Kritische opmerkingen bij het nationale vraagstuk

5. Rechtsgelijkheid der naties en de rechten van de nationale minderheid

Bij discussies over het nationale vraagstuk hebben de Russische opportunisten er de gewoonte van gemaakt, zich op het voorbeeld van Oostenrijk te beroepen. In mijn artikel in de Severnaja Pravda’ (Prosvesjtsjeniië nr. 10; blz. 96/98), waartegen de opportunisten (de heer Semkovski in de Novaja Rabotsjaja Gazeta, de heer Libman in de Tsait) in het geweer kwamen, verklaarde ik dat er voor het nationale vraagstuk maar één oplossing bestaat, voor zover deze in de wereld van het kapitalisme althans mogelijk is, namelijk consequente democratie. Ten bewijze daarvan wees ik o.a. op Zwitserland.

De beide bovengenoemde opportunisten willen niets van dit voorbeeld weten en spannen zich in het te weerleggen of zijn betekenis te verzwakken. Kautsky heeft immers gezegd dat Zwitserland een uitzondering vormt, dat er in Zwitserland nu eenmaal een heel bijzondere decentralisatie bestaat, dat het een heel bijzondere geschiedenis heeft en dat daar bijzondere geografische voorwaarden alsmede een buitengewoon originele spreiding van een veeltalige bevolking zijn enz. enz.

Dit alles is slechts een poging het eigenlijke geschilpunt te omzeilen. Zeker, Zwitserland is in zoverre een uitzondering dat het geen staat is, die uit een natie is gevormd. Maar een even grote uitzondering (of achterlijkheid, voegt Kautsky eraan toe) vormen Oostenrijk en Rusland. Zeer zeker zullen in Zwitserland de bijzondere, originele historische omstandigheden en levensgewoonten een grotere democratie tot stand gebracht hebben dan in de meeste Europese buurlanden.

Maar wat doet dit alles ertoe, wanneer er van een voorbeeld sprake is dat navolging verdient? Overal ter wereld vormen landen, waaronder de huidige omstandigheden de een of andere instelling op consequent democratische grondslag opgebouwd is, een uitzondering. Verhindert dit ons echter, in ons programma voor alle instellingen een consequente democratie voor te staan?

Het bijzondere van Zwitserland ligt in de geschiedenis van dit land, in zijn aardrijkskundige en andere omstandigheden. Het bijzondere van Rusland ligt in de, voor het tijdperk van burgerlijke revoluties ongekende kracht van het proletariaat en in de vreselijk algemene achterlijkheid van het land, die, op straffe van alle mogelijke nadelen en nederlagen, een uitermate snelle en vastberaden vooruitgang objectief noodzakelijk maakt.

Wij werken het nationale programma vanuit het standpunt van het proletariaat uit; sinds wanneer verdient het aanbeveling de slechtste in plaats van de beste voorbeelden voor ogen te houden?

Blijft het niet hoe dan twistbaar feit, onder het ook een vanzelfsprekend en onbetwistbaar feit dat, onder het kapitalisme uitsluitend in landen met een consequente democratie nationale vrede (voor zover althans te verwezenlijken) heerst?

Dit eenmaal vaststaande, zijn de hardnekkige pogingen van de opportunisten, zich op Oostenrijk in plaats van op Zwitserland te beroepen, niets anders dan een typische methode van de kadetten, want de kadetten volgen steeds de slechtste in plaats van de beste Europese grondwetten na.

Zwitserland heeft drie staatstalen, in geval van een referendum worden de wetsontwerpen echter in vijf talen gepubliceerd, nl. in de drie staatstalen en in twee ‘Romaanse’ dialecten. Volgens de volkstelling van 1900 worden deze beide dialecten in Zwitserland door 38.651 van de 3.315.443 inwoners gesproken, d.w.z. door slechts iets meer dan een procent van de bevolking. In het leger staat het de officieren en onderofficieren ‘volkomen vrij, de soldaten in hun moedertaal toe te spreken’. In de kantons Graubunden en Wallis (die elk iets meer dan honderdduizend inwoners tellen) genieten beide dialecten volledige rechtsgelijkheid.

Het is nu de vraag of wij deze levende ervaringen van een vooruitstrevend land moeten propageren en verdedigen of van de Oostenrijkers verzinsels moeten overnemen van het slag van ‘exterritoriale autonomie’, die nog nergens ter wereld toepassing hebben gevonden (en door de Oostenrijkers zelf nog niet aangenomen zijn)?

Dit verzinsel propageren staat gelijk met het propageren van de verdeling van het onderwijs volgens nationaliteiten, d.w.z. rechtstreeks schadelijke propaganda te voeren. De ervaringen van Zwitserland tonen echter aan, dat het verzekeren van de (relatief) volledige nationale vrede bij een (eveneens relatieve) consequente democratie van de staat in zijn totaliteit praktisch mogelijk en ook verwezenlijkt is.

‘Een nationaliteitenvraagstuk zoals men dat in Oost-Europa kent,’ schrijven mensen die zich met dit probleem hebben beziggehouden, ‘bestaat in Zwitserland niet. Het woord of zichzelf al (nationaliteitenvraagstuk) is hier onbekend…’ ‘Zwitserland heeft de strijd tussen de nationaliteiten al achter de rug… (1797-1803).’

Hiermee wordt te kennen gegeven, dat het tijdperk van de grote Franse Revolutie dat de meest democratische oplossing voor de actuele problemen van de overgang van het feodalisme naar het kapitalisme vond, daarbij in staat bleek tevens, in het voorbijgaan, het nationale vraagstuk ‘op te lossen’.

Laat nu de heren Semkovski, Libman en andere opportunisten maar proberen te beweren, dat deze ‘uitsluitend Zwitserse’ oplossing niet van toe passing is op een willekeurig district of een deel daarvan in Rusland, waar al op 200.000 inwoners twee dialecten worden gesproken door 40.000 staatsburgers, die in hun streek voor hun taal volledige rechtsgelijkheid nastreven!

Door de propaganda voor volledige rechtsgelijkheid van naties en talen worden binnen elke natie alleen de consequent democratische elementen (d.w.z. uitsluitend de proletariërs) naar voren gehaald en verenigd, en dat niet naar nationaliteit, maar op grond van hun streven naar diepgaande en ernstige verbeteringen van het staatsbestel in zijn geheel. Door de propaganda voor ‘nationaal-culturele autonomie’ daarentegen worden de naties, in weerwil van de vrome wensen van sommige personen en groepen, van elkaar gescheiden en worden in feite de arbeiders van een bepaalde natie dichter naar hun bourgeoisie gedreven (het aannemen van deze ‘nationaal-culturele autonomie’ door alle joodse burgerlijke partijen).

Onverbrekelijk verbonden met het beginsel van volledige rechtsgelijkheid is het verzekeren van de rechten van de nationale minderheid. In mijn artikel in de Severnaja Pravda is dit beginsel in vrijwel dezelfde bewoordingen geformuleerd als in het latere officiële en meer exacte besluit van de conferentie van marxisten. In dit besluit wordt ‘het opnemen van een fundamenteel punt in de grondwet geeist, volgens welk alle privileges van een natie en alle schendingen van de rechten van een nationale minderheid, zoals deze plegen voor te komen, onwettig worden verklaard’.

De heer Libman tracht deze formulering belachelijk te maken door te vragen: ‘Maar hoe weet men nu wat de rechten van een nationale minderheid zijn?’ Behoort bv. bij deze rechten misschien het recht op een ‘eigen programma’ wat betreft de nationale scholen? Hoe groot moet een nationale minderheid zijn om aanspraak te kunnen maken op eigen rechters, ambtenaren en onderwijs in de moedertaal? De heer Libman wil met deze vragen aantonen, dat een ‘positief’ nationaal programma noodzakelijk is.

In werkelijkheid wordt door deze vragen duidelijk aangetoond, wat voor soort reactionaire dingen onze boendist er doorheen wil smokkelen onder het mom van een discussie over wat genoemd wordt onbeduidende detailvraagstukken.

Een ‘eigen programma’ in een eigen nationale school!… De marxisten hebben een algemeen school programma, geachte sociaal-nationalist, en dat eist bv. onvoorwaardelijk openbare, niet-kerkelijke scholen. Vanuit marxistisch standpunt is in een democratische staat het afwijken van dit algemene programma nooit en te nimmer geoorloofd (het aanvullen ervan met eventuele ‘lokale’ vakken, talen enz. geschiedt volgens besluit van de plaatselijke bevolking). Uit het principe het onderwijs ‘aan de bevoegdheid van de staat te onttrekken’ en het aan de naties over te dragen, volgt echter, dat wij, arbeiders, in onze, de democratische staat de ‘naties’ de mogelijkheid geven geld van het volk aan een klerikale school te besteden! Zonder het zelf te merken heeft de heer Libman het reactionaire karakter van de ‘nationaal-culturele autonomie’ duidelijk gedemonstreerd!

