrouwen te maken hebben, maakt ook dat hun rol bij de verdediging van wat rest van de “zorgstaat” cruciaal is. De strijd voor o.a. een leefbare financiering van de ziekenhuizen is in verschillende landen op een verschillend ritme op gang gekomen, met als voorlopig sterkste voorbeeld de strijd in het Charité-ziekenhuis in Berlijn.

Van de slogan “de strijd is nog steeds nodig” naar het gevecht voor een socialistisch programma en voor de leiding van de vrouwenbeweging

  1. Toen we in de jaren ’90 onze eerste anti-seksismecampagnes begonnen, voornamelijk aan de universiteiten, waren we de enige kracht die daar nog energie in stak. We verdedigden uiteraard een socialistische visie – niet een feminisme dat tegen mannen was gericht, maar tegen het systeem – maar de nadruk lag op strijd tegen postfeminisme. In tegenstroom tegen zowat alle andere politieke krachten bleven wij op dezelfde nagel kloppen: postfeminisme klopt niet, gelijkheid is verre van bereikt en we moeten de strijd opnieuw lanceren. Als we actie – de grote bewustmaker – wilden rond onderwerpen die gerelateerd waren aan de vrouwenkwestie, moesten we die zelf organiseren.
  1. We bereikten er geen grote lagen mee – op geen enkel moment bereikten we resultaten die vergelijkbaar waren met Blokbuster rond de kwestie van racisme, populisme en fascisme – maar in het aantrekken van jonge vrouwen in de partij en hun kadervorming speelde dit werk een belangrijke rol. Het was werk dat ons voorbereidde op een moment dat vrouwenstrijd weer prominenter aanwezig zou zijn. Waar we voor de jaren ’90 als Vonk het kneusje waren in de linkse feministische beweging in vergelijking met andere revolutionaire krachten, staat onze organisatie binnen radicaal-links vandaag voorop als het komt op actiemethoden, programma en de aanwezigheid van vrouwelijke kaders. Wij konden standhouden tijdens de periode van achteruitgang van het feminisme omdat wij ons tegen de stroom in bleven baseren op de marxistische traditie, die de strijd voor de emancipatie van alle onderdrukte groepen – vrouwen, maar ook o.a. nationale minderheden – volledig kaderde binnen de strijd voor socialisme en vertrouwen had in de arbeidersklasse en hun strijd als motor voor verandering. Als basis voor ons vrouwenwerk namen we op een eerder Nationaal Congres de stellingen en besluiten over vrouwenwerk van de Derde Internationale (3e congres, juli 1921) aan als uitgangspunt.
  1. We opereerden onder kleine groepen vrouwen, maar hadden daar feitelijk geen enkele concurrentie. Vandaag is dit gegeven snel aan het veranderen en we zullen ons zeer snel in een minderheid bevinden. De lagen van vrouwen die seksisme willen aanklagen en bestrijden, zijn flink aangegroeid, maar dat gaat ook gepaard met een herintrede van figuren die een burgerlijk of kleinburgerlijk feminisme aanhangen. Hoewel de “nieuwe feministen” doorgaans niet langer gewoon “mannen” als de grote oorzaak aanhalen, maar eerder wijzen op de samenleving en de rol van grote bedrijven en commercieel misbruik van het vrouwenlichaam, is er zeer veel verwarring aanwezig en hebben ze geen enkele succesvolle strategie aan te bieden. Dit geldt ook voor de PvdA die op hun laatste congres besloot dat meer aandacht voor de vrouwenkwestie nodig was en overging tot de oprichting van een vrouwencommissie en tot quota voor vrouwen in de leiding. Net als op andere vlakken verdedigen ze op het terrein van vrouwen echter niet veel meer dan de oude sociaaldemocratie, die er door hun opportunisme en reformisme ook niet in slaagde een echte band te creëren tussen de vrouwenstrijd en de brede klassenstrijd en een echte strijd te voeren voor de leiding van de vrouwenstrijd.
  1. De “nieuwe feministen” kaderen de strijd niet binnen de strijd van de arbeidersbeweging voor een andere samenleving – een idee dat stevige klappen kreeg door het bestaan en later de ondergang van het stalinisme, maar ook door de rol van de sociaaldemocratie, die andere dominante opportunistische stroming binnen de arbeidersbeweging – maar zien het volledig als een strijd van individuele vrouwen voor individuele oplossingen. Een puur idealisme is aanwezig: “als we ons maar individueel losmaken van de heersende normen die aan vrouwen worden gesteld, en actief onze rol opeisen, dan is alles mogelijk” is zowat de algemene teneur. We moeten de positieve, progressieve aspecten hiervan – de radicale en uitgesproken afwijzing van iedere vorm van achterstelling en seksisme en de bereidheid zich hierrond te engageren – aangrijpen in onze overgangsbenadering, terwijl we tegelijk moeten waarschuwen voor de beperkingen ervan, voor het feit dat een beweging die niet verder gaat dan dat en geen strijd begint tegen de materiële condities die aanleiding geven tot het bestaan van seksisme enkel pijnlijk met zijn neus tegen de muur kan lopen. In het beste geval loopt het met een sisser af, zoals opnieuw bleek met “wij overdrijven niet”, zonder daarmee de invloed te willen onderschatten die deze spontane beweging op de sociale netwerken heeft gehad op de “publieke opinie”. Als de strijd niet verder wordt gezet en ook in de objectieve situatie veranderingen afdwingt, zal die invloed verwateren en wordt op een of ander moment terug overgegaan naar business as usual.
  1. Met de hernieuwde activiteit van vrouwen die zich als feministe outen – vrouwen met wie wij in discussie willen treden, vertrekkende van hun ervaringen, hun afwijzen van hun door de kapitalistische samenleving opgelegde rol, hun eisen,… om een brug te slaan naar de noodzaak van de socialistische omvorming van de maatschappij – komen echter ook andere figuren op het toneel die deze nieuwe beweging willen kanaliseren in een voor het kapitalisme ongevaarlijke richting. In de discussie die ontstond naar aanleiding van de uitspraken van VUB-decaan Willem Elias, sprong niet toevallig de Brusselse VLD-politica Ann Brusseel naar voor met haar eis binnen de Raad van Bestuur van de VUB tot het aftreden van Elias omdat geen enkele vrouwelijke studente met gerust gemoed examens aflegt bij een notoire seksist.
  1. De burgerlijke feministen houden het steeds bij dergelijke “symbolische overwinningen” (Elias is effectief afgetreden), bij “vrouweneisen” die de burgerij niets kosten. De “vrouwvriendelijkheid” van Open VLD, net als die van de andere traditionele partijen (en de kleinburgerlijke partijen Groen, Ecolo en N-VA) weerhoudt geen enkele van deze partijen ervan een besparingsbeleid te voeren dat vooral voor vrouwen hard aankomt en voor brede lagen van vrouwen uit de arbeidersklasse de keuze voor onafhankelijkheid van een mannelijke kostwinner tevens een keuze voor armoede maakt. In alle landen die te maken hebben gehad met de brutaalste vormen van het besparingsbeleid, zoals Griekenland en Spanje, kwamen al snel berichten van de toename van prostitutie omdat het de enige manier werd voor een groeiende laag vrouwen om in hun levensonderhoud en dat van hun kinderen te voorzien. Dit zijn slechts enkele schrijnende voorbeelden van de ontoereikendheid van het burgerlijk feministische programma.

Burgerlijk feministen zijn onze klassenvijand op het terrein van de vrouwenstrijd: dat is de echte betekenis en achtergrond van 8 maart en de proletarische vrouwenbeweging

  1. Het is echter niet enkel de kwestie dat het burgerlijke en kleinburgerlijke feminisme geen oplossing heeft voor de problemen van de meerderheid van vrouwen uit de arbeidersklasse en andere onderdrukte lagen – het is zelfs een obstakel voor een oplossing vanwege haar verdelende functie binnen de arbeidersbeweging. Wij hebben binnen de rangen van het ABVV, daar waar we dat konden, ons ongenoegen geuit over de specifieke vorm die de Equal Pay Day campagne aannam, met een grote focus op de verantwoordelijkheid van individuele mannen voor de werkverdeling in de huishoudelijke taken en met ondersteuning aan een eis voor individuele loononderhandelingen als een stap naar meer loongelijkheid. Op dezelfde manier hebben wij ons altijd verzet tegen het idee van quota om een algemeen programma te verdedigen voor de volledige arbeidersklasse en tegen iedere idee van discriminatie. Zij die dat niet doen, begrijpen niet dat het wijdverspreide seksisme een materiële voedingsbodem heeft.
  1. Het burgerlijke feminisme heeft nog op een ander vlak een zeer verdelende functie, omdat het vaak het speerpunt is van een racistische aanval op de moslimbevolking in België. Het hoofddoekenverbod, eerst op de scholen (nu al in sommige scholen gaande tot het verbod om lange rokken te dragen!), later in loketfuncties bij verschillende overheden, dat in Vlaanderen feitelijk een poging was van de burgerlijke partijen om in de electorale concurrentie met het Vlaams Blok/Belang zich “stevig” op stellen tegenover migranten, werd steevast verkocht met “feministische” argumenten. In Wallonië kwam diezelfde stroming aanwaaien uit Frankrijk, waar het ongenoegen en de woede tegenover de traditionele partijen zich bij gebrek aan een breed en geloofwaardig links alternatief uit in een groeiende en potentieel staatsgevaarlijke populariteit van het FN. Ook officieel links in Frankrijk hangt een militant laïcisme aan dat ingezet wordt als instrument in een racistische campagne. Het speelt een rol in het steeds meer op zichzelf keren van de bevolking met een migrantenachtergrond uit moslimlanden.
  1. Wij moeten hiervoor blijven waarschuwen. Net als in de nationale kwestie moeten we begrijpen dat religie een secundair aspect is en dat enkel de verdediging van de godsdienstvrijheid van religieuze arbeiders een kans kan bieden voor de arbeiderseenheid die nodig is voor de strijd voor een andere samenleving waarin religie wegdeemstert omdat de mens eindelijk terug controle heeft over zijn/haar leven en niet langer onderworpen wordt aan de anarchie en de blinde marktwerking van het kapitalisme. We moeten ook begrijpen dat iedere beperking van het recht op vrije meningsuiting van specifieke onderdrukte groepen uiteindelijk zal leiden tot beperkingen op het recht op vrije meningsuiting van de arbeidersbeweging en al haar aanverwante organisaties. Het is dan wel een recht dat hoort bij de burgerlijke revolutie, maar de klassenstrijd van de arbeidersklasse was overal nodig om dat recht ook te bieden aan de onderdrukte lagen en niet enkel als een recht van de burgerij zelf. Op dezelfde manier is het ook steeds de arbeidersklasse geweest die aanvallen op dat recht heeft afgeslaan.
  1. Dat we de godsdienstvrijheid verdedigen, betekent uiteraard niet dat we samenwerking met religieuze groepen na zouden streven of bereid zouden zijn in te leveren op ons programma, o.a. ons vrouwenprogramma. Wij weigeren enkel aan de burgerlijke kant van de barricade te staan in een racistische campagne. Wij verdedigen het recht van moslimvrouwen om een hoofddoek te dragen als ze dat willen, we verdedigen ook het recht van moslimvrouwen om dat niet te doen als ze dat niet willen. Enkel de hoofddoek verbieden staat vrouwen met een moslimachtergrond nog lang niet toe hun onafhankelijkheid tegenover hun familie en hun gemeenschap te verkrijgen. Voor dat laatste recht is een sociaal programma nodig, een algemeen programma dat vrouwen uit de arbeidersklasse toelaat onafhankelijk keuzes te maken: volledige tewerkstelling, degelijke lonen en arbeidsvoorwaarden die de combinatie werk en gezin toestaan, degelijke uitkeringen en sociale ondersteuning voor vrouwen die dat nodig hebben, een massaal programma van sociale woningbouw, …
  1. Deze verdelende aspecten van het burgerlijk en kleinburgerlijk feminisme maken duidelijk dat wij geen enkele affiniteit met hen voelen. We kunnen – zoals ook in de campagne tegen de “pro-lifers” is gebeurd – soms samen met dergelijke organisaties rond de tafel zitten omdat ze op bepaalde terreinen incontournable zijn en/of omdat we een gezamenlijk platform kunnen afspreken dat voor ons aanvaardbaar is. Maar zelf zoeken we samenwerking met organisaties van arbeidersvrouwen, zoals de vrouwencommissies en de jongerenorganisaties van de vakbonden en andere organen van de arbeidersbeweging die (vooral) vrouwen organiseren. En we begrijpen ten gronde dat wij ons volledig onafhankelijk van deze organisaties opstellen en dat we onze kritieken op die organisaties, hun beperkte programma, hun foute actiemethodes, hun bureaucratisme, etc openlijk blijven uiten. In de strijd voor vrouwenrechten zien wij de georganiseerde arbeidersbeweging als onze eerste en voornaamste bondgenoot. We weigeren absoluut om de vrouwenbeweging in een eng kader te zien, enkel als een beweging van vrouwen voor vrouwen.
  1. In de komende jaren moet de nadruk van onze werking op onze differentiatie met het burgerlijk en kleinburgerlijk feminisme liggen en op het rekruteren van jonge vrouwen en vrouwelijke arbeidsters voor de partij o.b.v. een socialistisch programma. Aansporingen om zich te verzetten tegen seksisme en vrouwenonderdrukking zullen niet meer enkel van ons komen, we zullen kunnen tussenkomen in zowel spontane als door anderen georganiseerde acties, zelfs als die vaak nog zeer beperkt in omvang kunnen zijn. In die tussenkomst moet voor ons de nadruk op ons socialistisch karakter en programma liggen. We moeten de hypocrisie aanklagen van de vrouwelijke politici die zich profileren op vrouwenproblemen, maar tegelijk in partijen blijven die een besparingsbeleid voeren op de rug van de grote meerderheid van vrouwen.

[1]https://www.conference-board.org/retrievefile.cfm?filename=The-Conference-Board-2015-Productivity-Brief-Summary-Tables-1999-2015.pdf&type=subsite

[2] Pompen of verzuipen, De Standaard 19 juni 2015

[3] Le prix des matières premières devrait être durablement bas, Le Soir 28 août 2015

[4] Zie daarvoor de cijfers van Eurostat: http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/show.do?dataset=lc_lci_r2_a&lang=en

[5]Wachten op Godot is een toneelstuk van Samuel Beckett waarin twee personages wachten op een zekere Godot, hier in de betekenis van een verlosser die nooit zal komen.

[6] ‘Economische motor dringend starten’, De Standaard 26 november 2014 – OESO – Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Gestart als club van rijkere landen, bestaat het nu uit 34 nog steeds hoofdzakelijk rijkere landen

[7] Japan, van spookbeeld tot voorbeeld, De Standaard 6 september 2014

[8]Whither France, Leon Trotsky, 9 November 1934

[9] Zie daarvoor onder andere Hal Draper, Karl Marx’ Theory of Revolution, Volume III

[10] Zie daarvoor het tweede congres van derde internationale, 1920

[11] A profile of Europe’s populist parties, Deutsche Bank 28 April 2015

[12] La Chine fait trembler l’économie mondiale, Le Soir 25 août 2015

[13] ‘Onze welvaart stoelt op fundament van bubbels’, De Tijd 5 juli 2014

[14] Ik maak me nu meer zorgen dan in 2007, De Tijd 17 juni 2014

[15] Eeuwige stagnatie, De Standaard 18 april 2015

[16] Yang met de pet, De Standaard 5 september 2015

[17]Wereldwijde revoltes tegen uitzichtloos systeem, resolutie van het UB voor de districscongressen van 2011, IB 39

[18] De wraak van het kapitaal, De Standaard 29 juli 2015

[19] De degeneratie van de banken – Ivan Van de Cloot De redactie 31 juli 2014

[20] ‘Economie is enkel zinvol als ze moreel is’, De Morgen 4 oktober 2014

[21] Tachtig rijksten bezitten evenveel als helft wereldbevolking, De Standaard 19 januari 2015

[22] World’s 100 richest earned enough in 2012 to end global poverty 4 times over, RT news, 20 January 2013

[23] Kloof tussen arm en rijk grootste kopzorg voor wereldeconomie, De Tijd, 17 januari 2014

[24] Les patrons gagnent 183 fois le salaire moyen d’un employé, Le soir 18 août 2015

[25] De 10 rijksten doorheen de eeuwen, De Morgen 1 augustus 2015

[26] Gabriel Zucman: “4.700 milliards d’euros cachés dans les paradis fiscaux”, Le Soir 4 janvier 2014

[27] Christine Lagarde non plus ne paie pas d’impôt sur les revenus, Le Monde 28 mai 2012

[28] Bedrijven keerden in 2014 dik 1.000 miljard euro uit, De Tijd 16 februari 2015

[29] Twijfel over groeibonus van goedkope olie, De Standaard 7 januari 2015

[30] Volgens het financieel dagblad uit Nederland is in Rusland een olieprijs van 105$ vereist om de begroting in evenwicht te brengen, in Nigeria 122 $, in Venezuela 117 $ en in Iran 130 $. Petrostaten schudden van angst, fd 9 januari 2015

[31] Noorse economie kampt met lage olieprijs, De Financiële Telegraaf 20 augustus 2015

[32] Coup de frein pour l’industrie du brut, Le Soir 28 juillet 2015

[33] L’OPEP devrait garder ses robinets grands ouverts, Le Soir 2 juin 2015

[34] Olieprijs flirt met laagste peil sinds 2009, De Tijd 21 augustus 2015

[35] Lage olieprijs is goed en slecht nieuws, De Morgen 2 december 2014

[36] “Subprimes, saison 2”, Le Soir 14 mars 2015

[37] BIS ziet grote risico’s bijb fondsen en vermogensbeheerders, De standaard 29 juni 2015

[38] ‘De speculatieve excessen van 2007 zijn terug’, De standaard 6 december 2013

[39] De kostprijs van de kloof, De Standaard 4 oktober 2014

[40] Les robots pourraient occuper la moitié de nos emplois, Le Soir, 20 juillet 2014

[41] Hoe technologie onze koopkracht dreigt weg te vreten, De Standaard 15 april 2015

[42] In ‘Kritiek op het programma van Gotha’ bekritiseert Marx juist de aanhangers van Lasalle omdat ze uitgaan van een zogenaamde ‘ijzeren’ loonwet vanuit de verkeerde idee dat het loon nooit meer kan bedragen dan het strikte overlevingsminimum.

[43] Les salaires ont pratiquement stagné dans le monde en 2013, RTBF-info 5 décembre 2014

[44] ‘Toenemende ongelijkheid is slecht voor groei’, De Standaard 22 mei 2015

[45] Economic Possibilities for our Grandchildren, John Maynard Keynes (1930)

[46] Les robots pourraient occuper la moitié de nos emplois, Le Soir 19 juillet 2014

[47] Will robots en capitalism, socialistworld.net 14 augustus 2015

[48] Alleen topjobs en rotklussen zijn straks nog veilig, De Standaard 9 februari 2015

[49] Revolutie op de werkvloer, De Standaard 27 juni 2015

[50] Hoe technologie onze koopkracht dreigt weg te vreten, De Standaard 15 april 2015

[51] Le cycle de vie des voitures raccourcit, Le Soir 19 novembre 2014

[52]“Réduire le temps de travail des âgés », Le Soir 11 août 2015

[53] The great productivity slowdown, Michael Roberts, August 8, 2015

[54] La crise des pays émergents inquiète la planète, Le Soir 29 janvier 2015

[55]Crash boursier en Chine: le gouvernement s’en mêle, Le Soir 9 juillet 2015

[56] China ervaart nu een harde landing, socialisme.be 7 juni 2015, vertaald vanop chinaworker.info

[57]Chinese beurscrash kan tot politieke crisis leiden, socialisme.be 9 juli 2015, interview met Vincent Kolo van chinaworker.info

[58]Devaluatie Chinese munt leidt tot onrust op wereldmarkten, socialisme.be 13 augustus 2015, standpunt van Chinaworker.info

[59] Les pays émergents inquiètent, Le Soir 20 août 2015

[60] Don’t mention de muntoorlog, De Standaard 11 april 2015

[61] Breekt wereldoorlog tussen de munten los?, de Morgen 7 februari 2015

[62] China grijpt financiële wereldmacht tegen 2050, De Standaard 9 april 2015

[63] Trojaans paard of Marshallplan? De Standaard 1 maart 2015

[64] ‘Hier gaat iets gevaarlijk mis’, De Standaard 5 mei 2015

[65] ‘Publiek belang moet wijken voor winst’, De Standaard 2 april 2015

[66] ‘Gezondheid dreigt koopwaar te worden’, De standaard 5 februari 2015

[67] International Institute for Strategic Studies, Military Balance 2015 Press Statement 11 February 2015 http://www.iiss.org/en/about%20us/press%20room/press%20releases/press%20releases/archive/2015-4fe9/february-0592/military-balance-2015-press-statement-40a1

[68] Bras de fer décisifs en vue sur l’Ukraine, Le Soir 23 août 2015

[69]“Opsplitsen Irak mogelijk enige oplossing”, De Redactie 13 augustus 2015

[70] Le mouvement citoyen ne mollit pas, Le Soir 2 september 2015

[71] Révolution citoyenne inédite – Le Soir 28 aug 2015

[72]Egypt, Workers start to take action again, socialistworld.net September 9, 2015

[73]Egyptische regering neemt ontslag, De Standaard 12 september 2015

[74] Oorlogsatlas Syrië, vloedgolf IS, stromen vluchtelingen, De Morgen, 22 augustus 2015

[75] No boots on the ground, De Morgen 23 augustus 2014

[76]Koerdistan. Strijd voor Kobanê op een keerpunt, socialisme.be, 1 november 2014

[77] Meer slachtoffers, minder conflicten, De Tijd, 23 mei 2015

[78]VN meldt record aantal vluchtelingen, De Telegraaf, 18 juni 2015

[79] De zevende dag, Eén 12 september 2015

[80] ‘De planeet redt zichzelf wel. We moeten de mens redden’, De Standaard26 april 2015

[81]Ecologie: tegen de kapitalistische verspilling, socialistische planning, socialisme.be, 22 juli 2015

[82] Volgens een studie van Richard Heede, gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Climatic Change. Het gaat om de wereldwijde methaan en koolstofuitstoot tussen 1751 en 2010. Op 7 cementbedrijven na, zijn het alle energieproducenten (Gas, kolen, olie)

[83]Nieuwe technologie: redder of grafdelver van het kapitalisme?, socialime.be, 2 augustus 2015

[84] ‘We kunnen vandaag nog de honger in de wereld oplossen’, De Standaard 26 april 2015

[85] Le pape François prône un retour à la Terre, Le Soir, 19 juin 2015

[86] ‘Ofwel redden we de aarde, ofwel het kapitalisme’, De Standaard 26 november 2014

[87] België zakt voor eisen investeerders, De Tijd 9 mei 2014

[88] Bedoeld wordt netto buitenlandse directe investeringen (BDI), dat is de aanvoer van buitenlandse directe investeringen verminderd met de uitgaande buitenlandse directe investeringen. https://data.worldbank.org/indicator/BX.KLT.DINV.CD.WD

[89]Buitenlands geld in België: 231 miljard weg in vijf jaar, De Morgen, 20 juni 2015

[90] De Vrijdaggroep omschrijft zichzelf als een groepje jonge talenten (25-35j.) die zich voor de verbetering van onze samenleving willen inzetten door strategienota’s over de belangrijkste uitdagingen op te stellen en nieuwe inzichten en ideeën voor debat aan te reiken.

[91]https://www.v-g-v.be/de-grote-leegloop/

[92]http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/submitViewTableAction.do

[93]https://taxworld.wolterskluwer.be/nl/

[94]http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=71163ned&D1=10-15&D2=a&D3=%28l-10%29-l&HD=090723-1536&HDR=T&STB=G1,G2

[95] 13% d’investissements étrangers en plus, Le Soir 5 juin 2015

[96]

[97] Hoge loonkosten = hoge productiviteit = lage werkgelegenheidsgraad, persmededeling VBO 6 februari 2014

[98]https://www.conference-board.org/data/economydatabase/index.cfm?id=27762 ; open het excel document ‘Output, Labor, and Labor Productivity, 1950-2015’.

[99] https://www.conference-board.org/retrievefile.cfm?filename=The-Conference-Board-2015-Productivity-Brief-Summary-Tables-1999-2015.pdf&type=subsite

[100] België trekt knappe koppen aan uit heel Europa, De Standaard, 1 september 2014

[101] De magere balans van Albert Frère, handelaar, geen bouwer, De Standaard 7 februari 2015

[102] ‘Je kunt niet rijk worden door hard te werken’, Knack 8 januari 2014

[103] “La priorité: réindustrialiser”, Le Soir 2 mai 2015

[104] ‘Met onze machines spelen de loonkosten geen rol meer’, De Tijd 11 juli 2015

[105] België scoort zwak als hoofdkwartier, De Tijd, 6 mei 2015

[106] Vele kmo’tjes maken één groot, De Morgen 5 december 2014

[107]http://statbel.fgov.be/nl/binaries/analyse_nl_tcm325-253652.pdf

[108] De middenstand regeert het land (niet meer), De Tijd, 21 juni 2014

[109] Info- en discussiebulletin nr. 39 Wereldwijde revoltes tegen uitzichtloos systeem, zetten aan tot zoektocht naar alternatief

[110] Trois forces centrifuges qui écartèlent l’Etat, Le Soir 4 avril 2015

[111]Régions et fédéral campent sur leur positions, Le Soir 2 avril 2015

[112] Zesde staatshervorming veroorzaakt budgettair kunst- en vliegwerk, De Tijd 8 juli 2015

[113] Tracasseries, protection des minorités: les francophones de Flandre oubliés, Le Soir 10 juin 2015

[114] Un commissaire pour dégomer Thiéry, Le Soir 8 juillet 2015

[115] Michel woest na uithaal Homans, De Standaard 21 mei 2015

[116] Daar zijn de transfers opnieuw, De Standaard 11 april 2015

[117] ‘Jaarlijks vloeit 8 miljard euro naar Brussel en Wallonië’, De Standaard 6 mei 2015

[118] L’institutionnel s’invite dans les négociations, Le Soir 7 octobre 2014

[119] Autonomie fiscale: le Nord rêve de l’obtenir, Le Soir 20 août 2015

[120] Geen lusten zonder lasten, De standaard 3 april 2015

[121]L’attachement à la Belgique augmente, Le Soir 12 mai 2015

[122] Het communautaire in de verkiezingen van 25 mei 2014, analyse obv de postelectorale verkiezingsonderzoeken1991-2014

[123] Ondernemers zullen tripartite boycotten, De Standaard 30 juni 2015

[124] Pamflet op 6 november ‘Niet alleen Michel I, maar heel het besparingsbeleid wegstaken’

[125] ‘De geschiedenis van iedere maatschappij tot nu toe is de geschiedenis van de klassenstrijd.’ Marx in Het Communistisch Manifest

[126] Wither France – Waar gaat Frankrijk heen, https://www.marxists.org/nederlands/trotski/1936/1934-1936frankrijk.htm

[127]http://www.socialisme.be/nl/12598/brief-2Open brief van LSP voor een electorale krachtenbundeling in 2014, de brief werd verstuurd aan FGTB Charleroi, CNE, PVDA/PTB, ROOD!, LCR/SAP, Mouvement de Gauche, Parti Communiste, Parti Humaniste, Gauches Communes Bruxelles, Front de Gauche Charleroi, Véga, Socialisme 21, LEEF!, LCT, LO, GCT, Vonk en iedereen die wil strijden tegen het besparingsbeleid. Enkel van de Parti Humaniste kregen we antwoord.

[128] ‘Radicaal-links breekt door. Uitstekende kans om protest tegen besparingen te organiseren’, Socialisme.be http://www.socialisme.be/nl/17498/radicaal-links-breekt-door-uitstekende-kans-om-protest-tegen-besparingen-te-organiseren – juni 2014

[129] ‘Over 10 jaar kunnen wij in de regering zitten’, De Standaard 4 april 2015.

[130] Trade unions are trying to find their post-austerity voice,Economist, September 5th 2015

[131] https://nl.socialisme.be/14770/10-doelstellingen-van-een-antikapitalistisch-noodprogramma-2

[132] https://nl.socialisme.be/14622/10-doelstellingen-van-een-antikapitalistisch-noodprogramma

[133] https://nl.socialisme.be/22489/big-brother-zal-terrorisme-niet-stoppen

[134] http://www.femma.be/nl/onze-visie/artikel/waarom-het-nieuwe-voltijds-zo-veel-kansen-in-zich-heeft

[135] http://www.poliargus.be/in-vijf-jaar-naar-35-uur/

[136] La finlande prête à expérimenter la fin du travail? Francetvinfo,20 juillet 2015

[137] ‘Een basisinkomen kan nooit onvoorwaardelijk zijn’, De Standaard 28 maart 2015

[138] ‘Ik was de moordenaar van het dorpsleven’, De Morgen, 22 augustus 2015

[139]In zijn boek “De wereld redden. Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving” stelt Michel Bauwens de “peer-to-peer” (P2P) economie voor. Enkele maanden eerder kwam de Amerikaanse schrijver Jeremy Rifkin met zijn model van “commons” in het boek “The Zero Marginal Cost Society: The Internet of Things, the Collaborative Commons, and the Eclipse of Capitalism.”

Print Friendly, PDF & Email