Inleiding

Duitsland kwam verwoest uit de Eerste Wereldoorlog. Er was in 1918 een revolutionaire beweging waarbij arbeidersraden werden opgezet. Het rijk van de Keizer stortte in elkaar. De arbeidersklasse had effectief een tijdlang de macht in een aantal steden. Deze revolutionaire beweging, die onderdeel vormde van de internationale golf van revoluties in de nasleep van de Oktoberrevolutie in Rusland, kwam niet tot haar logische conclusies. De leiders van de sociaaldemocratische SPD speelden een verraderlijke rol. Maar het was nog steeds de grootste arbeiderspartij, de jonge communistische partij KPD was erg klein. De SPD-leiders kwamen als gevolg van de revolutionaire beweging aan de macht, maar ze deden er alles aan om het kapitalisme te redden. De SPD zette de revolutie op een zijspoor. Latere mogelijkheden van revolutionaire breuken met het kapitalisme werden evenmin benut. Toen de KPD in 1923 een enorme kans had om met een revolutionaire beweging een einde te maken aan het kapitalisme, werd het potentieel niet benut. Onder impuls van partijleider Brandler (1) werd het gevaar van het fascisme – op een ogenblik dat dit zich nog niet stelde – aangegrepen om de plannen voor een opstand af te blazen.

De kortstondige periode van relatieve economische stabiliteit vanaf midden jaren 1920 kwam spoedig ten einde door de economische crisis vanaf 1929. Deze internationale crisis had ook in Duitsland verregaande gevolgen. Het aantal werklozen explodeerde van 1,39 miljoen in 1928 tot meer dan 5,5 miljoen in 1932. Vanuit de regering bood de SPD geen enkel antwoord op de crisis en de dalende levensstandaard. De intussen sterk uitgegroeide KDP slaagde er niet in om een onderscheid te maken tussen de SPD-leiding en de vele arbeiders die deze partij als de hunne bleven beschouwen. De KPD weigerde elk eenheidsfront met de arbeidersbasis van de SPD, alle andere stromingen binnen de arbeidersbeweging werden onverbiddelijk als ‘sociaalfascistisch’ gebrandmerkt. Dat was onderdeel van de doctrine van de ‘Derde Periode’ (na de eerste periode van kapitalistische crisis tussen 1918 en 1924 en de tweede periode van stabiliteit van 1924 tot 1928) waarbij werd gedacht dat het kapitalisme ten val zou komen en de arbeidersklasse de macht zou grijpen. Het gevaar van de fascisten werd nu onderschat door de KPD. Trotski stelde dat de KPD zich gedroeg als een orkest dat trouwmuziek bracht op begrafenissen en begrafenismuziek op trouwpartijen, waarbij de muziek telkens misplaatst is.

Een eerste tekst in dit hoofdstuk is ‘De koersverandering van de Communistische Internationale en de toestand in Duitsland’ (geschreven in 1930). Deze tekst werd geschreven na de dramatische verkiezingen van 1930 waarbij de nazi’s een spectaculaire overwinning boekten en van 12 naar 107 parlementszetels groeiden (met 18,25% van de stemmen). De SPD hield min of meer stand met 24,53% en de KPD groeide tot 13,13%. De KPD-leiding staarde zich blind op de eigen vooruitgang waardoor het de groei van de nazi’s onderschatte. Het feit dat de KPD haar rol van partij van de revolutionaire hoop niet waarmaakte, bood extra ruimte aan het fascisme “als massabeweging van contrarevolutionaire wanhoop”.

Een volgende tekst is ‘Zal het fascisme werkelijk overwinnen?’ uit 1931. Daarin wordt het gevaar van het Duitse fascisme binnen het kader van de toenmalige wereldsituatie geplaatst. Trotski beschrijft de gevaren, maar blijft hameren op het potentieel van de arbeidersklasse om het fascistische gevaar te stoppen.

Voetnoot

  1. Heinrich Brandler (1881–1967) stond begin jaren 1920 aan het hoofd van de KPD. Hij werd door de Comintern verantwoordelijk geacht voor het mislukken van de opstand van 1923. In 1928 werd hij uit de partij gezet. Brandler maakte hierop deel uit van de zogenaamde ‘Internationale Rechtse Oppositie’.
Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie