Leon Trotski over het ‘plan De Man’ (1934)

Leon Trotski

We publiceren een kritiek die Leon Trotski schreef over het plan van De Man in de jaren 1930 in ons land. Het “plan De Man” was er op gericht om de industrie uit de crisis te halen binnen het kader van het kapitalisme. De maatregelen in dat plan gingen vrij ver met onder meer het voorstel om een groot deel van de economie (waaronder de kredietsector) te nationaliseren en een grotere regulering van het bankwezen. Het plan van De Man verdween van het toneel door de polarisatie in de aanloop naar Wereldoorlog Twee. Zelf eindigde De Man in het Duitse kamp. Trotski adviseerde de Belgische marxisten in 1934 over hun houding tegenover het plan De Man.


Beste kameraden,

Het is wel niet nodig te zeggen, dat ik met de grootste aandacht de bladen, tijdschriften, resoluties, brieven, enz. welke jullie me hebben gestuurd, in de laatste dagen heb ingestudeerd. Dankzij de uitstekende selectie van het materiaal, heb ik de mogelijkheid gehad mij in een vrij korte tijdspanne op de hoogte te brengen van de kwestie in haar geheel en van de meningsverschillen die er omtrent zijn ontstaan in uw organisatie.

Jullie discussie gaat strikt genomen over principes en is wars van elke persoonlijke bitterheid en dat geeft het beste beeld van de algemene geestesgesteldheid van het moreel en politiek peil die in jullie organisatie heersen. Er blijft me over de vurige wens uit te spreken dat deze geest niet alleen bewaard zou blijven en zich zou versterken in de Belgische afdeling, maar dat hij doorslaggevend wordt in al onze afdelingen zonder uitzondering.

De beschouwingen die ik hier onder zal wijden aan de grond van het controversiële vraagstuk hebben niet de pretentie volledig en definitief te zijn. Ik ben verwijderd van het gevechtsterrein. Een zo belangrijke factor als de geestesgesteldheid van de massa’s kan onmogelijk uitsluitend op grond van kranten en documenten worden gevat: het is nodig de polsslag van de arbeidersvergaderingen te meten en dat is mij helaas onmogelijk.

Nochtans, voor zover het gaat om algemene principiële raadgevingen, zijn er misschien voordelen verbonden aan de toestand van een verwijderde waarnemer, want die heeft de mogelijkheid abstractie te maken van de details en zich te concentreren op het belangrijkste.

Laten we de kern van de zaak in ogenschouw nemen.

Voor alles (en naar mijn oordeel is dit het centrale punt) zie ik niet in, om welke reden we zouden gedwongen zijn het ordewoord “de Belgische Werklieden Partij moet de macht nemen” prijs te geven. Toen we voor de eerste keer dat ordewoord lanceerden, gaven wij ons allen duidelijk rekenschap van de aard van de Belgische sociaaldemocratie die niet wil en niet kan strijden, die er zich sinds tientallen jaren aan gewoon gemaakt heeft, de rol te spelen van bourgeoisrem op de locomotief van de arbeidersklasse, die vreest voor de macht buiten een coalitie, want de bourgeoispartner is haar noodzakelijk om de mogelijkheid te hebben de eisen van de arbeiders af te wimpelen.

Wij wisten dat alles reeds. Maar we wisten ook dat niet alleen het kapitalistisch stelsel in zijn geheel, maar ook de parlementaire staatsmachine in een stadium van hevige crisis zijn getreden, welke evenzeer de mogelijkheid van (betrekkelijk) snelle veranderingen van de geestesgesteldheid van de massa’s inhoudt als die van een snelle opeenvolging van parlementaire- en regeringscombinaties.

Indien men in overweging neemt dat de Belgische sociaaldemocratie samen met de reformistische vakbonden de arbeidersklasse beheerst, dat de Belgische afdeling van de Communistische Internationale volslagen niets betekent, dat de revolutionaire vleugel bijzonder zwak is, dan is het helemaal duidelijk dat de hele politieke toestand bij de arbeidersklasse de idee van de sociaaldemocratische regering moet doen ontstaan. Vooraf al oordeelden wij dat de totstandkoming van zo’n regering ongetwijfeld een stap naar voor zou zijn.

Natuurlijk niet in de zin dat de regering Vandervelde, De Man en co in staat zou zijn een vooruitstrevende rol te spelen wat betreft de vervanging van het kapitalisme door het socialisme, maar wel in de zin dat de ervaring van de sociaaldemocratische regering in de gegeven omstandigheden van progressief belang zou zijn voor de vooruitgang van het revolutionair bewustzijn van de arbeidersklasse. Het ordewoord van een sociaaldemocratische regering is zodoende afgewogen niet voor één of andere uitzonderlijke conjunctuur, maar voor een min of meer lange politieke periode.

Wij zouden slechts dit ordewoord mogen verzaken ingeval de sociaaldemocratie, vóór zij aan de macht komt, zou beginnen snel te verzwakken en daarbij haar invloed zou afstaan aan de revolutionaire partij. Maar jammer genoeg is zo’n vooruitzicht vandaag louter theoretisch. Noch de algemene politieke toestand, noch de krachtverhouding binnen de arbeidersklasse rechtvaardigen hoe dan ook de verzaking van het ordewoord: “De macht aan de sociaaldemocraten”

Wat er ook van zij, het is niet het Plan-De Man, pompeus genoemd “Het Plan van de Arbeid” (men zou het juister kunnen noemen: Plan van Bedrog van de Werkers), dat ons zou kunnen aansporen om het centrale politieke ordewoord van de huidige periode te verzaken. Het “Plan van de Arbeid” moet dienst doen als nieuw of vernieuwd instrument van het democratisch-burgerlijk conservatisme of zelfs amper van het semi-democratisch burgerlijk conservatisme. Maar de hele kern van de zaak is gelegen in het feit dat de buitengewone verergering van de toestand, de opdringerige nadering van gevaren die het bestaan zelf van de sociaaldemocratie bedreigen, deze laatste tegen haar zin in dwingen een wapen te grijpen dat naar twee kanten snijdt, hetgeen heel gewaagd is van het oogpunt uit van het democratisch conservatisme.

De dynamische ontwikkeling van het kapitalisme is voorgoed voorbij. Het evenwicht van het parlementair stelsel kraakt en breekt. En tenslotte (het is een schakel van dezelfde keten) gaat het behoudsgezind evenwicht van het reformisme, dat om het bourgeoisstelsel te redden, gedwongen is het publiek te verloochenen, aan het wankelen.

Zo’n toestand houdt grote revolutionaire mogelijkheden en tezelfdertijd gevaren in zich. We moeten het ordewoord “De macht aan de sociaaldemocratie” niet verzaken, maar integendeel aan dit ordewoord een zo strijdvaardig en vlijmscherp mogelijk karakter geven.

Het is wel nodeloos te zeggen binnen onze eigen kring dat er in de agitatie voor dat ordewoord geen zweem van een valse noot mag klinken, niet de minste verhulling, niet de minste verzachting van de contradicties, niet de minste diplomatie noch conventioneel vertrouwen. Laten we de linkse sociaaldemocraten in die zaak afkomen met boter en honig, in de stijl van Spaak. Zoals voorheen zullen wij voor de azijn en de peper zorgen.

In het materiaal dat mij werd opgestuurd vind ik de opinie, dat de arbeidersmassa’s het “Plan van de Arbeid” met een volkomen onverschilligheid beschouwen, dat ze zich in het algemeen in een stadium van terneergeslagenheid bevinden en dat het ordewoord “De macht aan de sociaaldemocraten” slechts van aard is om illusies te doen ontstaan, wat naderhand ontgoocheling teweeg brengt. Zonder mij van hieruit een duidelijk beeld te kunnen vormen van de geestesgesteldheid van de Belgische arbeidersklasse aan de hand van de geestesgesteldheid van haar verschillende groepen en lagen, kan ik me nochtans heel goed de mogelijkheid indenken van een zekere vermoeidheid van haar zenuwstelsel en van een zekere passiviteit bij de arbeiders. Maar allereerst is deze geestestoestand niet definitief: ze zal wel eerder bestaan uit afwachting dan uit wanhoop. Zeker, niemand binnen onze kring denkt dat de Belgische arbeidersklasse voor jaren gevechtsonbekwaam is. Verbitterde, haatdragende en wanhopige geesten, zo vindt men er veel binnen die klasse en ze zoeken een uitweg. Opdat de sociaaldemocratie zou ontsnappen aan de ruïne, is een zekere beweging van de arbeiders noodzakelijk voor de sociaaldemocratie zelf.

Men moet de bourgeoisie verschrikken om ze inschikkelijk te maken. Natuurlijk, de sociaaldemocratie heeft een panische schrik dat de beweging haar boven het hoofd stijgt. Maar daar de Communistische Internationale gewoon onbestaand is en de revolutionaire groepen zwak zijn, verwacht de sociaaldemocratie, onder de recente invloed van de Duitse ervaring, het onmiddellijke gevaar van rechts en niet van links. Zonder deze premissen zou het ordewoord “De macht aan de sociaaldemocratie” in het algemeen geen enkele zin hebben.

Dat het Plan-De Man en de agitatie die er mee gepaard gaat illusies zaaien en in de toekomst ontgoochelingen zullen veroorzaken, dat lijdt geen twijfel, en niemand onder ons mag daar werkelijk aan twijfelen. Maar de sociaaldemocratie, haar invloed op de arbeidersklasse, haar Plan, haar Kerstcongres, haar agitatie zijn objectieve feiten: we kunnen ze niet uit de weg ruimen en we kunnen er niet overheen springen. Onze taak is tweevoudig.

Ten eerste moeten we de meest bewuste arbeiders de politieke zin van het “Plan” uitleggen, dit is in alle etappes de manoeuvres van de sociaaldemocratie ontcijferen.

Ten tweede dienen we een zo breed mogelijke laag van arbeiders reëel aan te tonen dat, voor zover de bourgeoisie de verwezenlijking van het Plan poogt te dwarsbomen, wij hand in hand met hen zullen strijden om ze te helpen bij het doormaken van de ervaring. We zullen met hen alle moeilijkheden van de strijd delen, maar wat we niet zullen delen zijn de illusies die er aan verbonden zijn.

Onze kritiek van de illusies dient evenwel de passiviteit van de arbeiders niet te verhogen, dient haar niet een voorgewende theoretische rechtvaardiging te geven, maar dient in tegendeel de arbeiders vooruit te stuwen. In deze voorwaarden zal de onontkoombare ontgoocheling in verband met het “Plan van de Arbeid” niet betekenen dat de passiviteit verergert, maar wel dat de arbeiders het revolutionaire pad inslaan.

In de komende dagen wil ik een bijzonder artikel wijden aan het Plan zelf. Hier ben ik genoopt me te beperken tot enkele woorden, gezien het uiterst dringend karakter van deze brief.

Voor alles beoordeel ik als onjuist de vergelijking van dat Plan met de economische politiek van het fascisme. De nationalisatie van het krediet en van enkele takken van de zware en energetische nijverheid bevat op zichzelf geen atoom fascisme. Het is zo dat indien het fascisme (vóór de machtsgreep) ordewoorden van nationalisatie lanceert, met het doel te strijden tegen het “hyperkapitalisme”, het doodgewoon gaat plunderen in de fraseologie van het socialistisch program. In het Plan-De Man vinden we (gepaard gaande met het bourgeoiskarakter van de sociaaldemocratie) een programma van staatskapitalisme, hetwelk de sociaaldemocratie weliswaar voorstelt als een begin van socialisme en dat werkelijk zich om kan vormen tot een begin van socialisme: tégen de sociaaldemocratie.

Naar mijn mening dienen we drie punten naar voor te schuiven wat de perken betreft van het economisch programma zelf van het “Plan van de Arbeid”:

a). De afkoping. Als men abstract redeneert, sluit de socialistische revolutie niet alle vormen van afkoping van het kapitalistisch bezit uit. Indertijd sprak Marx zich uit in de zin dat het goed was “zich los te kopen van die bende” (de kapitalisten). Tot de wereldoorlog was dat nog min of meer mogelijk. Maar indien men de huidige ontreddering van het economisch wereldstelsel en het nationaal economisch stelsel en de verarming van de volksmassa’s in overweging neemt, komt de afkoping voor als een onheilzame operatie, die van meet af reeds voor het nieuwe regime ondragelijke lasten met zich mee zou brengen. Zoiets kunnen en moeten we aan het verstand brengen van iedere arbeider, met cijfers ter staving.

b). Naast de onteigening zonder afkoping dienen we het ordewoord te lanceren van arbeiderscontrole. In tegenstelling tot De Man (“Le Mouvement Syndical Belge”, 1933 nr. II, blz. 297), sluiten nationalisatie en arbeiderscontrole elkaar allerminst uit. Zelfs indien de regering aartslinks was en met de beste voornemens bezield, dan nog zouden we voor de arbeiderscontrole op de productie en de handel zijn: we willen niets weten van een bureaucratische leiding van de genationaliseerde industrie; we eisen de directe deelneming, aan de controle en de leiding, van de arbeiders zelf, door middel van de fabriekscomités, de vakbonden, enz. Slechts zo zullen we binnen de kaders van het staatskapitalisme de steunbasissen leggen van de proletarische dictatuur in de economie.

c). Het Plan vertelt niets over het grondbezit als zodanig. Hier is het nodig een ordewoord te hebben dat afgedwongen is voor de landbouwarbeiders en de armste boeren. Ik zal trachten ergens anders afzonderlijk mij uit te spreken over deze complexe kwestie.

Laten we nu overgaan tot de politieke zijde van het Plan. Hier dringen zich heel natuurlijk twee vragen op:

a) De strijdmethodes voor de verwezenlijking van het Plan (in het bijzonder de kwestie van de wettelijkheid of de onwettelijkheid);

b) De houding tegenover de kleine bourgeoisie in de steden en de dorpen.

In zijn programmaredevoering, afgedrukt in het orgaan van de vakbonden, verwerpt De Man categoriek de revolutionaire strijd (algemene staking en opstand). Maar wat kan men anders verwachten van die lui? Welke ook de verschillende voorbehouden en uitvluchten zijn, hoofdzakelijk bestemd om die uilskuikens van linksen te troosten, de officiële positie van de partij blijft er een van parlementair cretinisme. De belangrijkste slagen van de kritiek dienen te worden toegediend tegen die lijn, niet alleen tegen de partij in haar geheel, maar ook tegen haar linkervleugel (zie daarover verder).

Daar deze kant van de kwestie (de strijdmethodes voor de nationalisatie) even scherp en juist wordt beklemtoond door de beide kampen in jullie discussie, lijkt het me nodeloos hier nog verder op in te gaan.

Ik wil nochtans even een “klein” puntje aanstippen. Hoe kunnen zulke mensen ernstig denken aan de revolutionaire strijd, wanneer ze in de grond van hun hart monarchisten blijven? Het is een grote illusie te denken, dat de Koninklijke macht in België een fictie is. Voor eerst kost die “fictie” geld en zou dienen te worden afgeschaft uit economische overwegingen. Maar dat is niet de hoofdzaak. In een tijd van sociale crisis komt het niet zelden voor, dat schimmen plotseling vlees en bloed krijgen.

De rol die we in Duitsland hebben zien spelen door Hindenburg, rol van stijgbeugelriem voor Hitler, zo een rol kan de koning spelen in België, in navolging van en op de manier van zijn Italiaanse collega. Een aantal daden van de koning der Belgen in de laatste periode wijzen duidelijk in die richting.

Wie wil strijden tegen het fascisme, moet beginnen met te strijden voor de afschaffing van de monarchie. Het is onmogelijk de sociaaldemocratie in staat te stellen zich te onttrekken aan dit vraagstuk door middel van allerlei voorbehoud en uitvluchten.

De revolutionaire manier om de strategische en tactische vragen te stellen, betekent evenwel helemaal niet dat onze kritiek niet hoeft door te dringen, bij het achtervolgen van de sociaaldemocratie, tot in haar parlementair schuiloord. Pas in 1936 komen de nieuwe verkiezingen: zolang heeft de kapitalistische reactie, met de honger als bondgenoot, tijd genoeg om de arbeidersklasse de nek om te wringen. Deze kwestie dient in al haar scherpte opgeworpen te worden voor de sociaaldemocratische arbeiders. Om nieuwe verkiezingen te bespoedigen, is er maar één weg: de werking van het huidige parlement onmogelijk te maken door middel van een scherpe oppositie, die zou gaan tot en met parlementaire obstructie.

Vandervelde, De Man en co dienen te worden gelaakt, niet alleen omdat ze geen buitenparlementaire revolutionaire strijd ontwikkelen, maar ook omdat hun parlementaire activiteit in geen enkele mate de voorbereiding, het naderbij brengen en de verwezenlijking van hun eigen “Plan van de Arbeid” dient.

De tegenstrijdigheid en het bedrog op dat gebied zullen wel de dingen zijn die het bevattelijkst zijn voor de gemiddelde sociaaldemocratische arbeider, die nog niet opgeklommen is tot het begrip van de methoden van de proletarische revolutie.

De kwestie van de houding tegenover de middenstand is niet minder belangrijk. Het zou grotesk zijn de reformisten te beschuldigen een gedeelte van de kleine burgerij te willen overhalen en zich hierdoor om zo te zeggen op het spoor van het fascisme te plaatsen. Ook wij willen de kleinburgerij overhalen. Maar: “il y a fagots et fagots”, zoals Molière zei. De kleine winkelier en de arme boer zijn kleine burgers. Maar de leraar, de doorsnee ambtenaar met zijn decoratie, de doorsnee ingenieur zijn ook kleinburgers, tussen hen valt er te kiezen. Het kapitalistisch parlementarisme (en er bestaat trouwens geen ander parlementarisme) heeft ertoe geleid dat die heren advocaten, ambtenaren, journalisten, de gepatenteerde vertegenwoordigers zijn geworden van de ambachtslieden die verhongeren, van de kleine handelaars, de kleine ambtenaars en de halfproletarische boeren. En het financiekapitaal leidt bij de neus of koopt doodgewoon die parlementairen om, die gekomen zijn uit de kringen van advocaten, journalisten en kleinburgerlijke ambtenaren.

Wanneer Vandervelde, De Man en co het hebben over de aantrekkingskracht van het Plan op de kleinburgerij, dan denken ze niet aan de massa’s, maar aan de gepatenteerde “vertegenwoordigers”, dit is de omgekochte agenten van het financiekapitaal. Als wij het hebben over de verovering van de kleinburgerij, dan denken wij aan de ontvoogding van de lagere en uitgebuite bevolkingslagen ten opzichte van hun gepatenteerde politieke verraders. Wegens de wanhopige toestand van de kleinburgerlijke bevolkingslagen, kraken de oude kleinburgerlijke partijen (democraten, katholieken, enz.) in al hun voegen. Het fascisme heeft dat begrepen. Het heeft nooit een bondgenootschap gezocht en het zoekt het nog steeds niet, met de in bankroet verkerende “chefs” van de kleinburgerij, maar ontrukt de massa’s aan hun invloed, dit wil zeggen vervuld op zijn manier, in het belang van de reactie, het werk dat de bolsjewisten in Rusland voltrokken in de belangen van de revolutie.

Zo ziet de kwestie eruit in België. De kleinburgerlijke partijen of de burgerlijke flanken van de partijen van het groot kapitaal zijn veroordeeld te verdwijnen tegelijkertijd met het parlementarisme, dat voor hen de noodzakelijke arena creëert. De hele kwestie is te weten wie de uitgebuite en bedrogen kleinburgerlijke massa’s naar zich toe zal halen: de arbeidersklasse onder revolutionaire leiding of het fascistisch agentschap van het financiekapitaal.

Op dezelfde manier waarop De Man niet wil horen van revolutionaire strijd van de arbeidersklasse en hijzelf een harde oppositiepolitiek in het parlement schuwt, welke zou kunnen uitlopen op een revolutionaire strijd, op dezelfde manier wil hij niks horen van, en vreest hij een echte strijd voor de verovering van de kleinburgerlijke massa’s. Hij begrijpt dat diep in deze laatste een reusachtige voorraad protest, verbittering en haat schuilt, die kan overslaan in revolutionaire passie, in verschrikkelijke “buitensporigheden”, kortom, in revolutie.

Neen, wat De Man betracht dat is parlementaire bondgenoten te winnen, versleten democraten, katholieken, rechtse spitsbroeders, die hem noodzakelijk zijn als steun tegen de revolutionaire “buitensporigheden” van de arbeidersklasse.

Die kant van de kwestie moeten we de reformistische arbeiders weten duidelijk te maken door de dagelijkse ervaring van de feiten. Voor een eng revolutionair verbond van de arbeidersklasse met de uitgebuite kleinburgerlijke massa’s van stad en dorp, maar tegen een regeringscoalitie met de politieke “vertegenwoordigers” en verraders van de kleinburgerij.

Enkele kameraden spreken zich uit in die zin dat het offensief zelf van de sociaaldemocratie met haar “Plan van de Arbeid” de middenstand moet wakker schudden en dat indien het proletariaat passief blijft, het werk van het fascisme vergemakkelijkt wordt. Natuurlijk, indien de arbeidersklasse niet strijdt, zal het fascisme zegevieren. Dit gevaar vloeit evenwel niet voort uit het “Plan”, maar uit de sterke invloed van de sociaaldemocratie en de zwakte van de revolutionaire partij.

De lange deelname van de Duitse sociaaldemocratie in de burgerlijke regering heeft het pad gebaand voor Hitler. De louter passieve onthouding van Blum bij de regeringsdeelname schept eveneens de premissen voor de opgang van het fascisme. En tenslotte indien het offensief wordt uitgeroepen tegen het financiekapitaal, zonder dat daaraan de revolutionaire strijd van de massa’s beantwoordt, zal dit onontkoombaar het werk van het Belgisch fascisme vaart bij zetten. Waar het om gaat, is niet om het “Plan”, maar om de verraderlijke functie van de sociaaldemocratie en de nefaste rol van de Communistische Internationale.

De algemene toestand en in het bijzonder het lot van de Duitse sociaaldemocratie hebben het jonge zusje van deze laatste aangespoord tot een politiek van “nationalisatie”; naast oudere gevaren hebben deze factoren dus nieuwe revolutionaire mogelijkheden geschapen. Het zou een grote fout zijn deze niet te zien… Men moet de vijand weten te verslaan met zijn eigen wapens.

Men kan de nieuwe mogelijkheden alleen benutten op voorwaarde dat men zonder verpozen de aandacht van de arbeiders vestigt op het fascistische gevaar. Om welk plan dan ook te verwezenlijken dient men de arbeidersorganisaties te vrijwaren en te versterken. Bijgevolg dient men in de eerste plaats ze te beschermen tegen de fascistische benden.

Het zou de grootste onzin zijn te hopen, dat de democratische staat, zelfs geregeerd door de sociaaldemocratie, het heil zal brengen tegen het fascisme door dit met decreten te verbieden zich te organiseren en te wapenen enz. Politiebescherming brengt helemaal geen hulp, indien de arbeiders zelf niet leren de fascisten te overmeesteren. De organisatie van de arbeiders verdediging, de oprichting van arbeidersmilities is de eerste en de meest brandende taak. Wie dit ordewoord niet ondersteunt en het niet in de praktijk omzet; verdient de naam niet van proletarische revolutionair.

* * *

Nu dient onze houding tegenover de linkse sociaaldemocraten even te worden besproken. Hier vooral wil ik niets definitiefs verkondigen, want ik heb niet de gelegenheid gehad de evolutie van deze groep tot op heden te volgen. Maar wat ik in de laatste dagen heb gelezen (een reeks artikels van Spaak, zijn redevoering op het partijcongres, enz.) heeft op mij een ongunstige indruk gemaakt.

Wanneer Spaak de aard van het verband tussen wettelijke en onwettelijke strijd wil bepalen, citeert hij als autoriteit… Otto Bauer, dit is de theoreticus van de legale en illegale onmacht. “Zeg me met wie je omgaat en ik zal zeggen wie je bent.” Maar laten we het domein van de theorie verlaten om over te gaan tot de actuele politieke kwesties.

Spaak heeft als basis voor een campagne het Plan-De Man aanvaard en hij heeft er voor gestemd, zonder enig voorbehoud. Men kan zeggen dat Spaak aan Vandervelde en co de mogelijkheid niet heeft willen schenken om nu de zaak tot een scheuring te leiden, dit is om de zwakke, nog niet georganiseerde linkervleugel uit de partij te gooien; Spaak is achteruitgegaan om beter zijn aanloop te kunnen nemen. Dit zijn althans misschien de intenties van Spaak, maar een politicus wordt beoordeeld niet naar zijn intenties maar naar zijn daden.

De behoedzame houding van Spaak op het congres, zijn verbintenis om resoluut te strijden voor de verwezenlijking van het Plan, zijn verklaring over het naleven van de discipline, dat alles zou op zichzelf begrijpelijk zijn indien men de plaats van de Linkse Oppositie in de partij in overweging neemt.

Maar Spaak is verder gegaan, hij heeft uiting gegeven van zijn moreel vertrouwen in Vandervelde en van zijn politieke solidariteit met De Man, niet alleen wat de abstracte doeleinden van het Plan betreft maar ook wat de concrete strijdmethoden betreft.

De woorden van Spaak zijn bijzonder onaanvaardbaar als hij zegt, dat we niet kunnen eisen van de partijleiders dat ze openlijk praten over hun actieplannen, van hun krachten enz. Waarom mogen wij dat niet? Om redenen van samenzwering? Maar indien er in de geest van Vandervelde en De Man samenzwering heerst, dan is dat niet om aan de kant te staan van de revolutionaire arbeiders tegen de burgerij, maar aan de kant van de politici van de Koning tegen de arbeiders. En trouwens, niemand verwacht dat samenzweringsgeheimen op een congres worden publiek gemaakt. Wat daar moet worden bekend gemaakt, is het algemeen plan van mobilisatie van de massa’s en van de strijdperspectieven.

Door zijn verklaring heeft Spaak Vandervelde en De Man rechtstreeks geholpen om zich te onttrekken aan het antwoord op de belangrijkste strategische kwesties. Hier kan terecht reeds worden gesproken van samenzwering van de oppositieleiders met de leiders van de meerderheid tegen de revolutionaire arbeiders.

Wat zijn fout nog verergert is dat Spaak ook de “jonge socialistische wacht” meegesleurd heeft op het pad van de centristische lichtgelovigheid.

De federatie Brussel heeft op het congres een “linkse” resolutie naar voor gebracht over de grondwettelijke en de revolutionaire strijd. Die resolutie is zeer zwak. Ze is van juridische en niet van politieke aard. Ze is geschreven door een advocaat, niet door een revolutionair (“indien de burgerij de grondwet verkracht, dan zullen wij…”). In plaats van ernstig de kwestie van de voorbereiding van de revolutionaire strijd te berde te brengen, brengt deze “linkse” resolutie een literaire bedreiging aan het adres van de burgerij. Maar wat heeft er zich afgespeeld op het congres?

De Man heeft holle verklaringen afgelegd: zoals bekend, oordeelt hij dat de revolutionaire strijd een verderfelijke mythe is. Daarop trok de federatie Brussel gewillig haar resolutie in. Mensen die zich zo gemakkelijk tevreden stellen met holle en leugenachtige frasen, kunnen niet beschouwd worden als ernstige revolutionairen. De straf liet trouwens niet op zich wachten.

‘s Anderendaags bracht “Le Peuple” commentaar uit op de congresresolutie in de zin van dat de partij zich strikt zal hechten aan de grondwettelijke kaders, dit is dat ze zou “strijden” binnen de perken die het financiekapitaal, met de hulp van de Koning, de rechtbanken en de politie zal opleggen. Het orgaan van de linksen “L’Action Socialiste”, brak daarop letterlijk in snikken uit: gisteren nog waren ze het “allen” eens over de resolutie van Brussel; waarom moet dan vandaag…? Wat een belachelijke lamentatie: “Gisteren” heeft men de linksen bedrogen om ze aan te sporen de resolutie in te trekken. Maar “vandaag” hebben de oude slimme rotten van bureaucraten een knip met de vingers gegeven vlak voor de neus van de onfortuinlijke oppositie.

Die heeft het verdiend. Het is altijd dat het geschiedt. Maar dat zijn nog maar de bloemen: de vruchten zijn voor later.

Het is niet de eerste keer dat de sociaaldemocratische Oppositie een buitengewoon linkse kritiek heeft ontwikkeld, zolang haar dat niet tot iets ernstigs verbond. Maar als de beslissende uren kwamen (massastakingsbeweging, oorlogsgevaar, dreigende staatsgreep, enz.), dan liet die oppositie onmiddellijk de vlag neer, gaf een nieuw vertrouwenskrediet aan de met schande beladen chefs en toonde aldus aan dat ze vleselijk van hetzelfde reformistische lichaam deel uitmaakte.

Dit is nu de eerste ernstige vuurproef welke de oppositie in de Belgische sociaaldemocratie moet doormaken. We zijn wel verplicht te zeggen dat ze al van de eerste keer flink uitgegleden is. We moeten nauwlettend en zonder vooroordeel, haar volgende schreden nagaan, zonder te overdrijven in de kritiek, zonder verloren te lopen in een zinloos geschreeuw over “sociaalfascisme”, maar ook zonder ons de minste illusies te maken over het werkelijke theoretische en strijdbaarheidgehalte van die groepering. Om de beste elementen uit de linkse oppositie te helpen vooruit te gaan, dienen we openlijk uit te drukken hoe het er mee staat.

* * *

Ik werk deze brief spoedig af opdat zij nog vóór de conferentie van 14 januari jullie mogen bereiken. Vandaar zekere lacunes en een onvoldoende systematisering van de uiteenzetting.

Tot besluit ben ik zo vrij uiting te geven aan mijn vurige overtuiging dat jullie gedachtewisseling moge eindigen op een eenparig besluit, die de volledige eenheid van actie zal verzekeren.

De hele toestand bereidt voor de volgende periode een ernstige vergroting van jullie organisatie voor. Indien de leiders van de oppositie in de sociaaldemocratie definitief capituleren, dan berust de leiding van de revolutionaire vleugel van de arbeidersklasse helemaal op jullie schouders.

Indien daarentegen de linkervleugel van de reformistische partij vooruitgaat, in de richting van het marxisme, zullen jullie in haar een bondgenoot vinden voor de strijd en een brug om de massa’s te bereiken.

Op voorwaarde dat jullie een duidelijke en eenparige politiek hebben, is jullie bijval helemaal verzekerd. Leve de Belgische afdeling der leninistische bolsjewisten!

Print Friendly, PDF & Email