Wallersteins methode en het marxisme. “Centrum en periferie: de transnationaliteit van de productketens”

wallersteinImpressionisme hoort thuis in de kunstbeleving, niet in de historische maatschappijkritiek. De arbeidersbeweging is weinig gediend met vage indrukken ingeblikt tot zogezegde antikapitalistische theorieën. Precies dat grondgebrek beheerst de stroming rond Immanuel Wallerstein.

‘Volg je eigen weg en laat de mensen praten.’ – Een tegendraadse begeestering die men van begin tot einde proeft in het boek dat Peter Van der Biest in 1997 voorstelde als De Tao van Wallerstein. Bij Wallersteins leerlingen bleef niet onopgemerkt dat Van der Biest hun denkwijze grondiger ontrafelde dan menig professor die zich in de jaren ’70 en ’80 nog als ‘orthodox marxist’ uitgaf. Hun reactie beperkte zich dan ook jarenlang tot angstvallig voor het publiek verborgen knorrigheden onder gelijkgezinden. Een antwoord in de openbaarheid bleef uit.

Dat alleen al rechtvaardigt een herdruk van dit werk. Maar vooral herinnert de felle polemische stijl eraan dat wetenschappelijke ernst en openlijke toewijding aan het socialisme elkaar niet uitsluiten. Inzicht in een maatschappij van tegenstellingen groeit met de botsing tussen tegengestelde ideeën. Dat wist de schrijver reeds in 1997, drie jaar vóór de antiglobaliseringsbeweging en een decennium vóór de crisis die het marxisme weer bespreekbaar heeft gemaakt.

Dit boek door Peter Van der Biest telt 151 pagina’s en kost 12 euro (verzending inbegrepen).

Om de lezers warm te maken hieronder een uittreksel.

De Wereldsysteem Analyse put haar zelfzekerheid uit de wetenschap dat ze de fundamentele mechanismen van de ongelijke ruil heeft ontdekt en gaat bijzonder prat op deze omwenteling dewelke ze in de moderne wetenschap heeft teweeggebracht…
‘Ongelijke ruil is een eeuwenoude praktijk. Wat opmerkelijk was aan het kapitalisme als een historisch systeem, was de manier waarop deze ongelijke ruil verhuld kon worden; inderdaad zo goed verhuld dat zelfs de verklaarde tegenstanders van het systeem nu pas begonnen zijn dit mechanisme systematisch te ontmaskeren, nadat het reeds vijfhonderd jaar in werking is.’ (Wallerstein, Historisch kapitalisme, p.25-26-mijn cursief)

De sleutel voor het verhullen van het centrale mechanisme van de ongelijke ruil lag in de structuur van de kapitalistische wereldeconomie zelf, aldus Wallerstein, namelijk:
‘… de ogenschijnlijke scheiding in het kapitalistische wereldsysteem tussen enerzijds het economisch gebied (een wereldwijde sociale arbeidsverdeling met geïntegreerde productieprocessen die alle werkten voor de eindeloze accumulatie van kapitaal) en anderzijds het politieke gebied (schijnbaar bestaande uit afzonderlijke soevereine staten, elk met autonome verantwoordelijkheden voor politieke besluiten binnen het eigen rechtsgebied, en elk beschikkend over gewapende troepen om hun gezag te ondersteunen).’(p.26-mijn cursief)

Met andere woorden: de werkelijke mechanismen van ongelijke ruil hebben zich volgens Wallerstein zolang aan het oog van de wetenschap onttrokken omwille van de schijnbare tegenstelling tussen de nationale staat en de internationale markt.

In werkelijkheid, zo gaat Wallerstein verder, overschreden bijna alle enigszins belangrijke productketens de staatsgrenzen en …’Dat is geen recente ontwikkeling. Het gold vanaf het begin van het historisch kapitalisme zelf. De transnationaliteit van de productketens gaat evengoed op voor de kapitalistische wereld van de zestiende eeuw als voor die van de twintigste eeuw.’ (p.26)

Hoe ging deze ongelijke ruil nu in zijn werk ?

‘Uitgaande van een werkelijk verschil op de markt, dat ofwel ontstond door het (vooralsnog) ontbreken van een complex productieproces, ofwel door kunstmatige schaarsten die geschapen werden met militaire hand (…) verplaatsten de producten zich op zo’n manier tussen de zones, dat het gebied met het minst ‘schaarse’ artikel dit verkocht aan een ander gebied voor een prijs die meer reële kosten moest dekken dan een gelijk geprijsd artikel dat zich in de tegenovergestelde richting bewoog. Wat feitelijk gebeurde was een verplaatsing van een deel van het totale surplus van de ene zone naar de andere. Zo’n relatie is een centrumperiferierelatie. Algemeen gezegd, de verliezende zone kunnen we een ‘periferie’ noemen en de winnende zone een ‘centrumgebied’. Deze benamingen geven feitelijk de geografische structuur van de economische stromen weer.’ (p.26)

Het was dit proces van ongelijke ruil op internationale schaal, deze verplaatsing van het surplus naar het centrum, waar het als kapitaal werd geaccumuleerd dat ‘onevenredig grote fondsen beschikbaar maakte voor verdere mechanisatie.’ (p.27)

Voor het gemak van de lezer vatten we de gedachtegang die Wallerstein hier ontvouwt even samen. Als we alles goed begrepen hebben dan wil hij vooral de volgende vier punten vaststellen:
1. Hoewel hij op zichzelf een eeuwenoude praktijk is, geschiedt de ongelijke ruil onder het kapitalisme op dermate verhulde wijze dat men hem pas nu aan het ontdekken en doorgronden is.
2. De sleutel voor deze verhulling ligt in de ogenschijnlijke tegenstelling tussen de al even bedrieglijke wederzijdse onafhankelijkheid van de nationale staten en het geïntegreerd zijn van de wereldmarkt.
3. De internationale arbeidsdeling, zeg maar de trans-nationaliteit der productketens, bestond evengoed in het kapitalisme van de zestiende eeuw, als voor dat van de twintigste.
4. De ongelijke ruil vormt een relatie van centrum tot periferie. Het eerste is het winnende gebied, het tweede het verliezende.
Deze vier stappen in Wallersteins redenering zijn even zovele dwalingen of op zijn minst dubbelzinnigheden binnen één groot sofisme.

Ten eerste zijn de mechanismen van de ongelijke ruil beter in kaart gebracht door het marxisme dan door de Wereldsysteem Analyse, die ten allen tijde nooit verder geraakt is dan een impressionistische schets van de wereldverhoudingen.

Ten tweede is de tegenstelling tussen de nationale staat en de wereldmarkt allesbehalve een illusie, maar één van de meest fundamentele tegenstrijdigheden en beperkingen van de moderne samenleving.

Ten derde is de omschrijving van het kapitalisme als wereldsysteem allesbehalve een uitvinding van de lieden die zichzelf de school van de Wereldsysteem Analyse noemen, maar werd deze reeds glashelder naar voor geschoven door het marxisme, dat de historische consequenties daarvan veel grondiger heeft begrepen dan Wallerstein en zijn Heilige Schare.

Ten vierde en tenslotte laat de eenzijdige fixatie van Wallerstein op de geopolitiek, op de verhouding tussen centrum en periferie, de tegenstrijdige verhoudingen zowel binnen het centrum als binnen de periferie, die minstens evenzeer hun wereldhistorische rol vervullen in de ontwikkeling van de moderne samenleving grotendeels buiten beschouwing.

Zoals we reeds zagen in het vorige hoofdstuk vormt Wallersteins vertoog over de proletarisering slechts het voorwendsel hijzelf zou zeggen: de empirische grondslag, om tot de algemene wetmatigheden van de centrumperiferie verhouding te komen.

Maar Wallerstein is al zodanig in de ban van zichzelf en zijn geniale ontdekking, dat hij onmogelijk nog oog kan hebben voor bijkomstigheden zoals het werkelijke ontstaansproces van de klasse die het kapitaal voortbrengt. ‘Onmiddellijk ontdekken we verscheidene mechanismen die historisch gezien de ongelijkheid vergrootten,’ roept hij triomfantelijk uit ! (zie p.27)

Het is goed dat hij erbij vermeldt dat hij verscheidene mechanismen ontdekt en niet alle. Het ontstaan van de kapitalistische productiewijze en meer in het bijzonder het proces waarbij de initiële opstapeling van kapitaal plaatsgreep, de zogenoemde primitieve of oorspronkelijke accumulatie, voltrokken zich als een gecombineerde ontwikkeling van processen die later het ‘centrum’ van de kapitalistische wereld zouden gaan uitmaken en op de wereldmarkt die bij het begin van de zestiende eeuw een feit geworden was.

De wereldmarkt en de internationale arbeidsdeling of de transnationaliteit van de productketens is een bestendig kenmerk van het kapitalisme, is van bij het prilste begin tot het bittere einde aanwezig.

En waarom? Omdat deze het uitgangspunt van de kapitalistische productiewijze vormt. Internationale arbeidsdeling bestond reeds voor er sprake was van kapitalisme. Ze werd ons overgeleverd door het hoogste ontwikkelingsstadium van de oude middeleeuwse samenleving, met haar doorgedreven arbeidsdeling tussen stad en platteland, tussen commerciële en ambachtelijke activiteit in de stad en tenslotte tussen de steden zelf.

In de allereerste bladzijden van zijn Modern World System zegt Wallerstein:
‘De stelling in dit boek zal zijn dat er drie dingen essentieel waren voor het ontstaan van een dergelijke kapitalistische wereldeconomie. De uitbreiding van de geografische omvang van de betreffende wereld, de ontwikkeling van zeer uiteenlopende manieren van arbeidsbeheersing voor verschillende producten en verschillende gebieden van de wereldeconomie en de vorming van betrekkelijk sterke staatsapparaten in wat de centrumlanden van deze kapitalistische wereldeconomie zouden gaan worden’ (Het moderne wereldsysteem, dl.I, p.25)

De wereldmarkt en de eerste ophoping van geld dat later besteed kon worden als kapitaal in de handen van een paar individuen bestond reeds voor de kapitalistische productiewijze, en dat is geen recente ontdekking en zeker niet de ontdekking van Wallerstein en de tiërmondistische schrijvers die het pad voor de Wereldsysteem Analyse hebben geëffend.

‘Het eerste gevolg van de arbeidsdeling tussen de verschillende steden was het ontstaan van de manufacturen, productietakken die het gildewezen waren ontgroeid. De manufacturen kwamen het eerst tot bloei in Italië en later in Vlaanderen; historische voorwaarde hiervoor was de aanwezigheid van handelsverkeer met buitenlandse naties. In andere landen, Engeland en Frankrijk bijvoorbeeld, beperkten de manufacturen zich aanvankelijk tot de binnenlandse markt. Behalve de voorwaarden die genoemd zijn, veronderstellen de manufacturen bovendien nog een reeds vergevorderde concentratie van de bevolking met name op het platteland én van kapitaal dat, de gildewetten ten spijt, deels in de gilden, deels bij de kooplieden in handen van enkele individuen begon te accumuleren.’ (Marx, De Duitse Ideologie, dl.I, SUN, Nijmegen, 1971, p.62-63 -mijn cursief)

Het voordeel van Wallersteins wereldschematisme bestaat erin dat men het zowat overal kan op toepassen. Een groot nadeel evenwel bestaat erin dat men het ook kan toepassen op verhoudingen waarvoor Wallerstein zijn leer helemaal niet voorbestemd heeft. In de logica noemt men dat trivialiteit. Nadat hij de hinderlijke kwestie van de ontstaansgeschiedenis van het proletariaat uit de plooien van zijn gelaat heeft gewreven, bestaat voor Wallerstein nu nog slechts de wereldmarkt, de transnationaliteit van de productketens als centrumperiferie verhouding. Als we met alle geweld willen vasthouden aan het idee van centrum en periferie, dan kunnen we in het tijdvak van de primitieve accumulatie deze verhoudingen op het economische vlak zelfs waarnemen binnen centrum en periferie en dan nog niet eens noodzakelijk als verhouding tussen ‘winners en verliezers’. De opbloei van de wol-manufactuur in Vlaanderen gaf ongetwijfeld een krachtige stoot aan de kapitalistische landbouwhervormingen in Engeland, waar de weg voor de nieuwe plattelandsburgerij en de verburgerlijkte aristocratie op 28 klassiek-feodale geslachten na was schoongeveegd door de Rozenoorlogen. De eersten die hierbij verloren waren de duizenden Engelse boeren die plaats moesten ruimen voor de schapenkudden waarin hun heren grootgrondbezitters nu eenmaal een meer geschikte bron van inkomsten zagen dan het oude pachtstelsel.

Zelfs voor de Wallersteiniaanse invulling van de verhouding centrumperiferie gaat de abstract gestelde wereldomspannende verhouding tussen winnaar en verliezer maar op als men één en ander een beetje willekeurig buiten beschouwing laat. Zoals geweten verhief het Nederlandse kapitaal zich aanvankelijk op de achteruitgang en zelfs bewuste onderwerping van de Hanzesteden aan de Oostzee. De Poolse edellieden die hun vrije pachters vanaf de vijftiende eeuw opnieuw tot lijfeigenschap brachten ten behoeve van de voedselproductie en de bosontginning voor de handel met de Nederlanden zullen zichzelf waarschijnlijk alleen maar in een hysterisch katholieke uitspatting van boetedoening en zelfbeklag als verliezers hebben beschouwd. De Afrikaanse stamhoofden die mensen van hun eigen ras bij duizenden uitleverden aan Portugese, Spaanse, Engelse en Hollandse slavendrijvers waren evenmin de grote verliezers van de primitieve accumulatie. Als men eraan houdt de zaken zo abstract te stellen, waren de tienduizenden landlopers die in Europa de manufactuur werden ingedreven even grote verliezers als de Afrikaanse, Aziatische en Oost-Europese boeren.

Zoveel weet ook Wallerstein. Maar hij spreekt allang niet meer over de uitbuitingsverhoudingen binnen centrum en periferie Voor hem zijn nu nog slechts de politiek-geografische verhoudingen, waarvan hij de ontdekking op de naam van de Wereldsysteem Analyse schrijft, van tel.

Om de door Wallerstein zo zelfzeker opgeëiste originaliteit in verband met de transnationaliteit van de productketens en de wereldwijde indeling in ‘winners en verliezers’ enigszins tot haar ware proporties terug te brengen, geven we enige uittreksels die zo duidelijk voor zich spreken dat ze volgens ons maar weinig aansluitende commentaar behoeven.

Marx in 1847: ‘Zonder de slavernij zou Noord-Amerika, het verst ontwikkelde land, in een patriarchaal land veranderen. Veegt men Noord-Amerika van de wereldkaart, dan heeft men anarchie, het volledige verval van de handel en van de moderne beschaving. Laat de slavernij verdwijnen en U veegt Amerika van de wereldkaart (…) De moderne volken hebben de slavernij in hun landen enkel en alleen kunnen verhullen, terwijl ze haar in de Nieuwe Wereld onverhuld hebben ingevoerd.’(Armoede van de filosofie, p.103)

‘De behoefte aan een voortdurend uitbreidende markt voor haar producten jaagt de bourgeoisie voort over het gehele aardoppervlak. Ze moet zich overal nestelen, overal vestigen, overal verbindingen tot stand brengen. Door middel van haar uitbuiting van de wereldmarkt heeft de burgerij een kosmopolitisch karakter gegeven aan productie en consumptie in elk land. Tot groot verdriet van de reactionairen heeft ze de industrie de nationale grond waarop zij gevestigd was, van onder de voeten getrokken. Alle oude gevestigde nationale industrieën zijn vernietigd of worden dagelijks met de grond gelijkgemaakt. Ze worden ontworteld door nieuwe industrieën, wier invoering een kwestie van leven en dood wordt voor alle beschaafde naties, door industrieën die niet langer inheemse grondstoffen verwerken, maar ruwe materialen onttrokken aan de meest afgelegen zones; industrieën wier producten niet slechts in de thuislanden verbruikt worden, maar evengoed in elke uithoek van de wereld. In de plaats van de oude behoeften, die bevredigd werden door de productie van het eigen land, vinden we nieuwe behoeften, die voor hun bevrediging de producten van verafgelegen landen en luchtstreken behoeven. In plaats van het oude lokale en nationale isolement en onafhankelijkheid, krijgen we nu verkeer in alle richtingen, universele wederzijdse afhankelijkheid tussen de naties.’ (Manifesto of the Communist Party, integraal opgenomen in The Revolutions of 1848, Pelican Books, Harmondsworth, 1973, p.71)

Marx in 1867: ‘De ontdekking van goud en zilverlanden in Amerika, de uitroeiing en onderdrukking van de inheemse bevolking en haar opsluiting in de mijnen, de beginnende verovering en plundering van Oost-Indië, de verandering van Afrika tot een gebied voor de handelsjacht op de zwarte bevolking vormden de dageraad van het tijdperk der kapitalistische productie. Deze idyllische gebeurtenissen zijn de voornaamste elementen van de oorspronkelijke accumulatie. (…) De verschillende factoren van de oorspronkelijke accumulatie vindt men nu, min of meer in chronologische volgorde, voornamelijk over Spanje, Portugal, Holland, Frankrijk en Engeland verdeeld. In Engeland worden zij tegen het einde van de zeventiende eeuw systematisch samengevat in het koloniale stelsel, het systeem van staatsschulden, het moderne belastingsysteem en het stelsel van protectie. Deze methoden berusten ten dele op het meest brute geweld, bijvoorbeeld het koloniale stelsel.’ (Het Kapitaal, dl.I, hfst.24, p.586)

‘De behandeling van de inheemse bevolking was natuurlijk het ergst in de nederzettingen, die uitsluitende bestemd waren voor de export, zoals in West-Indië, en in de aan roofmoord prijsgegeven rijke en dichtbevolkte landen als Mexico en OostIndië. Maar ook in de eigenlijke koloniën verloochende het Christelijke karakter de oorspronkelijke accumulatie niet. De nuchtere virtuozen van het Protestantisme, de puriteinen van Nieuw Engeland, stelden in 1703 volgens een besluit van hun Assembly (volksvergadering) een premie van £40 iedere Indiaanse scalp en voor iedere gevangen roodhuid, …’ (p.587)

‘Het koloniale systeem liet handel en scheepvaart als in een broeikas rijpen. De Gesellschaften Monopolia (Luther) waren geweldige hefbomen voor de concentratie van het kapitaal. De kolonie verschafte aan de als paddenstoelen uit de grond opschietende manufacturen een afzetmarkt en een accumulatie, die door het marktmonopolie werd verveelvoudigd. De buiten Europa rechtstreeks door plundering, onderwerping en roofmoord buitgemaakte schat vloeide terug naar het moederland en werd daar in kapitaal omgezet. Holland, dat het eerst het koloniale stelsel volledig ontwikkelde, bereikte reeds in 1648 het hoogtepunt in de bloei van zijn handel. Holland was in het vrijwel uitsluitend bezit van de Oost-Indische handel en van het verkeer tussen het Zuidwesten en Noordoosten van Europa. Zijn visserij, scheepvaart en manufacturen overtroffen die van elk ander land. De kapitalen van de republiek waren misschien wel omvangrijker dan die van de rest van Europa bij elkaar.’ Gülich vergeet eraan toe te voegen: de Hollandse volksmassa (de verliezers van het centrum- P.V.d.B) was in 1648 reeds meer overwerkt, verarmd en wreder onderdrukt dan die van de rest van Europa bij elkaar.’ (p.588)

‘Terwijl de katoenindustrie in Engeland de kinderslavernij invoerde, gaf deze tegelijkertijd de stoot tot omzetting van het vroeger min of meer patriarchale slavenbedrijf in de Verenigde Staten in een commercieel uitbuitingssysteem. In het algemeen had de verkapte slavernij der loonarbeiders in Europa de slavernij sans phrase (zonder omhaal) van de Nieuwe Wereld als voetstuk nodig.’(p.593)

Rosa Luxemburg in 1912: ‘De kapitalistische accumulatie heeft (…) als geheel, als concreet historisch proces, twee verschillende aspecten. Het ene betreft de warenmarkt en de plaatsen waar de meerwaarde wordt voortgebracht de fabriek, de mijn, het landbouwbedrijf. (…) Het andere aspect van de kapitaalsaccumulatie betreft de relaties tussen het kapitalisme en de niet-kapitalistische productiesystemen. Het toneel daarvan beslaat de gehele wereld. De meest overheersende methodes zijn kolonialistische politiek, het systeem van internationale leningen, de politiek van invloedssferen en oorlogen. Geheel onverbloemd vieren hier machtsmisbruik, bedrog, onderdrukking en plundering hoogtij en men moet zich werkelijk inspannen om onder deze chaos van politieke geweldshandelingen en krachtmetingen nog de strenge wetten van het economische proces te ontdekken.’ (De accumulatie van kapitaal, in: Orde heerst in Berlijn, p.130-131)

Lenin in 1916: ‘Het toenemen van de binnenlandse, maar vooral ook van de internationale warenruil is een karakteristieke trek van het kapitalisme. De ongelijkmatige en sprongsgewijze ontwikkeling van afzonderlijke ondernemingen en takken van industrie, alsmede van sommige landen, is onder het kapitalisme onvermijdelijk.’(Imperialisme als hoogste stadium van kapitalisme, Progres, Moskou, 1989, p.78)

Max Schachtman in 1933: ‘… de ontwikkeling van elke bestaande maatschappijorde tot nog toe, en in het bijzonder van de moderne kapitalistische maatschappij, is er één geweest in de richting van toenemende wereldwijde verbindingen en onderlinge afhankelijkheid. Het kapitalisme bereikt zijn hoogste ontwikkelingsfase, zijn meest indrukwekkende economische hoogten, niet door zich terug te trekken binnen zijn nationaal omhulsel, maar door vanop ieder nationaal terrein deze verbanden te leggen die het onlosmakelijk verbinden met de rest van de wereldeconomie. De economie van de Verenigde Staten, van Frankrijk of Indië, vormt slechts de nationale uitdrukking van een wereldeconomie.’ (The First Ten Years History and Principles of the Left Opposition, New Park, Londen, 1974, p.25)

De uittreksels die we hier aan de lezer voorleggen zijn geen toevallige, zijdelingse bedenkingen, maar vormen fundamentele inzichten in de bepaling van de revolutionaire strategie van het marxisme, dat als eerste de moderne beschaving heeft erkend als wereldsysteem.

De beroemde slotwoorden van het Communistisch Manifest zijn geen moralistische verzuchting naar wereldvrede, maar de kernachtige samenvatting van de strategische noodzaak tot internationale organisatie van het proletariaat in het bestrijden van een systeem dat wereldwijd georganiseerd is. Wanneer Lenin zijn tactische slogan van ‘de revolutionaire heerschappij van arbeiders en boeren’ tegenover de oude ‘klassiek marxistische’ formule van de burgerlijke revolutie onder leiding van de liberale bourgeoisie stelde, dan was dit op basis van de bedenking dat de Russische Revolutie geen eenvoudige herhaling kon zijn van de Europese revoluties in de achttiende en negentiende eeuw omdat Rusland een heel andere plaats innam in het wereldsysteem dan pakweg Frankrijk en Engeland in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw. Op zich veronderstelt de beroemde uitspraak van Lenin ‘dat het kapitalisme zou breken in zijn zwakste schakel’ een diepgaand inzicht in de internationale structuur van het kapitalisme.

Het was op basis van het inzicht dat de moderne samenleving gestoeld is op een wereldsysteem dat Leon Trotski zich met klem verzette tegen de stalinistische leer van ‘socialisme in één land’. In 1929 bijvoorbeeld schrijft hij in dit verband:
‘De opbouw van het socialisme is maar mogelijk op basis van klassenstrijd op het nationale én het internationale terrein … De socialistische revolutie kan onmogelijk voltooid worden binnen de nationale grenzen. Eén van de essentiële oorzaken van de crisis in de burgerlijke samenleving bestaat erin dat de productiekrachten die ze heeft voortgebracht buiten het kader van de nationale staat treden … de socialistische revolutie begint op het nationale terrein, ontwikkelt zich in de internationale arena en wordt voltooid op wereldschaal … De wereldwijde arbeidsverdeling, de afhankelijkheid van de Sovjetindustrie van de buitenlandse techniek, de afhankelijkheid van de productieve krachten van de geavanceerde landen van de grondstoffen uit Azië, enz., maken het onmogelijk een autonome socialistische samenleving uit de grond te stampen, geïsoleerd in welke hoek van de wereld ook.’ (Trotski, Qu’est-ce que la Revolution permanente, in: De la Revolution, Editions de Minuit, Parijs, 1963, p.364-365-mijn cursief)

Trotski’s theorie van de permanente revolutie, niet bepaald het minst belangrijke onderdeel van zijn intellectuele erfenis, berust geheel en al op de idee van de afhankelijke ontwikkeling van de koloniale en neokoloniale wereld binnen het kapitalistische wereldsysteem. En wanneer Trotski in Perspectives and Tasks in the East zijn versie van de ‘dependentietheorie’ uiteenzet, zien we, met een beetje goeie wil en een gezonde dosis verbeelding, niet de stichter van het Rode Leger het woord richten tot de studenten van de Communistische Universiteit voor de arbeiders uit het Oosten, maar de Graue Eminenz van Binghamton:
‘De ganse hedendaagse politieke en culturele ontwikkeling is gestoeld op het kapitalisme … Maar het kapitalisme heeft, schematisch gesproken, twee verschillende facetten: het kapitalisme van de metropool en het kapitalisme van de kolonies.’(Trotski, Perspectives and Tasks in the East, Speech on the Third Anniversary of the Communist University for Toilers of the East, April 21, 1924, New Park, London, 1973, p.3)

Er slechts op wijzen dat de marxisten van bij het begin oog hadden voor de transnationaliteit van de productketens is nog te veel eer voor Wallersteins formuleringen. Hoewel het respectievelijke onderwerp van de vier delen van het Modern World System min of meer samenvallen met de drie kwalitatieve groeistadia van het kapitalisme (Dl. I en Dl. II met de periode van de primitieve accumulatie; dl. III met het tijdperk van de vrije concurrentie; dl.IV met de fase van het imperialisme) laat Wallersteins Historisch kapitalisme deze fundamentele historische groeifasen totaal buiten beschouwing. We vinden er genoegen in om hier een andere, volgens ons veel meer verdienstelijke, grondlegger van de Wereldsysteem Analyse aan het woord te laten:
‘Het kapitalisme heeft van bij zijn oorsprong een internationale dimensie aangenomen, ‘ zegt Samir Amin, ‘maar de inhoud en de werking van deze dimensie is door drie periodes gegaan. Tijdens de mercantilistische periode van de primitieve accumulatie (van de Renaissance tot aan de Industriële Revolutie) vervulde de Amerikaanse en Afrikaanse periferie een beslissende rol in de accumulatie van het geldkapitaal. Gedurende de klassieke pre-monopolistische periode van het kapitalisme (de 19de eeuw-Samir Amin) hebben de Amerikaanse, Aziatische en Arabo-Ottomaanse periferie bijgedragen tot de versnelling van de industrialisering van het centrum door het opslorpen van diens industrieproducten (in ruil voor landbouwproducten – Samir Amin) en de verhoging van de winstvoet. Intussen, sedert het einde van de vorige eeuw, hebben de monopolies, door de uitvoer van kapitaal mogelijk te maken een nieuwe dimensie verschaft aan het wereld-kapitalistisch systeem.’(L’ Imperialisme et le Développement inégal, Editions de Minuit, Parijs, 1976, p.111-112)

In plaats van de geschiedenis van het kapitalisme onder te verdelen in drie vormen, drie regimes van kapitaalsaccumulatie, markeert Wallerstein op de meest oppervlakkige wijze die men zich maar kan indenken de historische ontwikkeling aan de hand van de drie nationale hegemonieën in wereldhandel en politiek.
Deze verstarring van het levende historische proces speelt natuurlijk opnieuw in de kaart van Wallersteins schema. Hoe meer de historische verschillen door allerlei kunstgrepen zijn weggelakt, hoe sterker het geopolitieke raster van Wallerstein in zijn schoenen staat.

Vooraleer we ons verder bezighouden met deze kwestie, moeten we ons echter eerst buigen over de verhouding tussen nationale staat en wereldmarkt.

Voor Wallerstein bestaat het centrum slechts ogenschijnlijk uit onafhankelijke nationale staten en deze bedrieglijke indruk van onafhankelijkheid vormt het voornaamste mechanisme voor de bemanteling van de wereldwijde uitbuitingsverhoudingen. Anderzijds erkent hij de tegenstelling tussen de nationale staat en de internationale economie als ‘het meest elementaire dilemma’ van het historisch kapitalisme:
‘Het historisch kapitalisme functioneerde binnen een wereldeconomie maar niet binnen een wereldstaat. Zoals we hebben gezien werkten structurele vormen van druk elke vorming van een wereldstaat tegen.’(Wallerstein, Historisch kapitalisme, p.55)
Zoals we in de volgende paragraaf zullen zien, moet Wallerstein zich, om de oplossing van deze paradox tot een goed einde te brengen, gedurende twintig bladzijden (in de Nederlandse vertaling) in de meest onmogelijke meanders keren, terwijl de eigenlijke verklaring als wetenschappelijke formule veel minder plaats inneemt dan Wallersteins ellenlange bespiegelingen over de verschillende hegemonieën van het historisch kapitalisme.
De voorwaarde voor het ontstaan van de moderne nationale staat was de ontwikkeling van de nationale markt. De ontwikkeling van de nationale markt was dan weer niets anders dan het proces van arbeidsdeling tussen de steden, dewelke op haar beurt het internationale handelsverkeer tot voorwaarde had.

Aan het uittreksel dienaangaande dat we hierboven uit Marx’ Duitse Ideologie hebben gegeven, zouden we kunnen toevoegen:
Braudel: ‘Aan de moeizame eenwording van de nationale markt is doorgaans een zekere opbloei van de exporthandel voorafgegaan. Hierdoor ben ik geneigd te denken dat de nationale markten zich bij voorkeur moesten ontwikkelen in of vlakbij het centrum van een economische wereld, in de mazen van het kapitalistische net, en dat er een verband bestond tussen hun ontwikkeling en de geografische differentiatie die toenemende internationale arbeidsdeling met zich meebracht. Overigens heeft omgekeerd het gewicht van de nationale markt een rol gespeeld in de ononderbroken strijd van de verschillende gegadigden om de wereldheerschappij …’(Beschaving, Economie en Kapitalisme, dl.III, De tijd van de wereld, p.261)

Wolf: ‘Economisch gezien werd de crisis van het feodalisme opgelost door de ontdekking, de verovering en de verdeling van hulpbronnen die zich buiten de Europese grenzen bevonden. (…) Maar de ‘primitieve accumulatie’ vereiste niet alleen het veroveren van deze hulpbronnen maar ook hun concentratie, organisatie en afzet. Deze verrichtingen overstegen al gauw de mogelijkheden van het individuele koopmansbedrijf, van de koopliedengilde of van enig afzonderlijk orgaan van soldaten of ambtenarendom. Het nastreven (van deze ‘verrichtingen’) werkte het ontstaan van overkoepelende organisaties in de hand dewelke dergelijke expansionistische en commerciële inspanningen konden samenbundelen en de surplus-producerende bevolking kon mobiliseren voor deze doeleinden. Deze overkoepelende organen waren staten gekenmerkt door een hoge graad van gecentraliseerd gezag, om het even of dit (gezag) in de handen was gelegd van een enkele bestuurder en zijn cliëntèle, zoals in Portugal of Spanje, of berustte bij een comité van de heersende oligarchie zoals in de Verenigde Provinciën van de Nederlanden.’ ‘(Europe and the People without History, p.109)

In de formulering van Wolf, die daarom nog niet minder of meer wetenschappelijk is dan deze van Braudel, is de paradox nog meer dan bij Braudel een oorzakelijk verband van natuurnoodzakelijke bepaling geworden. En dit alles in een fractie van de ruimte die Wallersteins woordenkramerij beslaat … die de zaken zodanig compliceert dat de schrijver zichzelf meent te kunnen ontslaan van een inzichtelijke verklaring door de bruuske toegeving dat ‘het elementaire dilemma’ van het kapitalisme de tegenstelling tussen de nationale staat en de wereldeconomie (zie hoger) is, onmiddellijk te laten voorafgaan door een blijk van medelijden met de historicus en de meest triviale uitspraak in de geschiedenis van de moderne maatschappijkritiek:
‘Wanneer de nauwgezette onderzoeker draaierig wordt ten overstaan van deze institutionele maalstroom, kan hij een rechte koers varen wanneer hij voor ogen houdt dat de accumulatoren van kapitaal in het historisch kapitalisme geen hoger doel hadden dan voortgaande accumulatie, en dat de arbeidersmassa’s daarom geen hoger doel konden hebben dan overleven en het verlichten van hun last.’ (p.55)

Men kan zich natuurlijk de vraag stellen waarom Wallerstein, wanneer hij überhaupt de schijn van samenhang wil bewaren, ‘het elementaire dilemma’ van het kapitalisme niet gewoon buiten beschouwing laat. Voor de methode van de Wereldsysteem Analyse is het immers een koud kunstje om fundamentele zaken te verhullen met willekeurige abstractie en empiristische vaagheid.

Met andere woorden: waarom de aarts-omslachtige uiteenzetting die over de tweede helft van het eerste en een groot stuk van het tweede hoofdstuk heen de tegenstelling tussen de ‘ogenschijnlijke onafhankelijkheid’ van de staten en het elementaire dilemma van de moderne samenleving moet opheffen ?

De schuchtere toegeving dat de tegenstelling tussen de nationale staat en de wereldeconomie één van de voornaamste antagonismen (Wallerstein zegt: het voornaamste) komt zeker niet van de hemel gevallen: het is het axioma van waaruit hij straks ‘de omslachtige en vaak paradoxale of tegengestelde posities van de antisysteem bewegingen’ wil afleiden.

Print Friendly, PDF & Email