Loon, prijs en winst: hoofdstuk 2

2. [Productie, loon, winst]

De voordracht, die door burger Weston voor ons is gehouden, zou in een notendop hebben gepast.

Al zijn uiteenzettingen kwamen op het volgende neer: Wanneer de arbeidersklasse de kapitalistenklasse dwingt vijf shilling in plaats van vier in de vorm van geldloon te betalen, zal de kapitalist in de vorm van waren een waarde van vier in plaats van vijf shilling daarvoor teruggeven. De arbeidersklasse zou vijf shilling moeten betalen voor dat wat ze vóór de loonsverhoging voor vier shilling kocht. Maar waarom is dit zo? Waarom geeft de kapitalist in ruil voor vijf shilling slechts een waarde van vier shilling terug? Omdat het loonbedrag vaststaat. Maar waarom is het vastgezet op een warenwaarde van vier shilling? Waarom niet op drie of twee shilling of een willekeurig ander bedrag? Als de grens van het loonbedrag door een economische wet bepaald wordt, die even onafhankelijk is van de wil van de kapitalist als van de wil van de arbeider, had burger Weston allereerst die wet moeten noemen en bewijzen. Hij had dan echter ook het bewijs moeten leveren, dat het op elk gegeven tijdstip in feite betaalde loonbedrag steeds nauwkeurig in overeenstemming is met het noodzakelijke loonbedrag en nimmer daarvan afwijkt. Als aan de andere kant de gegeven grens van het loonbedrag louter op de wil van de kapitalist of op de grenzen van zijn hebzucht berust, is ze willekeurig, is ze van elke noodzakelijkheid gespeend. Ze kan door de wil van de kapitalist veranderd worden en derhalve ook tegen zijn wil veranderd worden.

Burger Weston heeft u zijn theorie ermee geïllustreerd, dat als een kom een bepaalde hoeveelheid soep bevat, waarmee een bepaald aantal personen hun maal moet doen, het breder worden van de lepels niet het groter worden van de hoeveelheid soep teweegbrengt. Hij moet het mij niet kwalijk nemen, dat ik dit voorbeeld niet veel soeps vind. Het deed me enigszins denken aan de gelijkenis, waartoe Menenius Agrippa zijn toevlucht nam. Toen de plebejers van Rome tegen de patriciërs van Rome in actie kwamen, vertelde hun de patriciër Agrippa, dat de patricische buik de plebejische ledematen van het staatslichaam van voedsel voorzag. Agrippa liet na te bewijzen hoe iemand de ledematen van een man van voedsel voorziet, doordat hij de buik van een andere man vult. (2) Wat burger Weston betreft, die heeft vergeten, dat de kom waaruit de arbeiders eten, gevuld is met het gehele product van de nationale arbeid en dat, als er iets is dat de arbeiders belet meer uit de kom te halen, het noch de krapheid van de kom, noch de schraalheid van haar inhoud is, doch enkel en alleen de kleinheid van hun lepels.

Door welke kunstgreep is de kapitalist in staat voor vijf shilling een waarde van vier shilling terug te geven? Door het verhogen van de prijs van de door hem verkochte waar. Maar hangt soms het stijgen, ja meer nog, de verandering van de warenprijzen, hangen soms de warenprijzen zelf louter van de wil van de kapitalist af? Of zijn er integendeel niet bepaalde omstandigheden vereist om deze wil effectief te doen worden? Als dat niet zo is, worden de op – en neergaande bewegingen, de onophoudelijke fluctuaties van de marktprijzen een onoplosbaar raadsel.

Als we aannemen, dat er geen enkele wijziging heeft plaatsgevonden, noch in de productiekracht van de arbeid, noch in de hoeveelheid kapitaal en gebruikte arbeid, noch in de waarde van het geld waarin de waarden van de producten worden uitgedrukt, doch alleen maar een wijziging in het loonpeil, hoe zou deze loonstijging dan de warenprijzen kunnen beïnvloeden? Alleen doordat ze de bestaande verhouding tussen de vraag naar deze waren en het aanbod ervan beïnvloedt.

Het is volkomen juist dat de arbeidersklasse, in haar geheel beschouwd, haar inkomen aan levensbenodigdheden uitgeeft en moet uitgeven. Een algemene stijging van het loonpeil zou derhalve een toeneming van de vraag naar levensbenodigdheden en ,dientengevolge een stijging van hun marktprijzen teweegbrengen. De kapitalisten die deze levensbenodigdheden produceren, zouden voor het -gestegen loon schadeloos gesteld worden met stijgende marktprijzen van hun waren. Maar hoe nu de andere kapitalisten, die geen levensbenodigdheden produceren? En u moet niet denken, dat dit maar een handjevol is. Als u bedenkt, dat twee derde van het nationale product door één vijfde van de bevolking – of zelfs maar door een zevende, zoals onlangs een lid van het Lagerhuis heeft verklaard – wordt verbruikt, dan begrijpt u, welk een enorm deel van het nationale product in de vorm van luxe artikelen moet worden geproduceerd of tegen luxe artikelen moet worden ingeruild, en welk een enorme hoeveelheid van de levensbenodigdheden zelf aan lakeien, paarden, katten enz. moet worden verkwist, een verkwisting, waarvan wij uit ervaring weten dat ze met het stijgen der prijzen van levensbenodigdheden steeds sterk wordt beperkt.

Hoe zou nu de positie van die kapitalisten zijn, die geen levensbenodigdheden produceren? Voor het dalen van de winstvoet, voortvloeiend uit de algemene loonstijging, zouden zij zich niet schadeloos kunnen stellen door een verhoging van de prijs van kun waren, omdat de vraag naar die waren niet zou zijn toegenomen. Hun inkomsten zouden verminderen en van die verminderde inkomsten zouden zij meer moeten betalen voor dezelfde hoeveelheid in prijs gestegen levensbenodigdheden. Dat zou echter nog niet alles zijn. Daar hun inkomen verminderd is, zouden zij minder aan luxe artikelen kunnen uitgeven, en op die manier zou hun wederkerige vraag naar hun respectieve waren afnemen. Als gevolg van deze verminderde vraag zouden de prijzen van hun waren dalen. Daardoor zou in deze takken van industrie de winstvoet dalen, en wel niet alleen maar in eenvoudige verhouding tot de algemene stijging van het loonpeil, maar in gecombineerde verhouding tot de algemene loonstijging, de prijsstijging van de levensbenodigdheden en de prijsdaling van de luxe artikelen.

Welke gevolgen zou dit verschil in winstvoet hebben voor de in de diverse industrietakken gestoken kapitalen? Wel, dezelfde gevolgen die gewoonlijk optreden, wanneer, door welke oorzaak dan ook, de gemiddelde winstvoet op de verschillende terreinen der productie een verandering ondergaat. Kapitaal en arbeid zouden van de minder winstgevende naar de meer winstgevende productietakken afvloeien; en die afvloeiing zou zo lang aanhouden totdat het aanbod in de ene afdeling van de industrie in verhouding tot de gestegen vraag zou zijn toegenomen en in de. andere afdelingen overeenkomstig de verminderde vraag zou. zijn gedaald. Zodra deze verandering een feit zou zijn, zou de algemene winstvoet in de verschillende takken weer gelijk geworden zijn. Daar de gehele warboel oorspronkelijk ontstaan was louter uit een wijziging in de verhouding tussen de vraag naar en het aanbod van verschillende waren, zou met het eindigen van de oorzaak het gevolg eindigen en zouden de prijzen tot hun oude peil terugkeren en hun evenwicht hervinden. Het dalen van de winst voet zou in plaats van tot enkele industrietakken beperkt te blijven, als gevolg van de loonstijging algemeen geworden zijn. Volgens onze onderstelling zou er noch in de productiekracht van de arbeid, noch in de totale hoeveelheid productie een verandering hebben plaatsgevonden, doch wel zou deze gegeven hoeveelheid productie van vorm veranderd zijn. Een groot deel van het product zou in de vorm van levensbenodigdheden bestaan, een klein deel in de vorm van luxe artikelen of, wat op hetzelfde neerkomt, een gering deel zou tegen buitenlandse luxe artikelen worden ingeruild en in zijn oorspronkelijke vorm worden geconsumeerd of, wat weer op hetzelfde neerkomt, een groot deel van het binnenlandse product zou voor buitenlandse levensbenodigdheden in plaats van voor luxe artikelen worden ingeruild. De algemene stijging van het loonpeil zou derhalve na een tijdelijke storing in de marktprijzen slechts een algemene daling van de winstvoet tot gevolg hebben, zonder dat de warenprijzen op de duur zouden zijn veranderd.

Als men mij zou willen tegenwerpen, dat ik in deze bewijsvoering heb aangenomen, dat het gehele gestegen arbeidsloon aan levensbenodigdheden wordt uitgegeven, antwoord ik, dat ik van de voor de opvatting van burger Weston meest gunstige onderstelling ben uitgegaan. Als de aanwas van het arbeidsloon besteed zou worden aan artikelen, die vroeger niet in het verbruik van de arbeiders voorkwamen, zou de reële stijging van hun koopkracht geen bewijs nodig hebben. Daar deze toename van de koopkracht echter alleen maar het gevolg is van een verhoging van het arbeidsloon, moet ze precies in overeenstemming zijn met het afnemen van de koopkracht der kapitalisten. De totale vraag naar waren zou dan ook niet toenemen, wel echter zou er in de samenstellende delen van deze vraag een verandering plaatsvinden. De toenemende vraag aan de ene kant zou gecompenseerd worden door de dalende vraag aan de andere kant. Doordat dus de totale vraag ongewijzigd zou blijven, zou er geen enkele verandering in de marktprijzen van de waren kunnen plaatsvinden.

U komt dus voor het volgende dilemma te staan: de loonaanwas wordt gelijkmatig aan alle verbruiksartikelen besteed – en dan moet de uitbreiding van de vraag aan de kant der arbeidersklasse gecompenseerd worden door inkrimping van de vraag aan de kant der kapitalistenklasse – of de loonaanwas wordt slechts aan enkele artikelen besteed, waarvan de marktprijzen tijdelijk zullen stijgen. Dan zal de daaruit volgende stijging van de winstvoet in deze en de daaruit volgende daling van de winstvoet in gene takken van industrie een wijziging in de verdeling van kapitaal en arbeid teweegbrengen, net zo lang tot het aanbod overeenkomstig de gestegen vraag in de ene afdeling van de industrie verhoogd en overeenkomstig de verminderde vraag in de andere verminderd wordt. Volgens de ene onderstelling zal er geen verandering in de warenprijzen optreden. Volgens de andere onderstelling zullen de ruilwaarden van de waren na enkele schommelingen van de marktprijzen tot het vroegere peil terugkeren. Volgens beide onderstellingen zal de algemene stijging van het loonpeil in laatste instantie tot niets anders leiden dan tot een algemene daling van de winstvoet.

Om uw verbeeldingskracht te stimuleren heeft burger Weston u verzocht de moeilijkheden te overdenken, die veroorzaakt zouden worden door een algemene verhoging van de Engelse landarbeiderslonen van negen op achttien shilling. Denkt eens, riep hij uit, aan de ontzaglijke toename van de vraag naar levensbenodigdheden en aan de daaruit volgende vreselijke stijging van hun prijzen! Nu weet u allen wel, dat het gemiddelde loon van de Amerikaanse landarbeider meer dan het dubbele bedraagt van dat van de Engelse, hoewel de prijzen van landbouwproducten in de Verenigde Staten lager zijn dan in het Verenigde Koninkrijk, hoewel in de Verenigde Staten dezelfde algemene verhoudingen tussen kapitaal en arbeid heersen als in Engeland en hoewel de jaarlijkse hoeveelheid productie in de Verenigde Staten veel geringer is dan in Engeland. Waarom luidt onze vriend dan de stormklok? Eenvoudig om ons van het werkelijke vraagstuk af te leiden. Een plotselinge loonstijging van negen naar achttien shilling zou een plotselinge stijging van 100% zijn. We zullen het maar helemaal niet hebben over de vraag of het algemene loonpeil in Engeland plotseling met 100% verhoogd zou kunnen worden. We hebben in het geheel niets te maken met de grootte van de stijging, die in elk praktisch geval moet afhangen van en passen in de gegeven omstandigheden. Wij hebben alleen maar te onderzoeken wat het effect is van een algemene stijging van het loonpeil, zelfs als ze niet meer dan 1% beloopt.

Ik laat de door vriend Weston bedachte stijging van zoo% voor wat ze is en maak u opmerkzaam op de werkelijke stijging van de lonen, die van 1849 tot 1859 in Groot-Brittannië heeft plaatsgevonden.

U allen kent de Tienurenwet of beter gezegd de Tieneneenhalfuur-wet, die sedert 1848 van kracht is. Dit was een van de grootste economische veranderingen waarvan wij getuige geweest zijn. Het was een plotselinge en gedwongen loonstijging, en dat niet in enkele plaatselijke takken van nijverheid, maar in de leidinggevende takken van industrie, door middel waarvan Engeland de wereldmarkten beheerst. Het was een loonstijging onder buitengewoon ongunstige omstandigheden. Dr. Ure, professor Senior en al die andere officiële economische woordvoerders van de burgerlijke klasse bewezen – en ik moet zeggen met veel doorslaander argumenten dan vriend Weston -, dat daardoor de doodsklok voor de Engelse industrie zou worden geluid. Zij bewezen, dat het niet alleen maar zou neerkomen op een gewone loonstijging, maar op een loonstijging veroorzaakt door en gebaseerd op de vermindering van de hoeveelheid bestede arbeid. Zij beweerden, dat het twaalfde uur, dat men de kapitalist wilde ontnemen, juist het enige uur was, waaraan hij zijn winst ontleende. Zij dreigden met vermindering van de accumulatie, stijging van de prijzen, verlies van markten, inkrimping van de productie, een daaruit voortkomende terugslag op de lonen en tenslotte ruinering. Zij noemden zelfs Maximilien Robespierres wetten inzake het maximum daarmee vergeleken kinderspel (3) en in zekere zin hadden zij gelijk. Goed, wat was het resultaat? Een stijging van de geldlonen van de fabrieksarbeiders ondanks de verkorting van de arbeidsdag, een grote toename van het aantal te werk gestelde fabrieksarbeiders, een voortgezette daling van de prijzen van hun producten, een wonderbaarlijke ontwikkeling van de productiekracht van hun arbeid, een ongehoord voortschrijdende uitbreiding van de markten voor hun waren. In Manchester, in 1861, op de bijeenkomst van het Genootschap tot Bevordering van de Wetenschap, heb ik zelf de heer Newman horen toegeven, dat hij, Dr. Ure, Senior en alle andere officiële lichten van de economische wetenschap zich hadden vergist, terwijl het instinct van het volk gelijk had gehad. Ik noem de heer W. Newman (4) – niet professor Francis Newman -, omdat hij een vooraanstaande positie in de economische wetenschap bekleedt als medewerker en uitgever van het prachtige werk van de heer Thomas Tooke, `History of Prices’, dat de geschiedenis van de prijzen van 1793 tot 1856 nagaat. Wanneer vriend Westons idée fixe van een vast loonbedrag, een vaste hoeveelheid productie, een vaste graad van de productiekracht van de arbeid, een vaste en permanente wil van de kapitalisten en heel zijn overige vastheid en afdoendheid juist zouden zijn, zou professor Senior met zijn droeve voorspellingen gelijk en zou Robert Owen ongelijk hebben gehad, die al in 1816 een algemene verkorting van de arbeidsdag de eerste voorbereidende stap noemde naar de bevrijding van de arbeidersklasse en, het gebruikelijke vooroordeel feitelijk ten spijt, die verkorting op eigen houtje in zijn katoenspinnerij in New Lanark invoerde.

Juist in de periode, waarin de invoering van de Tienurenwet en de daaruit volgende loonstijging plaatsvond, voltrok zich in Groot Brittannië een algemene stijging van de lonen van de landarbeiders. Het is hier niet de plaats om de oorzaken daarvan op te sommen.

Hoewel het voor mijn directe doel niet noodzakelijk is, zal ik, om bij u geen misverstanden te laten ontstaan, toch enkele opmerkingen vooraf maken. Als een man eerst twee shilling loon per week ontving en zijn loon stijgt dan tot vier shilling, is daarmee het loonpeil met 100% gestegen. Als stijging van het loonpeil uitgedrukt lijkt dit een geweldige zaak, hoewel het feitelijke loonbedrag, vier shilling per week, nog altijd een miserabel laag, een hongerloon zou blijven. U moet zich dan ook niet in de war laten brengen door de geweldig klinkende percentages van het peil van het arbeidsloon. U moet altijd vragen : Wat was het oorspronkelijke bedrag?

U zult voorts begrijpen, dat, wanneer tien man elk twee shilling per week, vijf man elk vijf shilling en vijf man elk elf shilling per week ontvangen, die 20 man samen 100 shilling of £ 5 per week ontvangen. (5) Als er nu een verhoging van de totale som van hun weekloon zou plaatsvinden van laat ons zeggen twintig procent, zou dat een verhoging zijn van £ 5 naar £ 6. Als we het gemiddelde zouden nemen, zouden we kunnen zeggen, dat het algemene loonpeil met 20% was gestegen, hoewel in werkelijkheid het arbeidsloon van de tien man onveranderd gebleven, dat van de ene groep van vijf man slechts van vijf tot zes shilling per man en dat van de andere groep van vijf man samen van 55 tot 70 shilling gestegen zou zijn. Voor de ene helft van deze mensen zou de positie in het geheel niet verbeterd zijn, voor een kwart in nauwelijks merkbare mate, en slechts een kwart zou er werkelijk op vooruit zijn gegaan. Toch zou, naar het gemiddelde gerekend, het totale bedrag aan loon van die twintig man met 20% zijn toegenomen, en wat het totale kapitaal betreft, dat hen te werk stelt, en de prijzen van, de waren, die zij produceren, zou dat precies hetzelfde zijn alsof zij allen gelijkelijk deel zouden hebben in de gemiddelde loonstijging. In het geval van de landarbeiders heeft de stijging een zeer ongelijkmatige uitwerking gehad op de standaardlonen, die in de verschillende graafschappen van Engeland en Schotland zeer verschillend zijn.

Er waren tenslotte in de periode, waarin deze loonstijging plaatsvond, tegenwerkende invloeden werkzaam, zoals b.v. de door de Russische oorlog (6) veroorzaakte nieuwe belastingen, het massaal slopen van de huizen van landarbeiders enz.

Na deze uitgebreide inleiding kom ik thans tot de vaststelling, dat van 1849 tot 1859 het gemiddelde peil van de landarbeiderslonen in Groot-Brittannië een stijging van ongeveer 40% heeft ondergaan. Ik zou uitvoerige details kunnen aanvoeren om mijn bewering te staven, maar voor het onderhavige doel acht ik het voldoende u te verwijzen naar de nauwgezette en kritische voordracht, die wijlen de heer John C. Morton in 1860 over ‘De in de landbouw aangewende krachten’ heeft gehouden voor het Londense Genootschap der Kunsten’. (7) De heer Morton haalt statistische gegevens aan uit rekeningen en andere authentieke geschriften, die hij in twaalf Schotse en 35 Engelse graafschappen bij ongeveer 100 daar wonende boeren had vergaard.

Volgens de opvatting van onze vriend Weston zouden de prijzen van de landbouwproducten, rekening houdende met de gelijktijdige stijging van het arbeidsloon van de fabrieksarbeiders, in de periode van 1849 tot 1859 geweldig hebben moeten stijgen. Maar wat is er in feite gebeurd? Ondanks de Russische oorlog en de achtereenvolgende ongunstige oogsten van 18 5 4 tot 1856 daalde de gemiddelde prijs van de tarwe – het belangrijkste landbouwproduct van Engeland – van ongeveer £ 3 per quarters (8) in de jaren 1838-1848 tot ongeveer £ 2.10 sh per quarter in de jaren 1849-1859. Dat is een daling van de tarweprijs van meer dan 16%, gelijktijdig met een gemiddelde stijging van de landarbeiderslonen van 40%. In dezelfde periode, als we het einde ervan, 1859, vergelijken met het begin, 1849, liep het officiële aantal armlastigen terug van 934.419 tot 860.470, wat een verschil betekend van 73.949o Ik geef toe, het is een zeer geringe vermindering, die overigens in de jaren daarna weer verloren is gegaan, maar toch een vermindering.

Men kan zeggen, dat als gevolg van het afschaffen van de graanwetten (9) de invoer van buitenlands graan in de periode 1849 tot 1859 meer dan verdubbeld is. vergeleken met de periode 1838 tot 1848. Wat volgt daar echter uit? Vanuit het standpunt van burger Weston zou men hebben verwacht, dat deze plotselinge, geweldige en voortdurend toenemende vraag op de buitenlandse markten de prijzen van de landbouwproducten daar verschrikkelijk moest hebben opgeschroefd, daar de uitwerking van een groter geworden vraag dezelfde blijft, of ze nu vanuit het buitenland of vanuit het binnenland komt. Maar wat is er werkelijk gebeurd? Met uitzondering van enkele jaren van slechte oogsten vormde het rampzalige dalen van de graanprijs gedurende heel die periode het geijkte thema, waarover men in Frankrijk niet uitgepraat raakte; de Amerikanen zagen zich telkens weer genoodzaakt hun overschotten te verbranden; en Rusland heeft, als we mijnheer Urquhart moeten geloven, de burgeroorlog in de Verenigde Staten aangewakkerd, omdat zijn export van landbouwproducten op de graanmarkten van Europa door de concurrentie van de Yankees in het gedrang kwam.

Teruggebracht tot haar abstracte vorm zou de bewering van burger Weston op het volgende neerkomen: Toename van de vraag vindt altijd plaats op grondslag van een gegeven hoeveelheid productie. Die toename kan derhalve nooit bet aanbod van de artikelen waarnaar vraag is vergroten, doch alleen hun geldprijzen verbogen. De eenvoudigste waarneming leert ons echter, dat een vergrote vraag in sommige gevallen de marktprijzen van de waren volstrekt ongewijzigd laat en in andere gevallen een tijdelijk stijgen van de marktprijzen bewerkstelligt, gevolgd door een groter aanbod en wederom door een daling van de prijzen tot hun oorspronkelijke peil en in vele gevallen zelfs daar onder. Of de toeneming van de vraag uit stijging van het arbeidsloon of uit een andere oorzaak voortvloeit, verandert niets aan de voorwaarden van het probleem. Vanuit burger Westons standpunt was het algemene verschijnsel even moeilijk te verklaren als het verschijnsel, dat optreedt in de uitzonderlijke omstandigheden van een loonstijging. Zijn bewijsvoering hield dan ook geen enkel verband met het onderwerp, dat wij behandelen. Ze was slechts de uitdrukking van zijn hulpeloosheid tegenover het verklaren van wetten, volgens welke een toename van de vraag een toename van het aanbod veroorzaakt, in plaats ovan tenslotte een stijging van de marktprijzen teweeg te brengen.

Voetnoten

(2) De uit de plebejers gerekruteerde burgers-soldaten weigerden in 494 vóór onze jaartelling verder ten strijde te trekken, verlieten Rome in volle wapenrusting en sloegen hun kamp op de ‘Heilige Berg’ op. De patriciër Menenius Agrippa, in 503 consul geworden, wist hen met concessies van de kant der patriciërs te bewegen naar Rome terug te keren.
(3) De door de Franse Nationale Conventie op 4 mei, 11 en 29 september 1793 en op 20 maart 1794 uitgevaardigde wetten, waarbij vaste maximumprijzen voor graan, meel en andere verbruiksgoederen, alsmede een maximum voor het arbeidsloon, werden vastgesteld.
(4) Een vergissing van Marx. Hij bedoelde de Engelse een medewerker van Tooke. (5) Het Engelse Pond Sterling was onderverdeeld in 20 shilling, welke op hun beurt elk 12 pence (meervoud van penny) bevatten.
(6) Bedoeld is hier de Krimoorlog (1853-1856), die door Engeland, Frankrijk, Sardinië en Turkije tegen Rusland werd gevoerd.
(7) ‘Society of Arts and Trades’ (Genootschap der Kunsten en Ambachten) was een in 1754 opgericht filantropisch genootschap, nauw verwant aan de Verlichting.
(8) Inhoudsmaat voor granen = 290 liter, gelijk aan. acht bushel; 1 bushel = 36,36 liter.
(9) De wet inzake de afschaffing van de graanwetten werd op 26 juni 1846 door het Engelse parlement aangenomen. De zogenaamde graanwetten, gericht op een beperking of een verbod van de invoer van graan, werden in 1815 in het belang van de grootgrondbezitters ingesteld. Het aannemen van de wet van 1846 betekende een overwinning van de industriële bourgeoisie, die onder de leuze van de vrijhandel strijd voerde tegen de graanwetten om goedkopere arbeidskrachten te verkrijgen.

>> Inhoudstafel

Print Friendly, PDF & Email