3. SOCIALISME EN DE STAAT

1. Het overgangsregime

Is het waar, zoals de officiële autoriteiten beweren, dat het socialisme al is gerealiseerd in de Sovjet-Unie? En zoniet, hebben de bereikte resultaten dan tenminste het realiseren ervan binnen de nationale grenzen zeker gesteld, ongeacht de loop van de ontwikkelingen in de rest van de wereld? De voorafgaande kritische waardering van de belangrijkste indicatoren van de Sovjet economie zouden ons een redelijk uitgangspunt moeten verschaffen om deze vraag te beantwoorden, maar we hebben ook een aantal vooraf bepaalde theoretische referentiepunten nodig.

Het marxisme gaat uit van de ontwikkeling van de techniek als fundamentele motor van de vooruitgang en construeert het communistische programma op basis van de dynamiek van de productiekrachten. Als je er van uitgaat dat een of andere kosmische ramp onze planeet in de nabije toekomst zal vernietigen, dan moet je natuurlijk het communistische perspectief, samen met veel andere, afwijzen. Maar afgezonderd van dit tot op heden nog erg hypothetische gevaar, is er geen enkele wetenschappelijke reden om vooraf ook maar enige beperking op te leggen aan onze technisch-productieve en culturele mogelijkheden. Het marxisme is doordrongen van het optimisme van vooruitgang en dat alleen al maakt het trouwens onverenigbaar tegenstander van religie.

De materiële voorwaarden voor het communisme zijn een dusdanig hoge ontwikkeling van de menselijke economische macht, dat de productieve arbeid niet langer als een last beschouwt, geen aparte prikkel meer nodig heeft en de verdeling van de levensbenodigdheden, die overvloedig aanwezig zijn, geen aparte controle meer nodig heeft behalve die van opvoeding, gewoonte en sociale opvatting, zoals dat nu bijvoorbeeld het geval is in de meeste gegoede families of ‘beschaafde’ pensions. Ik denk eerlijk gezegd dat het tamelijk bekrompen zou zijn om zo’n bescheiden perspectief als “utopisch” te bestempelen.

Het kapitalisme heeft de voorwaarden en de krachten geschapen voor een sociale revolutie; techniek, wetenschap en de arbeidersklasse. Maar de communistische structuur kan niet onmiddellijk de burgerlijke samenleving vervangen. De materiële en culturele erfenis schiet daarin tekort. Op haar eerste schreden kan de arbeidersstaat zich niet veroorloven dat “iedereen werkt naar zijn mogelijkheden”, oftewel zoveel als men wil of kan, en ook kan ze niet iedereen belonen “naargelang naar behoefte”, ongeacht de verrichte arbeid. Om de productiekrachten te versterken is het noodzakelijk terug te grijpen op de gebruikelijke vormen van salarisbetaling, oftewel een verdeling van gebruiksgoederen in relatie tot de kwantiteit en de kwaliteit van de individuele arbeid.

Marx noemde deze eerste fase van de nieuwe samenleving “de laagste trap van het communisme”. En dat in tegenstelling tot de hoogste fase waarin samen met de laatste restjes gebrek de materiële ongelijkheid zal verdwijnen. In dat opzicht worden het socialisme en het communisme tegen elkaar afgezet als de laagste en hoogste trap in de nieuwe samenleving. “Wij hebben op dit moment nog geen volledig communisme”, zo luidt het volgens de officiële Sovjet doctrine, “maar het socialisme hebben we bereikt, oftewel de laagste trap van het communisme”. En als bewijs hiervan worden de dominantie van de staatsbedrijven in de industrie, de collectieve bedrijven in de landbouw en de staats- en coöperatieve ondernemingen in de handel opgevoerd. Op het eerste gezicht komt dit precies overeen met de aannames en dus hypothetische schema’s van Marx. Maar daarom geldt juist voor marxisten dat het vraagstuk niet beantwoord is door alleen naar de eigendomsverhoudingen te kijken, los van de arbeidsproductiviteit. Sowieso bedoelde Marx met de laagste trap van communisme een samenleving die vanaf het begin al een hogere economische ontwikkeling zou hebben dan het meest ontwikkelde kapitalisme. In theorie klopt die stelling precies omdat het communisme op wereldschaal, zelfs in haar eerste aanvangsfase, een hoger niveau van ontwikkeling betekent dan die van de burgerlijke samenleving. Bovendien ging Marx ervan uit dat de Fransen de sociale revolutie zouden beginnen, de Duitsers hem zouden doorzetten en de Engelsen hem zouden voltooien. En wat de Russen betreft, zag Marx hen in de achterhoede vertoeven. Maar deze verwachtte volgorde werd door de feiten gelogenstraft. Wie nu op een mechanische manier het algemene historische concept van Marx probeert toe te passen op de Sovjet-Unie, raakt onmiddellijk verstrikt in onoverbrugbare tegenstellingen.

Rusland was niet de sterkste, maar de zwakste schakel van het kapitalisme. De huidige Sovjet-Unie staat niet boven het wereldniveau van de economie, maar probeert juist in te lopen op de kapitalistische landen. Als Marx die samenleving, welke zou worden gevormd op basis van de socialisatie van de productiekrachten van het meest ontwikkelde kapitalisme van dat tijdperk, als laagste trap van het communisme bestempelde, dan slaat dat dus duidelijk niet op de Sovjet-Unie, die vandaag nog ver achter loopt op de kapitalistische landen. Of we het nu hebben over de techniek, cultuur of de goede dingen van het leven. De waarheid zou beter gediend zijn door het huidige Sovjet regime met al haar tegenstrijdigheden niet socialistisch te noemen, maar een voorbereidend regime in de overgang van kapitalisme naar socialisme.

Er zit geen greintje arrogantie in onze aandacht voor terminologische accuratesse. De kracht en stabiliteit van het regime wordt uiteindelijk bepaald door de relatieve arbeidsproductiviteit. Een socialistische economie in het bezit van een ten opzichte van het kapitalisme superieure techniek zou zich als het ware automatisch verzekeren van een socialistische ontwikkeling, hetgeen helaas van de Sovjet-Unie nog niet beweerd kan worden.

De meerderheid van de ongenuanceerde verdedigers van de Sovjet-Unie zoals die nu is, zijn geneigd als volgt te redeneren: ook al moet je toegeven dat het huidige Sovjet regime nog niet socialistisch is, dan nog zou dit door de verdere ontwikkeling van de productiekrachten vroeg of laat tot de complete overwinning van het socialisme leiden. Daarom is alleen de tijd een onzekere factor. En is het de moeite waard om daar moeilijk over te doen? Hoe triomfantelijk deze redenering in eerste instantie ook lijkt, het is in feite zeer oppervlakkig. Want in historische processen speelt de tijd nooit een ondergeschikte rol. Het door elkaar halen van tegenwoordige en verleden tijd is in de politiek veel gevaarlijker dan in de grammatica. Evolutie is heel wat anders dan de regelmatige accumulatie en continue “verbetering” van wat er al bestaat, zoals de vulgaire evolutionisten van het type Webb zich voorstellen. Het kent overgangen van kwantiteit naar kwaliteit,  crisissen, sprongen vooruit en terugvallen. En het is precies daarom dat de Sovjet-Unie de eerste trap van het socialisme, als een evenwichtig systeem van productie en distributie, nog lang niet heeft bereikt. Dat haar ontwikkeling niet harmonieus, maar met tegenstrijdigheden plaatsvindt. Economische tegenstrijdigheden produceren sociale tegenstellingen. We hebben pas kunnen zien hoe zeer dit opgaat in het geval van de Koelak die niet bereid was om geleidelijk in het socialisme te “groeien” en die, tot verrassing van de bureaucratie en haar ideologen, een nieuwe en aanvullende revolutie eiste. Wil de bureaucratie, in wiens handen de macht en rijkdom zijn geconcentreerd, zelf wel vreedzaam naar het socialisme groeien? Enig voorbehoud is hier zeker op zijn plaats. Hoe dan ook is het ongepast hierin de bureaucratie op haar woord te geloven. Op dit moment is het onmogelijk om een definitief en onherroepelijk antwoord te geven op de vraag in welke richting de economische tegenstellingen en sociale tegenstrijdigheden van de Sovjet samenleving zullen ontwikkelen in de loop van de komende drie, vijf of tien jaar. De uitkomst hangt af van de strijd van de levende sociale krachten, niet alleen op nationale maar ook op internationale schaal. In elke nieuwe fase is daarom een concrete analyse van de actuele verhoudingen in hun samenhang en continue wederzijdse beïnvloeding noodzakelijk. We zullen het belang van zo’n analyse zien in het geval van de staat.

2. PROGRAMMA EN REALITEIT

In navolging van Marx en Engels zag Lenin als eerste belangrijke kenmerk van de arbeidersrevolutie het feit dat, na de uitbuiters onteigend te hebben, de noodzaak tot een bureaucratisch apparaat boven de samenleving zou vervallen, met name het politieapparaat en het staande leger.

“De arbeidersklasse heeft een staat nodig, dat kunnen alle opportunisten je vertellen”, schreef Lenin in 1917, twee maanden voor de machtsovername, “maar daarbij vergeten deze opportunisten te vertellen dat de arbeidersklasse alleen een stervende Staat nodig heeft; oftewel een Staat die dusdanig is gebouwd dat ze onmiddellijk begint af te sterven en niet anders kan dan afsterven.” (Staat en Revolutie)

Deze kritiek was toen gericht tegen reformistische socialisten zoals de Mensjewieken, de Britse Fabians, etc. En nu valt het met dubbele kracht de Sovjet idolaten aan met hun cultus voor een bureaucratische staat die helemaal niet van plan is om “af te sterven”.

De sociale behoefte aan een bureaucratie ontstaat in al die omstandigheden waar scherpe tegenstrijdigheden dienen te worden “verzacht”, “aangepast” of “gereguleerd” (en altijd in belang van de geprivilegieerden, de bezitters en altijd in het voordeel van de bureaucratie zelf). Daarom hebben we in alle burgerlijke revoluties, hoe democratisch ook, een versterking en perfectionering van het bureaucratische apparaat gezien.

“Het ambtenarenkorps en het staande leger zijn ‘parasieten’ van de burgerlijke samenleving, ontstaan uit de innerlijke tegenstellingen die de samenleving uiteen scheurt, maar toch een parasiet die de poriën van het leven verstopt”, schreef Lenin.

Vanaf begin 1917, in feite vanaf het moment dat machtsovername een reële mogelijkheid en praktisch probleem voor de partij werd, heeft Lenin zich steeds bezig gehouden met de gedachte deze “parasiet” te liquideren. Na de omverwerping van de uitbuitende klasse, zo herhaalt en legt hij uit in elk hoofdstuk van Staat en Revolutie, zal de arbeidersklasse het oude bureaucratische apparaat kapot slaan en haar eigen apparaat creëren uit beambten en arbeiders. En ze zal maatregelen treffen opdat deze geen nieuwe bureaucraten zullen worden, “maatregelen die in detail door Marx en Engels waren geanalyseerd, nl. 1) gekozen en te allen tijde herroepbaar; 2) salaris niet hoger dan de gemiddelde arbeider; 3) onmiddellijke overgang naar een regime waarin iedereen de taken van controle en supervisie uitvoert, zodat iedereen tijdelijk een ‘bureaucraat’ is, zodat niemand een bureaucraat kan worden.”

Denk niet dat Lenin het had over de problemen van het volgende decennium. Nee, het was de eerste stap “waarmee we zullen en moeten beginnen als we een arbeidersrevolutie willen”.

Anderhalf jaar na de machtsovername vond een zelfde opvatting over de staat in een arbeidersheerschappij haar definitieve vorm in het programma van de Bolsjewistische Partij, inclusief een paragraaf over het leger. Een sterke staat, maar zonder topbureaucraten, een sterk leger, maar zonder beroepsslachters! Het zijn niet de defensietaken die een militaire en staatsbureaucratie veroorzaken, maar de klassenstructuur in de samenleving die over wordt gedragen op de organisaties ter verdediging. Het leger is een afspiegeling van de maatschappelijke verhoudingen. In het gevecht tegen buitenlands gevaar is het voor zowel de arbeidersstaat als anderen noodzakelijk een gespecialiseerde militaire technische organisatie te hebben, maar in geen geval een geprivilegieerde kaste van officieren. Het partijprogramma eist een vervanging van het staande leger door een gewapende bevolking.

En dus houdt het regime van de arbeidersheerschappij vanaf het begin op een “staat” in de oude zin van het woord te zijn, oftewel een speciaal apparaat om de meerderheid van de bevolking in bedwang te houden. De materiële macht, samen met de wapens, valt direct en onmiddellijk in handen van de arbeidersorganisaties zoals de Sovjets. De staat als bureaucratisch apparaat begint vanaf de eerste dag van de arbeidersheerschappij. Zo wordt het in het partijprogramma gesteld, en dat tot op de dag van vandaag. Vreemd, het klinkt als een echo van een ver verleden.

Hoe je het karakter van de huidige Sovjet staat ook interpreteert, een ding staat onomstotelijk vast. Nu, aan het einde van het tweede decennium van haar bestaan, is de oude staat niet verdwenen, zelfs nog niet “begonnen af te sterven”. Veel erger nog, ze is gegroeid tot een tot op heden ongehoord groot apparaat van dwang. Niet alleen is de bureaucratie niet verdwenen, om plaats te ruimen voor de massa’s. Ze is veranderd in een ongecontroleerde macht die de bevolking overheerst.

Het leger is niet alleen niet vervangen door een gewapende bevolking, maar heeft zelfs een geprivilegieerde officierenkaste laten ontstaan, bekroond met maarschalken. En dat terwijl het volk, “de gewapende steunpilaren van de heerschappij”, het wordt verboden om in de Sovjet-Unie zelfs maar non-explosieve wapens te dragen. Er is niet veel fantasie nodig om een grotere tegenstelling te vinden in hetgeen wat Marx, Engels en Lenin als arbeidersstaat beschouwden en de huidige, door Stalin geleide staat. En terwijl de werken van Lenin nog steeds worden gepubliceerd (hoewel met weglatingen of verdraaiingen door de censuur) wordt door de huidige leiding in de Sovjet-Unie en haar ideologische vertegenwoordigers geeneens de vraag gesteld hoe het mogelijk is dat er zo’n enorm gapend gat zit tussen het programma en de realiteit. Dus proberen wij het wel hen.

3. HET TWEELEDIGE KARAKTER VAN DE ARBEIDERSSTAAT

De arbeidersheerschappij is een brug tussen de burgerlijke en socialistische samenleving. Daarom heeft het van nature een tijdelijk karakter. Een toevallige maar essentiële taak van de arbeidersstaat bestaat uit het voorbereiden van haar eigen ontbinding. De mate van realisatie van deze ‘toevallige’ taak is, tot op zekere hoogte, een maatstaf van haar succes tot vervulling van haar kerntaak, met name het construeren van een klasseloze maatschappij zonder materiële tegenstellingen. Bureaucratie en sociale harmonie zijn omgekeerd evenredig aan elkaar.

In zijn beroemde polemiek tegen Dühring schreef Engels: “Wanneer samen met de klassenoverheersing en de individuele strijd om het bestaan, die worden veroorzaakt door de anarchie in de productie, de conflicten en excessen die uit die strijd ontstaan, verdwijnen, valt er vanaf die tijd niets meer te onderdrukken en is er dus ook geen speciaal onderdrukkingsapparaat meer nodig zoals de staat”.

De napraters beschouwen het politieapparaat als een eeuwigdurend instituut. In werkelijkheid zal het politieapparaat de mensheid alleen zolang beteugelen, totdat de mens zijn natuur volledig weet te beteugelen. Om de staat te laten verdwijnen, moeten “klassenoverheersing en de individuele strijd om het bestaan” verdwijnen. Engels verbindt deze twee voorwaarden met elkaar, omdat in het perspectief van het veranderen van sociale regimes twee decennia niet veel voorstellen. Maar voor die generaties die gebukt gaan onder de druk van revolutie ligt dat anders. Het is waar dat de kapitalistische anarchie een strijd van een tegen allen creëert, maar het probleem is nu juist dat de vermaatschappelijking van de productiemiddelen niet automatisch “de individuele strijd om het bestaan” wegneemt. Dat is de kern van het probleem!

Zelfs een socialistisch Amerika, op basis van het meest ontwikkelde kapitalisme ter wereld, is niet in staat om onmiddellijk iedereen te voorzien in zijn of haar benodigdheden en zou daarom gedwongen zijn eenieder aan te sporen zoveel mogelijk te produceren. Onder deze omstandigheden is het logischerwijs de taak van de staat om als stimulator op te treden, die op haar beurt, met wijzigingen en aanpassingen, niet anders kan dan terug te vallen op de methodes van betaalde arbeid zoals onder het kapitalisme zijn ontwikkeld. In de geest hiervan schreef Marx in 1875: “Burgerlijke wetgeving… is onvermijdelijk in de eerste fase van de communistische samenleving, in een vorm ontstaan door de lange en pijnlijke barensweeën die nodig zijn om uit de kapitalistische samenleving voort te komen. De wet kan nooit hoger zijn dan de economische structuur en de culturele ontwikkeling van de samenleving die door die structuur is geconditioneerd.”

Toen hij deze opmerkelijke woorden verklaarde voegde Lenin eraan toe: “Burgerlijke wetgeving in relatie tot distributie van consumptiegoederen veronderstelt vanzelfsprekend een burgerlijke staat, want een wet is niets zonder een apparaat dat dwingend toeziet op de naleving ervan. Hieruit volgt”, we halen nog steeds Lenin aan, “dat onder het communisme niet alleen de burgerlijke wetgeving voor een zekere periode zal blijven bestaan, maar zelfs de burgerlijk staat zonder de burgerij!”

Deze zeer belangrijke conclusie is van doorslaggevend belang voor een begrip van de huidige Sovjet staat, of beter gezegd, voor een eerste stap naar een beter begrip. Maar ze wordt volledig genegeerd door de huidige officiële theoretici. In zoverre de staat die de taak van socialistische verandering op zich heeft genomen, gedwongen is om door middel van dwang de ongelijkheid, d.w.z. de materiële privileges van een minderheid, te verdedigen, zolang blijft het ook een “burgerlijke” staat, zelfs zonder burgerij. Deze woorden bevatten noch goed- noch afkeuring. Het is gewoon de dingen bij hun werkelijke naam noemen.

De burgerlijke verdelingsnormen zouden de socialistische doelen moeten ondersteunen, omdat ze de groei van de materiële macht versnellen, maar alleen in de laatste analyse. De staat neemt direct vanaf het begin een tweeledig karakter aan, socialistisch voor zover ze de maatschappelijke eigendom van de productiemiddelen verdedigt, burgerlijk in zoverre de verdeling van de levensmiddelen plaatsvindt op basis van een kapitalistische waardemaatstaf met alle bijbehorende gevolgen hiervan. Zo’n tegenstrijdige karakterisering kan de afschuw van de dogmatici en scholastici opwekken. We kunnen hen alleen onze spijtbetuigingen aanbieden.

De uiteindelijke gesteldheid van de arbeidersstaat zou bepaald moeten worden uit de veranderende verhouding tussen haar burgerij en de socialistische tendensen. De overwinning van de laatste zou ipso facto de uiteindelijke afschaffing van het politieapparaat moeten betekenen, oftewel het uiteenvallen van de staat in een zichzelf besturende samenleving. Alleen hierom zou het voldoende duidelijk moeten zijn hoe enorm belangrijk het probleem van de Sovjet bureaucratie is, op zichzelf en als symptoom!

Het is omdat Lenin, geheel in overeenstemming met zijn intellectuele temperament, een buitengewoon duidelijke uitdrukking gaf aan de gedachtegang van Marx en zo de bron van toekomstige problemen, waaronder zijn eigen, wist bloot te leggen. Hoewel het hem niet gegund was zijn analyses volledig te ontwikkelen. “Een burgerlijke staat zonder burgerij” bleek onverenigbaar met gewone Sovjet democratie. De tweeledige functie van de staat kon niet anders dan haar structuur aantasten. De ervaringen toonden aan wat in de theorie nog onmogelijk exact kon voorzien worden. Al was het voor de verdediging van de vermaatschappelijkte eigendom tegen de burgerlijke contrarevolutie voldoende een “staat van bewapende arbeiders” te hebben, de ongelijkheden in de consumptie reguleren was een heel andere kwestie. Diegenen die nauwelijks iets bezitten voelen zich niet direct geroepen dit te creëren en te verdedigen. De meerderheid kan zichzelf niet druk maken om de privileges van de minderheid. Om de “burgerlijke wet” te beschermen, was de arbeidersstaat gedwongen een nieuw “burgerlijk” apparaat te creëren. Hetzelfde oude politieapparaat, alleen in een nieuw jasje.

En zo hebben we de eerste stap gezet in het begrijpen van de fundamentele tegenstelling tussen het Bolsjewistische programma en de Sovjet realiteit. Als de staat niet afsterft, maar steeds groter en despotischer wordt, als de gevolmachtigde administrateurs van de arbeidersklasse bureaucraten worden en de bureaucratie zichzelf boven de samenleving verheft, dan komt dat niet door bijzaken als de psychologische overblijfselen uit het verleden en dergelijke, maar is dit het gevolg van de ijzeren noodzaak om een geprivilegieerde minderheid te scheppen en te onderhouden, zolang het onmogelijk blijft om een normale gelijkwaardigheid te garanderen.

Bureaucratische tendensen die de arbeidersbeweging in de kapitalistische landen in een wurggreep houden, zullen overal opduiken, zelfs na een arbeidersrevolutie. Maar hoe armer de samenleving is die uit een revolutie ontstaat, des te stringenter en openlijker deze “wet” tot uitdrukking zal komen, des te ruwer de vormen van bureaucratie zullen zijn en een des te grotere bedreiging voor de socialistische ontwikkeling. De Sovjet staat wordt niet alleen verhinderd af te sterven, maar zelfs beperkt in de mogelijkheid om zich te bevrijden van de bureaucratische parasiet. Niet dankzij de overblijfselen van de vorige heersende klasse, zoals het in de politieke doctrine van Stalin luidt, want op zichzelf zijn deze overblijfselen machteloos. Het wordt voorkomen door oneindig sterkere factoren, zoals materieel gebrek, culturele achterlijkheid en de als gevolg daarvan overheersende “burgerlijke wetgeving” op het gebied waar het alle mensen het meeste treft, namelijk op het terrein van het verzekeren van het eigen voortbestaan.

4. ‘ALGEMEEN GEBREK’ EN DE POLITIE

Marx schreef twee jaar voor het Communistisch Manifest: “De ontwikkeling van de productiekrachten is een absoluut noodzakelijke praktische voorwaarde (voor het communisme), omdat zonder deze het gebrek algemeen wordt en daarmee de strijd om de eerste levensbehoeften weer oplaait en dat zal betekenen dat alle oude troep weer op zal leven”.

Deze gedachtegang werd door Marx niet verder ontwikkeld en niet zonder reden. Hij had nooit een arbeidersrevolutie in een onderontwikkeld land voorzien. Ook Lenin heeft hier verder niet bij stilgestaan en dat was niet toevallig. Ook hij had een langdurig isolement van de Sovjet staat niet voorzien. Toch levert dit citaat, niet meer dan een abstracte constructie van Marx en een gevolgtrekking op basis van een negatieve ontwikkeling, een onmisbare theoretische oplossing voor de volledig concrete problemen en ziektes van het Sovjet regime. Op de geschiedkundige basis van wijdverbreide tekorten, nog versterkt door de imperialistische en burgeroorlogen, hield de “strijd om het individuele bestaan” niet op onmiddellijk nadat de burgerij omvergeworpen werd, zwakte niet af in de daarop volgende jaren, maar nam ze integendeel een ongehoorde felheid aan. Is het nodig in herinnering te brengen dat sommige regio’s tot tweemaal toe tot het punt van kannibalisme vervielen?

De enorme afstand tussen het tsaristische Rusland en het Westen kan pas nu op zijn juiste waarde worden geschat. Onder de meest gunstige omstandigheden, dus zonder interne verwikkelingen en externe catastrofes, zullen er toch nog een aantal vijfjarenplannen nodig zijn voordat de Sovjet-Unie de volledige economische en educatieve resultaten tot zich kan nemen, die de eerstgeborenen onder de kapitalistisch ontwikkelde landen eeuwen heeft gekost. Het toepassen van socialistische methodes om presocialistische problemen op te lossen, dat is de kern van het huidige economische en culturele werk in de Sovjet-Unie. Het is zeker waar dat de Sovjet-Unie nu zelfs de productiekrachten van de meest ontwikkelde landen uit het tijdperk van Marx overtreft. Gezien de historische rivaliteit tussen beide regimes is het in de eerste plaats natuurlijk niet zozeer een kwestie van het absolute, als wel van het relatieve niveau. De Sovjet economie staat tegenover het kapitalisme van Hitler, Baldwin en Roosevelt, niet dat van Bismarck, Palmerston en Abraham Lincoln. En in de tweede plaats verandert het blikveld van de menselijke behoefte fundamenteel door de wereldwijde technische vooruitgang. De tijdgenoten van Marx wisten niets van automobielen, radio’s, films en vliegtuigen. Een socialistische samenleving is echter ondenkbaar zonder de vrije geneugten van deze goederen.

De laagste trap van het communisme, om de term van Marx te gebruiken, begint op het niveau waar de hoogste trap van het kapitalisme bijna bijkomt. Het echte programma van het aanstaande Sovjet vijfjarenplan is echter “het bijhalen van Europa en de VS”. Het aanleggen van een netwerk van autowegen en geasfalteerde snelwegen in de onmetelijke vlaktes van de Sovjet-Unie zal veel meer tijd en materiaal kosten dan Amerikaanse automobielfabrieken te transplanteren naar de Unie of ons de techniek ervan eigen te maken. Hoeveel jaar zal er nodig zijn voordat de gewone Sovjetburger met een auto elke richting die hij maar wil op kan rijden en onderweg overal zonder problemen benzine kan tanken? In de barbaarse samenleving vormden voetganger en ruiter twee verschillende klassen. En voor de auto is dat onderscheid niet anders als voor het zadel. Zolang zelfs de gewoonste Ford het privilege van een minderheid blijft, zolang zullen alle burgerlijke gewoontes en verhoudingen blijven bestaan. En tot zolang zal ook de bewaker van die ongelijkheid blijven bestaan, de staat.

Zoals gezegd, slaagde Lenin er niet in, ondanks het feit dat hij zich volledig baseerde op de marxistische theorie van de heerschappij van de arbeidersklasse, om alle noodzakelijke conclusies ten aanzien van het karakter van de staat, als gevolg van economische achterlijkheid en het isolement van het land, te trekken. Niet in zijn belangrijkste werk dat aan deze kwestie was gewijd, Staat en Revolutie, maar ook niet in het programma van de partij. De opkomst van het bureaucratisme werd verklaard uit de onwennigheid van de massa’s met administratie en de speciale moeilijkheden die door de oorlog waren veroorzaakt. Het programma schreef voornamelijk politieke maatregelen voor om de “bureaucratische vervorming” op te lossen: alle bestuurders dienden gekozen en direct afzetbaar te zijn, afschaffing van materiële privileges, actieve controle door de massa’s, enzovoort. Er werd aangenomen dat langs deze weg de bureaucraat in plaats van een baas, meer een soort eenvoudige administrateur zou worden en daarbij dan nog een tijdelijke en de staat zou dan langzaam maar zeker van het toneel verdwijnen.

Deze overduidelijke onderschatting van de daaropvolgende moeilijkheden kon verklaard worden uit het feit dat het programma volledig op een internationaal perspectief was gebaseerd. “De oktoberrevolutie in Rusland heeft de heerschappij van de arbeidersklasse gevestigd… Het tijdperk van de wereldwijde proletarische communistische revolutie is begonnen”. Deze woorden vormden de aanhef van het partijprogramma. De schrijvers ervan hadden zichzelf niet het doel gesteld het “socialisme in één land” te vestigen, dat idee zat nog in niemands hoofd, nog het minste in dat van Stalin, maar ook gingen ze niet in op welke aard de Sovjet staat zou krijgen nadat ze twee decennia lang in isolement gedwongen zou zijn die economische en culturele problemen op te lossen die de ontwikkelde kapitalistische landen al lang geleden hadden opgelost.

De naoorlogse revolutionaire crisis leidde niet tot de overwinning van het socialisme in Europa. De sociaaldemocraten redde de burgerij. Die periode, die er voor Lenin en zijn collega’s uit zag als een ‘adempauze,’ verlengde zich tot een compleet historisch tijdperk. De tegenstrijdige sociale structuur van de Sovjet-Unie en het ultrabureaucratische karakter van haar staat zijn de directe gevolgen van deze unieke en ‘onvoorziene’ historische pauze en leidde tegelijkertijd in de kapitalistische landen tot het fascisme of een prefascistische reactie.

De eerste poging om een staat zonder bureaucratisme te creëren, mislukte. Dat was in de eerste plaats vanwege de onwennigheid van de massa’s met zelfbestuur, het gebrek aan goed opgeleide arbeiders die toegewijd waren aan het socialisme,… Tegelijk stuitte zij onmiddellijk daarna op nog veel grotere problemen. De reductie van de staatsfunctie tot “boekhouden en controleren”, samengaand met een versmalling van de dwangfunctie, zoals werd geëist door het partijprogramma, veronderstelde op zijn minst omstandigheden van algemene tevredenheid. Maar juist deze noodzakelijke voorwaarde ontbrak. Er kwam geen hulp uit het Westen. De macht van de democratische Sovjets verkrampte, werd zelfs ondragelijk, toen het de dagelijkse taak werd die geprivilegieerde groepen te paaien wier bestaan noodzakelijk was voor de verdediging, voor de industrie, de techniek en de wetenschap. In deze overduidelijke “onsocialistische” operatie, door aan de een te geven wat van tien anderen werd afgepakt, vormde zich een uitgekristalliseerde sterke kaste van specialisten in de distributie.

Hoe en waarom is het echter mogelijk geweest dat er onder de enorme economische successen van de recente periode geen afname maar juist een verscherping van de ongelijkheid was en er tegelijkertijd een verdere groei van het bureaucratisme was, zelfs dusdanig dat het in plaats van een “vervorming” een compleet administratief systeem is geworden? Voordat we deze vraag proberen te beantwoorden, zullen we eerst eens luisteren naar hoe de gezaghebbende leiders van de Sovjet bureaucratie naar hun eigen regime kijken.

5. DE “VOLLEDIGE OVERWINNING VAN HET SOCIALISME” EN DE “VERSTERKING VAN DE HEERSCHAPPIJ”

Er zijn in de afgelopen jaren diverse aankondigingen geweest van de ‘complete triomf’ van het socialisme in de Sovjet-Unie, die met name in samenhang met de “liquidatie van de Koelak als klasse” zeer stellige vormen aannam. In een interpretatie van een toespraak van Stalin schreef de Pravda op 30 januari 1930: “In de loop van het tweede vijfjarenplan zullen de laatste restjes van het kapitalisme in onze economie worden uitgebannen”. Vanuit dit perspectief bekeken zou daaropvolgend ook de Staat in die periode af moeten sterven, want als de ‘laatste restjes’ van het kapitalisme zijn opgeruimd heeft de staat ook niets meer te doen. “De Sovjet macht”, zo stelt het programma van de Bolsjewistische Partij over dit onderwerp, “erkent openlijk het klassenkarakter van elke staat, zolang als de verdeling van de maatschappij in klassen en daarmee de staatsmacht, nog niet volledig is verdwenen”. Toen echter sommige onvoorzichtige Moskouse theoretici na de opruiming van de ‘laatste restjes’ kapitalisme in goed vertrouwen gevolgtrekkingen wilden maken over het afsterven van de staat, werden ze door de bureaucratie onmiddellijk als ‘contrarevolutionair’ bestempeld.

Waar ligt de theoretische fout van de bureaucratie? In de uitgangspunten of in de conclusie? Zowel in het een als het ander. Ten aanzien van de eerste aankondigingen van de “volledige overwinning” verklaarde de Linkse Oppositie: “Je moet jezelf niet beperken tot de sociaal-juridische vorm van de verhoudingen die nog onrijp, tegenstrijdig en in de landbouw nog zeer instabiel zijn en een abstractie van het fundamentele criterium, met name het niveau van de productiekrachten.” Juridische vormen hebben afhankelijk van de hoogte van het technische niveau een essentieel verschillende sociale inhoud. “De wet kan nooit hoger zijn dan de economische structuur en het daardoor geconditioneerde culturele niveau” (Marx). De Sovjet eigendomsvormen op basis van de meest moderne verworvenheden van de Amerikaanse techniek, overgezet in alle takken van het economische leven, dat zou inderdaad de eerste trap van het socialisme zijn. Sovjet vormen met een lage arbeidsproductiviteit wijzen alleen op een overgangsregime waarvan het lot door de geschiedenis nog niet definitief is bepaald.

“Is het niet monsterlijk”, schreven wij in 1932, “dat het land niet aan haar honger naar goederen kan ontkomen?” Op alle niveaus staan de goederenstromen stil. De kinderen hebben een tekort aan melk. Maar de officiële orakels kakelen: “het land is het tijdperk van socialisme binnen gegaan”. Is het mogelijk het socialisme op een gemenere manier te compromitteren?

Karl Radek, nu een prominente publicist van de hoogste Sovjet kringen, pareerde deze opmerking in een Duitse liberale krant, het Berliner Tageblatt, in een speciale uitgave over de Sovjet-Unie in mei 1932 met de woorden, die onsterfelijkheid verdienen: “Melk is een product van koeien en niet van het socialisme en je moet wel in feite het socialisme verwarren met een land waar melk door de rivieren stroomt, om niet te begrijpen dat een land voor een bepaalde periode naar een hoger niveau van ontwikkeling kan stijgen, zonder een aanzienlijke stijging van de materiële omstandigheden voor de meerderheid van de bevolking”.

Deze woorden werden geschreven terwijl een verschrikkelijke hongersnood het land teisterde.
Het socialisme is een structuur van geplande productie met als doel om zo goed mogelijk in de behoefte van de mens te voorzien. Anders verdient het de naam socialisme niet. Als de koeien worden gesocialiseerd, maar er zijn er te weinig van, of ze hebben te dunne uiers, dan ontstaan er conflicten vanwege de tekortschietende aanvoer van melk; conflicten tussen stad en land, tussen de collectieven en de keuterboeren, tussen de verschillende lagen van de arbeidersklasse en tussen de gehele werkende bevolking en de bureaucratie. Het was juist de socialisatie van de koeien die tot hun massale uitroeiing leidde door de boeren. Sociale conflicten die uit gebrek ontstaan, kunnen op hun beurt weer leiden tot de terugkeer van ‘alle oude troep’. Dat was in de kern ons antwoord.

In een resolutie, aangenomen op 20 augustus 1935 op het zevende congres van de Communistische Internationale (Comintern) werd heilig verklaard dat in de optelsom van alle successen van de genationaliseerde industrieën, de resultaten van collectivisering, het verdringen van de kapitalistische elementen en de liquidatie van de Koelak als een klasse, “de volledige en onomkeerbare overwinning van het socialisme en de alzijdige versterking van de staat van de arbeidersheerschappij is verwezenlijkt in de Sovjet-Unie”. Ondanks deze stellige toon is deze verklaring van de Comintern met zichzelf in tegenspraak. Als het socialisme “volledig en onomkeerbaar” heeft overwonnen, niet als principe maar als een levend sociaal regime, dan is een hernieuwde ‘versterking’ van de heerschappij overduidelijk grote onzin. En andersom, als de versterking van de heerschappij wordt veroorzaakt door de reële behoeftes van het regime, dan betekent dit dat de werkelijke overwinning van het socialisme nog ver weg is. Niet alleen een marxist, maar elke weldenkende politieke denker zou moeten kunnen begrijpen dat een ‘versterking’ van de heerschappij, oftewel onderdrukking door de regering, het bewijs is van de groei van nieuwe sociale tegenstellingen en niet van de triomf van klasseloze harmonie. Welke oorzaak ligt hieraan ten grondslag? Het gebrek aan bestaansmiddelen als gevolg van een lage arbeidsproductiviteit.

Lenin karakteriseerde het socialisme eens als “de Sovjet macht en elektrificatie”. Deze omschrijving, waarvan de eenzijdigheid het gevolg was van de propagandadoeleinden van dat moment, nam in ieder geval als minimaal uitgangspunt het kapitalistische niveau van elektrificatie. Op dit moment is er voor de bewoners van de Sovjet-Unie per hoofd van de bevolking maar een derde aan elektriciteit beschikbaar van die in de ontwikkelde landen. Als je hierbij in overweging neemt dat de sovjets ondertussen plaats hebben moeten maken voor een van de brede bevolking onafhankelijke politieke machine, dan blijft er voor de Comintern niets anders over om te verklaren dan dat het socialisme een bureaucratische macht is plus een derde van de kapitalistische elektrificatie. Als momentopname is deze definitie accuraat, maar voor het socialisme natuurlijk absoluut ontoereikend!

In een toespraak voor de Stachanovisten in november 1935 verklaarde Stalin, gehoorzamend aan de empirische doelen van de conferentie, geheel onverwacht: “Waarom kan en zal en noodzakelijkerwijs moet het socialisme het kapitalistische economische systeem veroveren? Omdat ze …een hogere arbeidsproductiviteit kan leveren”.

Stalin spreekt hier over de ‘triomf’ van het socialisme in de toekomende tijd, hetgeen toevallig in tegenspraak was met de resolutie van de Comintern die drie maanden geleden werd aangenomen, alsmede met zijn eigen vaak herhaalde aankondigingen. Het socialisme zal van het kapitalistische systeem winnen, zo stelt hij, wanneer zij deze overtreft in arbeidsproductiviteit. Niet alleen de tijden van de werkwoorden veranderen van het ene moment op het andere, maar ook de sociale criteria. Het is voor de Sovjet burger zeker niet makkelijk om bij te blijven met de “algemene lijn”.

Op 1 maart 1936 gaf Stalin in een interview met Roy Howard uiteindelijk weer een nieuwe definitie van het Sovjet regime: “Die sociale organisatie die we hebben gecreëerd, kan een socialistische Sovjet organisatie worden genoemd. Ze is nog steeds niet volledig ontwikkeld, maar aan de wortel is er een socialistische organisatie van de samenleving”.

In deze bewust vage definitie zitten bijna net zo veel tegenstrijdigheden als woorden. De sociale organisatie wordt “Sovjet socialistisch” genoemd, maar de sovjets zijn een staatsvorm en het socialisme is een sociaal regime. Deze begrippen zijn niet alleen niet hetzelfde, maar vanuit ons oogpunt zelfs antagonistisch. In zoverre de sociale organisatie socialistisch is geworden, zouden de Sovjets weg moeten vallen, zoals de steigers verdwijnen als een gebouw af is. Stalin introduceert een correctie: “het socialisme is nog niet volledig bereikt”. Wat betekent “nog niet volledig”? Maar 5 procent of 75 procent? Dit wordt ons niet verteld, net zo goed als ze ons niet vertellen wat ze precies bedoelen met een organisatie van de samenleving die “aan de wortel socialistisch is”. Bedoelen ze de vormen van eigendom of van techniek? Het is juist die schimmigheid in de definitie die een stap terug betekent ten opzichte van de uitermate stellige formule in 1931-1935. Een volgende stap langs deze route zou zijn om toe te geven dat de ‘wortel’ van elke sociale organisatie de productiekrachten zijn en dat de Sovjet wortel nu niet sterk genoeg is voor de socialistische stam en haar bladerdak, het menselijk welzijn.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie