Hoe Mussolini triomfeerde

Uit ‘What Next? Vital Question for the German Proletariat’, 1932. Vertaald door marxisme.be (december2003)

 

Op een ogenblik dat de “normale” politionele en militaire middelen van de burgerlijke dictatuur, samen met hun parlementaire rookgordijnen, niet langer volstaan om de samenleving in een staat van evenwicht te houden, wordt teruggegrepen naar een fascistisch regime. Door haar fascistische agentschap zet het kapitalisme de massa’s van de op hol geslagen kleinburgerij en de troepen van stuurloze en gedemoraliseerde lompenproletariërs in beweging — ontelbare aantallen mensen die allemaal door het financiekapitaal in een wanhopige positie terechtgekomen zijn.

De burgerij eist van het fascisme dat het een zware klus klaart. Zodra het teruggegrepen heeft naar de methoden van de burgeroorlog, eist de burgerij een rustige periode van enkele jaren. Het fascistische agentschap, door het inzetten van de kleinburgerij als stormram, levert grondig werk door alle hindernissen op haar baan weg te ruimen. Nadat het fascisme heeft overwonnen, verzamelt het financiekapitaal op directe en rechtstreekse wijze, de controle over de organen en instellingen van het land, de verantwoordelijke administratie en de onderwijsmachten van de staat: het gehele staatsapparaat samen met het leger, de gemeentebesturen, de universiteiten, scholen, de media, de vakbonden en de coöperatieven. Als een land fascistisch wordt, betekent dit niet enkel dat de vormen en methoden van regeren veranderen volgens de krijtlijnen uitgetekend door Mussolini — de veranderingen op dit vlak spelen uiteindelijk slechts een kleine rol — maar vooral dat de arbeidersorganisaties grotendeels gebroken worden: dat de arbeidersklasse herleid wordt tot een amorfe vorm; en dat er een systeem van administratie opgezet wordt die diep geworteld is in de massa’s en alle onafhankelijke acties van de arbeidersklasse onmogelijk maakt. Dat is de kern van het fascisme…

* * *

Het Italiaanse fascisme was het rechtstreekse gevolg van het verraad van de reformisten bij de opstand van de Italiaanse arbeidersklasse. Van bij het einde van de oorlog was er een opwaartse beweging in de revolutionaire beweging in Italië, en in september 1920 leidde dit tot de bezetting van fabrieken en werkplaatsen door de arbeiders. De heerschappij van de arbeidersklasse was een feit, het enige wat ontbrak was de organisatie ervan en het trekken van de nodige conclusies. De sociaaldemocratie werd bang en trok zich terug. Na haar stoutmoedige en heroïsche daden, werd de arbeidersklasse geconfronteerd met de leegte. Het onderbreken van de revolutionaire beweging werd de belangrijkste factor in de groei van het fascisme. In september kwam de revolutionaire vooruitgang tot stilstand, en in november waren er al de eerste grote betogingen van de fascisten (met de inname van Bologna). (1)

Het klopt dat de arbeidersklasse, zelfs na de catastrofe van september, in staat was om defensieve strijd te voeren. Maar de sociaaldemocratie had slechts één bekommernis: de arbeiders uit de strijd terugtrekken tegen de prijs van de ene toegeving na de andere. De sociaaldemocratie hoopte dat het meegaande gedrag van de arbeiders de “publieke opinie” van de burgerij tegenover de fascisten zou herstellen. De reformisten rekenden bovendien sterk op de steun van koning Victor Emmanuel. Tot op het laatste moment hielden ze de arbeiders met alle mogelijke middelen tegen om het gevecht aan te gaan met de troepen van Mussolini. Het leverde hen niets op. De koning ging samen met de hoogste lagen van de burgerij over naar het kamp van de fascisten. Toen de sociaaldemocraten op het laatste moment ervan overtuigd werden dat het fascisme niet gestopt zou worden op basis van gehoorzaamheid, deden ze een oproep voor een algemene staking. Die oproep werd een fiasco. De reformisten hadden zo lang gewacht om het vuur aan de lont te steken, uit angst dat het zou ontploffen, dat wanneer ze uiteindelijk met bevende hand probeerden de lont in brand te steken, dit mislukte.

Twee jaar na haar ontstaan was het fascisme aan de macht. Het kon haar positie versterken op basis van het feit dat de eerste periode van haar heerschappij samenviel met een gunstige economische conjunctuur, na de depressie van 1921-22. De fascisten versloegen de zich terugtrekkende arbeidersklasse met de krachten van de kleinburgerij. Maar dit gebeurde niet in één keer. Zelfs nadat hij de macht had genomen, bleef Mussolini met de nodige voorzichtigheid tewerk gaan, hij kon zich immers niet baseren op reeds uitgewerkte rolmodellen. Tijdens de eerste twee jaar bleef zelfs de grondwet ongewijzigd. De fascistische regering nam de vorm van een coalitie aan. Intussen waren fascistische benden actief met stokken, messen en pistolen. Op die manier werd de fascistische regering langzaam aan gevormd, waarbij dit betekende dat alle onafhankelijke massaorganisaties volledig gebroken werden.

Mussolini slaagde hierin door de fascistische partij zelf te bureaucratiseren. Nadat gebruik gemaakt werd van de krachten van de kleinburgerij, werden die door het fascisme verstrengeld in de burgerlijke staat. Mussolini kon niet anders handelen, aangezien de ontgoocheling van de massa’s die hij achter zich had verzameld het grootste gevaar voor zijn regime vormde. Het bureaucratisch geworden fascisme benadert heel sterk andere vormen van militaire en politiedictaturen. Het heeft niet langer haar voormalige sociale steun. De belangrijkste basis voor het fascisme — de kleinburgerij — verdwijnt van het toneel. Enkel een historische inertie geeft de fascistische regering de mogelijkheid om de arbeidersklasse in een staat van verdeeldheid en hulpeloosheid te houden.

In haar politiek ten aanzien van Hitler, heeft de Duitse sociaaldemocratie daar niets aan kunnen toevoegen: het herhaalt enkel opnieuw wat de Italiaanse reformisten hen voordeden, maar met meer temperament. Die laatsten verklaarden het fascisme als een psychose na de oorlog, de Duitse sociaaldemocraten zagen het als een gevolg van “Versailles”(2) of crisis-psychose. In beide gevallen blijven de reformisten blind voor het organische karakter van het fascisme, dat als massabeweging groeit op de ineenstorting van het kapitalisme.

Uit angst voor de revolutionaire mobilisatie van de arbeiders, stelden de Italiaanse reformisten al hun hoop op de “staat”. Hun slogan was:

“Help! Victor Emmanuel, oefen druk uit!”.

De Duitse sociaaldemocratie kon niet beschikken over zo’n democratisch bolwerk als een koning die trouw was aan de grondwet. Daarom moesten ze zich tevreden stellen met een president

— “Help! Hindenburg (3), oefen druk uit!”.

Terwijl hij strijd leverde tegen Mussolini, namelijk toen hij zich terugtrok voor Mussolini, openbaarde Turati (4) zijn verbijsterende motto:

“Je moet de moed hebben om een lafaard te zijn.”

De Duitse reformisten zijn minder levendig in hun slogans. Zij stellen “Moed voor onpopulariteit” (Mut zur Unpopularitaet) — waarmee ze eigenlijk hetzelfde zeggen. Je moet niet bang zijn voor onpopulariteit die voortkomt uit een laffe aarzeling tegenover de vijand.

Gelijke oorzaken produceren gelijke effecten. Als de loop van de geschiedenis afhankelijk zou zijn van de sociaaldemocratische partijleiding, dan is Hitlers carrière verzekerd.

We moeten echter toegeven dat ook de Duitse Communistische Partij weinig geleerd heeft van de Italiaanse ervaring.

De Italiaanse Communistische Partij ontstond ongeveer gelijktijdig met het fascisme. Maar dezelfde omstandigheden van een revolutionaire eb, op basis waarvan de fascisten aan de macht konden komen, maakte de ontwikkeling van de Communistische Partij moeilijker. De partij besefte niet ten volle wat het fascistische gevaar was, ze stelde zichzelf gerust met revolutionaire illusies; ze was resoluut tegenstander van de politiek van het eenheidsfront; kortom, ze was getroffen door alle kinderziektes. Dat was niet verwonderlijk! De partij was slechts twee jaar oud. In haar ogen was het fascisme slechts een “kapitalistische reactie”. De specifieke kenmerken van het fascisme die voortvloeien uit de mobilisatie van de kleinburgerij tegen de arbeidersklasse, werden niet opgemerkt door de Communistische Partij. Italiaanse kameraden zegden me dat, met uitzondering van Gramsci (5), de Communistische Partij niet aanvaardde dat er een mogelijkheid was dat de fascisten de macht zouden grijpen. Zodra de arbeidersrevolutie een nederlaag had geleden, het kapitalisme stand hield en de contrarevolutie had overwonnen, hoe zou er dan een nog verdergaande vorm van contrarevolutie kunnen plaatsvinden? Hoe zou de burgerij tegen zichzelf in opstand kunnen komen! Dat was de aard van de politieke oriëntatie van de Italiaanse Communistische Partij. Bovendien mag niet uit het oog verloren worden dat het Italiaanse fascisme toen een nieuw fenomeen was dat nog in een vormingsproces zat; het zou zelfs voor een meer ervaren partij geen eenvoudige taak geweest zijn om de specifieke kenmerken ervan te herkennen.

De leiding van de Duitse Communistische Partij herhaalt vandaag bijna letterlijk het standpunt van waaruit de Italiaanse communisten vertrokken: fascisme is niets anders dan kapitalistische reactie; vanuit het standpunt van de arbeidersklasse zijn de verschillen tussen verschillende vormen van kapitalistische reactie betekenisloos. Dit vulgaire radicalisme is des te minder begrijpelijk omdat de Duitse partij veel ouder is dan de Italiaanse in een gelijkaardige periode. Daarenboven is het marxisme verrijkt met de tragische ervaringen in Italië. Aandringen dat het fascisme er al is, of de mogelijkheid van haar machtsovername ontkennen, kan herleid worden tot één en dezelfde positie. Door de specifieke natuur van het fascisme te ontkennen, wordt de strijd ertegen onvermijdelijk lamgelegd.

Het leeuwendeel van de verantwoordelijkheid hiervoor moet natuurlijk gelegd worden bij de leiding van de Comintern. De Italiaanse communisten waren meer dan wie ook verplicht om alarm te slaan. Maar Stalin, samen met Manuilski (6), bracht er hen toe om de belangrijkste lessen uit hun eigen vernietiging niet te trekken.

We hebben opgemerkt met welk ijverig enthousiasme Ercoli (7) op de positie van het sociaalfascisme kwam — de positie van het passief afwachten van een fascistische overwinning in Duitsland.

 

Voetnoten

  1. De gewelddadige campagne van de fascisten begon in Bologna op 21 november 1920. Toen de sociaaldemocratische gemeenteraadsleden, die de verkiezingen hadden gewonnen, het stadhuis betraden om de nieuwe burgemeester voor te stellen, werden ze onthaald op geweerschoten waarbij 10 mensen werden vermoord en 100 gewond raakten. De fascisten organiseerden daarna “strafexpedities” in de regio waar de “Rode Liga’s” sterk stonden. “Actiegroepen” van de zwarthemden trokken met wagens die hen bezorgd waren door grootgrondbezitters rond en namen dorpen over terwijl ze het vuur openden, sloegen en vermoordden linkse boeren en vakbondsleiders, secretariaten van radicale organisaties werden verwoest en de bevolking geterroriseerd. Versterkt door hun gemakkelijke successen, gingen de fascisten over tot grootschalige aanvallen in de grote steden. Zie ook: Christine Thomas, ‘Italië 1920. Toen de arbeiders hun fabrieken bezet hielden’
  2. Het verdrag van Versailles werd Duitsland opgelegd na Wereldoorlog I. Het meest gehate onderdeel ervan waren de eindeloze betalingen aan de geallieerde troepen in de vorm van “herstellingen” voor oorlogsschade en verliezen. De “crisis” waarnaar in bovenstaande paragraaf wordt verwezen, was de economische depressie die in heel de kapitalistische wereld heerste na de crash op Wall Street in 1929.
  3. Het verdrag van Versailles werd Duitsland opgelegd na Wereldoorlog I. Het meest gehate onderdeel ervan waren de eindeloze betalingen aan de geallieerde troepen in de vorm van “herstellingen” voor oorlogsschade en verliezen. De “crisis” waarnaar in bovenstaande paragraaf wordt verwezen, was de economische depressie die in heel de kapitalistische wereld heerste na de crash op Wall Street in 1929.
  4. Filippo Turati (1857-1937), leidinggevende reformistische theoreticus van de Italiaanse Socialistische Partij.
  5. Antonio Gramsci (1891-1937): een stichter van de Italiaanse Communistische Partij, gevangengezet door Mussolini in 1926, stierf elf jaar later in de gevangenis. Hij stuurde vanuit de gevangenis in naam van het politiek comité van de Italiaanse partij een protestbrief naar aanleiding van Stalins campagne tegen de Linkse Oppositie. Togliatti, die in Moskou was als Italiaanse vertegenwoordiger bij de Comintern, onderschepte de brief. Tijdens het bewind van Stalin, werd iedere verwijzing naar Gramsci opzettelijk vermeden. In de periode van zogenaamde “destalinisatie” werd Gramsci “herontdekt” door de Italiaanse Communistische Partij en omarmd als held en martelaar. Sindsdien zijn veel van zijn werken verspreid, waaronder vooral zijn gevangenisnota’s.
  6. Dimitri Manuilski (1883-1952): Verantwoordelijke van de Comintern van 1929 tot 1934; zijn verwijdering ging samen met de bocht van ultra-gauchisme naar het opportunisme van de Volksfrontperiode. Hij verscheen later op het diplomatieke toneel, als afgevaardigde bij de Verenigde Naties.
  7. Ercoli: pseudoniem in de Comintern van Palmiro Togliatti (1893-1964). Leidde de Communistische Partij nadat Gramsci in de gevangenis zat. Hij overleefde alle bochten van de Comintern, maar na Stalins dood bekritiseerde hij de heerschappij van Stalin en een aantal van de overblijvende elementen van het stalinisme in de Sovjetunie en de internationale communistische beweging.
Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie