Intellectuelen en Socialisme

We kijken terug hoe onze stroming doorheen haar geschiedenis bepaalde thema’s aanpakte. Dit kadert in een werk van langere adem om een deel van onze archieven digitaal beschikbaar te maken. We starten met een tekst uit april 1978 geschreven door François Bliki. Het gaat om een tekst die verscheen in nummer 10 van de krant Vonk, de voorloper van de krant die nu onder de naam ‘De Linkse Socialist’ verschijnt. Uiteraard was dit in een andere historische context (voor de val van de Muur, met een sterke socialistische beweging die nog een actieve basis kende, …) waarbij bovendien onze stroming nog de eerste stappen op het politieke terrein aan het zetten was. 

 

De geschiedenis van de arbeidersbeweging laat zien hoe het juist de intellectuelen waren die, nadat ze naar het standpunt van de klassenstrijd van het proletariaat overgegaan waren, kolossale en veelvuldige ervaringen van de arbeiders in deze strijd wetenschappelijk gingen verwerken en van het socialisme een wetenschap maakten. Deze wetenschap noemen we het Wetenschappelijk Socialisme, waarvan vooral Friedrich Engels en Karl Marx de grondleggers zijn.

Met dit wetenschappelijk socialisme als theorie kunnen we nu heel wat gaan doen. Het laat ons toe te begrijpen hoe het systeem van het kapitalisme werkt. “Het Kapitaal” van Marx bijvoorbeeld is feitelijk niets anders dan een ontleden van de wetten die de loop van dit systeem bepalen. Het laat ons ook zien dat dit kapitalisme er niet altijd geweest is. Dat het in de geschiedenis van de mensheid een fase, een periode vertegenwoordigt die door de wetten van de geschiedenis zelf naar een volgende fase evolueert, die dan het socialisme is. Maar het leert ook dat die overgang niet spontaan, vanzelf gebeurt, maar dat daarvoor de omverwerping nodig is van die klasse die er belang bij heeft dat die overgang niet gebeurt, en die als het moet miljoenen mensen laat uitmoorden om hun systeem te laten voortbestaan (denk maar aan Chili, Zuid-Afrika, Vietnam, Spanje, Griekenland, de wereldoorlogen, ….)

Historische taak

Het leert ons verder dat het enige wat die overgang kan verwezenlijken, het gezamenlijk optreden is van de arbeiders als klasse (proletariaat). Het proletariaat heeft dus een geschiedkundige (historische) taak.

In de geschiedenis kunnen we zien dat het proletariaat reeds dikwijls in de mogelijkheid geweest is deze overgang te maken, maar dat dit ten gevolge van bepaalde fouten of omstandigheden niet kon doorgaan. Het bestuderen van deze fouten en de voorwaarden onderzoeken om die in de toekomst te voorkomen, is ook deel van het wetenschappelijk socialisme. Deze wetenschap wordt dus altijd weer aangevuld door de ervaringen in de arbeidersstrijd.

Klassenstrijd

Nu is het echter zo dat in het kapitalisme de wetenschap voor de arbeiders ontoegankelijk is. Om de werken van Marx en Engels en de theorie van het wetenschappelijk socialisme te bestuderen heeft men ten eerste tijd nodig. Als je dan al tijd maakt, dan begin je na een zware week werken nog moeilijk te studeren. Als je tenslotte toch wilt studeren, is de kans dat je begint aan de theorie van het socialisme heel klein, want je wordt langs alle kanten overspoeld met informatie die je aandacht van dit gevaarlijke onderwerp juist moet afhouden. Hier is dus een taak weggelegd voor de intellectuelen in de strijd naar het socialisme. Zij moeten zich deze theorie eigen maken, ze in de strijd, samen met de arbeiders verrijken met de praktijk en op die manier helpen de historische taak van het proletariaat te volbrengen.

Vooraleer een intellectueel tot het socialisme komt, is het echter nodig dat hij zich op het standpunt van de klassenstrijd stelt. Hoewel het steeds ons hoofddoel moet zijn de arbeiders bewust te maken van hun historische taak, kan het dus interessant zijn na te gaan hoe deze intellectuelen voor onze partij kunnen gewonnen worden.

Om dit te onderzoeken, gaan we de methode van het wetenschappelijk socialisme toepassen, namelijk het “historisch materialisme”. We gaan kijken hoe en op welke manier intellectuelen in de loop der geschiedenis tot het socialisme gekomen zijn en ons daarbij afvragen welke maatschappelijke krachten hen zover brachten.

In het begin van de socialistische beweging zagen we een toevloed van de beste intellectuelen. Dit waren mensen die vanuit filosofisch standpunt inzagen dat de enige maatschappijvorm die van de mens een mens kon maken het socialisme is. En dat deze maatschappijvorm alleen door het gezamenlijk optreden van het proletariaat kan bereikt worden. Ze sloten zich dan ook bij deze klasse aan in de socialistische partij om samen met hen daarvoor te strijden.

Onder deze mensen vonden we dus de beste elementen van de intelligentsia, en nog steeds moeten wij deze leiders uit de beginperiode als grote theoretici van onze beweging beschouwen. Maar hoe groter de sociaaldemocratische partijen werden, dus hoe meer arbeiders zich rond deze partijen verenigden, hoe kleiner het aantal intellectuelen werd dat zich aansloot.

Kopen

Om dit te begrijpen moeten we twee zaken bekijken. Ten gevolge van de industriële ontwikkeling vergrootte de arbeidersklasse. Uit deze klasse sloten zich eerst die meest bewuste individuen en later ganse groepen bij de beweging aan. Bij de intellectuelen zagen we juist het tegenovergestelde. Door de economische groei hadden de kapitalisten juist meer intellectuelen nodig. Net zoals de kerk onder het feodalisme (en nu nog) de beste elementen uit alle lagen van de bevolking in haar schoot opnam en op die manier alle kritiek uitschakelde, zo haalde het kapitaal de beste elementen uit alle lagen van de bevolking binnen en betaalde hen enorme lonen.

Om nu tot het tweede element te komen moeten we eerst het volgende begrijpen: een arbeider komt tot het socialisme als een deel van een geheel, als deel van zijn klasse. Hij ziet niet de mogelijkheid om uit deze fase te ontsnappen, ondanks alle fabeltjes die de kapitalisten hem voor ogen willen houden van een sukkelaar die met een beetje geluk aan zijn miserie ontsnapt en een zalig leventje gaat leiden.

Maar juist door deze onmogelijkheid voelt hij zich moreel verbonden met de massa die hem zijn zelfvertrouwen en kracht geeft om zijn historische taak te volbrengen. De intellectueel komt echter tot het socialisme als individu. Hij voelt zich niet verbonden met de arbeidersklasse, heeft dus ook niet dat gevoel van solidariteit, maar juist behoefte om zich te uiten als persoon en dus zijn persoonlijke invloed te doen gelden.

In het begin, toen de arbeiderspartij nog klein was, en dus nog niet zo zeer gestructureerd, kon elke intellectueel, zelfs al was hij maar van het middelmatige soort, zich een persoonlijke positie binnen die partij veroveren, en zich dus als persoon laten gelden. Tegenwoordig echter is deze socialistische partij sterk uitgegroeid, ze is zeer gestructureerd. Ze heeft haar erkende arbeidersleiders, die zo’n autoriteit hebben dat ze bijna historisch geworden zijn. Binnen de partij heerst een sterke discipline (dat moet trouwens, wil ze in staat zijn haar historische taak te vervullen).

Persoonlijkheid

Sluit een intellectueel zich aan, dan gebeurt dit voor een deel ten koste van zijn persoonlijkheid (maar wel ten gunste van de solidariteit met de arbeiders). Door dit alles voelen deze intellectuelen een zekere afkeer voor deze massapartij van de arbeiders, in België dus de BSP.

Nochtans horen we hoe juist tegenwoordig heel wat intellectuelen (vooral studenten) zichzelf socialist noemen.

Hoe komt dit nu?

Wat is een student? Een student vervult geen enkele sociale functie, is niet direct afhankelijk van het kapitaal of de staat. Hij heeft geen enkele verantwoordelijkheid en kan zich dus onafhankelijk een mening vormen van wat goed en slecht is. Zijn geest staat open voor theoretische veralgemeningen. Als er dus een periode is waarin een intellectueel kan gewonnen worden voor het socialisme dan is het wel in deze periode.

Maar ten gevolge van de afkeer die ze hebben t.o.v. de partij van de arbeiders, zien we hoe ze er niet toe komen een marxistische analyse van de klassenstrijd voor het socialisme te maken en hoe ze vervallen in ongeduld. Ze sluiten aan bij anarchistische groepjes die met een bom hier en daar het socialisme tevoorschijn willen toveren (Baader-Meinhof, …). Ofwel gaan ze hun eigen partij oprichten, waar ze hun eigen persoonlijkheid kunnen laten gelden, waarin dus praktisch alleen intellectuelen zitten, wat dan leidt tot meningsverschillen over alles en nog wat, waardoor het tot scheuringen en afsplitsingen komt, om dan weer te proberen te fusioneren. Bij dit alles worden de arbeiders afgeschreven als de “meest antirevolutionaire kracht in de maatschappij”, en meer van dat fraais. Anderen willen, alweer om hun persoonlijkheid te doen gelden, het socialisme gaan herschrijven, waarbij ze dan de domste dingen i.v.m. het socialisme in een boek bij elkaar schrijven. Daar zijn ze dan zo fier op dat ze zichzelf “nieuwe filosofen” gaan noemen.

Anderen vervallen weer in de elementaire vormen van arbeidersstrijd, zoals de collectieven en coöperatieven, waar alle fouten die al wetenschappelijk verklaard zijn, nog eens aan den lijve willen ondervonden worden. Tenslotte zijn er groepjes die één probleem uit de socialistische strijd lichten (vrouwen, onderwijs, …) en trachten daarrond de brede basis te sensibiliseren, terwijl ze niet inzien dat al deze problemen maar tot deeloplossingen kunnen leiden zolang ze niet gekaderd worden in een globale socialistische omvorming van de maatschappij.

We moeten dus vaststellen dat deze mensen zichzelf wel socialist noemen, maar er niet toe komen een juiste analyse te maken.

Wat we dus moeten doen is deze mensen bewust maken van de taak die ze binnen de arbeidersbeweging te vervullen hebben. Dat zij de arbeiders zaken kunnen leren, maar dat ze nog altijd heel veel van de arbeiders zelf moeten leren. De arbeiders hebben uit de dagelijkse strijd heel wat geleerd. Ze hebben altijd weer bewezen dat zij instinctief aanvoelen wat verkeerd gaat in het kapitalisme en hoe ze er moeten tegen strijden. Dit gevoel hebben de intellectuelen niet, doordat zij alleen tot het standpunt van de klassenstrijd kunnen komen door een geestelijke inspanning en niet via de praktijk.

Print Friendly, PDF & Email