De bittere erfenis van Thatcher

In 1979 werd een van de meest opmerkelijke figuren uit de Britse politieke geschiedenis premier. Gedurende meer dan 10 jaar ging Margaret Thatcher over tot harde aanvallen op de arbeidersklasse waarbij het leven van miljoenen mensen werd aangepakt. Ze botste op massale en militante strijd van onder meer de mijnwerkers en de drukkers maar ook de gemeenteraad van Liverpool. Uiteindelijk werd de beweging met 18 miljoen mensen die hun Poll Tax weigerden te betalen haar ondergang. Maar het beleid van Thatcher werd nadien verdergezet, ook door New Labour. Dit licht ingekorte dossier door PETER TAAFFE uit 2009 brengt een analyse van de periode onder Thatcher.

Op de 30ste verjaardag van het begin van haar eerste termijn (4 mei 1979) werd het beleid van Margaret Thatcher – de meeste gehate naoorlogse persoon in Groot-Brittannië – aandachtig onder het vergrootglas gehouden. Zoals te verwachten is in de gevestigde media, was er vooral aandacht voor haar persoonlijkheid. De meeste analyses hebben het over wie Thatcher was en de psychologische ‘afwijkingen’, waarbij ook de breed gedragen afkeer tegenover Thatcher en alles waar ze voor stond tot uiting komt. Zelfs de mediacommentatoren die eerder uit de middenklasse komen, vervoegen de miljoenen gewone werkende Britten in hun afkeer. Zo verwees The Observer Review naar rockster Elvis Costello die in 1988 live op BBC2 verklaarde dat hij lang genoeg hoopte te leven om op haar graf te dansen. “Ze heeft geen ziel”, verklaarde Costello. “Ze zal branden in de hel.” Het leidde tot lezersbrieven aan The Observer waarbij iemand uit de vroegere mijnwerkersgemeenschap van Durham voorstelde om bij de dood van Thatcher geen grafsteen maar een dansvloer te installeren, Costello was immers niet de enige die op haar graf wou dansen.

Thatcher was anders dan de vertegenwoordigers van het Britse kapitalisme die haar vooraf gingen als partijleider van de Tories. Doorgaans beheerden de conservatieve premiers na de Tweede Oorlog de ‘naoorlogse consensus’ waarbij de regering en de heersende klasse een harde confrontatie met de georganiseerde arbeidersbeweging vermeden. In de zogenaamde ‘Whig traditie’ ontwikkelden de conservatieve kopstukken de bijzonder kunstvorm van het Britse staatsmanschap waarbij wat werd meegegaan met de klassenbewegingen en sociale ontwikkelingen. Het kwam hen goed van pas in de naoorlogse periode van economische groei waarin de leiding van de arbeidersbeweging mee in bad werd getrokken, onder meer door een deel van de groeiende koek ‘te verdelen’. Maar het trage en weinig eervolle verval van Groot-Brittannië werd enkel wat toegedekt tijdens de economische groei. Toen de groei begon te sputteren, was een confrontatie tussen de klassen onvermijdelijk. Dit begon in de jaren 1960 maar het werd intensiever in de jaren 1970 en 1980.

Heath verliest tegen de mijnwerkers

De regering-Heath kwam in 1970 aan de macht na het falen van de Labour-regering van Harold Wilson tussen 1964 en 1970 om de neergang van het Britse kapitalisme te stoppen. Uiteraard werd dat falen afgewenteld op de arbeidersklasse. Edward Heath was zelf geen aristocraat maar van bescheiden afkomst. Maar hij stond wel in dezelfde politieke traditie als zijn conservatieve voorgangers. Hij bedreigde de arbeidersbeweging en stelde dat zijn regering iedere ‘algemene staking’ zou uitzitten en een nederlaag toebrengen. Toen zijn regering in 1972 en 1974 de confrontatie met de mijnwerkers aanging, verloor ze telkens. De laatste staking leidde tot een driedaagse werkweek in de mijnen en de nederlaag van Heath in de verkiezingen van februari 1974.

Het was nooit gezien dat een syndicaal conflict leidde tot algemene verkiezingen en een nederlaag voor de conservatieven. Deze ontwikkeling had een enorm effect op de strategen van het Britse kapitalisme. Heath gokte op verkiezingen rond het thema: ‘Wie heeft het voor het zeggen, de regering of de mijnwerkers’. Hij verloor. De volledige arbeidersbeweging mobiliseerde zich achter de mijnwerkers en het waren de eerste verkiezingen waarin Militant, en vooral onze leden in de Labour Party Young Socialists (LPYS), een belangrijke rol speelde. Zo trokken meer dan 400 LPYS-leden naar Bristol South-East om de zetel van Tony Benn te verdedigen. Het zorgde er mee voor dat Benn een overwinning haalde. Wilson werd na de verkiezingen van februari premier van een minderheidsregering. Hij moest vertrekken na een tweede parlementsverkiezing dat jaar in oktober waarin Labour een kleine meerderheid haalde.

De heersende klasse begon zich voor te bereiden om in de toekomst wraak te nemen op de arbeidersbeweging. Heath werd zonder veel eerbetuigingen aan de kant gezet om begin 1975 plaats te maken voor Thatcher. Die was voorheen een eerder onbeduidende figuur in de regering van Heath. Ze had al enige afkeer onder de arbeidersbeweging opgewekt met haar beslissing om als onderwijsminister de gratis melk voor kinderen af te schaffen. Dat ze partijleider van de Tories werd, was geen toeval. Friedrich Engels, naast Marx een van de grondleggers van het wetenschappelijk socialisme, stelde dat ieder tijdperk de personaliteiten naar voor brengt die door de objectieve omstandigheden vereist zijn. Als ze niet in een uitgewerkte vorm bestaan, dan worden ze ‘uitgevonden’. Thatcher had niet de scrupules of de twijfels van de aristocratische Tory-leiders uit het verleden. Ze was het brutale gezicht van het Britse kapitalisme dat op dat ogenblik door de situatie vereist was. Ze polariseerde niet alleen de samenleving, maar ook de conservatieve partij zelf.

De verdeeldheid tussen de hardliners rond Thatcher en de zachtgekookte eitjes rond Heath, had niet zozeer te maken met een confrontatie van persoonlijkheden maar was gebaseerd op de vraag hoe de arbeidersbeweging zou aangepakt worden nadat deze de regering van Heath een nederlaag had toegebracht. De zachtere elementen vreesden terecht dat Thatcher en haar regering een klassenconfrontatie zouden uitlokken die zelfs het kapitalisme op zich in vraag zou stellen. Ze bleven kritisch tegenover Thatcher gedurende zowat heel haar ambtstermijn, maar zolang de regering succesvol bleek te zijn bleven de critici stil. Het doet wat denken aan de stilte onder het Republikeinse establishment in de VS toen Bush ondanks alle evidente leugens een oorlog in Irak begon.

De gevolgen van het bewind van Thatcher blijken uit de huidige wereldwijde en Britse economische ramp, een gevolg van haar heerschappij. De periode van Thatcher heeft enorme vernielingen aangericht, onder meer in de vorm van een bijzonder zwakke industriële basis voor het Britse kapitalisme. Aangevuurd door de slecht verteerbare ideeën van de hard rechtse Oostenrijkse econoom Friedrich Hayek en het messiaanse monetarisme van haar ‘gekke monnik’ Sir Keith Joseph, zette Thatcher een nieuwe koers in. Ze kon scoren op basis van het falen van de Labour-regering onder James Callaghan. Deze regering probeerde over te gaan tot een scherpere confrontatie met de vakbonden en besteedde daar meer aandacht aan dan aan de moeilijke economische situatie die ontwikkelde. Het leidde tot de zogenaamde ‘winter van ongenoegen’. De stakingen van voornamelijk erg slecht betaalde arbeiders werd de grond ingeboord door de gevestigde media, de conservatieven en zelfs de Labour-regering die het afdeed als een staking van de ‘vuile jobs’. Callaghan schoof nadien de verantwoordelijkheid voor zijn nederlaag af op het gebrek aan loyaliteit en de inhaligheid van de vakbonden. Zelfs de radicale feministe Germaine Greer stelde in haar analyse van Thatcher dat de “macht van de elitaire vakbonden” een factor was in de val van Callaghan en de triomf van Thatcher.

De winter van ongenoegen

De vakbonden die een rol speelden in de winter van ongenoegen waren nochtans allesbehalve elitair, ze vertegenwoordigden de meest uitgebuite en onderdrukte lagen. Militant waarschuwde in oktober 1978: “Vroeger of later zullen de strategen van het kapitaal concluderen dat de Labour-regering haar rol volledig gespeeld heeft. Alleszins zal de regering indien ze het huidige beleid verder zet, zeker indien het ingaat tegen steeds meer delen van de arbeidersklasse die opkomen voor een degelijke levensstandaard, haar eigen nederlaag bij de komende verkiezingen garanderen.” Deze profetische woorden werden jammer genoeg bevestigd door de verkiezingen van mei 1979.

Militant waarschuwde ook dat Thatcher “uiteindelijk een offensief tegen de arbeidersklasse en haar organisaties zou voeren. Ridley bevestigt dit.” Ridley was de conservatieve schaduwminister die een blauwdruk voor een confrontatie met de vakbonden had voorbereid. Hij schreef: “in het eerste of tweede jaar na de verkiezingsoverwinning van de Tories kan er een groot conflict komen met een vakbonden, rond looneisen of afdankingen.” Ridley dacht dat het van de mijnwerkers zou komen en stelde daarom voor: “A: uitbouw van een maximale voorraad steenkool, zeker in de energiecentrales; B: opmaken van plannen om steenkool te importeren; C: aanmoedigen van het aanwerven van transporteurs die niet syndicaal georganiseerd zijn; D: invoeren van een dubbele energiebron, zowel steenkool als olie in alle energiecentrales.” De rechtse conservatieve parlementair Ronald Bell gaf meteen de toekomstige rol van de conservatieven aan: “Het breken van stakingen moet de meest eerbare taak van al worden.”

De winter van ongenoegen creëerde alle klassenhaat die kenmerkend zou worden voor de periode onder Thatcher. Zo werden patiënten in het ziekenhuis van Reading bijvoorbeeld gevraagd of ze syndicalisten waren. Wie positief antwoordde, werd behandeling geweigerd. We stelden destijds in Militant: “De eis van een leefbaar inkomen wordt door de kapitalisten als verraad beschouwd.” De regering van Callaghan liep vast en was niet in staat om de wil van de kapitalisten aan de bijna opstandige arbeidersbeweging op te leggen. Er kwamen geruchten van een splitsing in de Labour Party – toen aan basis nog een arbeiderspartij zelfs indien de leiding steeds openlijker pro-kapitalistisch was – en de vorming van een regering van nationale eenheid. Een toenmalige linkse parlementair van Labour, wijlen Stan Thorne, onthulde dat een aantal rechtse Labour-parlementsleden betrokken waren in gesprekken met Liberalen en Tories over het organiseren van een splitsing in Labour om een nieuwe regering van nationale eenheid te vormen, net zoals dit eerder werd gedaan door Ramsay Macdonald in 1931.

Van de plannen in de Jaren 1970 kwam niets in huis omdat de kapitalisten dachten dat de volgende verkiezingen hen een regering zou opleveren die stevig onder controle was. Het zou bovendien een regering zijn die de arbeidersklasse zou confronteren. Militant schreef: “Een regering-Thatcher zou erger zijn dan de gehate regering-Heath die door de vakbonden aan de kant werd geschoven met de economische chaos van een driedagenweek. De Tories willen dat de staat de vakbonden aanpakt, vliegende piketten verbiedt, de eenheid van closed shops [met verplicht vakbondslidmaatschap] breekt en regels oplegt voor vakbondsverkiezingen als voorwaarde om door de regering erkend te worden.”

De aanval wordt voorbereid

Hiermee legde Militant op voorhand uit wat het programma van Thatcher was voor de verkiezingen van 1979 en hoe het kabinet daarna zou handelen. Maar voor de verkiezingen deed Thatcher er nog alles aan om haar ware bedoelingen te verbergen, de voorbereidingen voor de confrontatiepolitiek gebeurden achter de schermen. Toen ze net verkozen was als premier en Downing Street 10 betrad, verwees Thatcher nog naar Franciscus van Assisi om te benadrukken dat de tekorten moesten aangepakt worden. De eerste begroting omvatte beperkte belastingvoordelen voor de gewone werkenden, voordelen die door de inflatie op een paar maanden tijd teniet zouden gedaan worden. De BTW werd verhoogd tot 15% en de Tories maakten zich op voor harde aanvallen op de levensstandaard van de werkende bevolking.

De rechterzijde van de Labour Party had de basis gelegd voor Thatcher. Dat gebeurde zowel door het falen om de problemen van de werkende bevolking aan te pakken, maar tegelijk ook door zich te richten tegen de linkerzijde en vooral tegen Militant. Twee premiers van Labour – Wilson die in 1976 ontslag nam en Callaghan die overnam – begonnen een aanval op Militant in een generale repetitie van de aanval die nadien door Labour-leider Neil Kinnock en zijn bondgenoten in de jaren 1980 zou uitgevoerd worden. Callaghan verklaarde op televisie: “Wij [de leiders van Labour] hebben politieke vorming genegeerd. We hebben toegelaten dat dit in handen van de Militant-groep valt. Zij doen meer vorming dan gelijk wie anders.”

De rechterzijde van Labour dacht jongeren en werkenden te vormen door hen aanvallen op hun levensstandaard te laten aanvaarden. De rechterzijde in de partij, de Manifesto Group, verklaarde aan de vooravond van de verkiezingen van 1979 dat Labour “de partij van een permanent inkomstenbeleid moest worden.” Dat was codetaal voor het beperken van de lonen terwijl de rijken rijker werden. De rechterzijde begon een bijna permanente oorlog tegen de linkerzijde. De belangrijkste rechtse figuren, zoals David Owen en Roy Jenkins, dreigden met een afsplitsing die uiteindelijk ook zou plaatsvinden in de vorm van de Social Democratic Party (SDP). Deze formatie zou nadien verdwijnen en samengaan met de Liberals om samen de Liberal Democrats te vormen. Deze rechterzijde vormde de eerste linie van de kapitalistische poging om de linkerzijde uit de partij te zetten. In januari 1980 stelde The Times, toen nog het huisorgaan van het Britse kapitalisme, dat er acties tegen Militant moesten ondernomen worden. De krant titelde: “Tijd voor een zuivering”.

Tegelijk zorgde het voorspelde offensief van regering en patronaat tegen de arbeidersklasse, samen met een opmars van werkloosheid, tot een sterk verzet van de arbeidersklasse tegen Thatcher. Dit bleek onder meer met de 140.000 aanwezigen op een vakbondsbetoging in Londen in maart 1980. In deze delegatie was er een opmerkelijke aanwezigheid van aanhangers van Militant en vooral van de LPYS die “applaus kregen toen ze op Trafalgar Square aankwamen terwijl ze de Internationale zongen.” The Times had het toen over een “onomkeerbare neergang” van het Britse kapitalisme.

De sfeer begon rijp te worden voor een vakbondsoproep voor een algemene 24-urenstaking. Dit voorstel werd nadien afgezwakt tot een ‘actiedag’. Maar op 14 mei 1980 was er toch een massale betoging van arbeidersverzet tegen de conservatieve regering. Dit werd in november 1980 gevolgd door een historische betoging van Labour met 150.000 aanwezigen. Het ging om een betoging in Liverpool tegen werkloosheid. Er volgden massale betogingen in Glasgow, Cardiff, Birmingham en Londen. Voor het eerst sinds generaties had Labour eindelijk een initiatief genomen om werkenden in actie te mobiliseren. De regionale betogingen kwamen er onder meer door de voorstellen van de jongerenorganisatie LPYS, toen onder leiding van Militant.

De krachtsverhouding was van die aard dat de regering verplicht was om de harde confrontatie met de arbeidersbeweging tijdelijk uit te stellen. Dit bleek in de mijnsector in 1981. De dreiging om over te gaan tot een massale golf van sluitingen van mijnen leidde tot een onmiddellijke stakingsdreiging in South Wales. De regering raakte in paniek en Thatcher werd voor het eerst tot een vernederende terugtocht gedwongen. Militant waarschuwde echter: “De mijnwerkers toonden wat er mogelijk is door stoutmoedige en vastberaden acties. Maar als we de Tories laten doen, zullen ze terugkomen met nieuwe aanvallen op de rechten van werkenden en op onze levensstandaard.” Dit was wat er ook in 1925 was gebeurd toen de kapitalisten geconfronteerd werden met verzet van de mijnwerkers en zich terugtrokken, wat tijd gaf om de algemene staking van 1926 voor te bereiden. De vakbondsleiding was in 1981 niet zo vooruitziend en aanvaardde de situatie zonder ernstige voorbereiding op toekomstige strijd. De mijnwerkers zouden daar een zware prijs voor betalen. Thatcher en co bouwden een enorme voorraad steenkool op, stoomden de politie klaar en bereidden ook nieuwe wetten voor om de mijnwerkers een slag toe te brengen.

Rampzalige desindustrialisering

Er was politieke onrust in Groot-Brittannië op dat ogenblik. Dit bedreigde zelfs de regering. Er waren rellen in Bristol, Liverpool, Londen en andere arbeidersbuurten in de steden. De klassenpolarisering ontwikkelde met een nooit geziene snelheid en het zorgde er onder meer voor dat marxistische ideeën populair werden, wat tot uiting kwam in de snelle groei van Militant. De regering-Thatcher bleef onverkort het waanzinnige beleid van het monetarisme volgen. De inflatie werd uit het systeem gehaald en de geldtoevoer werd beperkt. Dit leidde tot de sluiting van tal van bedrijven. Het maakte de economische crisis in Groot-Brittannië en de rest van de wereld enkel erger.

Het was deze periode die de rampzalige economische neergang van de Britse industrie versnelde. Er was voorheen al een neergang, maar onder Thatcher kwam alles in een stroomversnelling. Thatcher en het Britse kapitalisme waren zo bang van de industriële arbeidersklasse dat ze positief stonden tegenover een desindustrialisering. De industriële productie stortte in elkaar met een daling van 30% tussen 1978 en 1983. De werkloosheid liep op tot 3,6 miljoen mensen. Het Britse kapitalisme werd een kleine speler op industrieel vlak.

De huidige economische crisis heeft dit proces nog versterkt en leidt tot een gevoel van wanhoop onder de kapitalistische economen als het over de Britse industrie gaat en de toekomst ervan. Wij waarschuwden destijds consistent dat een vervanging van de industrie door een casino-economie van financiewezen, banken,… uiteindelijk rampzalig zou zijn voor het Britse kapitalisme en de Britse bevolking.

Dit werd schijnbaar tegengesproken door een combinatie van factoren waardoor Thatcher erin slaagde om haar eerste regering overeind te houden. De belangrijkste reden hiervoor was de laffe opstelling van de rechtse vakbondsleiding die weigerde om beslissende acties te ondernemen, onder meer toen harde antivakbondswetten werden doorgevoerd. Zwakheid zet aan tot agressie. De aarzelingen, twijfel en openlijke lafheid waren de kenmerken van de rechterzijde van de vakbondsleiding. Dat is vandaag overigens nog het geval. Het versterkte de positie van de conservatieven. Thatcher werd uiteindelijk gered door de oorlog in de Falklands. Thatcher kwam in deze oorlog dicht bij een ramp, maar haar kansen keerden toen ze erin slaagde om de nog minder populaire en instabiele Argentijnse dictatuur van generaal Galtieri in 1982 een nederlaag toe te brengen. Het liet haar toe om de volledige steun van de patriottische pers achter zich te krijgen, met de krant ‘The Sun’ voorop. De burgerlijke media deden alsof de oude koloniale ‘glorie’ van Groot-Brittannië nooit was verdwenen.

De mijnwerkers en Liverpool

De Falklands-oorlog legden de basis voor een nieuwe verkiezingsoverwinning van Thatcher in 1983. De conservatieven werden versterkt door de zwakheid van Labour, nu onder leiding van de weinig doeltreffende ‘linkse’ Michael Foot. Die was zogezegd links maar aarzelde niet om de uitsluiting van de vijf leden van de redactie van Militant door te voeren. Er was ook een zeker economisch herstel na de crisis van 1979-81. Hierdoor konden de conservatieven verwijzen naar de belofte van ‘economische glorie’ nadat eerder militaire ‘glorie’ was bekomen in de Falklands-oorlog. Het sterkte Thatcher voldoende om de oorlog tegen de mijnwerkers verder te zetten. We gingen eerder al uitgebreid in op die mijnwerkersstaking en dus moeten we dit hier niet herhalen. Maar de vakbondsleider Arthur Scargill had ongetwijfeld gelijk toen hij recent in The Guardian schreef dat het resultaat van de staking niet op voorhand vast lag. De regering-Thatcher stond vlak voor het einde van de staking op het punt om te capituleren.

De rechterzijde binnen de vakbonden en zeker binnen Labour met het enorme verraad van partijleider Kinnock speelden een beslissende rol in de nederlaag van de mijnwerkers. Kinnock en de rest van zijn gezin werden als gevolg van zijn rol in de Britse en de Europese politiek multimiljonair. De mijnwerkers en hun gezinnen zagen hun gemeenschap en toekomst verwoest worden. De mijnwerkersstaking is een van de meest glorierijke episodes uit de Britse arbeidersgeschiedenis. Het toonde tegelijk echter ook de rampzalige rol van de rechtse vakbondsleiders en de Labourleiding.

Kinnock en andere Labour-leiders speelden een gelijkaardige laffe rol in de strijd in Liverpool tussen 1983 en 1987. Een socialistisch gemeentebestuur was er begonnen met de omvorming van het leven van de mensen in de stad en ze bereikten iets wat noch Galtieri noch Kinnock ooit was gelukt, met name Thatcher een nederlaag toebrengen. Dat gebeurde in 1984. Maar het leidde tot een bijzonder scherpe vijandigheid van Kinnock en zijn entourage.

In 1985 zou Kinnock een duidelijke leugen aangrijpen om zich op de partijconferentie van Labour tegen Militant te richten. Toen het socialistische stadsbestuur van Liverpool overging tot een formele aankondiging van afdankingen onder het gemeentepersoneel – een tactische zet waarvan meteen duidelijk werd gemaakt dat het niet de bedoeling was om dit effectief door te voeren, maar slechts bedoeld was om tijd te winnen – stelde Kinnock: “Nu heb ik ze.” In plaats van de solidariteit te organiseren met het stadsbestuur dat het leven en de omstandigheden van duizenden arbeiders in Liverpool begon te verbeteren, gebruikten Kinnock en co een leugen om het bestuur een mes in de rug te steken. Zonder enig bewijs begon Roy Hattersley, een medestander van Kinnock, te spreken over “corruptie”. Dezelfde Hattersley en Kinnock blonken nadien uit in stilzwijgen toen parlementsleden van Labour onder vuur lagen door schandalen met hun parlementaire uitgaven en onkosten.

Thatcher vond op dat ogenblik enige politieke steun in de economische veranderingen die in Groot-Brittannië en de rest van de wereld werden doorgevoerd. De neoliberale economie, gekenmerkt door de ontwikkeling van nieuwe technologie, begon vorm te krijgen. Thatcher gebruikte de beperkingen van de zogenaamde ‘gemengde economie’ om het idee van privatiseringen, waar ze overigens zelf pas een late bekeerling van was, te promoten. Het vormde de basis van wat Germaine Greer in een opiniestuk de ‘revolutie van Thatcher’ noemde, in feite een contrarevolutie.

De arbeidersbeweging stond ideologisch onder rechtse dominantie en was niet voorbereid op het offensief van Thatcher. De halfslachtige positie van de gemengde economie, met een bureaucratisch beheerde staatskapitalistische sector in overheidshanden terwijl het grootste deel van de economie in handen van de private kapitalisten was, zat in een doodlopend straatje. Thatcher en de rechtse ideologen waar ze zich op baseerde, waaronder Milton Friedman, leken een nieuw vertrekpunt na het falen van het gediscrediteerd Keynesiaanse model aan te bieden. De uitverkoop van de sociale huisvesting en de verkoop van de winstgevende delen van de overheidssector (wat de voormalige conservatieve leider Harold Macmillan omschreef als de ‘familiejuwelen’) volgde al gauw. Het leidde tot enthousiasme en snel stijgende beurzen, niet alleen in Groot-Brittannië maar ook in de rest van de wereld waar het ‘experiment’ van Thatcher werd gezien als het prototype van een nieuw kapitalistisch eldorado. Dat was het voor sommigen ook effectief, de winsten van de kapitalisten namen pijlsnel toe en het financiële centrum van de City of London genoot van de nieuwe orgie van financialisering.

Wij waarschuwden dat dit in bittere tranen zou eindigen, niet alleen voor de arbeidersklasse maar ook voor het kapitalisme zelf. We beantwoordden Thatcher ideologisch, maar ze werd nadien ook in de praktijk van antwoord gediend door de huidige economische crisis. Volgens Thatcher was de combinatie van olie-inkomsten uit de Noordzee, samen met de ‘expertise’ van de dienstensector onder leiding van de banken en de financiële instellingen van de City het antwoord op de achterhaalde theorie van een industriële basis. Vandaag is het onmogelijk om niet te zien dat de ideologie van Thatcher zowel indirect als direct achterhaald is. Elk onderdeel van de Thatcheriaanse ideologie heeft gefaald. De beruchte leugen van de ‘huiseigenaarsdemocratie’ ligt in scherven door de toename van de dakloosheid, de opmars van krotwoningen, de uithuiszettingen en de ondraaglijke schuldenlast die de norm is geworden voor miljoenen mensen. De huizenbouw staat op het laagste niveau sinds 1924 en vijf miljoen Britten zouden nu graag in degelijke ‘sociale huisvesting’ wonen.

Thatcher werd geen nederlaag toegebracht rond het thema van Europa, zoals tal van analisten beweerden, maar wel door het protest tegen de Poll Tax. Het blijft een historisch feit dat de marxisten rond Militant een beslissende rol speelden in die strijd. Thatcher wist dat zelf ook: “De beslissing om hen [de organisatoren van de anti-poll tax betoging van 31 maart 1990] niet te vervolgen, was een van de grootste overwinningen die ze ooit behaalden op een conservatieve regering.” (Downing Street Years, p.661). We stelden van bij het begin dat het mogelijk was om Thatcher rond dit thema neer te halen. Kort na de algemene verkiezingen van 1987 schreven we in Militant: “We willen niet gewoon toegevingen of aanpassingen, de hele wet moet weg.” De niet-betalingscampagne was beslissend in deze strijd. Deze campagne werd opgestart door leden van Militant in Schotland en werd een jaar later massaal overgenomen in de rest van Groot-Brittannië. Maar liefst 18 miljoen niet-betalers zorgden ervoor dat de Poll Tax had afgedaan en het ondermijnde de positie van de iron lady.

Nederlaag van het laissez-faire kapitalisme

Thatcher stond voor een primitieve en brutale klassenoorlog tegen de rechten en voorwaarden van de arbeidersklasse. De les van het Thatcherisme is dat het kapitalisme, onder welke vorm dan ook, niet in staat is om de positie van de arbeidersklasse te verbeteren. Thatcher hielp om het tijdperk van de neoliberale opvattingen te versterken. Ideologisch werden ze beantwoord door de beperkte krachten van het marxisme, de meeste intellectuelen en leiders van de arbeidersbeweging gingen een heel eind mee in de ‘Washington consensus’, terwijl dat Thatcherisme op wereldschaal is. De prokapitalistische partijen hebben vandaag de erfenis van het Thatcherisme niet achter zich gelaten. Het meest ‘gevaarlijke’ aspect voor hen bleek de ongeregelde en onbeperkte financialisering van het kapitalisme. Nu willen ze de werkende bevolking voor hun crisis laten opdraaien. Wij antwoorden daarop: ‘Dit is niet onze crisis.’

Larry Summers, de economische adviseur van president Obama, probeert wanhopig om de crisis los te zien van het kapitalisme. “Sommigen proberen net zoals in de jaren 1930 de les te trekken dat het kapitalisme niet werkt en door een totaal ander model moet vervangen worden. Ik denk niet dat dit klopt.” Het probleem voor Summers is dat steeds meer mensen het niet met hem eens zijn. Zo was er in maart [2009] een Duitse peiling met de vraag welk economisch stelsel het beste was voor de ondervraagden, 54% antwoordde socialisme tegenover 46% voor kapitalisme.

Een peiling kan nooit een volledig beeld geven van het bewustzijn. Maar het is wel duidelijk dat het ‘laissez-faire’ kapitalisme een nederlaag heeft geleden. De staat moest tussenkomen om het systeem te redden. De kapitalisten vinden dat niet plezant, het versterkt immers het idee dat niet alleen de banken kunnen gered worden maar dat ook de andere sectoren uit de handen van de kapitalisten kunnen gehaald worden. Het beleid om geen enkele inmenging in de economie te doen, heeft geleid tot een sterke toename van de werkloosheid en steeds meer ongenoegen. Het legt de basis voor een nieuwe radicalisering.

Thatcher werd tijdens haar leven als een krachtige figuur. Ze was een belangrijk figuur, maar haar belang neemt nu af. Het tijdperk van Thatcher heeft aangetoond dat zowel de meer brutale als de meer ‘aanvaardbare’ versie van het kapitalisme probeert om de problemen van het systeem op de kap van de arbeiders af te wentelen. Daartegenover is consequent verzet nodig. De mijnwerkers, Liverpool en de campagne tegen de Poll Tax waren daar voorbeelden van.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie