Hoofdstuk I: Klassenmaatschappij en staat

1. De staat

Met de leer van Marx gebeurt nu hetzelfde wat in de geschiedenis meer dan eens is gebeurd met de leerstellingen van revolutionaire denkers en leiders van de onderdrukte klassen in hun strijd voor de bevrijding. De grote revolutionairen werden bij hun leven voortdurend vervolgd door de onderdrukkende klassen, die hun leer met de ruwste kwaadaardigheid, de woedendste haat en een teugelloze leugen- en lastercampagne bejegenden. Na hun dood worden pogingen gedaan hen in onschadelijke afgodsbeeldjes te veranderen, hen als het ware heilig te verklaren en hun naam een zekere wijding te verlenen tot ‘vertroosting’ van de onderdrukte klassen en om hen daarmee beet te nemen, terwijl hun revolutionaire leer van haar inhoud en van haar revolutionaire scherpte wordt ontdaan en wordt gevulgariseerd. Bij een dergelijke ‘bewerking’ van het marxisme ontmoeten elkaar thans de bourgeoisie en de opportunisten in de arbeidersbeweging. Zij vergeten, verdoezelen en verminken de revolutionaire kant van de leer, haar revolutionaire geest. Wat voor de bourgeoisie aanvaardbaar is of aanvaardbaar schijnt, wordt op de voorgrond geschoven en hemelhoog geprezen. Alle sociaal-chauvinisten zijn nu ‘marxisten’— lach niet! En steeds vaker spreken Duitse burgerlijke geleerden, wier specialisme gisteren nog het vernietigen van het marxisme was, over de ‘nationaal-Duitse’ Marx die de voor het voeren van de roofoorlog zo schitterend georganiseerde arbeidersbonden zou hebben opgevoed!

Bij zulk een stand van zaken, nu de verminkingen van het marxisme zo’n enorme verbreiding hebben gevonden, is het in de eerste plaats onze taak de ware leer van Marx over de staat te herstellen. Daarvoor zal het nodig zijn uit de werken van Marx en Engels zelf een hele reeks van lange citaten aan te halen. Nu zullen lange citaten de uiteenzetting zeker zwaarwichtig maken en de gemakkelijke leesbaarheid geenszins bevorderen. Maar het is beslist onmogelijk het zonder deze citaten te stellen. Het is volstrekt noodzakelijk dat alle of althans de beslissende passages uit de werken van Marx en Engels die over de kwestie van de staat gaan zo volledig mogelijk worden aangehaald, opdat de lezer zich een zelfstandig oordeel kan vormen over het geheel der inzichten van de grondleggers van het wetenschappelijke socialisme en van de ontwikkeling van die inzichten, maar ook om de vervalsing van deze inzichten door het heden ten dage heersende ‘kautskyanisme’ aan de hand van documenten te bewijzen en aanschouwelijk te maken.

Beginnen we met het meest verbreide werk van Fr. Engels, ‘De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van do staat’ dat in 1894 in Stuttgart reeds een zesde druk beleefde. Wij zullen de aanhalingen uit de oorspronkelijke Duitse tekst moeten vertalen, omdat de Russische vertalingen, hoe talrijk ze ook zijn, voor het merendeel mank gaan door gebrek aan volledigheid of juistheid.

‘De staat’, zegt Engels, zijn historische analyse samenvattend, ‘is dus volstrekt geen macht die de maatschappij van buiten is opgedrongen; evenmin is hij “de werkelijkheid van de zedelijke idee”, “het beeld en de werkelijkheid van de rede”, zoals Hegel beweert. De staat is veeleer een produkt van de maatschappij op een bepaalde trap van ontwikkeling; hij is de erkenning van de onoplosbare tegenspraak met zichzelf waarin deze maatschappij verward is geraakt, van de onverzoenlijke tegenstellingen waarin zij zich heeft gesplitst en die zij niet bij machte is te bezweren. Opdat echter deze tegenstellingen, klassen met tegenstrijdige economische belangen, zichzelf en de maatschappij niet in een vruchteloze strijd vernietigen, is een in schijn boven de maatschappij staande macht nodig geworden, die het conflict moet temperen, het binnen de perken van de “orde” moet houden; en deze macht, die uit de maatschappij is voortgekomen, maar zich boven haar stelt en meer en meer van haar vervreemdt, is de staat.’ (Blz. 177/178 van de zesde Duitse uitgave.)

Hier is met alle klaarheid de fundamentele gedachte van het marxisme over het vraagstuk van de historische rol en de betekenis van de staat tot uitdrukking gebracht. De staat is het produkt en de uitdrukking van de onverzoenlijkheid van de klassentegenstellingen. De staat ontstaat daar, dan en in zoverre, waar, wanneer en in hoeverre de klassentegenstellingen objectief niet verzoend kunnen worden. En omgekeerd: het bestaan van de staat bewijst dat de klassentegenstellingen onverzoenlijk zijn.

Juist bij dit uiterst belangrijke en de kern van de zaak rakende punt begint de vervalsing van het marxisme en wel voornamelijk in tweeërlei richting.

Aan de ene kant plegen burgerlijke en in het bijzonder kleinburgerlijke ideologen, die onder de druk van onbetwistbare historische feiten gedwongen zijn te erkennen dat de staat alleen daar bestaat waar klassentegenstellingen en klassenstrijd zijn, Marx op een zodanige manier te ‘verbeteren’ dat de staat te voorschijn komt als een orgaan van de klassenverzoening. Volgens Marx kan de staat niet ontstaan noch bestaan, indien een verzoening van de klassen mogelijk is! Bij de kleinburgerlijke en filisterachtige professoren en publicisten heet het — waarbij zij veelal welwillend verwijzen naar Marx! — dat de staat juist de klassen verzoent. Volgens Marx is de staat een orgaan van de klasseheerschappij, een orgaan ter onderdrukking van de ene klasse door de andere, een schepping van de ‘orde’ die deze onderdrukking sanctioneert en bestendigt door het conflict van de klassen te temperen. Volgens de opvatting van de kleinburgerlijke politici betekent de orde juist de ver­zoening van de klassen en niet de onderdrukking van de ene klasse door de andere; het conflict temperen betekent verzoenen en niet dat het de onderdrukte klassen onmogelijk wordt gemaakt bepaalde middelen en methoden van de strijd ter omverwerping van de onderdrukkers te gebruiken.

Tijdens de revolutie van 1917, toen het vraagstuk van de betekenis en van de rol van de staat in zijn volle omvang aan de orde kwam, in de praktijk als een vraagstuk van de onmiddellijke actie aan de orde kwam en wel van de massa-actie, zijn alle sociaal-revolutionairen en mensjewiki bij voorbeeld allen in één klap volledig afgezakt naar de kleinburgerlijke theorie van de ‘verzoening’ van de klassen door de ‘staat’. De talloze resoluties en artikelen van de politici van deze beide partijen zijn geheel en al doordrenkt met deze burgerlijke en filisterachtige theorie van de ‘verzoening’. Dat de staat het orgaan is ter overheersing van een bepaalde klasse die met haar antipode (de aan haar tegenovergestelde klasse) niet verzoend kan worden, vermag de kleinburgerlijke democratie nooit te begrijpen. De verhouding tot de staat is een van de meest in het oog springende bewijzen dat onze sociaal-revolutionairen en mensjewiki helemaal geen socialisten zijn (wat wij, bolsjewiki, altijd al hebben aangetoond), maar kleinburgerlijke democraten met een bijna-socialistische fraseologie.

Aan de andere kant is de ‘kautskyaanse’ verdraaiing van het marxisme veel fijner. ‘Theoretisch’ wordt niet ontkend dat de staat een orgaan van de klasseheerschappij is, noch dat de klassentegenstellingen onverzoenlijk zijn. Maar het volgende wordt uit het oog verloren of verdoezeld: wanneer de staat het produkt is van de onverzoenlijkheid van de klassentegenstellingen, wanneer hij een macht is die boven de maatschappij staat en ‘zich meer en meer van haar vervreemdt ‘, dan is het duidelijk dat de bevrijding van de onderdrukte klasse niet alleen niet mogelijk is zonder gewelddadige revolutie, maar ook niet zonder vernietiging van het apparaat van de staatsmacht dat door de heersende klasse is geschapen en waarin deze ‘vervreemding’ is belichaamd. Deze conclusie, die theoretisch voor de hand ligt, heeft Marx — zoals wij verderop zullen zien — met volkomen beslistheid getrokken op grond van de concrete historische analyse van de taken van de revolutie. En juist deze conclusie heeft Kautsky — wij zullen dit uitvoerig in onze verdere uiteenzetting aantonen — ’vergeten’ en verdraaid.

2. Bijzondere afdelingen van gewapenden, gevangenissen enz.

‘In vergelijking met de oude gensorganisatie’, vervolgt Engels, ‘kenmerkt zich de staat ten eerste door de indeling van de staatsburgers naar het gebied.’

Deze indeling komt ons als ‘natuurlijk’ voor, hoewel ze een langdurige strijd tegen de oude organisatie volgens geslachten en stammen heeft geëist.

‘Het tweede kenmerk is de inrichting van een openbare macht, die niet meer onmiddellijk samenvalt met de zich als gewapende macht organiserende bevolking. Deze afzonderlijke openbare macht is nodig, omdat een zelfstandig optredende gewapende organisatie van de bevolking sinds de splitsing in klassen onmogelijk is geworden… Deze openbare macht bestaat in iedere staat; zij bestaat niet alleen uit gewapende mensen, maar ook uit zakelijk toebehoren — gevangenissen en allerlei dwanginrichtingen, waarvan de gensmaatschappij geen weet had.’

Engels ontwikkelt dan het begrip van de ‘macht’ die men staat noemt, een macht die uit de maatschappij is ontstaan, maar die zich daarboven heeft gesteld en zich meer en meer daarvan vervreemdt. Waarin bestaat voornamelijk die macht? In bijzondere afdelingen van gewapenden die gevangenissen en dergelijke tot hun beschikking hebben.

Wij hebben het recht van bijzondere afdelingen van gewapenden te spreken, omdat de aan iedere staat eigen openbare macht ‘niet meer onmiddellijk samenvalt’ met de gewapende bevolking, met haar ‘zelfstandig optredende gewapende organisatie’.

Zoals alle grote revolutionaire denkers probeert Engels de aandacht van de klassebewuste arbeiders juist op datgene te richten wat volgens het heersende burgerdom geen enkele aandacht waard is, wat het als het meest gewone beschouwt, als iets dat niet alleen door vastgeroeste, maar men kan wel zeggen door versteende vooroordelen geheiligd is. Het staande leger en de politie zijn de voornaamste instrumenten voor de uitoefening van de staatsmacht, maar… kan het soms ook anders?

Vanuit het standpunt van de ontzaglijke meerderheid van de Europeanen aan het einde van de 19de eeuw, tot wie Engels zich richtte en die niet één grote revolutie zelf hadden meegemaakt of van nabij gevolgd, kan het niet anders. Het is voor hen volkomen onbegrijpelijk wat een ‘zelfstandig optredende gewapende organisatie van de bevolking’ betekent. Op de vraag, waardoor bijzondere boven de maatschappij staande en zich daarvan vervreemdende afdelingen van ge wapenden nodig geworden zijn, is de Westeuropese en de Russische filister geneigd met een paar aan Spencer of Michailowski ontleende frasen te antwoorden en op het gecompliceerder worden van het openbare leven, op de differentiatie van de functies en dergelijke te wijzen.

Zulk een verwijzing heeft de schijn van ‘wetenschappelijkheid’ en sust de kleinburger voortreffelijk in slaap, daar het belangrijkste, dat wat eraan ten grondslag ligt ermee verdoezeld wordt, namelijk de splitsing van de maatschappij in onverzoenlijk vijandige klassen.

Bestond deze splitsing niet, dan zou de ‘zelfstandig optredende gewapende organisatie van de bevolking’ zich weliswaar door haar gecompliceerdheid en door het peil van haar techniek enz. onderscheiden van de primitieve organisatie van een troep met boomtakken gewapende apen of van de oermens of van de in een gensmaatschappij aaneengesloten mensen, maar zulk een organisatie zou mogelijk zijn.

Zij is onmogelijk, omdat de beschaafde maatschappij verdeeld is in vijandige en bovendien onverzoenlijk vijandige klassen wier ‘zelfstandig optredende’ bewapening tot een onderlinge gewapende strijd zou leiden. Er ontstaat een staat, er wordt een bijzondere macht geschapen, er ontstaan bijzondere organisaties van gewapenden, en iedere revolutie die het staatsapparaat vernietigt toont ons duidelijk hoe de heersende klasse er naar streeft de haar dienende bijzondere afdelingen van gewapenden te vernieuwen en hoe de onderdrukte klasse er naar streeft een nieuwe soortgelijke organisatie te scheppen, geschikt om niet de uitbuiters maar de uitgebuiten te dienen.

Engels stelt in de aangehaalde beschouwing theoretisch dezelfde vraag aan de orde die ons door iedere grote revolutie in de praktijk aanschouwelijk en naar de maatstaf van de massa-actie wordt gesteld, de vraag namelijk naar de verhouding tussen de ‘bijzondere’ afdelingen van gewapenden en de ‘zelfstandig optredende gewapende organisatie van de bevolking’. Wij zullen zien hoe deze vraag concreet wordt geïllustreerd door de ervaringen van de Europese en Russische revoluties.

Maar keren wij tot de uiteenzetting van Engels terug.

Hij wijst erop dat soms, bij voorbeeld hier en daar in Noord-Amerika, deze openbare macht zwak is (het gaat hier om een voor de kapitalistische maatschappij zeldzame uitzondering en om die delen van Noord-Amerika in zijn voor-imperialistische periode waar de vrije kolonist de overhand had), maar dat zij in het algemeen gesproken sterker wordt.

‘Zij’ (de openbare macht) ‘wordt echter sterker naar gelang de klassentegenstellingen binnen de staat zich verscherpen en de aan elkaar grenzende staten groter en dichter bevolkt worden — men zie slechts naar ons huidige Europa, waar klassenstrijd en veroveringsconcurrentie de openbare macht hebben opgeschroefd tot een hoogte, waarop zij.de gehele maatschappij en zelfs de staat dreigt te verslinden.’

Dit is op zijn laatst in het begin van de negentiger jaren van de vorige eeuw geschreven. Het laatste voorwoord van Engels is gedateerd 16 juni 1891. Toen was de wending naar het imperialisme — zowel in de betekenis van de onbeperkte heerschappij van de trusts en van de almacht der grootste banken, als in de betekenis van een grootscheepse koloniale politiek — in Frankrijk nog maar pas begonnen, terwijl ze in Noord-Amerika en in Duitsland nog zwakker was. Sedertdien is de ‘veroveringsconcurrentie’ met reuzenschreden vooruitgegaan, vooral toen de aardbol in het begin van het tweede decennium van de 20ste eeuw definitief onder de ‘concurrerende veroveraars’, d.w.z. de roofzuchtige grote mogendheden, verdeeld was. De leger- en vlootbewapeningen namen sedert die tijd een ongehoorde omvang aan en de roofoorlog van 1914—1917 om de wereldheerschappij van Engeland of van Duitsland en om de verdeling van de buit heeft het ‘verslinden’ van alle krachten van de maatschappij door de roofzuchtige staatsmacht zodanig versterkt dat een volslagen katastrofe nabij is.

Reeds in 1891 kon Engels op de ‘veroveringsconcurrentie’ wijzen als op een van de belangrijkste kenmerken van de buitenlandse politiek der grote mogendheden; maar in de jaren 1914—1917, nu deze met een veelvoud verscherpte concurrentie de imperialistische oorlog heeft voortgebracht, bemantelen de schoften van het sociaal-chauvinisme de verdediging van de roversbelangen van ‘hun’ bourgeoisie met frasen over ‘verdediging van het vaderland’ en over ‘bescherming van de republiek en van de revolutie’ enz.

3. De staat

Voor het in stand houden van een bijzondere boven de maatschappij staande openbare macht zijn belastingen en staatsschulden nodig.

‘De ambtenaren’, schrijft Engels, ‘die in het bezit zijn van de openbare macht en van het recht om belastingen te innen, staan nu als organen van de maatschappij boven de maatschappij. De vrije ongedwongen achting die de organen van de gensinrichting genoten is hun niet genoeg, zelfs indien zij die konden krijgen’ …Er komen wetten over de heiligheid en de onschendbaarheid van de ambtenaren. ‘De meest onbehouwen politieagent in de beschaafde staat heeft meer “autoriteit” dan alle organen van de gensmaatschappij tezamen; maar de machtigste vorst en de grootste staatsman of veldheer van de beschavingsperiode kan het kleinste genshoofd benijden om de ongedwongen en onbestreden achting die deze geniet.’

Hier wordt de kwestie opgeworpen van de bevoorrechte positie van de ambtenaren als organen van de staatsmacht. De kern daar­van is: Wat stelt hen boven de maatschappij? Wij zullen zien hoe de Commune van Parijs dit theoretische vraagstuk in 1871 praktisch poogde op te lossen en hoe Kautsky het in 1912 op reactionaire wijze verdoezelde.

‘Omdat de staat uit de behoefte is ontstaan de klassentegenstellingen in bedwang te houden; omdat hij echter tegelijk midden in het conflict van deze klassen is ontstaan, is hij in de regel de staat van de machtigste, economisch heersende klasse, die door zijn tussenkomst ook de politiek heersende klasse wordt en zo nieuwe middelen verwerft om de onder­drukte klasse er onder te houden en uit te buiten.’ Niet alleen de antieke en de feodale staat waren organen ter uitbuiting van de slaven en de lijfeigen en horige boeren, maar ook ‘de moderne parlementaire staat (is) een werktuig tot uitbuiting van de loonarbeid door het kapitaal. Bij uitzondering komen er evenwel perioden voor, waarin de strijdende klassen zo zeer met elkaar in evenwicht zijn, dat de staatsmacht voor korte duur als schijnbare bemiddelaarster een zekere zelfstandigheid tegenover beide krijgt.’ Bij voorbeeld de absolute monarchie van de 17de en 18de eeuw, het bonapartisme van het eerste en van het tweede keizerrijk in Frankrijk, en ook Bismarck in Duitsland.

En, zo voegen wij hieraan toe, ook de regering-Kerenski in het republikeinse Rusland, nadat zij ertoe is overgegaan het revolutionaire proletariaat te vervolgen op een moment waarop de sowjets, als gevolg van de leiding der kleinburgerlijke democraten, reeds machteloos zijn en de bourgeoisie nog niet sterk genoeg is om ze eenvoudigweg uiteen te jagen.

In de democratische republiek, vervolgt Engels, ‘oefent de rijkdom zijn macht indirect, maar des te zekerder uit’. Enerzijds in de vorm van ‘rechtstreekse corruptie van de ambtenaren’ waarvan Amerika het klassieke voorbeeld is, anderzijds in de vorm van ‘een verbond tussen de regering en de beurs’ (Frankrijk, Amerika).

In de huidige tijd hebben het imperialisme en de heerschappij van de banken deze beide methoden, waarmee in alle democratische republieken, onverschillig welke, de almacht van de rijkdom beschermd en verwerkelijkt wordt, tot een buitengewone kunst ‘ontwikkeld’. Wanneer b.v. al in de eerste maanden van de democratische republiek in Rusland, als het ware in de wittebroodsweken van het huwelijk tussen de ‘socialisten’— de sociaal­revolutionairen en de mensjewiki — en de bourgeoisie, de heer Paltsjinski in de coalitieregering alle maatregelen saboteerde tot beteugeling van de kapitalisten en van hun roof zucht, van hun plundering van de staatskas via legerleveranties, wanneer daarna de uit het ministerie getreden heer Paltsjinski (die natuurlijk door een andere Paltsjinski van hetzelfde slag vervangen werd) door de kapitalisten ‘beloond’ werd met een baantje waaraan een inkomen van 120.000 roebel per jaar verbonden is — hoe moet men dit dan noemen? Rechtstreekse corruptie of niet-rechtstreekse? Een verbond tussen de regering en de syndicaten of ‘slechts’ vriendschappelijke betrekkingen? Welke rol spelen de Tsjernows, de Tsereteli’s, de Awksentjews en de Skobeljews? Zijn zij ‘rechtstreekse’ bondgenoten van de miljonairs die de staatskas plunderen of slechts indirecte?

De almacht van de ‘rijkdom’ is in de democratische republiek veiliger, omdat hij niet afhankelijk is van een slecht politiek omhulsel van het kapitalisme. De democratische republiek is het best denkbare omhulsel van het kapitalisme en daarom grondvest het kapitaal, nadat het (via de Paltsjinski’s, de Tsjernows, de Tsereteli’s en Go.) van dit beste omhulsel bezit heeft genomen, zijn macht zo veilig en zeker dat geen enkele wisseling, noch van personen, noch van instellingen, noch van partijen van de burgerlijke democratische republiek deze macht kan schokken.

Wij moeten nog opmerken dat Engels met uiterste beslistheid het algemene kiesrecht als een werktuig van de heerschappij der bourgeoisie bestempelt. Het algemene kiesrecht, zegt hij, blijkbaar met inachtneming van de ervaring van vele jaren der Duitse sociaal-democratie, is

‘de graadmeter voor de rijpheid van de arbeidersklasse. Meer kan en zal het in de tegenwoordige staat nooit zijn;…’

De kleinburgerlijke democraten van het slag van onze sociaal­revolutionairen en mensjewiki en ook hun bloedsbroeders, alle sociaal-chauvinisten en opportunisten van West-Europa, verwachten juist ‘meer’ van het algemene kiesrecht. Zij delen de verkeerde opvatting en dringen die ook aan het volk op dat het algemene kiesrecht ‘in de huidige staat’ bij machte zou zijn de wil van de meerderheid van het werkende volk tot uitdrukking te brengen en de uitoefening ervan te verzekeren.

Wij kunnen hier deze verkeerde opvatting slechts aanstippen en er slechts op wijzen dat de volkomen duidelijke, nauwkeurige, concrete uitspraak van Engels in de propaganda en agitatie van de ‘officiële’ (d.w.z. opportunistische) socialistische partijen onophoudelijk vervalst wordt. Hoe volstrekt verkeerd deze opvatting is die hier door Engels wordt verworpen, zal in onze verdere uiteenzettingen van de opvattingen van Marx en Engels omtrent de ‘huidige’ staat uitvoerig worden aangetoond.

Engels vat zijn opvattingen in zijn populairste geschrift in de volgende woorden samen:

‘De staat is dus niet van alle eeuwigheid. Er zijn maatschappijen geweest die het zonder hem klaarspeelden, die van staat en staatsmacht geen begrip hadden. Op een bepaalde trap van de economische ontwikkeling, die noodzakelijk met de splitsing van de maatschappij in klassen verbonden was, werd door deze splitsing de staat nodig. Wij naderen thans met rasse schreden een trap van ontwikkeling van de produktie, waarop het bestaan van deze klassen niet alleen opgehouden heeft noodzakelijk te zijn, maar ook een directe belemmering voor de produktie wordt. Even onvermijdelijk als zij vroeger zijn ontstaan zullen zij ten onder gaan. Met hen valt onvermijdelijk de staat. De maatschappij, die de produktie op grondslag van vrije en gelijke associatie van de producenten opnieuw organiseert, zal de hele staatsmachinerie een plaats inruimen die haar dan zal toekomen: in het museum van oudheden, naast het spinnewiel en de bronzen bijl.’

Dit citaat ontmoet men niet dikwijls in de propaganda- en agitatieliteratuur van de huidige sociaal-democratie. Maar zelfs wanneer het voorkomt wordt het in de regel zo gebruikt alsof men een soort buiging voor een heiligenbeeld maakt, d.w.z. als officiële uitdrukking van hoogachting voor Engels, zonder ook maar een poging te doen zich in te denken wat dit ‘plaats inruimen van de hele staatsmachinerie in het museum van oudheden’ inhoudt aan verstrekkende en ingrijpende krachtsontplooiing van de revolutie. Meestal vindt men zelfs geen begrip voor datgene wat Engels staatsmachinerie noemt.

4. Het ‘afsterven’ van de staat en de gewelddadige revolutie

De woorden van Engels over het ‘afsterven’ van de staat zijn zo bekend, worden zo dikwijls aangehaald, tonen zo plastisch de kwintessens van de meest voorkomende vervalsing van het marxisme in de richting van het opportunisme, dat het nodig is ons uitvoerig daarmee bezig te houden. Wij halen hier de gehele beschouwing, waaraan zij ontleend zijn, aan:

‘Het proletariaat maakt zich meester van de staatsmacht en maakt van de produktiemiddelen allereerst staatseigendom. Maar daarmee heft het zichzelf als proletariaat op en ook alle klasseverschillen en klassentegenstellingen, en daarmee ook de staat als staat. De tot dusver bestaande, in klassentegenstellingen zich bewegende maatschappij had de staat nodig, d.w.z. een organisatie van de respectieve uitbuitende klasse voor de instandhouding van haar uiterlijke produktievoorwaarden, dus met name voor het met geweld vasthouden van de uitgebuite klasse onder voorwaarden van onderdrukking, zoals die door de bestaande produktiewijze zijn gegeven (slavernij, lijfeigenschap of horigheid, loonarbeid). De staat was de officiële vertegenwoordiger van de gehele maatschappij, haar samenvatting in een zichtbare instelling, maar hij was dit slechts voor zover hij de staat was van de klasse die zelf in haar tijd de gehele maatschappij vertegenwoordigde: in de Oudheid de staat van de slavenhoudende staatsburgers, in de Middeleeuwen van de feodale adel, in onze tijd van de bourgeoisie. Doordat hij eindelijk werkelijk vertegenwoordiger van de gehele maatschappij wordt, maakt hij zichzelf overbodig. Zodra er geen maatschappelijke klasse meer onderdrukt behoeft te worden, zodra met de klassenheerschappij en de strijd om het individuele bestaan, die op de tot dusver bestaande anarchie in de produktie berustte, ook de daaruit voortvloeiende botsingen en buitensporigheden zijn opgeruimd, valt er niets meer te onderdrukken dat een bijzondere onderdrukkingsmacht, een staat, nodig zou maken. De eerste daad waarbij de staat werkelijk als vertegenwoordiger van de gehele maatschappij optreedt — de inbezitneming van de produktiemiddelen in naam van de maatschappij — is tegelijkertijd zijn laatste zelfstandige daad als staat. Het ingrij­pen van een staatsmacht in maatschappelijke verhoudingen wordt op het ene gebied na het andere overbodig en slaapt dan vanzelf in. In plaats van de regering over personen komt het beheer over zaken en het leiden van produktieprocessen. De staat wordt niet ‘afgeschaft’, hij sterft af. Hiernaar kan men de frase over de ‘vrije volksstaat’ beoordelen, dus zowel wat betreft haar tijdelijke agitatorische gerechtvaardigdheid, als wat betreft haar uiteindelijke ontoereikendheid voor de wetenschap; eveneens de eis van de zogenaamde anarchisten dat de staat van vandaag op morgen moet worden afgeschaft.’ (‘Anti-Dühring’, ‘De heer Eugen Dührings omwenteling in de wetenschap’, derde Duitse druk, blz. 301—303.)

Men loopt geenszins gevaar zich te vergissen wanneer men zegt dat van deze aan gedachten zo uitermate rijke uiteenzetting van Engels slechts dit ene werkelijk gemeengoed van het socialistische denken in de moderne socialistische partijen is geworden, dat volgens Marx de staat ‘afsterft’, in tegenstelling tot de anarchistische leer van het ‘afschaffen’ van de staat. Het marxisme op die wijze besnoeien betekent het tot opportunisme neerhalen, want bij een dergelijke ‘uitlegging’ blijft alleen nog maar een vage voorstelling over van een langzame, gelijkmatige, geleidelijke verandering, zonder sprongen en stormen, zonder revolutie. Het ‘afsterven’ van de staat in de gangbare, algemeen verbreide en, als men het zo noemen mag, door de massa’s aanvaarde zin betekent ongetwijfeld een verdoezeling, zo niet een ontkenning van de revolutie.

Intussen is een dergelijke ‘uitlegging’ de meest grove, slechts voor de bourgeoisie voordelige verminking van het marxisme, die theoretisch steunt op het verwaarlozen van de belangrijkste omstandigheden en overwegingen, zoals ze bij voorbeeld al in deze door ons volledig geciteerde ‘samenvattende’ beschouwing van Engels uiteengezet zijn.

Ten eerste. Heel in het begin van deze beschouwing zegt Engels, dat het proletariaat door de staatsmacht te grijpen ‘de staat als staat opheft’. Het is ‘geen gewoonte’ erover na te denken wat dit betekent. Gewoonlijk wordt dit geheel en al genegeerd of voor een soort ‘hegeliaanse zwakheid’ van Engels aangezien. In werkelijkheid is in deze woorden kort en bondig de ervaring uitgedrukt van een der grootste proletarische revoluties, de ervaring van de Commune van Parijs in 1871, waarop wij later nog uitvoeriger zullen terugkomen. Inderdaad spreekt Engels hier over het ‘ophef­fen’ van de staat van de bourgeoisie door de proletarische revolutie, terwijl de woorden over het afsterven betrekking hebben op de overblijfselen van het proletarische staatsbestel na de socialistische revolutie. De burgerlijke staat ‘sterft’ niet ‘af’, volgens Engels, maar wordt door het proletariaat in de revolutie ‘opgeheven’. Na deze revolutie sterft de proletarische staat of halfstaat af.

Ten tweede. De staat is een ‘bijzondere onderdrukkingsmacht’. Deze schitterende en uitermate diepzinnige definitie zet Engels hier volkomen duidelijk en ondubbelzinnig uiteen. Maar daaruit volgt dat de ‘bijzondere onderdrukkingsmacht’ van de bourgeoisie tegen het proletariaat, van een handvol rijke mensen tegen de miljoenen werkende mensen, vervangen moet worden door een ‘bijzondere onderdrukkingsmacht’ van het proletariaat tegen de bourgeoisie (de diktatuur van het proletariaat). Dit is juist het wezen van de ‘opheffing van de staat als staat’. Dit is juist de ‘handeling’ van het in bezit nemen van de produktiemiddelen in naam van de maatschappij. En het is zonder meer duidelijk dat zulk een aflossing van de ene (burgerlijke) ‘bijzondere onder­drukkingsmacht’ door de andere (proletarische) ‘bijzondere onderdrukkingsmacht’ onder geen enkele voorwaarde langs de weg van het ‘afsterven’ kan plaats hebben.

Ten derde. Over het ‘afsterven’ en nog plastischer en kleuriger over het ‘inslapen’ spreekt Engels volkomen duidelijk en ondubbelzinnig met betrekking tot het tijdperk na de ‘inbezitneming van de produktiemiddelen (door de staat) in naam van de gehele maatschappij’, d.w.z. na de socialistische revolutie. Wij allen weten dat de politieke vorm van de ‘staat’ in deze tijd de meest volledige democratie is. Maar bij geen van de opportunisten die zo onbeschaamd het marxisme vervalsen komt de gedachte op dat het hier bij Engels dus over het ‘inslapen’ en ‘afsterven’ van de democratie gaat. Op het eerste gezicht mag dat erg vreemd lijken. Maar ‘onbegrijpelijk’ blijft het alleen voor hem die er niet over heeft nagedacht dat de democratie ook een staat is en dat bijgevolg ook de democratie zal verdwijnen zodra de staat verdwijnt. De burgerlijke staat kan slechts door de revolutie ‘opgeheven’ worden. De staat in het algemeen, d.w.z. de meest volkomen democratie kan alleen ‘afsterven’.

Ten vierde. Na zijn beroemde stelling ‘de staat sterft af’ te hebben opgesteld geeft Engels onmiddellijk de concrete verklaring dat deze stelling zowel tegen de opportunisten als tegen de anarchisten gericht is. Daarbij stelt Engels de gevolgtrekking uit de stelling over het ‘afsterven van de staat’ die tegen de opportunisten is gericht op de voorgrond.

Men kan er een weddenschap op aangaan dat van de 10.000 mensen die ooit over het ‘afsterven van de staat’ iets hebben gehoord of gelezen er 9.990 volstrekt niet weten of zich niet herinneren dat Engels zijn gevolgtrekkingen uit deze stelling niet alleen tegen de anarchisten gericht heeft. En van de overblijvende tien personen weten er negen waarschijnlijk niet wat de ‘vrije volksstaat’ is en waarom een aanval op deze leuze een aanval op de opportunisten insluit. Zo wordt geschiedenis geschreven! Zo wordt ongemerkt de grote revolutionaire leer voor de heersende kleinburgerlijkheid pasklaar gemaakt. De conclusie tegen de anarchisten werd duizenden malen herhaald, vervlakt en in haar meest gevulgariseerde vorm in de hoofden gehamerd, tot zij de kracht van een vooroordeel had gekregen. Maar de conclusie tegen de opportunisten werd verdoezeld en ‘vergeten’!

De ‘vrije volksstaat’ was een programpunt en gangbare leuze van de Duitse sociaal-democratie in de zeventiger jaren. Buiten een kleinburgerlijk hoogdravende omschrijving van het begrip democratie heeft deze leuze geen enkele politieke inhoud. In zoverre er legaal de democratische republiek in werd aangeduid was Engels bereid ter wille van de agitatie het ‘gerechtvaardigde’ van deze leuze ‘tijdelijk’ te laten gelden. Deze leuze was echter opportunistisch, want zij bracht niet alleen een goedpraten van de burgerlijke democratie tot uitdrukking, maar ook het verwaarlozen van de socialistische kritiek op iedere staat in het algemeen. Wij zijn voor de democratische republiek als de beste staatsvorm voor het proletariaat onder het kapitalisme, maar we mogen niet vergeten dat ook in de meest democratische burgerlijke republiek loonslavernij het lot van het volk is. Bovendien, iedere staat is een ‘bijzondere onderdrukkingsmacht’ tegen de onderdrukte klasse. Derhalve is iedere vrij en geen volksstaat. Marx en Engels hebben dit in de zeventiger jaren herhaaldelijk voor hun partijgenoten uiteengezet.

Ten vijfde. In hetzelfde werk van Engels waaruit iedereen zich de uiteenzetting over het afsterven van de staat herinnert zijn ook beschouwingen te vinden over de betekenis van de gewelddadige revolutie. De historische beoordeling van haar rol gaat bij Engels over in een ware lofrede op de gewelddadige revolutie. Dat ‘herinnert zich niemand’; in de huidige socialistische partijen is het geen gewoonte over de betekenis van deze gedachte te spreken of er zelfs maar over na te denken en in de dagelijkse propaganda en agitatie onder de massa’s spelen deze gedachten geen enkele rol. Maar toch zijn zij met het ‘afsterven’ van de staat onafscheidelijk tot één harmonisch geheel verbonden.

Hier volgt de uiteenzetting van Engels:

‘Dat het geweld echter nog een andere rol in de geschiedenis speelt, een revolutionaire rol; dat het, om Marx’ woorden te gebruiken, de vroedvrouw is van iedere oude maatschappij die van een nieuwe zwanger gaat; dat het het werktuig is waarmee de maatschappelijke beweging zich baanbreekt en verstarde, afgestorven politieke vormen verbrijzelt — daarover bij de heer Dühring geen woord. Slechts onder zuchten en steunen geeft hij de mogelijkheid toe dat er voor de omverwerping van de uitbuiterij misschien geweld nodig zal zijn — helaas – want iedere uitoefening van geweld zou degene die dit aanwendt demoraliseren. En dat tegenover de hoge morele en geestelijke vlucht die het gevolg van elke zegevierende revolutie was! En dat in Duitsland, waar een gewelddadige botsing, die het volk immers opgedrongen kan worden, althans het voordeel zou hebben de door de vernedering van de Dertigjarige Oorlog in het nationale bewustzijn binnengedrongen lakeiengeest uit te roeien. En deze matte, fut- en krachtloze domineesopvatting maakt er aanspraak op zich aan de meest revolutionaire partij die de geschiedenis kent op te dringen?’ (Blz. 193, derde Duitse uitgave, het einde van het IVde hoofdstuk, tweede deel.)

Hoe valt nu deze lofrede op de gewelddadige revolutie, die Engels van 1878 tot 1894, d.w.z. tot aan zijn dood, hardnekkig aan de Duitse sociaal-democraten voorhoudt, met de theorie van het ‘afsterven’ van de staat in één leer te verenigen?

Gewoonlijk worden beide verenigd met behulp van het eclecticisme, door zonder enige idee of op sofistische wijze (of om bij de machthebbers in het gevlei te komen) willekeurig nu eens de ene dan weer de andere beschouwing naar voren te halen, waarbij in 99 van de 100 gevallen, zo niet nog vaker, juist het ‘afsterven’ op de voorgrond wordt geschoven. De dialectiek wordt vervangen door het eclecticisme — het meest gewone, meest verbreide verschijnsel in de huidige officiële sociaal-democratische literatuur over het marxisme. Een dergelijk in-de-plaats-stellen is natuurlijk niets nieuws; zelfs in de geschiedenis van de klassieke Griekse wijsbegeerte kan men het vinden. Bij het vervalsen van het marxisme in de richting van het opportunisme zijn de massa’s het gemakkelijkst te misleiden door het eclecticisme als dialectiek aan te dienen; dit geeft schijnbare bevrediging, houdt schijnbaar rekening met alle zijden van het proces, met alle ontwikkelingstendensen, met alle tegen elkaar in werkende invloeden enz., maar in werkelijkheid biedt het geen een- en ondeelbare, geen revolutionaire opvatting van het maatschappelijke ontwikkelingsproces.

Wij hebben er hiervoor al over gesproken en in het verloop van deze uiteenzetting zullen wij het uitvoeriger aantonen dat de leer van Marx en Engels over de onvermijdelijkheid van de gewelddadige revolutie betrekking heeft op de burgerlijke staat. Deze kan door de proletarische staat (de diktatuur van het proletariaat) niet langs de weg van het ‘afsterven’ afgelost worden; dit kan in de regel alleen door een gewelddadige revolutie. De lofzang die Engels op de gewelddadige revolutie aanheft en die geheel en al overeenkomt met de veelvuldige verklaringen van Marx (herinneren we ons slechts het slot van ‘De ellende van de filosofie’ en van ‘Het Communistisch Manifest’ met de trotse en openhartige verklaring over de onvermijdelijkheid van de gewelddadige revolutie; herinneren wij ons de kritiek op het program van Gotha van 1875, bijna dertig jaar later, waarin Marx het opportunisme van dit program onbarmhartig geselde) — die lofzang is geenszins ‘dweperij’, geenszins declamatie en geen polemische uitval. De noodzakelijkheid van het opvoeden van de massa’s in deze, speciaal in deze opvattingen over de gewelddadige revolutie is de grondslag van heel de leer van Marx en Engels. Het door de nu heersende sociaal-chauvinistische en kautskyaanse stromingen aan hun leer begane verraad komt bijzonder plastisch tot uitdrukking in het feit dat beide zulk een propaganda, zulk een agitatie vergeten hebben.

De aflossing van de burgerlijke door de proletarische staat is zonder gewelddadige revolutie onmogelijk. De opheffing van de proletarische staat, d.w.z. de opheffing van iedere staat, is niet anders mogelijk dan langs de weg van het ‘afsterven’. Een uitvoerige en concrete ontwikkeling van deze opvattingen leverden Marx en Engels door iedere revolutionaire situatie afzonderlijk te bestuderen en door de lessen uit de ervaringen van iedere afzonderlijke revolutie te analyseren. We gaan thans over tot dit ongetwijfeld belangrijkste deel van hun leer.

>> Inhoud

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie