Loon, prijs en winst: hoofdstuk 9

9. De waarde van de arbeid

We moeten nu terugkomen op de uitdrukking `waarde of prijs van de arbeid’.

We hebben gezien, dat die in feite niets anders is dan de waarde van de arbeidskracht, gemeten naar de waarden van de waren, die noodzakelijk zijn voor de instandhouding ervan. Daar de arbeider echter zijn arbeidsloon pas na het verrichten van de arbeid ontvangt en bovendien weet dat wat hij de kapitalist feitelijk geeft, zijn arbeid is, komt de waarde of de prijs van zijn_ arbeidskracht hem noodzakelijkerwijs voor als de prijs of waarde van zijn arbeid_ zelf. Is de prijs van zijn arbeidskracht gelijk aan drie shilling, waarin zes uren arbeid gerealiseerd zijn, en werkt hij twaalf uren, dan beschouwt hij deze drie shilling noodzakelijkerwijze als de waarde of prijs van twaalf arbeidsuren, hoewel deze twaalf arbeidsuren een waarde van zes shilling voorstellen. Hieruit volgen twee dingen.

Ten eerste. De waarde of prijs van de arbeidskracht neemt de schijn aan de prijs of waarde van de arbeid zelf te zijn, hoewel nauwkeurig gesproken, waarde en prijs van de arbeid zinloze benamingen zijn.

Ten tweede. Hoewel slechts een deel van het dagelijkse werk van de arbeider uit betaalde het andere deel daarentegen uit onbetaalde arbeid bestaat en juist deze onbetaalde of meerarbeid het fonds vormt, waaruit je meerwaarde of de winst wordt gevormd, schijnt het alsof de gehele arbeid uit betaalde arbeid bestaat.

Deze bedrieglijke schijn is datgene wat de loonarbeid onderscheidt van andere historische vormen van de arbeid. Op grond van het loonsysteem schijnt zelfs de onbetaalde arbeid betaalde arbeid te zijn. Omgekeerd schijnt bij de slaaf ook het betaalde deel van zijn arbeid onbetaald te zijn. Natuurlijk moet de slaaf leven om te werken, en een deel van zijn arbeidsdag wordt besteed aan de vervanging van de waarde van zijn eigen onderhoud.

Daar tussen hem en zijn meester echter geen koop wordt gesloten en er tussen beide partijen geen verkoop- en kooptransacties plaatsvinden, schijnt al zijn arbeid voor niets weggegeven te zijn.

Neem aan de andere kant de horige boer, zoals hij, zou ik willen zeggen, tot gisteren aan toe in geheel Oost-Europa voorkwam. Deze boer werkte b.v. drie dagen voor zichzelf op zijn eigen of het hem toegewezen stukje grond en de drie volgende dagen verrichtte hij gedwongen gratis arbeid op het landgoed van zijn heer. Hier waren dus het betaalde en het onbetaalde deel van de arbeid zichtbaar gescheiden, in tijd en ruimte gescheiden; en onze liberalen vloeiden over van morele verontwaardiging ten aanzien van de ongerijmde gedachte, een mens voor niets te laten werken.

In feite blijft het evenwel eender of iemand drie dagen in de week voor zichzelf op zijn eigen stuk grond en drie dagen voor niets op het landgoed van zijn heer werkt, of dat hij dagelijks in de fabriek of de werkplaats zes uur voor zichzelf en zes uur voor zijn patroon werkt, alhoewel in het laatste geval het betaalde en het onbetaalde deel van zijn arbeid onontwarbaar met elkaar verstrengeld zijn, zodanig, dat de aard van de gehele transactie volledig wordt gemaskeerd door tussenkomst van een contract en de betaling die aan het einde van de week plaatsvindt. De gratis arbeid schijnt in het ene geval vrijwillig gegeven te worden en in het andere geval onder dwang. Dit is het gehele verschil.

Waar ik dan ook het woord ‘waarde van de arbeid’ gebruik, zal ik het slechts gebruiken als een populaire uitdrukking voor `waarde van de arbeidskracht’.

>> Inhoudstafel

Print Friendly, PDF & Email