‘Hoe groot moet een nationale minderheid zijn?’ Daarover bevat zelfs het door de boendisten zo aanbeden Oostenrijkse programma geen bepaling. Het zegt (nog korter en onduidelijker dan bij ons): ‘Het recht van de nationale minderheden wordt gewaarborgd door een speciale wet, die door het rijksparlement zal worden uitgevaardigd’ (par. 4 van het programma van Brunn).

Waarom heeft niemand de Oostenrijkse sociaaldemocraten met de vraag lastig gevallen, in welke vorm dan wel deze wet moet worden gegeten? Aan welke minderheid dan wel rechten toegekend moeten worden en welke rechten dat moeten zijn?

Eenvoudig omdat ieder verstandig mens begrijpt dat het niet gepast en onmogelijk is, detailkwesties in een programma te behandelen. In een programma worden enkel en alleen de voornaamste beginselen vastgelegd. In het onderhavige geval wordt het voornaamste beginsel door de Oostenrijkers stilzwijgend voorondersteld, terwijl het in het besluit van de jongste conferentie van de Russische marxisten duidelijk geformuleerd wordt. Dit beginsel is: de ontoelaatbaarheid van enigerlei nationale privileges en van enigerlei nationale ongelijkheid voor de wet.

Laat ons de boendist het vraagstuk aan de hand van een concreet voorbeeld duidelijk maken. Volgens de schooltelling van 18 januari 1911 waren er te St. Petersburg op de lagere scholen van het ministerie voor volks‘onderwijs’ 48.076 leerlingen. Daaronder waren 396 joden, d.w.z. minder dan een procent. Verder waren er onder de leerlingen twee Roemenen, één Georgier, drie Armeniërs enz. Is het nu mogelijk een ‘positief’ nationaal programma op te stellen, dat deze verscheidenheid van verhoudingen en voorwaarden omvat? (En Petersburg is vanzelfsprekend bijlange na niet de ‘bontste’ stad wat nationaliteiten betreft in Rusland.) Waarschijnlijk zijn zelfs de op het gebied van nationale ‘spitsvondigheden’ zo deskundige boendisten niet in staat zulk een programma op te stellen.

Indien de grondwet echter een principiële bepaling bevatte over de ongeldigheid van welke maatregelen ook die inbreuk maken op de rechten van een minderheid, zou elke willekeurige burger de vernietiging kunnen eisen van een beschikking, waarin bv. geweigerd wordt op staatskosten speciale leraren in de joodse taal, de joodse geschiedenis enz. aan te stellen of van staatswege schoollokalen ter beschikking te stellen voor onderwijs aan joodse, Armeense en Roemeense kinderen, ja zelfs aan een Georgisch kind. In ieder geval is het helemaal niet onmogelijk op de grondslag van rechtsgelijkheid alle redelijke en rechtvaardige wensen van nationale minderheden in te willigen, en niemand zal beweren, dat propaganda voor rechtsgelijkheid schadelijk zou zijn. Daarentegen zou propaganda voor het splitsen van het onderwijs volgens de naties, propaganda bv. voor een bijzondere joodse school voor de joodse kinderen in St. Petersburg, beslist schadelijk zijn, terwijl het oprichten van nationale scholen voor elke nationale minderheid, voor één, twee of drie kinderen, volkomen uitgesloten is.

Verder is het onmogelijk in een of andere voor de gehele staat geldende wet te bepalen hoe groot een nationale minderheid moet zijn om recht te kunnen doen gelden op een bijzondere school of op speciale onderwijzers voor aanvullende vakken enz.

Daarentegen is het zeer wel mogelijk, door middel van speciale verordeningen en besluiten van regionale landdagen, steden, Zemstvo’s, gemeenten enz. een algemene staatswet ten aanzien van rechtsgelijkheid gedetailleerd uit te werken en verder te ontwikkelen.

6. Centralisatie en autonomie

De heer Libman schrijft in zijn wederwoord:

‘Neem bij ons bv. Litouwen, de Baltische provincies, Polen, Wolhynië, Zuid-Rusland enz. en u zult overal een gemengde bevolking aantreffen; er is daar geen enkele stad zonder een grote nationale minderheid. Men mag de decentralisatie nog zo ver doordrijven, steeds zal men in verschillende plaatsen (hoofdzakelijk in de stadsgemeenten) verscheidene nationaliteiten bij elkaar vinden. Juist de democratie levert de nationale minderheid aan de nationale meerderheid uit. Zoals men echter weet, staat V.1. vijandig tegenover een federatief staatsbestel met onbeperkte decentralisatie, zoals het Zwitserse eedgenootschap die heeft. Men kan zich daarom afvragen, waarom hij juist Zwitserland tot voorbeeld heeft gekozen’.

Boven werd reeds uiteengezet, waarom ik Zwitserland als voorbeeld koos. Eveneens werd duidelijk gemaakt, dat het probleem hoe de rechten van een nationale minderheid beschermd moeten worden, alleen maar opgelost kan worden door een algemene staatswet in een consequent democratische staat, die niet van het principe van de rechtsgelijkheid afwijkt. In bovengenoemd citaat herhaalt de heer Libman echter nog een van de zeer gangbare (en tevens zeer onjuiste) tegenwerpingen (of sceptische opmerkingen), die gewoonlijk tegen het marxistische nationale programma worden aangevoerd en die derhalve nader onderzocht dienen te worden.

Vanzelfsprekend staan de marxisten vijandig tegenover federatie en decentralisatie, en wel om de eenvoudige reden dat het kapitalisme voor zijn ontwikkeling zo groot mogelijke en zo gecentraliseerd mogelijke staten nodig heeft. Bij verder gelijkblijvende voorwaarden zal het klassenbewuste proletariaat steeds aan een grotere staat de voorkeur geven. Het zal steeds tegen middeleeuws particularisme strijden en steeds een zo nauw mogelijke economische aaneensluiting van grote gebieden toejuichen, waar de strijd van het proletariaat tegen de bourgeoisie zich op grote schaal kan ontplooien.

Een grootscheepse en snelle ontplooiing van de productiekrachten door het kapitalisme vereist grote, staatkundig verenigde en aaneengesloten gebieden. Slechts daar heeft de bourgeoisie — door alle oude, middeleeuwse, op standen berustende, bekrompen lokale, eng nationale, religieuze en overige scheidsmuren omver te halen — evenals haar onvermijdelijke tegenhanger, het proletariaat, de mogelijkheid zich als klasse aaneen te sluiten.

Op het recht van de naties op zelfbeschikking, d.w.z. op afscheiding en op het stichten van een zelfstandige nationale staat, zullen wij nog afzonderlijk terugkomen. Maar zolang en voor zover verschillende naties een eenheidsstaat vormen, zullen de marxisten in geen geval het federatieve beginsel of de decentralisatie propageren. Een gecentraliseerde grote staat is historisch gezien een geweldige stap vooruit op de weg van de middeleeuwse versplintering naar de toekomstige socialistische eenheid van de hele wereld. Een andere weg naar het socialisme dan via zulk een (onverbrekelijk met het kapitalisme verbonden) staat is er niet en zal er ook nooit zijn.

Het zou echter een onvergeeflijke fout zijn uit het oog te verliezen dat wij, indien wij voor het centralisme opkomen, uitsluitend het democratische centralisme voorstaan. In dit opzicht hebben de kleinburgers in het algemeen en de nationalistische kleinburgerij (waaronder ook wijlen Dragomanov) in het bijzonder in deze kwestie dermate verwarring gesticht, dat men er telkens opnieuw tijd aan moet besteden om deze te ontwarren.

Het democratische centralisme sluit plaatselijk zelfbestuur met autonomie voor gebieden die zich door bijzondere economische en sociale voorwaarden, door een bijzondere nationale samenstelling van de bevolking enz. onderscheiden, geenszins uit, maar verlangt integendeel noodzakelijkerwijs het een zowel als het ander. Bij ons wordt centralisme voortdurend met willekeur en bureaucratie verward. Uiteraard moest de geschiedenis van Rusland wel tot zulk een verwarring leiden, maar voor een marxist blijft zij desondanks onvergeeflijk.

Dit kan het best aan de hand van een concreet voorbeeld verduidelijkt worden.

Rosa Luxemburg maakt in haar uitvoerige artikel ‘Het nationale vraagstuk en de autonomie’ behalve vele andere vermakelijke fouten (waarover wij het nog zullen hebben) de wel bijzonder komische fout, het eisen van autonomie uitsluitend tot Polen te willen beperken.

Maar laat ons eerst zien hoe zij de autonomie definieert.

Rosa Luxemburg erkent — en als marxiste is zij hiertoe natuurlijk ook verplicht — dat alle voor de kapitalistische maatschappij belangrijke en essentiële economische en politieke kwesties in geen geval onder de bevoegdheid van de autonome landdagen van afzonderlijke gebieden mogen vallen, maar uitsluitend door een centraal, voor het gehele land bevoegd parlement geregeld dienen te worden. Tot deze kwesties behoren: de douanetarieven, de industrie- en handelswetgeving, de communicatie- en verkeersmiddelen (spoorwegen, posterijen, telegraaf, telefoon enz.), het krijgswezen, het belastingstelsel, het burgerlijke en strafrecht, de grondbeginselen van de onderwijspolitiek (bv. wetten inzake uitsluitend openbaar onderwijs, algemene leerplicht, het minimumleerplan, democratie op onderwijsgebied enz.!, wetten inzake arbeidsbescherming, de politieke vrijheden (het recht van vereniging) enz., enz.

Onder de autonome landdagen ressorteren — op grond van de wetgeving voor de hele staat — kwesties van zuiver plaatselijke, regionale of zuiver nationale betekenis. Rosa Luxemburg ontwikkelde ook deze gedachte bijzonder — om niet te zeggen overmatig gedetailleerd en heeft het bv. over de aanleg van lokale spoorwegen (nr. 12, blz. 149), over het plaatselijke wegennet (nr. 14/15, blz. 376) enz.

Het ligt voor de hand, dat men zich geen moderne, werkelijk democratische staat kan voorstellen, die geen autonomie zou verlenen aan een willekeurig gebied met ook maar enkele specifieke sociaaleconomische verhoudingen, met een specifieke nationale bevolkingssamenstelling enz. Het voor de ontwikkeling van het kapitalisme onmisbare principe van het centralisme wordt door zulk een (lokale en regionale) autonomie geenszins aangetast, maar integendeel dankzij deze langs democratische en niet bureaucratische weg verwezenlijkt. Zonder zulk een autonomie, die zowel de concentratie van het kapitaal als de ontwikkeling van de productiekrachten en de aaneensluiting van de bourgeoisie en van het proletariaat in het gehele land vergemakkelijkt, zou een grootscheepse, vrije en snelle ontwikkeling van het kapitalisme onmogelijk of op zijn minst zeer moeilijk zijn. Bureaucratische inmenging in zuiver lokale (regionale, nationale enz.) aangelegenheden is immers een van de grootste belemmeringen voor de economische en politieke ontwikkeling in het algemeen en voor het centralisme op het stuk van belangrijke, diepgaande, principiële kwesties in het bijzonder.

Daarom kan men nauwelijks een glimlach onderdrukken wanneer men leest hoe onze voortreffelijke Rosa Luxemburg haar best doet met een ernstig gezicht en in ‘zuiver marxistische’ bewoordingen aan te tonen, dat de eis van autonomie alleen voor Polen toepasselijk is, slechts bij wijze van uitzondering! Het spreekt vanzelf, dat het hier allerminst om ‘lokaal’ patriottisme gaat — hier zijn uitsluitend ‘zakelijke’ overwegingen in het spel… bv. ten opzichte van Litouwen.

Rosa Luxemburg neemt vier gouvernementen: Wilna, Kowno, Grodno en Soewalki tot voorbeeld en verzekert de lezers (en zichzelf) dat de Litouwers ‘hoofdzakelijk’ in deze gouvernementen wonen. Wanneer zij dan de bevolking van deze gouvernementen optelt, blijkt dat de Litouwers 23 % daarvan uitmaken en, als men de Sjmoeden tot de Litouwers rekent, 31 % of minder dan een derde gedeelte van de totale bevolking. De conclusie luidt dan natuurlijk, dat het idee van autonomie voor Litouwen iets ‘gezochts en kunstmatigs’ zou zijn (nr. 10. blz. 807).

De lezer, die op de hoogte is van de algemeen bekende tekortkomingen van onze Russische ambtelijke statistiek, zal de door Rosa Luxemburg gemaakte fout onmiddellijk opmerken. Waarom moest zij het gouvernement Grodno nemen, waar de Litouwers slechts 0,2 %, twee tiende procent, uitmaken? Waarom moest zij het hele gouvernement Wilna nemen en niet alleen maar het arrondissement Troki, waar de Litouwers de meerderheid van de bevolking uitmaken? Waarom moest zij het hele gouvernement Soewalki nemen, waardoor het aantal Litouwers op 52 % van de bevolking uitkomt, en niet de Litouwse arrondissementen van dit gouvernement, nl. vijf van de zeven arrondissementen, waar de Litouwers 72 % van de bevolking uitmaken?

Het is belachelijk om over de voorwaarden en vereisten van het moderne kapitalisme te spreken en zich dan niet aan de ‘moderne’, niet aan de ‘kapitalistische’, maar aan de middeleeuwse, feodale, officiële bureaucratische administratieve indeling van Rusland te houden, en dan nog wel in haar grofste vorm (gouvernementen in plaats van arrondissementen). Het is zonneklaar dat er geen sprake kan zijn van een ook maar enigszins ernstig te nemen plaatselijke hervorming in Rusland, indien niet eerst deze indeling wordt opgeheven en wordt vervangen door een werkelijk ‘moderne’, werkelijk aan de eisen van het kapitalisme (en niet van de fiscus, niet van de bureaucratie, niet van de routine, niet van de landheren en niet van de geestelijken) beantwoordende indeling. Daarbij behoort tot de moderne vereisten van het kapitalisme ongetwijfeld de grootst mogelijke nationale homogeniteit van de bevolking, omdat de nationaliteit, de gelijkheid van taal een belangrijke factor voor de volledige verovering van de binnenlandse markt en voor de volledige vrijheid van het economische verkeer betekent.

Merkwaardig, dat deze onmiskenbare blunder van Rosa Luxemburg door de boendist Medem herhaald wordt, die niet de ‘uitzonderlijke’ eigenaardigheden van Polen wil aantonen, maar de ondeugdelijkheid van de territoriale nationale autonomie (de boendisten zijn nl. voor een exterritoriale nationale autonomie!). Onze boendisten en liquidatoren vergaren in de hele wereld alle fouten en opportunistische afwijkingen van de sociaaldemocraten van verschillende landen en naties en nemen daarbij beslist het slechtste van de internationale sociaaldemocratie in hun arsenaal over: uittreksels uit het geschrijf van de boendisten en liquidatoren zouden, samengevat, een voorbeeldig sociaaldemocratisch museum van de slechte smaak opleveren.

Gebiedsautonomie, verklaart Medem belerend, is geschikt voor een gebied, voor een ‘streek’, maar niet voor de Letlandse, Estlandse en andere districten met een bevolking van een half tot twee miljoen en de omvang van een gouvernement. ‘Dat zou geen autonomie, maar eenvoudig een zemstvo zijn… Men zou boven deze zemstvo een werkelijke autonomie moeten opbouwen…’, waarna de schrijver het ‘uiteenscheuren’ van de oude gouvernementen en arrondissementen veroordeelt.

‘Uiteengescheurd’ en verminkt worden in werkelijkheid de voorwaarden voor het moderne kapitalisme door het handhaven van de middeleeuwse, uit de tijd van de lijfeigenschap afkomstige fiscaal-administratieve indeling. Slechts lieden, die van de geest van deze indeling doordrongen zijn, kunnen ‘met het air van de kenner’ de begrippen ‘zemstvo’ en ‘autonomie’ tegenover elkaar stellen en erover doordraven en er zich zorgen over maken, dat volgens de sjabloon voor grote gebieden ‘autonomie’ en voor kleine gebieden’ de zemstvo geschikt is. Het moderne kapitalisme heeft allerminst behoefte aan dergelijke bureaucratische sjablonen. Waarom er geen autonome nationale districten kunnen bestaan met een bevolking van niet alleen een half miljoen, maar ook al van 50.000 inwoners, waarom dergelijke districten niet op alle mogelijke manieren met naburige districten van verschillende grootte verenigd kunnen worden tot een grote autonome ‘regio’, indien dit praktisch en voor het economische verkeer vereist is, dat blijft het geheim van de boendist Medem.

Hierbij zij opgemerkt, dat het nationale programma van Brunn van de sociaaldemocratie zich volledig op het standpunt plaatst van de territoriale nationale autonomie, want het stelt voor’ Oostenrijk in te delen in nationaal begrensde’ gebieden (par. 2 van het programma van Brunn), ‘in plaats van de historische kroonlanden’. Zo ver zouden wij niet willen gaan. Ongetwijfeld is een bevolkingssamenstelling, die een nationaal geheel vormt, een van de zekerste factoren voor een vrij, alomvattend, werkelijk modern handelsverkeer. Ongetwijfeld zal geen enkele marxist en zelfs geen uitgesproken democraat zich voor de Oostenrijkse kroonlanden of de Russische gouvernementen en arrondissementen uitspreken (deze laatste zijn niet zo erg als de Oostenrijkse kroonlanden, maar toch wel heel erg) en de noodzaak bestrijden, dat deze verouderde indeling vervangen behoort te worden door een indeling, die zoveel mogelijk rekening houdt met de nationale samenstelling van de bevolking. En tenslotte bestaat er geen twijfel aan, dat het voor de opheffing van iedere nationale onderdrukking uiterst belangrijk is autonome districten te vormen, al zijn ze nog zo klein, met een samenstelling, die een gesloten, nationaal geheel vormt, waarbij mensen van de desbetreffende nationaliteit, die over het gehele land en zelfs over de gehele wereld verspreid wonen, hun ‘voorkeur’ voor deze districten zouden kunnen uitspreken en in alle mogelijke organisatorische vormen betrekkingen daarmee zouden kunnen aanknopen. Dit alles valt niet te loochenen, het kan slechts vanuit het standpunt van verstarde bureaucraten betwist worden.

De nationale samenstelling van de bevolking is weliswaar een van de belangrijkste economische factoren, maar niet de enige en niet de belangrijkste daarvan. De steden bv. spelen onder het kapitalisme een uiterst belangrijke economische rol en kenmerken zich overal — zowel in Polen als in Litouwen, de Oekraïne, Groot-Rusland enz. — door een bijzonder bonte nationale samenstelling van de bevolking. Het is absurd en ook onmogelijk, de steden uit ‘nationale’ overwegingen los te maken van de economisch met hen verbonden dorpen en districten. Daarom mogen de marxisten zich niet volkomen en zonder voorbehoud op het standpunt plaatsen van het beginsel der ‘nationale territoria’.

De oplossing, die door de Russische marxisten op de jongste conferentie werd voorgesteld, is dan ook veel juister dan die van de Oostenrijkse. Op deze conferentie werd in verband met deze kwestie de volgende stelling geformuleerd:

‘…noodzakelijk is… een verstrekkende regionale autonomie’ (vanzelfsprekend niet alleen voor Polen, maar voor alle Russische gebieden) ‘en een volkomen democratisch lokaal zelfbestuur, waarbij grenzen worden vastgesteld voor de gebieden met zelfbestuur en autonomie’ (niet volgens de grenzen van de tegenwoordige gouvernementen, arrondissementen enz.), maar ‘op grond van door de plaatselijke bevolking zelf vast te stellen economische en maatschappelijke omstandigheden, de nationale samenstelling van de bevolking enz.’

De nationale samenstelling van de bevolking staat hier op een lijn met andere voorwaarden (in de eerste plaats economische, daarna sociale enz.), die als grondslag moeten dienen bij het vaststellen van nieuwe grenzen, aangepast aan het moderne kapitalisme en niet aan fiscale ambtenarij en Aziatendom. Slechts de plaatselijke bevolking is in staat nauwkeurig met deze voorwaarden ‘rekening te houden’, en op grond van haar oordeel zal het centrale parlement van de staat de grenzen van de autonome gebieden en de bevoegdheden van de autonome landdagen vaststellen.

* * *

Rest ons nog het vraagstuk van het recht der naties op zelfbeschikking te bespreken. Wat dit vraagstuk betreft heeft een hele verzameling opportunisten van allerlei nationaliteit, zowel de liquidator Semkovski als de boendist Libman en de Oekraïense sociaal-nationalist Lev Joerkevitsj, zich beijverd, de misvattingen van Rosa Luxemburg ‘te populariseren’. Het volgende artikel zullen wij wijden aan dit door deze hele ‘collectie lieden’ hopeloos verwarde vraagstuk.

Geschreven in oktober-december 1913.
Deel 24. blz. 113-150.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie