Fascisme: wat het is en hoe het te bestrijden

EEN FABEL

Uit: ‘What Next? Vital Question for the German Proletariat’, 1932

* * *

Een veehandelaar reed eens met een aantal stieren naar het slachthuis. De slager kwam ‘s nachts met zijn scherpe mes.

“Laat ons de rangen sluiten en deze moordenaar op onze horens pinnen”, suggereerde één van de stieren.

“Komaan, op welke wijze is die slager erger dan de veehandelaar die ons hierheen bracht?” vroegen de stieren, die hun politieke opleiding hadden gekregen in het Manuilski-instituut (12) .

“Maar we zullen ons achteraf ook kunnen richten tegen de handelaar!”

“We doen niets,” antwoordden de stieren trouw aan hun principes. “Je probeert vanop de linkerzijde onze vijanden in te dekken — je bent zelf een sociale-slachter.”

En ze weigerden de rangen te sluiten.

 

DE DUITSE POLITIE EN HET LEGER

Uit ‘What Next? Vital Question for the German Proletariat’, 1932

* * *

In het geval van gevaar vertrouwt de sociaal-democratie niet op het “IJzeren Front” (13) maar op de Pruisische politie. Maar dat is buiten de waard gerekend! Het feit dat de politie oorspronkelijk massaal gerekruteerd heeft onder sociaal-democratische arbeiders is betekenisloos. Bewustzijn wordt bepaald door je omgeving, zelfs in deze instantie. De arbeider die politieagent wordt, staat ten dienste van de kapitalistische staat, is een burgerlijke agent, geen arbeider. Onlangs hebben deze politieagenten meer gevochten tegen revolutionaire arbeiders dan tegen nazi-studenten. Die opleiding laat haar sporen na. En vooral: iedere politieagent weet dat hoewel regeringen kunnen veranderen, de politie blijft bestaan.

In de nieuwjaarseditie van het theoretische orgaan van de sociaaldemocratie, ‘Das Freie Wort’ (wat een ellendig blad!), staat een artikel waarin de politiek van “tolerantie” in haar hoogste vorm wordt uitgewerkt. Hitler, zo blijkt, kan nooit aan de macht komen tegenover de politie en de Reichswehr (het Duitse leger). Volgens de grondwet staat de Reichswehr onder het commando van de president van de Republiek. Dus is het fascisme niet gevaarlijk zolang een president die trouw is aan de grondwet, het hoofd van de regering blijft. Bruenings (14) regime moet ondersteund worden tot aan de presidentsverkiezingen zodat op dat ogenblik een grondwettelijke president verkozen kan worden, door een alliantie met de parlementaire burgerij, waardoor de weg van Hitler naar de macht afgeblokt wordt voor de komende zeven jaar…

De reformistische politici, deze handige manoeuvreerders, kunstmatige intriganten en carrièristen, vakkundige parlementaire en ministriële machinators, worden uit hun gewone milieu gegooid door de gebeurtenissen en worden geconfronteerd met belangrijke gebeurtenissen waardoor ze zichzelf ontmaskeren als — en er bestaat geen mildere uitdrukking voor — onbekwame organen.

Zich baseren op een president betekent zich baseren op “de regering”! Geconfronteerd met de dreigende botsing tussen het proletariaat en de fascistische kleinburgerij — twee kampen die samen de overweldigende meerderheid van de Duitse natie vormen — roepen deze ‘marxisten’ van Vorwärts (15) de nachtwacht ter hulp: “Help! Regering, grijp in!” (Staat, greif zu!)

BURGERIJ, KLEINBURGERIJ, EN PROLETARIAAT

Uit: ‘The Only Road for Germany’ geschreven in september 1932 en gepubliceerd in de VS in april 1933

* * *

Elke ernstige analyse van de politieke situatie moet vertrekken van de wederzijdse relaties tussen de drie klassen: de burgerij, de kleinburgerij (met inbegrip van de boeren), en het proletariaat.

De economisch machtige grote burgerij vertegenwoordigt op zichzelf een te verwaarlozen minderheid in het land. Om haar dominantie op te leggen, moet het voorzien in een besliste wederzijdse relatie met de kleinburgerij en, door haar bemiddeling, met het proletariaat.

Om de dialectiek van de verhouding tussen de drie klassen te begrijpen, moet een onderscheid gemaakt worden tussen drie historische stadia: bij de opkomst van de kapitalistische ontwikkeling, toen de burgerij revolutionaire methoden nodig had om haar taken te vervullen; de periode van de groei en maturiteit van het kapitalistische regime; en ten slotte de neergang van het kapitalisme, als de burgerij gedwongen wordt om de methoden van burgeroorlog te gebruiken tegen het proletariaat om haar recht op uitbuiting te beschermen.

De politieke programma’s die overeenstemmen met deze drie stadia — het JACOBINISME (16), reformistische DEMOCRATIE (met inbegrip van de sociaal-democratie) en FASCISME — zijn uiteindelijk programma’s van kleinburgerlijke stromingen. Dat feit op zich, meer dan wat dan ook, toont aan welk enorm — of beter, welk beslissend — belang de zelfbeschikking van de kleinburgerlijke massa heeft voor het lot van de burgerlijke samenleving.

Niettemin is de verhouding tussen de burgerij en haar normale sociale steun, de kleinburgerij, niet afhankelijk van wederzijds vertrouwen en vreedzame samenwerking. De kleinburgerij als massa is een klasse die wordt uitgebuit en onderdrukt. De kleinburgerij bekijkt de burgerij met afgunst en vaak zelfs met haat. Terwijl de burgerij gebruik maakt van de steun van de kleinburgerij, vertrouwt het deze niet, omwille van de correcte angst voor haar tendens om de grenzen die haar van bovenaf opgelegd worden niet na te leven.

Terwijl ze de weg voor de burgerlijke ontwikkeling uitstippelden en voorbereidden, waren de Jacobijnen op ieder ogenblik betrokken in scherpe confrontaties met de burgerij. Ze leverden een onverbeten strijd tegen de burgerij. Nadat ze hun beperkte historische rol hadden gespeeld, kwamen de Jacobijnen ten val, aangezien de heerschappij van het kapitaal voorbestemd was om te overwinnen.

Gedurende een hele reeks stadia baseerde de burgerij haar macht op de vorm van parlementaire democratie. Zelfs toen gebeurde dit niet vreedzaam en vrijwillig. De burgerij was enorm bang van algemeen stemrecht. Maar in laatste instantie slaagde de burgerij erin, met behulp van een combinatie van gewelddadige maatregelen en toegevingen, van privileges en hervormingen, om in het kader van de formele democratie niet enkel de kleinburgerij te betrekken, maar in belangrijke mate ook het proletariaat, doorheen de nieuwe kleinburgerij, de arbeidersaristocratie. In augustus 1914 was de imperialistische burgerij in staat om, via de parlementaire democratie, miljoenen arbeiders en boeren in de oorlog te betrekken. (17)

Net met de oorlog begint de duidelijke neergang van het kapitalisme en, bovenal, van haar democratische vorm van dominantie. Het is vandaag geen kwestie meer van nieuwe hervormingen en verbeteringen, maar van het beperken en vernietigen van de oude hervormingen. Hierdoor komt de burgerij in conflict met de instellingen van proletarische democratie (vakbonden en politieke partijen), maar ook met de parlementaire democratie, het kader waarbinnen de arbeidersorganisaties een opgang kenden. Daarom wordt enerzijds campagne gevoerd tegen het “marxisme” en anderzijds tegen het democratische parlementarisme.

Maar net zoals de top van de liberale burgerij in haar tijd niet in staat was om louter op eigen krachten komaf te maken met het feodalisme, de monarchie en de kerk, zijn de zakenlui van het financie-kapitaal niet in staat om louter op eigen krachten de confrontatie met het proletariaat aan te gaan. Ze hebben de steun van de kleinburgerij nodig. Daartoe moet de kleinburgerij gedisciplineerd worden, georganiseerd, gemobiliseerd en bewapend. Maar die methode kent ook gevaren. Terwijl de burgerij gebruik maakt van het fascisme, is ze er ook bang van. Pilsudski (18) werd in mei 1926 gedwongen om de burgerlijke samenleving te redden door een staatsgreep tegen de traditionele partijen van de Poolse burgerij in. De kwestie ging zo ver dat de officiële leider van de Poolse Communistische Partij, Warski (19), die van de positie van Rosa Luxemburg (20) niet naar die van Lenin overgegaan was maar naar die van Stalin, stelde dat de staatsgreep van Pilsudski een stap in de richting van de “revolutionaire democratische dictatuur” was en de arbeiders opriep om Pilsudski te steunen.

Op een bijeenkomst van de Poolse Commissie op het Uitvoerend Bestuur van de Communistische Internationale op 2 juli 1926, zei de auteur van deze tekst over de gebeurtenissen in Polen:

“Algemeen gesteld is de machtsovername door Pilsudski het werk van de kleinburgerij, een ‘plebeïsche’ manier om de enorme problemen van de burgerlijke samenleving in een staat van neergang en ontbinding. Er is hier een directe gelijkenis met het Italiaanse fascisme.

“Deze twee stromingen hebben ongetwijfeld een aantal kenmerken gemeen: ze rekruteren hun stoottroepen eerst en vooral vanuit de kleinburgerij; zowel Pilsudski als Mussolini werkten met buiten-parlementaire middelen, met open geweld, met de methoden van burgeroorlog; beiden hadden niet de vernietiging maar de bescherming van de burgerlijke samenleving op het oog. Terwijl ze de kleinburgerij zich liet organiseren, kozen ze zelf openlijk de kant van de grote burgerij nadat ze de macht hadden overgenomen. Dit doet onwillekeurig aan een historische veralgemening denken, laat ons de evaluatie erbij halen die Marx maakte van het Jacobinisme als de plebeïsche methode om rekeningen te vereffenen met de feodale tegenstanders van de burgerij… Dat was tijdens een periode waarin de burgerij opkwam. Vandaag moeten we vaststellen dat, in een periode van teloorgang van de burgerlijke samenleving, de burgerij opnieuw nood heeft aan de ‘plebeïsche’ methode om haar taken te vervullen, taken die niet langer progressief zijn, maar volkomen reactionair. In die zin is fascisme een karikatuur van Jacobinisme.

“De burgerij is niet in staat om haar eigen macht te behouden door de middelen en methoden van de parlementaire staat die het zelf gecreëerd heeft; de burgerij heeft het fascisme nodig als wapen om zichzelf te verdedigen, alleszins toch op kritieke ogenblikken. Dat neemt niet weg dat de burgerij de ‘plebeïsche’ methode om haar problemen op te lossen niet verkiest. De burgerij was altijd afkerig tegenover het Jacobinisme, dat op bloedige wijze de weg voorbereidde voor de ontwikkeling van de burgerlijke samenleving. De fascisten staan onmetelijk dichter bij de decadente burgerij dan de Jacobijnen bij de opkomende burgerij. Toch is de nuchtere burgerij geen grote voorstander van de fascistische wijze om haar problemen op te lossen. Hoewel die methode wordt voortgebracht door de belangen van de burgerlijke samenleving, zijn er gevaren aan verbonden. Daarom zijn er tegenstellingen tussen het fascisme en de burgerlijke partijen.

“De grote burgerij houdt evenveel van het fascisme als een man met kiespijn ervan houdt om zijn tand te laten trekken. De nuchtere kringen van de burgerlijke samenleving hebben aandachtig het werk van de tandarts Pilsudski gevolgd, maar hebben zich op het laatste ogenblik verzoend met het onvermijdelijke, ondanks alle bedreigingen en alle vormen van onderhandelingen. Op die manier wordt het idool van de kleinburgerij omgevormd tot de politieagent van het kapitaal.”

Tegenover deze poging om de historische plaats van het fascisme te schetsen, werd de theorie van het sociaal-fascisme geplaatst. Op het eerste gezicht kan die theorie overkomen als pretentieus, waanzin, maar onschadelijke stomheid. Latere gebeurtenissen hebben aangetoond hoe schadelijk de invloed van de stalinistische theorie was op de ontwikkeling van de Communistische Internationale.

Betekent de historische rol van het Jacobinisme, de democratie en het fascisme, dat de kleinburgerij gedoemd is om altijd een instrument in handen van het kapitaal te blijven? Als dat het geval was, zou de heerschappij van het proletariaat onmogelijk zijn in een aantal landen waar de kleinburgerij de meerderheid van de bevolking vormt, en bovendien zou het extreem moeilijk worden in andere landen waar de kleinburgerij een belangrijke minderheid vormt. Gelukkig is de realiteit anders. De ervaring van de Commune van Parijs (21) toonde voor het eerst, binnen de grenzen van één stad, zoals de ervaring van de oktoberrevolutie het nadien aantoonde op een grotere schaal en gedurende een langere periode, dat een alliantie van de kleinburgerij met de grote burgerij geen noodzakelijkheid vormt. Aangezien de kleinburgerij niet in staat is om een onafhankelijke politiek voor te staan (dat is ook waarom de kleinburgerlijke “democratische dictatuur” onrealiseerbaar is), heeft het geen andere keuze dan deze tussen de burgerij en het proletariaat.

In de periode van de opkomst, de groei en de bloei van het kapitalisme, marcheerde de kleinburgerij, ondanks korstondige uitbarstingen van ongenoegen, meestal gehoorzaam in het kapitalistische gareel. De kleinburgerij kon ook niets anders doen. Maar onder de voorwaarden van kapitalistische desintegratie, en van een impasse in de economische situatie, zal de kleinburgerij op zoek gaan, en proberen zichzelf los te maken van het juk van de oude meesters en heersers van de samenleving. De kleinburgerij is in staat om haar lot te verbinden aan dat van het proletariaat. Daartoe is slechts één iets vereist: de kleinburgerij moet vertrouwen krijgen dat het proletariaat in staat is om de samenleving op een nieuwe weg te zetten. Het proletariaat kan enkel dat vertrouwen versterken door haar eigen kracht, door de vastberadenheid van haar acties, door een goed uitgewerkt offensief tegen de vijand, door het succes van haar revolutionaire politiek.

Maar o wee als de revolutionaire partij de aard van de situatie niet kan inschatten! De dagdagelijkse strijd van het proletariaat versterkt de onstabiliteit van de burgerlijke samenleving. De stakingen en politieke onrust maken de economische situatie in het land erger. De kleinburgerij kan zichzelf tijdelijk neerleggen bij toenemende ontberingen, als het uit ervaring weet dat het proletariaat zich in een positie bevindt om opnieuw vooruit te gaan. Maar als de revolutionaire partij, ondanks de verscherping van de klassenstrijd, keer op keer bewijst dat het niet in staat is om de arbeidersklasse te verenigen, als het verward is, zichzelf tegenspreekt, dan zal de kleinburgerij het geduld verliezen en beginnen neerkijken op de revolutionaire arbeiders en hen verantwoordelijk stellen voor de eigen miserie. Alle burgerlijke partijen, met inbegrip van de sociaal-democratie, zullen hun opvattingen in die richting aanpassen. Als de sociale crisis onhoudbaar wordt, zal een specifieke partij op het toneel verschijnen met als bedoeling om de kleinburgerij op te jutten en haar woede en wanhoop te richten tegen het proletariaat. In Duitsland wordt die historische taak vervuld door de nationaal-socialisten (nazi’s), een brede stroming waarvan de ideologie bestaat uit alle rotte dampen van een desintegrerende burgerlijke samenleving.

DE INEENSTORTING VAN DE BURGERLIJKE DEMOCRATIE

Uit: ‘Whither France?’, 1934

* * *

Na de oorlog was er een reeks schitterende revoluties in Rusland, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, en later in Spanje. Maar het was enkel in Rusland dat het proletariaat de macht volledig zelf in handen nam, de uitbuiters onteigende, en wist hoe het een arbeidersstaat moest oprichten en behouden. Elders bleef het proletariaat, ondanks haar overwinningen, halfweg steken omwille van fouten van haar leiding. Het resultaat hiervan was dat de macht uit haar handen glipte, van links naar rechts ging, en ten prooi kon vallen voor het fascisme. In een aantal andere landen ging de macht over naar militaire dictators. Nergens waren de parlementen in staat om de klassentegenstellingen te verzoenen en een vreedzaam verloop van de gebeurtenissen te verzekeren. Conflicten werden gewapenderhand opgelost.

De Fransen dachten lang dat zij niets met het fascisme te maken hadden. Zij hadden een republiek waar alle kwesties behandeld werden door het onafhankelijke volk door de uitoefening van het algemeen stemrecht. Maar op 6 februari 1934 slaagden duizenden fascisten en royalisten, gewapend met revolvers, stokken en messen, erin om het land de reactionaire regering van Doumergue (22) op te leggen, onder wiens bescherming de fascistische bendes konden groeien en zichzelf bewapenen. Wat zal de toekomst ons brengen?

Natuurlijk bestaan er in Frankrijk, net zoals in bepaalde andere Europese landen (Engeland, België, Holland, Zwitserland, de Scandinavische landen), nog parlementen, verkiezingen, democratische vrijheden en andere overblijfselen. Maar in al deze landen zien we dezelfde historische wetten in actie, de wetten van de kapitalistische neergang. Als de productiemiddelen in handen blijven van een kleine groep kapitalisten, is er geen uitweg voor de samenleving. De maatschappij is dan gedoemd om van de ene crisis in de andere terecht te komen, van tekorten naar miserie te gaan, van slecht naar slechter. In de verschillende landen wordt de neergang en desintegratie van het kapitalisme in verschillende vormen en op ongelijk tempo duidelijk. De basiskenmerken van het proces zijn echter overal dezelfde. De burgerij leidt haar eigen samenleving naar het bankroet. Het kan de bevolking noch brood noch vrede garanderen. Dat is waarom het niet langer een democratische orde kan tolereren. Het is verplicht om de arbeiders en boeren te verpletteren door het gebruik van fysiek geweld. De ontevredenheid van de arbeiders en boeren kan echter niet gestopt worden door de politie alleen. Het is bovendien vaak onmogelijk om het leger te laten marcheren tegen de bevolking. Het begint met desintegratie en eindigt met het overlopen van een groot deel van de soldaten naar de kant van het volk. Dat is waarom het financie-kapitaal verplicht is om speciale troepen op te zetten, troepen die getraind zijn in het vechten tegen de arbeiders net zoals honden opgeleid worden om deel te nemen aan de jacht. De historische functie van het fascisme is het verpletteren van de arbeidersklasse, het vernietigen van de organisaties van de arbeidersklasse, en het verdrukken van politieke vrijheden op een ogenblik dat de kapitalisten niet in staat zijn om zelf te regeren en te domineren op basis van een democratisch apparaat.

De fascisten vinden hun actieve leden vooral bij de kleinburgerij. Die wordt bijna volledig geruïneerd door het grootkapitaal. Er is voor de kleinburgerij geen uitweg binnen de huidige sociale omstandigheden, maar het kent geen andere orde. Haar ongenoegen, verontwaardiging en wanhoop worden door de fascisten van het grootkapitaal weggeleid en tegen de arbeiders gericht. Het kan gezegd worden dat het fascisme de kleinburgerij ter beschikking stelt van haar vijanden. Op deze wijze kan het grootkapitaal de kleinburgerij ruïneren en nadien, met de hulp van de ingehuurde fascistische demagogen, de wanhoop van de kleinburgerij inzetten tegen de arbeiders. Het burgerlijke regime kan enkel door zo’n moorddadige middelen overeind blijven. Maar voor hoelang? Tot het omvergeworpen wordt door de proletarische revolutie.

 

IS DE KLEINBURGERIJ BANG VAN REVOLUTIE?

Uit ‘Wither France?’, 1934

* * *

Parlementaire cretinisten, die zichzelf naar voren schuiven als diegenen die dicht bij de mensen staan, herhalen graag: “Je moet de middenklasse niet bang maken met revolutie. Ze houden niet van extremen.”

In zijn algemene vorm is deze bewering absoluut verkeerd. Natuurlijk verkiest de kleine middenstander orde zolang zijn zaak draait en zolang hij hoop heeft dat het morgen beter zal gaan.

Maar als die hoop verloren gaat, wordt hij gemakkelijk woedend en is hij bereid om zich over te geven aan de meest extreme maatregelen. Hoe kon de democratische staat anders omvergeworpen worden om het fascisme aan de macht te brengen in Italië en Duitsland? De wanhopige kleinburgerij ziet in het fascisme bovenal een strijdbare kracht tegen het grootkapitaal en denkt dat de fascisten, in tegenstelling tot de arbeiderspartijen die vooral grote woorden naar voren brengen, effectief hun krachten zullen gebruiken om meer “rechtvaardigheid” in te stellen. De boer en de kleine handelaar zijn op hun manier realisten. Ze begrijpen dat er niet ontkomen kan worden aan het gebruik van geweld.

Het is verkeerd, compleet verkeerd, om te stellen dat de huidige kleinburgerij niet naar de arbeiderspartijen gaat omdat het bang is van “extreme maatregelen”. Integendeel. De lagere kleinburgerij, de grote massa’s, zien in de arbeiderspartijen slechts parlementaire machines. Ze geloven niet in hun kracht, noch in hun capaciteit om te strijden, noch in hun bereidheid om de strijd ditmaal tot het einde te voeren.

Als dit zo is, is het dan de moeite waard om de democratische kapitalistische vertegenwoordigers te vervangen door hun parlementaire broeders ter linkerzijde? Dat is hoe de halfuitgebuite en ontevreden kleine eigenaars zich voelen. Zonder een begrip van deze psychologie van de boeren, de kleine handelaars, bedienden, functionarissen,… — een psychologie die voortkomt uit de sociale crisis — is het onmogelijk om een correcte politiek uit te werken. De kleinburgerij is economisch afhankelijk en politiek geatomiseerd. Dat is waarom het geen onafhankelijke politiek kan voeren. Het heeft nood aan een “leider” die hen inspireert en vertrouwen geeft. Deze individuele of collectieve, het is te zeggen een persoon of partij, kan hen aangeboden worden door de ene of de andere fundamentele klasse — ofwel de grote burgerij ofwel het proletariaat. Het fascisme ontrafelt en bewapent de gebroken massa’s. Vanuit menselijke stof organiseert het gevechtseenheden. Op die manier geeft het de kleinburgerij de illusie dat het een onafhankelijke kracht is. Het begint zich voor te stellen dat het echt in staat zal zijn om de staat te leiden. Het is niet verrassend dat deze illusies en hoop in het gezicht van de kleinburgerij ontploffen!

Maar de kleinburgerij kan ook een leider vinden in het proletariaat. Dat werd aangetoond in Rusland en deels in Spanje. In Italië, Duitsland en Oostenrijk ontwikkelde de kleinburgerij in die richting. Maar de partijen van het proletariaat waren niet opgewassen voor hun historische taak.

Om de kleinburgerij aan haar kant te krijgen, moet het proletariaat haar vertrouwen winnen. En daartoe moet het vertrouwen hebben in haar eigen kracht.

Het proletariaat moet een duidelijk actieprogramma hebben en bereid zijn om te strijden voor de macht met alle mogelijke middelen. Aangemoedigd door haar revolutionaire partij, zegt het proletariaat aan de boeren en de kleinburgerij in de steden: “We voeren strijd om de macht. Hier is ons programma. We zijn bereid om met jullie te discussiëren over veranderingen in dit programma. We zullen enkel geweld gebruiken tegen het grootkapitaal en haar lakeien, maar met jullie willen we een alliantie vormen op basis van een programma.”

De boeren zullen dergelijke taal begrijpen. Ze moeten enkel vertrouwen hebben in de capaciteiten van het proletariaat om de macht te grijpen.

Daartoe is het noodzakelijk om een eenheidsfront op te bouwen los van iedere onbeslistheid en holle frasen. Het is noodzakelijk om de situatie te begrijpen en zich op een serieuze wijze op het revolutionaire pad begeven.

DE ARBEIDERSMILITIE EN HAAR TEGENSTANDERS

Uit ‘Wither France?’, 1934

* * *

Om te strijden is het noodzakelijk om het instrument en de middelen om te strijden te behouden en versterken: organisaties, eigen media, meetings,… Het fascisme (23) bedreigt dat op directe en onmiddellijke wijze. Het is nog te zwak voor een directe machtsstrijd, maar sterk genoeg om pogingen te ondernemen teneinde de arbeidersorganisaties beetje bij beetje kapot te krijgen, en om verwarring en gebrek aan vertrouwen in de eigen krachten te verspreiden in de rangen van de arbeiders.

Het fascisme vindt onbewuste steun bij diegenen die stellen dat de “fysieke strijd” onaanvaardbaar of hopeloos is, en die van Doumergue eisen dat hij zijn fascistische garde zou ontwapenen. Niets is zo gevaarlijk voor het proletariaat — zeker in de huidige situatie — als het zoete vergif van valse hoop. Niets versterkt het zelfvertrouwen van de fascisten zo sterk als het “flauwe pacifisme” van de arbeidersorganisaties. Niets vernietigt het vertrouwen van de middenklassen in de arbeidersklasse zo sterk als de passiviteit en het gebrek aan bereidheid om de strijd aan te gaan.

“Le Populaire” (24) en vooral “L’Humanité” (25) schrijven iedere dag:

“Het eenheidsfront is een hindernis tegen het fascisme”;
“het eenheidsfront zal het niet toelaten…”;
“de fascisten zullen niet durven”,…

Dat zijn frasen. Het is nodig dat we rechtuit zeggen aan de arbeiders, socialisten en communisten: laat je niet in slaap wiegen door de frasen van kunstmatige en onverantwoorde journalisten en sprekers. Het gaat om een kwestie van ons voortbestaan en van de toekomst van het socialisme. Wij ontkennen het belang van het eenheidsfront niet. Integendeel, wij eisten dit toen de leiders van beide partijen er tegen waren. Het eenheidsfront biedt heel wat mogelijkheden, maar niets meer. Op zichzelf zal het niets beslissen. Enkel de strijd van de massa’s is beslissend. Het eenheidsfront zal haar waarde tonen als communistische gevechtseenheden de socialisten ter hulp komen en vice versa in het geval van aanvallen van fascistische bendes tegen Le Populaire of L’Humanité. Daartoe moeten er wel proletarische gevechtseenheden bestaan die opgeleid, getraind en bewapend zijn. Als er geen defensie-organisaties zijn, en dus arbeidersmilities, mogen Le Populaire en L’Humanité zoveel artikels schrijven als ze willen over de almachtigheid van het eenheidsfront, maar zullen beide bladen zonder verdediging staan tegenover de goed voorbereide eerste aanvallen van de fascisten.

Wij stellen voor om de “argumenten” en “theorieën” van de tegenstanders van de arbeidersmilitie kritisch te bestuderen, aangezien deze talrijk en invloedrijk zijn in beide arbeiderspartijen.

“We hebben een massale zelfverdediging nodig en geen militie”, wordt ons vaak verteld.

Maar wat houdt die “massale zelfverdediging” in zonder gevechtsorganisaties, zonder gespecialiseerde kaders, zonder wapens? De verdediging tegen het fascisme overlaten aan ongeorganiseerde en onvoorbereide massa’s die op zichzelf aangewezen zijn, komt overeen met het spelen van een rol die nog lager is dan die van Pontius Pilatus. Het belang van de militie ontkennen, is het belang van de voorhoede ontkennen. Waarom hebben we dan een partij? Zonder de steun van de massa’s, betekent de militie niets. Maar zonder georganiseerde gevechtseenheden, zullen de meest heroïsche massa’s neergeslagen worden door de fascistische troepen. Het is nonsens om de militie tegenover zelfverdediging te plaatsen. De militie is een orgaan van zelfverdediging.

“Oproepen tot het organiseren van een militie”, zeggen sommige tegenstanders die tot de minst ernstige en minst eerlijke behoren, “houdt een provocatie in”.

Dat is geen argument, maar een belediging. Als de noodzaak voor het verdedigen van de arbeidersorganisaties voortvloeit uit heel de situatie, hoe kunnen we dan niet oproepen voor het opzetten van milities? Misschien bedoelen ze dat het opzetten van een militie fascistische aanvallen en regeringsrepressie “provoceert”. In dat geval is het een absoluut reactionair argument. Het liberalisme heeft altijd aan de arbeiders gezegd dat hun klassenstrijd de reactie zou “provoceren”.

De reformisten herhaalden deze beschuldiging tegen de marxisten, de mensjewieken tegen de bolsjewieken. Deze beschuldigingen herleiden zichzelf, in laatste instantie, tot de onderliggende gedachte dat als de onderdrukten niets doen, de onderdrukkers verplicht zullen zijn om hen te slaan. Dat is de filosofie van Tolstoy en Ghandi, maar niet van Marx en Lenin. Als L’Humanité in het vervolg de doctrine van “geen gewapend verzet” wil ontwikkelen, moet het haar symbool van de hamer-en-sikkel, het symbool van de Oktoberrevolutie, misschien vervangen door de geit die Ghandi van melk voorzag.

“Het bewapenen van de arbeiders is enkel opportuun in een revolutionaire situatie, die vandaag nog niet bestaat.”

Dit argument betekent dat de arbeiders zouden moeten toelaten dat ze afgeslacht worden vooraleer de situatie revolutionair wordt. Diegenen die gisteren de “Derde Periode” (26) predikten, willen vandaag niet zien wat er onder hun eigen ogen aan het gebeuren is. De kwestie van wapens komt alleen naar voren omdat de “vreedzame”, “normale”, “democratische” situatie geleid heeft tot een stormachtige en onstabiele situatie die zichzelf kan omzetten in een revolutionaire, of een contrarevolutionaire, situatie.

Dit alternatief is vooral afhankelijk van de vraag of de meest ontwikkelde arbeiders zullen toelaten dat ze aangevallen worden en beetje bij beetje verslagen worden of als ze iedere aanval zullen beantwoorden met twee tegenaanvallen, die voortkomen uit de moed van de onderdrukten en het verenigen van de onderdrukten onder hun vlag. Een revolutionaire situatie komt niet uit de lucht vallen. Het komt voort uit de actieve betrokkenheid van de revolutionaire klasse en haar partij.

De Franse stalinisten beargumenteren nu dat de militie niet in staat was om het Duitse proletariaat voor een nederlaag te behoeden. Gisteren ontkenden ze nog iedere nederlaag in Duitsland en stelden ze dat het beleid van de Duitse stalinisten correct was van begin tot einde. Vandaag zien ze alle kwaad in de Duitse arbeidersmilitie (Rote Front) (27). Zo komen ze van de ene fout bij de tegenovergestelde fout terecht, wat niet minder schandalig is. De militie zal op zichzelf niet de oplossing vormen. Een correcte politiek is nodig. Intussen leidde de politiek van de stalinisten in Duitsland (“het sociaal-fascisme is de belangrijkste vijand”, de splitsing in de vakbonden, het geflirt met nationalisme, putschisme) tot de isolatie van de proletarische voorhoede en haar nederlaag. Met een compleet verkeerde politiek, kon geen enkele militie de situatie redden.

Het is nonsens om te stellen dat de organisatie van de militie op zichzelf leidt tot avonturen, de vijand provoceert, de politieke strijd vervangt door fysieke strijd,… In al deze frasen verschuilt zich niets anders dan een politieke lafheid.

De militie, als sterke organisatie van de voorhoede, is in feite de beste verdediging tegen avonturen, tegen individueel terrorisme, tegen bloedige spontane explosies.

De militie is tegelijk de enige serieuze manier om de burgeroorlog te beperken die door het fascisme aan het proletariaat wordt opgedrongen. Laat de arbeiders, ondanks de afwezigheid van een “revolutionaire situatie”, de fils-à-papa patriotten op hun wijze corrigeren, en de rekrutering van de fascistische benden zal onvergelijkbaar moeilijker worden.

Maar dan komen de strategen die verwikkeld zijn in hun eigen redeneringen, en nog stommere argumenten naar voren brengen. We citeren letterlijk:

“Als we de revolverschoten van de fascisten beantwoorden met andere revolverschoten,” schrijft L’Humanité op 23 oktober (28) “verliezen we uit het oog dat het fascisme het product is van het kapitalistische regime en dat we in onze strijd tegen het fascisme het gehele systeem bevechten waarmee we geconfronteerd worden.”

Het is moeilijk om op een paar lijnen meer verwarring en fouten samen te brengen. Het is onmogelijk om ons tegen de fascisten te verdedigen omdat ze “een product van het kapitalistische regime zijn”. Dat betekent dat we heel de strijd moeten verlaten, want alle sociale problemen vandaag zijn “producten van het kapitalistische systeem”.

Als de fascisten een revolutionair vermoorden, een gebouw van een proletarische krant platbranden, moeten de arbeiders op filosofische wijze verzuchten: “Helaas! Moordenaars en brandstichters zijn producten van het kapitalistische systeem”, waarna ze met gerust gemoed naar huis kunnen gaan. Fatalistische uitputting komt in de plaats van de militante theorie van Marx, de enigen die hier voordeel uit halen zijn de klassenvijanden. Het failliet van de kleinburgerij is, natuurlijk, een product van het kapitalisme. De groei van de fascistische benden is op haar beurt een gevolg van het failliet van de kleinburgerij. Maar anderzijds zijn ook de toename van de miserie en opstanden van het proletariaat producten van het kapitalisme, en de militie op haar beurt is een product van de scherper wordende klassenstrijd. Waarom stellen de “marxisten” van L’Humanité dan dat de fascistische benden een legitiem product van het kapitalisme zijn, en de arbeidersmilities het onlegitiem product van — de trotskisten? Het is onmogelijk om daar kop of staart van te maken.

“We moeten heel het systeem aanpakken”, wordt ons verteld.

Hoe? Door over de hoofden van de mensen heen te werken? De fascisten in de verschillende landen begonnen met hun revolvers en eindigden met het vernietigen van het hele “systeem” van arbeidersorganisaties. Hoe kunnen we anders het hoofd bieden aan een gewapend offensief van de vijand dan met een gewapende verdediging, waarmee we op onze beurt in het offensief kunnen gaan?

L’Humanité geeft nu toe aan verdediging in woorden, maar enkel in de vorm van “massale zelfverdediging”. De militie is schadelijk omdat het de gevechtseenheden van de massa’s scheidt… Maar waarom zijn de onafhankelijke gewapende detachementen van de fascisten dan niet losgekoppeld van de reactionaire massa’s maar juist gebaseerd op de moed en de actiebereidheid van die massa’s door goed georganiseerde aanvallen? Of is de proletarische massa inferieur aan de kleinburgerij op vlak van gevechtskwaliteiten?

Hopeloos verward, begint L’Humanité eindelijk te twijfelen: het schijnt dat massaverdediging vereist dat er speciale “zelfverdedigingsgroepen” worden opgezet. In plaats van de verworpen milities, worden speciale groepen of detachementen voorgesteld. Op het eerste zicht lijkt het alsof er enkel op vlak van de naam een verschil is. Natuurlijk betekent de naam die door L’Humanité wordt voorgesteld op zich niets. Je kunt spreken van “massale zelfverdediging”, maar het is onmogelijk om te spreken van “zelfverdedigingsgroepen”, aangezien het doel van die groepen niet de verdediging van zichzelf is, maar van de arbeidersorganisaties. Maar het is natuurlijk geen kwestie van benaming. De “zelfverdedigingsgroepen”, moeten volgens L’Humanité het gebruik van wapens afkeuren om niet in een vorm van “putschisme” te vervallen. Deze wijzen behandelen de arbeidersklasse als een kind dat geen scheermes in zijn handen mag houden. Scheermessen zijn bovendien, zoals we weten, het monopolie van de Camelots du Roi (29), die een legitiem “product van het kapitalisme” zijn, en die met behulp van messen het democratisch “systeem” hebben omvergeworpen. Hoe zullen die “zelfverdedigingsgroepen” zich verdedigen tegen fascistische revolvers? “Ideologisch”, natuurlijk. Met andere woorden: ze zullen zichzelf wegsteken. Aangezien ze niet de benodigde zaken in hun handen hebben, zullen ze als “zelfverdediging” de benen nemen. En de fascisten zullen intussen de arbeidersorganisaties stevig aanpakken. Maar als het proletariaat een verschrikkelijke nederlaag leidt, zal het alleszins niet schuldig geweest zijn aan “putschisme”. Deze baarlijke nonsens, en dat onder het banier van het “bolsjewisme”, kan enkel afschuw en afkeer opwekken.

Tijdens de “Derde Periode” in de goede oude dagen — toen de strategen van L’Humanité vervuld waren door het delirium van de barricaden, en de straten iedere dag “veroverden” en iedereen die hun extravagante meningen niet deelde als “sociaal-fascistisch” werd bestempeld — voorspelden we: “Het moment waarop deze heren hun vingertoppen verbranden, zullen ze de ergste opportunisten worden.” Die voorspelling wordt nu volledig bevestigd. Op een ogenblik waarbij binnen de Socialistische Partij de beweging voor een militie groeit en sterker wordt, staan de leiders van de zogenaamde Communistische Partij aan de kant van diegenen die de wens van de ontwikkelde arbeiders om zichzelf te organiseren in gevechtseenheden, willen laten afkoelen. Kun je een meer demoraliserend en schadelijk werk voorstellen dan dit?

In de rangen van de Socialistische Partij horen we soms de volgende bedenking: “Er moet een militie gevormd worden, maar we moeten dit niet van de daken schreeuwen.”

We kunnen de kameraden die de praktische kant van de zaak willen afschermen van de ogen en oren van onze tegenstanders enkel feliciteren. Maar het is bijzonder naïef te denken dat een militie op onmerkbare, geheime wijze binnen vier muren opgezet kan worden. We hebben tientallen en later honderden en duizenden vechters nodig. Ze zullen enkel deelnemen als miljoenen mannen en vrouwen uit de arbeidersklasse, en na hen de boeren, de noodzaak van de militie begrijpen en rond de vrijwilligers een sfeer van sterke sympathie en actieve steun creëren. De samenzweerderige bezorgdheid kan en mag enkel betrekking hebben op het technische aspect van de kwestie. De politieke campagne moet openlijk gevoerd worden, op meetings, in de fabrieken, op de straten, op de marktpleinen.

De centrale kaders van de militie moeten fabrieksarbeiders zijn die georganiseerd zijn op hun werkplaats, elkaar kennen en beter in staat zijn om hun gevechtseenheid te beschermen tegen provocaties van vijandige agenten dan de hoogste bureaucraten. Samenzweerderige commando’s zonder openlijke mobilisatie van de massa’s zullen op het ogenblik dat er gevaar dreigt, ondoeltreffend blijken. Iedere organisatie van de arbeidersklasse moet deelnemen. Er kan daarbij in deze kwestie geen scheidingslijn zijn tussen arbeiderspartijen en de vakbonden. Hand in hand moeten die de massa’s mobiliseren. Het succes van de arbeidersmilitie zal dan verzekerd zijn.

“Maar waar zullen de arbeiders hun wapens halen”, werpen de nuchtere ‘realisten’ op — het is te zeggen, de angstige filisters — “de vijand heeft geweren, kanonnen, tanks, gas, en vliegtuigen. De arbeiders hebben een paar honderd revolvers en zakmessen.”

Met deze tegenkanting wordt alles eraan gedaan om de arbeiders bang te maken. Enerzijds stellen onze wijzen de wapens van de fascisten gelijk met de uitrusting van de staat. Anderzijds keren ze zich naar de staat en eisen ze ervan dat de fascisten ontwapend worden. Eigenaardige logica! In feite is hun positie verkeerd in beide gevallen. In Frankrijk staan de fascisten nog ver van de situatie waarbij ze de staat controleren. Op 6 februari raakten ze zelfs betrokken in een gewapend conflict met de politie. Het is dan ook verkeerd om te spreken over kannonnen en tanks als het gaat over de onmiddellijke gewapende strijd tegen de fascisten. Natuurlijk zijn de fascisten rijker dan ons. Het is voor hen gemakkelijker om wapens te kopen. Maar de arbeiders zijn met meer, zijn meer vastberaden, meer toegewijd, als ze bewust zijn van een stevige revolutionaire leiding.

Naast andere bronnen, kunnen de arbeiders zich bewapenen door de fascisten systematisch te ontwapenen.

Dit is nu één van de meest serieuze vormen van de strijd tegen het fascisme. Als de arsenalen van de arbeiders uitbreiden ten koste van de wapendepots van de fascisten, zullen de banken en grote bedrijven voorzichtiger zijn in het financieren van hun moorddadige bendes. Het zou in dit geval — maar enkel in dit geval — zelfs mogelijks zijn dat de gealarmeerde autoriteiten echt werk zou beginnen maken van het verhinderen dat de fascisten zich kunnen bewapenen, met als doelstelling het verhinderen dat de arbeiders zich extra wapens kunnen toeëigenen. We weten al lang dat enkel een revolutionaire tactiek, als neveneffect, leidt tot “hervormingen” of toegevingen van de regering.

Hoe kunnen we de fascisten ontwapenen? Dat is natuurlijk niet mogelijk met enkel en alleen een reeks krantenartikels. Er moeten gevechtseenheden opgezet worden. Er moet een inlichtingendienst komen. Duizenden informanten en bevriende arbeiders zullen zich vrijwillig aanbieden als ze zich realiseren dat we de zaken serieus aanpakken. Dit vereist een vastberaden wil tot proletarische actie.

De wapens van de fascisten zijn natuurlijk niet het enige. In Frankrijk zijn er meer dan een miljoen georganiseerde arbeiders. Algemeen gesproken is dat aantal beperkt. Maar het is voldoende om te beginnen met het organiseren van een arbeidersmilitie. Als de partijen en vakbonden slechts één tiende van hun leden zouden bewapenen, zou dat al een kracht van 100.000 manschappen zijn. Ongetwijfeld zou het aantal vrijwilligers die zich aanbieden bij een “verenigd front” oproep voor een arbeidersmilitie, dat aantal sterk overtreffen. De bijdragen van de partijen en vakbonden, collecties en vrijwillige bijdragen, zouden het binnen de paar maanden mogelijk maken om tussen de 100.000 en 200.000 arbeiders te bewapenen. De fascisten zouden met hun staart tussen de benen afdruipen. Onze perspectieven zouden er onvergelijkbaar beter uitzien.

De afwezigheid van wapens of andere redenen inroepen om uit te leggen waarom er nog geen pogingen gedaan zijn om een militie op te zetten, getuigt van een grote mate van zelfbedrog en misleiding. Het belangrijkste obstakel — we kunnen zelfs zeggen: het enige obstakel — vindt haar oorsprong in de conservatieve en passieve aard van de leiding van de arbeidersorganisaties. De sceptici die de leiders zijn, geloven niet in de sterkte van het proletariaat. Ze stellen al hun hoop in allerhande mirakeloplossingen die van bovenaf komen, in plaats van het versterken van de revolutionaire energie vanonderuit. De socialistische arbeiders moeten hun leiders ter verantwoording roepen om onmiddellijk over te gaan tot het opzetten van een arbeidersmilitie of anders een stap opzij te zetten voor jongere, frisse krachten.

Een staking kan niet uitgeroepen worden zonder propaganda en zonder agitatie. Het is ook niet mogelijk zonder stakingspiketten die, indien mogelijk, overtuigen, en indien noodzakelijk hun fysieke krachten inzetten. De staking is een basisvorm van klassenstrijd die altijd — in wisselende proporties — “ideologische” methoden combineert met fysieke methoden. De strijd tegen het fascisme is essentieel een politieke strijd die een militie nodig heeft zoals een staking een piket nodig heeft. Het piket is het embryo van de arbeidersmilitie. Wie afstand neemt van “fysieke” strijd, neemt afstand van iedere strijd, aangezien de geest niet losstaat van het vlees.

De grote militaire theoreticus Clausewitz stelde reeds met een schitterende frase dat de oorlog de verderzetting is van de politiek, maar met andere middelen. Die definitie gaat ook op voor de burgeroorlog. Het is niet toelaatbaar om beiden tegenover elkaar te zetten, aangezien het onmogelijk is om volgens goeddunken de politieke strijd te voeren als het zich, door krachten van innerlijke noodzakelijkheid, omvormt tot een gewapende strijd.

De taak van een revolutionaire partij bestaat erin dat ze vooruitziet in de tijd en de onvermijdelijkheid erkent dat de politiek zal leiden tot een openlijk gewapend conflict, en daarom haar krachten voorbereidt op dat moment, net zoals de heersende klassen dat doen.

De eenheden van de militie voor de verdediging tegen het fascisme, vormen de eerste stap in de bewapening van het proletariaat. Maar dit zijn niet de laatste stappen. Onze slogan is: “Bewapen het proletariaat en de revolutionaire boeren!”.

De arbeidersmilitie moet in laatste instantie alle werkenden verenigen. Dat programma vervolledigen is enkel mogelijk in een arbeidersstaat die alle productiemiddelen in handen heeft, en bijgevolg ook alle middelen van vernietiging — alle wapens en de fabrieken die deze produceren.

Het is echter niet mogelijk om met lege handen een arbeidersstaat op te bouwen. Enkele politieke invaliden, zoals Renaudel (30), spreken van een vreedzame, grondwettelijke weg naar het socialisme. De grondwettelijke weg is bezaaid met loopgraven die in handen zijn van fascistische benden. Het aantal loopgraven waarmee we geconfronteerd worden, zijn niet beperkt. De burgerij zal er niet aan twijfelen om tientallen staatsgrepen te gebruiken, met de hulp van politie en leger, om te verhinderen dat het proletariaat aan de macht zou komen.

Een socialistische arbeidersstaat kan enkel gecreëerd worden door een succesvolle revolutie.

Iedere revolutie wordt voorbereid door de economische en politieke ontwikkelingen, maar wordt uiteindelijk beslist in een openlijk conflict tussen vijandige klassen. Een revolutionaire overwinning is enkel mogelijk door een langdurige politieke agitatie, een periode van vorming en organisatie van de massa’s. Maar ook het gewapende conflict moet op dezelfde wijze langdurig voorbereid worden. De meest ontwikkelde arbeiders moeten weten dat ze zullen moeten vechten en de strijd moeten aangaan. Ze moeten zich bewapenen als garantie voor hun bevrijding.

DE PERSPECTIEVEN IN DE VERENIGDE STATEN

Uit ‘Some Questions on American Problems’, Fourth International, Oktober 1940

* * *

Het achtergebleven karakter van de arbeidersklasse in de Verenigde Staten is slechts relatief.

Op heel wat vlakken is het de meest progressieve arbeidersklasse ter wereld, zowel technisch als op het vlak van de levensstandaard….

De Amerikaanse arbeiders zijn erg strijdbaar — zoals we hebben gezien tijdens de stakingen. Ze hebben een aantal van de meest rebelse stakingen gehouden. Wat de Amerikaanse arbeiders wel missen is een gevoel voor veralgemeningen, analyse en van hun klassepositie in de samenleving in het algemeen. Dit gebrek aan sociale reflectie vindt haar oorsprong in de geschiedenis van het land…

Over het fascisme

In alle landen waar het fascisme overwon, zagen we vóór de groei van het fascisme en de overwinning ervan, een golf van radicalisering van de massa’s — van de arbeiders en de arme landarbeiders en boeren, en van de kleinburgerij. In Italië was er na de oorlog en voor 1922 een revolutionaire golf van een enorme omvang; de staat werd geparalyseerd, de politie bestond niet, de vakbonden konden alles doen wat ze wilden — maar er was geen partij die in staat was om de macht te nemen. Als reactie kwam het fascisme naar voren.

In Duitsland zagen we hetzelfde. Er was een revolutionaire situatie in 1918; de burgerij vroeg zelfs niet om aan de macht te kunnen deelnemen. De sociaal-democraten ontzenuwden de revolutie. De arbeiders probeerden het opnieuw in 1922-23-24. Dit was op een ogenblik dat de Communistische Partij haar failliet had aangetoond — zoals we eerder al aangegeven hebben. Daarna begonnen de Duitse arbeiders in 1929-30-31 een nieuwe revolutionaire golf. Er zat een enorme macht in de communisten en de vakbonden, maar dan kwam de fameuze politiek (vanuit de stalinistische beweging) van het sociaal-fascisme, een politiek die uitgevonden werd om de arbeidersklasse te verlammen. Slechts na drie van deze grote golven werd het fascisme een grote beweging. Er zijn geen uitzonderingen op deze regel — het fascisme komt alleen op als de arbeidersklasse aantoont dat het niet in staat is om het lot van de samenleving in eigen handen te nemen.

In de Verenigde Staten zullen we hetzelfde zien. Er bestaan al fascistische elementen, en zij hebben natuurlijk de voorbeelden van Italië en Duitsland. Ze zullen daarom op een sneller ritme kunnen werken. Maar er zijn ook voorbeelden van andere landen. De volgende historische golf in de Verenigde Staten zal die van de radicalisering van de massa’s zijn, en niet het fascisme. Natuurlijk kan een oorlog die radicalisering een tijdlang tegenhouden, maar dat zal enkel het tempo van de latere radicalisering versnellen.

We mogen een oorlogsdictatuur — de dictatuur van de militaire machine, de generale staf en het financie-kapitaal — niet verwarren met een fascistische dictatuur. Voor dat laatste is het eerst noodzakelijk dat er onder brede lagen van de bevolking een gevoel van wanhoop heerst. Als de revolutionaire partijen hen verraden, als de voorhoede van de arbeiders niet in staat is om het volk naar een overwinning te leiden — dan, en enkel dan, wordt het mogelijk dat de boeren, kleine zelfstandigen, werklozen, soldaten,… een fascistische beweging gaan steunen.

Een militaire dictatuur is een zuiver bureaucratische instelling, opgelegd door de militaire machine en gebaseerd op de desoriëntatie van de bevolking en haar onderwerping aan de militaire machine. Na een zekere tijd kan de houding van de bevolking veranderen om in opstand te komen tegen de dictatuur.

BOUW MEE AAN DE REVOLUTIONAIRE PARTIJ!

* * *

In iedere discussie over politiek rijst de vraag: zullen we in staat zijn om een sterke partij op te bouwen voor het ogenblik dat de crisis er komt? Zal het fascisme ons niet voor zijn? Is een fascistisch stadium van ontwikkeling onvermijdelijk?

De successen van het fascisme leiden er soms toe dat mensen alle perspectief verliezen, en vergeten wat de omstandigheden waren waarin het fascisme zich kon versterken en een overwinning kon behalen. Een duidelijk begrip van die omstandigheden is van enorm belang voor de arbeiders van de Verenigde Staten. We kunnen het als een historische wet naar voren brengen: het fascisme kon enkel aan de macht komen in die landen waar conservatieve arbeiderspartijen het proletariaat verhinderden om gebruik te maken van de revolutionaire situatie om de macht te grijpen. In Duitsland waren er twee revolutionaire situaties geweest: 1918-1919 en 1923-1924. Zelfs in 1929 was een directe strijd om de macht door het proletariaat nog mogelijk. In alle drie deze gevallen werd de machtsstrijd op criminele en gemene wijze door de sociaal-democratie en de Comintern verstoord waardoor de samenleving in een impasse terechtkwam. Het was enkel onder deze voorwaarden en in deze situatie dat de stormachtige groei van het fascisme mogelijk was waardoor het in staat was de macht de verwerven.

* * *

Voor zover het proletariaat aantoont dat het op een gegeven ogenblik niet in staat is om de macht te veroveren, zal het imperialisme het economische leven beginnen te reguleren met haar eigen methoden: de fascistische partij die de staatsmacht wordt, is daarbij het politieke mechanisme. De productiekrachten staan in een onverzoenbare tegenstelling met zowel het private bezit als met de grenzen van de nationale staten. Imperialisme is net de uitdrukking van die tegenstelling. Het imperialistische kapitalisme probeert de tegenstelling op te lossen door het uitbreiden van de grenzen, het veroveren van nieuwe gebieden, enzoverder. De totalitaire staat, waarbij alle aspecten van het economische, politieke en culturele leven, onderworpen worden aan het financie-kapitaal, is het instrument om een supernationalistische staat te creëren, een imperialistisch imperium, de heerschappij over continenten en de heerschappij over heel de wereld.

Al deze kenmerken van vrijheid hebben we geanalyseerd, elk op zichzelf en allemaal in hun geheel, zodat ze duidelijk werden of op de voorgrond traden.

Zowel de theoretische analyse als de rijke historische ervaringen van de afgelopen 25 jaar hebben beiden aangetoond dat het fascisme telkens het finale stadium is van een specifieke politieke cyclus die gekenmerkt wordt door de hevige crisis van de kapitalistische samenleving, de toename van de radicalisering van de arbeidersklasse, de groei van de sympathie tegenover de arbeidersklasse, de roep voor verandering door de landelijke en stedelijke kleinburgerij, de extreme verwarring van de grote burgerij, haar laffe en verraderlijke manoeuvers om een revolutionaire climax te vermijden, de uitputting van het proletariaat, groeiende verwarring en onverschilligheid, de versterking van de sociale crisis, de wanhoop van de kleinburgerij, haar roep voor verandering, de collectieve neurose van de kleinburgerij, haar bereidheid om te geloven in mirakels, haar bereidheid tot gewelddadige maatregelen, de groei van de vijandigheid tegenover het proletariaat dat niet in staat is de verwachtingen waar te maken. Dat zijn de voorwaarden voor de vorming van een sterke fascistische partij en de overwinning van die partij.

Het is evident dat de radicalisering van de arbeidersklasse in de Verenigde Staten slechts door de eerste fase gepasseerd is, en dat bijna exclusief op het terrein van de vakbeweging (de CIO). De vooroorlogse periode, en de oorlog zelf, kunnen het proces van radicalisering tijdelijk onderbreken, zeker als een belangrijk aantal arbeiders in de oorlogsindustrie betrokken wordt. Maar die onderbreking van het proces van radicalisering kan niet van lange duur zijn. Het tweede stadium van radicalisering zal een scherper en meer expressief karakter aannemen. Het probleem om een onafhankelijke arbeiderspartij te vormen zal op de agenda staan. Onze overgangseisen zullen aan populariteit winnen. Anderzijds zullen de fascistische, reactionaire tendensen zich terugtrekken op de achtergrond en een defensieve houding aannemen in afwachting van een meer gunstige periode. Dat is het perspectief in de nabije toekomst. Geen enkele bezigheid is meer nutteloos dan het speculeren of we er al dan niet in zullen slagen om een stevige revolutionaire kaderpartij te vormen. Voor ons ligt een gunstig perspectief die een rechtvaardiging vormt voor revolutionair activisme. Het is noodzakelijk om de mogelijkheden te benutten die zich beginnen te stellen en de revolutionaire partij op te bouwen.

VOETNOTEN

[12] De Comintern.

[13] “Het IJzeren Front”: Een blok tussen verschillende grote vakbonden en burgerlijke “republikeinse” groepen met weinig aanhangers of prestige onder de massa’s. Het werd opgezet door de sociaal-democraten tegen het einde van 1931. Binnen de vakbonden werden gevechtseenheden opgezet die ‘IJzeren Vuisten’ genoemd werden, en ook sportgroepen van de arbeidersbeweging werden in het IJzeren Front betrokken. Op de eerste betogingen en meetings, waarop duizenden arbeiders de vuisten balden, weerklonk de eis “Vrijheid” en werd gezworen om de democratie te verdedigen. De massa’s in de Sociaal-Democratische Partij en de vakbonden geloofden echt dat deze organisatie gebruikt zou worden om Hitler te stoppen. Dat was niet het geval.

[14] Heinrich Bruening was kanselier van 1930 tot 1932. De normale parlementaire regering in Duitsland duurde tot maart 1930. Daarna volgden een reeks bonapartistische regimes — Bruening, von Papen, von Schleicher, e.a., kanseliers die niet doorheen de parlementaire procedures regeerden maar via “nooddecreten”. Die figuren stelden zichzelf voor als politieke redders die het land door de crisis zouden helpen, en dus boven klasse en partij stonden. Ze waren niet afhankelijk van de oude burgerlijke partijen maar op hun leiding over de politie, het leger en de regeringsbureaucratie. Terwijl ze voorhielden de natie te redden van de gevaren — zowel ter linkerzijde (socialisten en communisten) als ter rechterzijde (fascisten), sloegen ze hard toe tegen de linkerzijde aangezien hun voornaamste belang erin bestond het kapitalisme te redden.

[15] De belangrijkste sociaal-democratische krant

[16] Linkerzijde van kleinburgerlijke krachten in de Franse Revolutie, in haar meest revolutionaire fase geleid door Robespierre

[17] 4 augustus 1914: ineenstorting van de Tweede Internationale. De afgevaardigden van de Duitse Sociaal-Democratische Partij stemden in de Reichstag voor de oorlogsbegroting van de imperialistische regering; op dezelfde dag deden parlementsleden van de Franse Socialistische Partij hetzelfde in de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

[18] Josef Pilsudski (1876-1935): aanvankelijk een socialist met nationalistische standpunten, in 1920 leidde hij de anti-sovjetkrachten in Polen, in 1926 leidde hij een staatsgreep en vestigde hij een dictatuur.

[19] Warski: een vriend van Rosa Luxemburg die bij de meningsverschillen tussen Luxemburg en de bolsjewieken de zijde van Luxemburg koos. Toen de Comintern een bocht naar links maakte in haar fase van de “Derde Periode”, werd Warski uit de leiding van de Poolse Communistische Partij gezet, maar niet uit de partij gesloten. Hij verdween in de Sovjet-Unie ten tijde van de ‘grote zuivering’ van 1936-38.

[20] Rosa Luxemburg (1870-1919): Belangrijke revolutionaire theoretica en leidster. Aanvankelijk actief in de socialistische beweging in haar geboorteland Polen, maar nadien een leidster van de linkerzijde in de Duitse Sociaal-Democratische Partij. Luxemburg belandde samen met Karl Liebknecht in de gevangenis omwille van haar oppositie tegen Wereldoorlog I. Na hun vrijlating leidden beiden de Spartakusbund. Ze werden gearresteerd en vermoord tijdens de onsuccesvolle revolutie van 1919.

[21] De eerste “dictatuur van het proletariaat” of “arbeidersdemocratie”, maart 1871

[22] Gaston Doumergue: bonapartistisch premier van Frankrijk. Opvolger van Edouard Daladier, wiens regering viel de dag na de rellen van 6 februari 1934.

[23] In Frankrijk

[24] Het blad van de Socialistische Partij

[25] Het blad van de Communistische Partij

[26] “De Derde Periode”: Volgens het stalinistische schema, was dit de “finale periode van het kapitalisme”, de periode van haar onmiddellijke ineenstorting en vervanging door sovjets. De periode is belangrijk voor de ultra-linkse en avonturistische tactieken van de communisten, vooral met het concept van het sociaal-fascisme.

[27] Rode Front Strijders: door communisten geleide militie die verboden werd door de sociaal-democratische regering na de rellen in Berlijn op 1 mei 1929

[28] 1934

[29] Franse monarchisten rond het blad Action Française van Charles Maurras, een gewelddadige anti-democratische groep

[30] Pierre Renaudel (1871-1935): voor WO I de rechterhand van de socialistische leider Jean Jaurès en redacteur van L’Humanité. Tijdens de oorlog werd hij een rechtse sociaal-patriot. In de jaren 1930 leidde hij samen met Marcel Deat de “neo-socialistische” tendens. Toen deze tendens op het partijcongres van de Socialistische Partij in 1933 weggestemd werd, splitsten ze af. Na de fascistische rellen van 6 februari 1934 sloten de meeste “neo’s” aan bij de Radicale Partij, de belangrijkste partij van het Franse kapitalisme.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie