Khadaffi: van ‘Arabisch socialisme’ tot kapitalisme

De Libische dictator Khadaffi is een van de meest opmerkelijke figuren op het politieke wereldtoneel. Hij begon zijn loopbaan als aanhanger van Nasser, maar de afgelopen jaren stond hij voor een beleid van privatiseringen en toegevingen aan grote multinationals. De oorlog in Libië is controversieel, maar heeft vooralsnog geen einde gemaakt aan het bewind van Khadaffi in het westen van het land. Het lijkt ons nuttig om een aantal historische elementen naar voor te brengen.

In 1969 kwam in Libië een einde aan de monarchie. Een staatsgreep door de groep ‘Vrije Officieren voor Eenheid en Socialisme’ zette de koning aan de kant. Khadaffi was een van de leden van deze groep. Inspiratie werd opgedaan bij Nasser uit Egypte. Nasser was ook na een militaire staatsgreep aan de macht gekomen en zette daarbij ook een corrupte koning aan de kant. Nasser maakte geen einde aan de kapitalistische verhoudingen, maar hanteerde wel een socialistische retoriek om bredere steun te verwerven. Het was een onderdeel van zijn politiek om te schipperen tussen het Westerse imperialisme en steun van de Sovjetunie. Hij noemde dat ‘Arabisch socialisme’. Gezien de periode van economische groei op wereldvlak was het mogelijk om op basis van hervormingen de levensstandaard van de bevolking te verbeteren, onder meer door te investeren in onderwijs, de uitbouw van een publieke sector, nationalisaties,…

Khadaffi werd in 1963 lid van de op Nasser geïnspireerde “Vrije Officieren voor Eenheid en Socialisme”. Dat deed hij tijdens zijn opleiding aan de militaire academie van Benghazi. In 1969 pleegt deze organisatie een staatsgreep en wordt koning Idris I afgezet. De militairen roepen de “Libische Arabische Republiek” uit en al gauw trekt Khadaffi het laken volledig naar zich toe. Hij deed dit met een mengeling van islamitische ideeën en het panarabisme van Nasser. In 1972 kwam het louter officieel zelfs even tot een “Federatie van Arabische Republieken” waarbij Libië, Egypte en Syrië betrokken waren, gevolgd door een kortstondige poging tot federatie met Tunesië. Ook steunde Khadaffi organisaties als de PLO (Palestijnse Bevrijdingsorganisatie) met wapens en trainingskampen.

Het falen om een regionale federatie op te zetten, deed Khadaffi naar steunpunten buiten de regio zoeken. De noodzaak van een dergelijk steunpunt was mee ingegeven door de internationale crisis vanaf 1974. Steun vond Khadaffi bij de Sovjetunie, ook al was dit geen bewuste ideologische keuze (in 1971 stuurde Khadaffi nog een groot aantal Soedanese communisten een gewisse dood tegemoet door hen vanuit Libië naar Soedan terug te sturen waar ze in handen van dictator Jafaar Numeiri vielen). De Sovjetunie was evenwel geïnteresseerd in de Libische olie, zeker nadat Khadaffi alle bezittingen van British Petroleum in het land had genationaliseerd. Een deel van de militairen die mee bij de staatsgreep van 1969 waren betrokken, hadden problemen met deze nieuwe koers. Ze probeerden in 1975 om Khadaffi met een staatsgreep aan de kant te schuiven, maar dit mislukte. Eén van hen, Omar Mokhtar El-Hariri, is momenteel een kopstuk in de voorlopige regering van Benghazi. Ondertussen waren er ook tal van aanwijzingen van Libische betrokkenheid bij terreuraanslagen, het bekendste was wellicht de aanslag op een vliegtuig boven het Schotse Lockerbie in 1988.

Khadaffi probeerde zijn bocht ideologisch te onderbouwen en bracht het beruchte “Groene Boekje” (1976) uit. Daarin beschreef hij zijn visie op wat hij socialisme noemde: een mengeling van socialistisch klinkende retoriek over volkscomités en volkscongressen tot het ‘afschaffen van loonarbeid’, en daarnaast religieuze invloeden zonder deze bij naam te noemen. Vandaag wordt wellicht enkel nog door bepaalde Russische leiders naar het Groene Boekje terug gegrepen. Na de val van het stalinisme maakte Khadaffi immers opnieuw een bocht. Opvallend is uiteraard ook dat de anti-arbeidersmaatregelen uit 1969 (zoals verbod op onafhankelijke vakbonden en beperking van stakingsrecht) na de ‘communistische’ bocht van Khadaffi niet werden terug geroepen.

Tegen de achtergrond van de nieuwe wereldsituatie na de val van de Muur moest Khadaffi op zoek naar nieuwe bondgenoten en kwam er een nieuwe bocht. Het Libische regime zocht aansluiting bij het Westerse imperialisme, was de eerste Arabische leider die de aanslagen van 11 september 2001 in de VS veroordeelde, excuseerde zich voor de aanslag in Lockerbie, verklaarde bij de inval in Irak dat Libië haar programma van de ontwikkeling van “massavernietigingswapens” zou stopzetten,… De afgelopen tien jaar werd Khadaffi door zowat alle wereldleiders ontvangen. Hij mocht zijn tenten opslaan in Brussel, Parijs, Washington,… Slechts weinigen bleven Khadaffi zien als een “anti-imperialist”, de Venezolaanse president Chavez is een van de laatsten. Chavez vergist zich overigens deerlijk: steun geven aan een dictator die ingaat tegen de belangen van de arbeiders en armen zal geen stap vooruit betekenen in de strijd tegen kapitalisme en imperialisme. Chavez bevindt zich overigens in dubieus gezelschap: eerder kreeg Khadaffi omwille van zijn ‘anti-imperialisme’ ook steun van extreem-rechts in Europa (al werd gefluisterd dat de oliecontracten met de Oostenrijkse provincie Karinthië toen Jörg Haider daar aan de macht was deels ingegeven werd door de intense persoonlijke banden van Haider met Saif el-Islam Khadaffi).

De olie-inkomsten gaven de dictatuur van Khadaffi jarenlang mogelijkheden om te balanceren tussen de verschillende klassen en de internationale grootmachten. Er werd een zekere welvaartstaat uitgebouwd waardoor de dictatuur over een steunbasis beschikt. Ondanks het beleid van privatiseringen dat de afgelopen jaren werd gevoerd, bleven er tot vandaag een aantal elementen van deze sociale maatregelen overeind.

Het openen van de toegang tot de Libische olie voor Westerse multinationals zorgde ervoor dat Libië stilaan van de lijst van “schurkenstaten” werd gehaald. Zelfs toen de eerste dictator in Noord-Afrika eerder dit jaar ten val kwam (Ben Ali in Tunesië), kon Khadaffi nog steeds op buitenlandse steun rekenen. De Belgische minister Vanackere (CD&V) stemde voor de kandidatuur van Libië in de VN-Mensenrechtenraad. Hij verklaarde: “Het is beter Libië te engageren een aantal verantwoordelijkheden op te nemen dan van het land een paria te maken.” Eerder sloot Berlusconi een akkoord met Libië om Afrikaanse immigranten tegen te houden. Internationale kopstukken als Tony Blair en Condoleezza Rice trokken naar Libië om met Khadaffi te spreken.

Maar ondanks de nieuwe bocht van Khadaffi slaagde hij er niet in om als een volledig betrouwbare bondgenoot te worden beschouwd. De mogelijkheid die werd geboden om via de beweging in Benghazi een einde te maken aan het bewind van Khadaffi werd door het imperialisme aangegrepen om een oorlog te beginnen. Maanden later blijkt evenwel dat een snelle overwinning niet aan de orde is. De voorbeelden in de buurlanden Egypte en Tunesië tonen aan hoe een dictator wel aan de kant kan worden geschoven: door een massabeweging van onderuit.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie