IX. Barbaarsheid en beschaving

IX. Barbaarsheid en beschaving

Aan de hand van de drie grote aparte voorbeelden van de Grieken, de Romeinen en de Duitsers hebben ‘wij nu het verval van de gensinrichting gevolgd. Laten wij thans tot slot de algemene economische verhoudingen onderzoeken, die de gensorganisatie van de maatschappij op de hoogste trap van de barbaarsheid reeds ondermijnden en met de intrede van de beschaving geheel deden verdwijnen. Hier zal Marx’ ‘Het Kapitaal’ even onontbeerlijk voor ons zijn als het boek van Morgan.

Opgekomen op de middentrap, verder ontwikkeld op de hoogste trap van de wildheid, bereikt de gens, voor zover wij dit naar onze bronnen kunnen beoordelen, haar bloeitijdperk op de laagste trap van de barbaarsheid. Met deze trap van ontwikkeling beginnen wij dus.

Wij vinden hier, waar de Amerikaanse roodhuiden ons tot voorbeeld moeten dienen, de gensinrichting volkomen ontwikkeld. Een stam heeft zich in verscheidene, meestal twee gentes gesplitst; deze oorspronkelijke gentes vallen bij het toenemen der bevolking ieder in verscheidene dochtergentes uiteen, waar- bij de moedergens als fratrie gaat optreden; de stam zelf splitst zich in verscheidene stammen en in elk van deze stammen vinden wij de oude gentes grotendeels terug; een bond omvat althans in sommige gevallen de verwante stammen. Deze eenvoudige organisatie is volkomen voldoende voor de maatschappelijke toestanden, waaruit zij is ontsproten. Zij is niets anders dan de aan deze maatschappij eigen, natuurlijke groepering, zij is in staat alle conflicten te beslechten die in de op deze wijze georganiseerde samenleving kunnen ontstaan. Naar buiten beslecht de oorlog; hij kan met de vernietiging van de stam eindigen, maar nooit met zijn onderwerping. Het grootse, maar ook het beperkte van de gensinrichting bestaat daarin, dat zij geen ruimte laat voor heerschappij en onderdrukking. Naar binnen is er nog geen onderscheid tussen rechten en plichten; de vraag of het deelnemen aan openbare aangelegenheden, aan bloedwraak of zoen een recht of een plicht is, bestaat voor de Indianen niet; zij zou hun even dwaas toeschijnen als de vraag of eten, slapen, jagen een recht of een plicht is. Evenmin kan er een splitsing van de stam en de gens in verschillende klassen plaats hebben. En dit brengt ons tot het onderzoek van de economische grondslag van deze toestand.

De bevolking is uiterst dun; zij is alleen dichter op de woonplaats van de stam, waaromheen in een grote kring eerst het jachtgebied ligt, dan het neutrale beschermende woud dat de stam van andere stammen scheidt. De verdeling van de arbeid is zuiver van natuurlijke aard; zij bestaat alleen tussen de beide geslachten. De man voert oorlog, gaat jagen en vissen, verschaft de grondstoffen voor de voeding en de daarvoor nodige werktuigen. De vrouw zorgt voor het huis, voor het toebereiden van het voedsel en voor de kleding, zij kookt, weeft en naait. Ieder van hen heerst op zijn gebied; de man in het woud, de vrouw in huis. Ieder is eigenaar van de zelf vervaardigde en gebruikte werktuigen: de man van de wapens, van het jachtgerei en het vistuig, de vrouw van het huisraad. De huishouding is communistisch voor verscheidene, soms voor vele gezinnen. (*) Wat gemeenschappelijk gemaakt en gebruikt wordt is gemeenschappelijke eigendom: het huis, de tuin, de boot. Dus hier en uitsluitend hier geldt nog de ‘door eigen arbeid verkregen eigendom’, die juristen en economen de beschaaf de maatschappij toedichten, en die de laatste, op leugen berustende juridische rechtsgrond is, waarop de tegenwoordige kapitalistische eigendom nog steunt.

* Vooral aan de noordwestkust van Amerika, zie Bancroft. Bij de Haidahs op het Koningin Charlotte-Eiland komen onder één dak huishoudingen voor van bij de 700 personen. Bij de Nootka’s leefden hele stammen onder één dak.

Maar de mensen bleven niet overal op deze trap staan. In Azië troffen zij dieren aan die zich lieten temmen en die men getemd kon fokken. Op de wilde buffelkoe moest jacht gemaakt worden, terwijl de tamme jaarlijks een kalf leverde en bovendien nog melk. Een aantal van de meest ontwikkelde stammen – Ariërs, Semieten, misschien ook al de Turaniërs – maakten eerst het temmen, later alleen nog het fokken en hoeden van vee tot hun voornaamste tak van bedrijf. Herdersstammen scheidden zich af van de overige massa der barbaren: de eerste grote maatschappelijke verdeling van de arbeid. De herdersstammen produceerden niet alleen méér, maar ook andere levensmiddelen dan de overige barbaren. Zij hadden niet alleen melk, melkproducten en vlees in grotere hoeveelheden dan de anderen, maar ook huiden, wol, geitenhaar en gesponnen en geweven goederen, waarvan er meer kwamen naarmate de grondstoffen zich vermeerderden. Daarmee werd voor het eerst een geregelde ruil mogelijk. Op vroegere trappen kan er slechts nu en dan ruil plaats hebben, bijzondere vaardigheid bij het maken van wapens en werktuigen kan tot een tijdelijke verdeling van de arbeid leiden. Zo zijn op vele plaatsen ontwijfelbare overblijfselen van werkplaatsen voor stenen werktuigen uit de latere steentijd gevonden; de kunstenaars, die hier hun vaardigheid ontwikkelden, werkten waarschijnlijk, zoals nu nog de vaste handwerkers in de Indische gens-gemeenschappen, voor rekening van de gemeenschap. In geen geval kon er op deze trap een andere ruil ontstaan dan die binnen de stam en deze bleef een uitzondering. Hier daarentegen, na de afscheiding van de herdersstammen, zijn alle voorwaarden aanwezig voor de ruil tussen de leden van verschillende stammen en voor de ontwikkeling en bevestiging van de ruil als vaste instelling. Oorspronkelijk ruilde stam met stam door tussenkomst van de wederzijdse genshoofden; toen de kudden echter in afzonderlijke eigendom begonnen over te gaan, kreeg de individuele ruil steeds meer de overhand en werd tenslotte de enige vorm. Het voornaamste artikel echter dat de herdersstammen aan hun buren in ruil gaven was vee; vee werd de waar, waarin alle andere waren werden geschat en die men overal gaarne in ruil tegenover deze aannam – kortom, vee kreeg de functie van geld en verrichtte al op deze trap de dienst van geld. Zo noodzakelijk en zo snel kwam al direct bij het begin van de warenruil de behoefte aan een geldwaar op.

De tuinbouw, die de Aziatische barbaren op de laagste trap waarschijnlijk niet kenden, ontstond bij hen uiterlijk op de middentrap als voorloper van de akkerbouw. Het klimaat van de Turaanse hoogvlakte sluit herdersleven zonder voorraden aan veevoeder voor de lange en strenge winter uit; hier was dus de grasbouw en het verbouwen van koren een vereiste. Hetzelfde geldt voor de steppen ten noorden van de Zwarte Zee. Terwijl koren ester eerst voor het vee werd verbouwd, kwam het spoedig ook als voedsel voor de mensen in zwang. Het bebouwde land bleef nog eigendom van de stam; aanvankelijk werd het in gebruik gegeven aan de gens, later door de gens aan de huisgenootschappen en tenslotte aan ieder gezin afzonderlijk; een zeker bezitsrecht konden zij er op hebben, maar meer ook niet.

Onder datgene wat op deze trap op industrieel gebied bereikt werd zijn twee dingen van bijzonder belang. Het eerste is de weefstoel, het tweede het smetten van erts en de bewerking van metalen. Koper en tin en het daaruit samengestelde brons waren verreweg het belangrijkste; het brons leverde bruikbare werktuigen en wapens, kon echter de stenen werktuigen niet verdringen; dat vermocht eerst het ijzer, en ijzer winnen kon men nog niet. Men begon goud en zilver voor opschik en sieraden te gebruiken en het moet tegenover koper en brons reeds een hoge waarde hebben gehad.

De verhoging van de productie in alle takken – veeteelt, akkerbouw, handwerk – stelde de menselijke arbeidskracht in staat meer te produceren dan voor haar onderhoud nodig was. Zij verhoogde tegelijk de dagelijkse hoeveelheid arbeid, die ieder lid van de gens, van de huisgemeenschap of van het individuele gezin ten deel viel. Het inschakelen van nieuwe arbeidskrachten werd wenselijk. De oorlog leverde ze: van de krijgsgevangenen werden slaven gemaakt. De eerste grote maatschappelijke verdeling van de arbeid had met haar verhoging van de productiviteit van de arbeid, dus van de rijkdom, en met haar uitbreiding van het gebied van de productie onder de gegeven algemene historische verhoudingen noodzakelijkerwijze de slavernij ten gevolge. Uit de eerste grote maatschappelijke verdeling van de arbeid sproot de eerste grote splitsing van de maatschappij in twee klassen voort: heren en slaven, uitbuiters en uitgebuitenen. Hoe en wanneer de kudden uit het gemeenschappelijke bezit van de stam of van de gens in eigendom aan de afzonderlijke gezinshoofden zijn overgegaan, daarover weten wij tot nu toe niets. Het moet echter in hoofdzaak op deze trap zijn geschied. En met de kudden en de overige nieuwe rijkdommen kwam er een hele revolutie in het gezin. De kostwinning was steeds de zaak van de man geweest, de middelen voor de kostwinning werden door hem vervaardigd en waren zijn eigendom. De kudden waren de nieuwe middelen voor het levensonderhoud, eerst het temmen en later het hoeden daarvan was zijn werk. Hem behoorde derhalve het vee toe, alsook de waren en de slaven die tegen het vee waren geruild. Het gehele overschot, dat het bedrijf nu opleverde, viel de man ten deel; de vrouw genoot er ook van, maar zij had geen aandeel in de eigendom. De ‘wilde’ krijger en jager was in huis tevreden geweest met de tweede plaats, na de vrouw; de ‘zachtmoedigere’ herder, pochend op zijn rijkdom, drong zich naar voren op de eerste plaats en de vrouw terug naar de tweede. En zij kon zich niet beklagen. De verdeling van de arbeid in het gezin had de verdeling van de eigendom tussen man en vrouw geregeld; de verdeling was hetzelfde gebleven en toch keerde zij de tot nu toe bestaande verhouding in huis onderste boven, alleen omdat de verdeling van de arbeid buiten het gezin een andere was geworden. Dezelfde oorzaak, die aan de vrouw vroeger de heerschappij in huis had verzekerd: haar beperking tot de huiselijke arbeid, diezelfde oorzaak verzekerde nu aan de man de heerschappij in huis: de huiselijke arbeid van de vrouw verzonk nu in het niet naast de arbeid van de man voor de kostwinning; deze was alles, gene slechts een onbelangrijke toegift. Hier blijkt al, dat de bevrijding van de vrouw en haar gelijkstelling met de man onmogelijk is en blijft, zolang de vrouw van de maatschappelijk productieve arbeid uitgesloten is en op de particuliere huiselijke arbeid aangewezen blijft. De bevrijding van de vrouw wordt eerst mogelijk, zodra zij op grote, maatschappelijke schaal aan de productie kan deelnemen en de huiselijke arbeid haar nog maar in onbetekenende mate in beslag neemt. En dit is pas mogelijk geworden door de moderne grootindustrie, die niet alleen vrouwenarbeid op grote schaal toelaat, maar deze direct eist en die ook meer en meer er naar streeft de particuliere huiselijke arbeid te doen opgaan in een openbaar bedrijf.

Door de feitelijke heerschappij van de man in huis was de laatste belemmering voor zijn alleenheerschappij verdwenen. Deze alleenheerschappij werd bevestigd en vereeuwigd door het ten val brengen van het moederrecht, door de invoering van het vaderrecht en de geleidelijke overgang van het paringshuwelijk naar de monogamie. Daarmee kwam er echter een scheur in de oude gensorde: het individuele gezin werd een macht en verhief zich dreigend tegenover de gens.

De volgende stap voert ons naar de hoogste trap van de barbaarsheid, naar de periode waarin alle cultuurvolken hun heldentijd doormaken: de tijd van het ijzeren zwaard, maar ook van de ijzeren ploegschaar en de ijzeren bijl. Het ijzer was in dienst gekomen van de mens, de laatste en belangrijkste van alle grondstoffen die in de geschiedenis een omwenteling teweegbrachten, de laatste – op de aardappel na. Het ijzer schiep de akkerbouw op grotere oppervlakten, de ontginning van uitgestrekte stroken bosgrond; het gaf de handwerksman werktuigen van een hardheid en scherpte, waaraan geen steen, geen ander bekend metaal weerstand kon bieden. Dit ging alles geleidelijk; het eerste ijzer was vaak nog zachter dan brons. Zo verdween het stenen wapen slechts langzaam; niet alleen in het ‘Hildebrandslied’, maar ook in het jaar 1066 bij Hastings’ (1) werden er in het gevecht nog stenen bijlen gebruikt. Maar de vooruitgang had nu onweerstaanbaar, met minder onderbrekingen en sneller plaats. De met stenen muren, torens en tinnen omringde stad van stenen of bakstenen huizen werd de centrale woonplaats van de stam of van de bond van stammen; een geweldige vooruitgang in de bouwkunst, maar tevens een teken van groter gevaar en behoefte aan bescherming. De rijkdom nam snel toe, maar als rijkdom van enkelen; de weverij, de metaalbewerking en de andere zich meer en meer van elkaar afzonderende handwerken voerden tot toenemende verscheidenheid van de productie en tot grotere kunstvaardigheid; de tandbouw leverde naast koren, peulvruchten en ooft nu ook olie en wijn, die men had leren toebereiden. Zo uiteenlopende bezigheden konden niet meer door een en dezelfde persoon worden verricht; de tweede grote verdeling van de arbeid had plaats: het handwerk scheidde zich af van de landbouw. De voortdurende toename van de productie en daarmee van de productiviteit van de arbeid verhoogde de waarde van de menselijke arbeidskracht; de slavernij, die al op de vorige trap ontstaan was en sporadisch voorkwam, wordt nu een belangrijk bestanddeel van het maatschappelijke stelsel, de slaven houden op, eenvoudige helpers te zijn; ze worden bij tientallen op de akker en in de werkplaats naar de arbeid gedreven. Met de splitsing van de productie in de twee grote hoofdtakken, landbouw en handwerk, ontstaat de productie rechtstreeks voor de ruil, de warenproductie; en met deze de handel, niet alleen binnen de stam en haar grenzen, maar ook al over zee. Dit alles echter in nog onontwikkelde vorm; de edele metalen beginnen de voornaamste en algemene geldwaar te worden, maar nog ongemunt; zij worden alleen volgens hun nog zuivere gewicht geruild.

Naast het onderscheid tussen vrijen en slaven ontstaat het onderscheid tussen rijken en armen – met de nieuwe verdeling van de arbeid een nieuwe splitsing van de maatschappij in klassen. Het onderscheid in het bezit van de afzonderlijke gezinshoofden scheurt de oude communistische huisgemeenschap overal waar zij tot nu toe was blijven bestaan uiteen, en daarmee verdwijnt ook de gemeenschappelijke bebouwing van de grond voor rekening van deze gemeenschap. Het akkerland wordt eerst tijdelijk, later voorgoed aan de afzonderlijke gezinnen in gebruik gegeven, de overgang tot de volledige particuliere eigendom heeft geleidelijk plaats, gelijktijdig met de overgang van het paringshuwelijk tot de monogamie. Het individuele gezin begint de economische eenheid in de maatschappij te worden.

De grotere dichtheid van de bevolking eist een nauwere aaneensluiting zowel naar binnen als naar buiten. De bond van verwante stammen wordt overal noodzakelijk; weldra ook al hun samensmelting en daarmee de samensmelting van de gescheiden stamgebieden tot één gemeenschappelijk gebied van het hele volk. De legeraanvoerder van het volk – rex, basileus, thiudans – wordt een onontbeerlijke, vaste beambte. De volksvergadering ontstaat voor zover zij nog niet bestond. Legeraanvoerder, raad, volksvergadering vormen de organen van de tot een militaire democratie ontwikkelde gensmaatschappij. Militair – want de oorlog en de organisatievorm ten behoeve van de oorlog zijn nu geregelde functies van het volksleven geworden. De rijkdommen van de buren wekken de hebzucht op van volken, bij wie het verwerven van rijkdom reeds als een van de eerste levensdoeleinden geldt. Zij zijn barbaren; roven vinden zij gemakkelijker en zelfs eervoller dan iets door arbeid verkrijgen. De oorlog, die vroeger alleen gevoerd werd om aanvallen te wreken of om het gebied dat te klein was geworden uit te breiden, wordt nu met louter roof als doel gevoerd, wordt een vaste tak van bedrijf. Niet voor niets staan de dreigende muren om de nieuwe versterkte steden: in hun grachten gaapt het graf van de gensinrichting en hun torens steken met de spits reeds in de beschaving. En hetzelfde geldt voor de maatschappij. De roofoorlogen verhogen de macht van de opperste legeraanvoerder, zowel als die van de onderbevelhebbers; de gewoonte om de opvolgers uit dezelfde familie te kiezen gaat vooral sedert de invoering van het vaderrecht langzamerhand over in een erfelijkheid, die eerst geduld, daarna geëist en tenslotte geüsurpeerd wordt, de grondslag van het erfelijke koningschap en de erfelijke adel is gelegd. Zo scheuren de organen van de gensinstellingen zich langzamerhand los van hun wortels in het volk, in gens, fratrie en stam, en de hele gens- inrichting verandert in haar tegendeel: van een organisatie van stammen tot vrije regeling van eigen aangelegenheden wordt zij een organisatie tot plundering en onderdrukking van buren, en dienovereenkomstig worden haar organen van werktuigen van de volkswil zelfstandige organen van heerschappij en onderdrukking tegenover het eigen volk. Dit zou echter nooit mogelijk zijn geweest, als niet de dorst naar rijkdom de gensgenoten gescheiden had in rijken en armen, als niet ‘het verschil in eigendom binnen dezelfde gens de eenheid van belangen had veranderd in antagonisme van de gensgenoten’ (Marx), en als de uitbreiding van de slavernij niet al was begonnen het werken voor eigen levensonderhoud te bestempelen als een bezigheid slechts een slaaf waardig en verachtelijker dan roof.

Daarmee zijn wij aan de drempel van de beschaving gekomen. Deze wordt ingeleid door een nieuwe vooruitgang in de verdeling van de arbeid. Op de onderste trap produceerden de mensen alleen rechtstreeks voor eigen behoefte; slechts af en toe had er ruil plaats en deze betrof slechts een toevallig aanwezig overschot. Op de middentrap van de barbaarsheid vinden wij bij herdersvolken in het vee al een bezit, dat bij een zekere omvang van de kudde geregeld een overschot oplevert boven de eigen behoefte, en tegelijkertijd een verdeling van de arbeid tussen herdersvolken en meer achterlijke stammen zonder kudden; daardoor vinden wij hier twee verschillende naast elkaar bestaande ontwikkelingstrappen van de productie en daarmee de voorwaarden voor een regelmatige ruil. De hoogste trap van de barbaarsheid levert ons de verdere arbeidsverdeling tussen landbouw en handwerk, daarmee productie van een steeds groter deel van de arbeidsproducten rechtstreeks voor de ruil en daarmee verheffing van de ruil tussen afzonderlijke producenten tot een noodzakelijkheid in het leven van de maatschappij. De beschaving verdiept en vergroot alle reeds aanwezige arbeidsverdeling, vooral door de verscherping van de tegenstelling tussen stad en land (waarbij de stad het land economisch kan beheersen, zoals in de oudheid, of ook het land de stad, zoals in de middeleeuwen), en voegt daarbij een derde soort arbeidsverdeling, die karakteristiek en van beslissend belang voor haar is, zij brengt een klasse voort, die zich niet meer met de productie bezighoudt, maar alleen met de ruil van de producten – de kooplieden. Ieder vroeger begin van klassenvorming had nog uitsluitend betrekking op de productie; de mensen die aan de productie deelnamen, werden in leidende en uitvoerende personen verdeeld, ofwel in producenten op grote en op kleine schaal. Hier treedt voor het eerst een klasse op, die zonder op enigerlei wijze deel te nemen aan de productie, zich in het algemeen van de leiding van de productie meester maakt en de producenten economisch aan zich onderwerpt; die zich tot onvermijdelijke bemiddelaar tussen telkens twee producenten maakt en beiden uitbuit. Onder voorwendsel de producenten de moeite en het risico van de ruil te ontnemen, de afzet van hun producten tot ver afgelegen markten uit te breiden en daardoor de nuttigste klasse van de bevolking te worden, ontwikkelt zich een klasse van parasieten, van echte maatschappelijke woekerdieren, die als loon voor zeer geringe werkelijke diensten zowel van de inheemse als van de buitenlandse productie de room afschept, snel geweldige rijkdommen en overeenkomstige maatschappelijke invloed verwerft en juist daarom in het tijdperk van de beschaving tot steeds nieuwe eer en steeds grotere beheersing van de productie is geroepen, tot zij eindelijk zelf ook een eigen product ter wereld brengt – de periodieke handelscrises.

Op de trap van ontwikkeling die ons thans bezighoudt heeft de jonge koopmanschap evenwel nog geen vermoeden van de grote dingen die haar wachten. Maar zij vormt zich en maakt zich onontbeerlijk en dat is voldoende. Met haar ontwikkelt zich echter het metalen geld – de geslagen munt, en met metalen geld een nieuw middel tot heerschappij van de niet-producent over de producent en zijn productie. De waar der waren, die alle andere waren in het verborgene bevat, was ontdekt; her tovermiddel, dat naar verkiezing in elk wenselijk en gewenst ding kan veranderen. Wie het had, beheerste de wereld van de productie, en wie had het vooral? De koopman. In zijn hand was de eredienst van het geld veilig. Hij zorgde er voor dat het duidelijk werd hoezeer alle waren en daarmee alle warenproducenten zich in aanbidding ter aarde moesten werpen voor het geld. Hij bewees praktisch hoezeer alle andere vormen van rijkdom zelf slechts louter schijn worden tegenover deze belichaming van de rijkdom als zodanig. Nooit is de macht van het geld meer met zulke primitieve grofheid en gewelddadigheid opgetreden als in deze jeugdperiode van her geld. Na het kopen van waren voor geld kwam het voorschieten van geld, en daarmee de rente en de woeker. En geen wetgeving van latere tijd werpt de schuldenaar zo onbarmhartig en zo volkomen aan de voeten van de woekerende schuldeiser als de oudatheense en oudromeinse wetgeving – en beide ontstonden spontaan, als gewoonterecht, uitsluitend als gevolg van economische dwang.

Naast de rijkdom aan waren en slaven, naast de geldrijkdom, kwam nu ook de rijkdom aan grondbezit. Het bezitsrecht van afzonderlijke personen op de stukken grond, die hun oorspronkelijk door de gens of de stam waren afgestaan, had zich nu zo verankerd, dat deze stukken grond hun erfelijke eigendom waren geworden. Waar zij in de laatste tijd vooral naar streefden, dat was de grond vrij te maken van de rechten die het gengenootschap er op had en die hun tot een keten werden. De keten raakten zij kwijt – maar spoedig daarna ook de nieuwe grondeigendom. Volledige vrije eigendom van de grond betekende niet alleen de mogelijkheid de grond onverminderd en onbeperkt te bezitten, het betekende ook de mogelijkheid hem van de hand te doen. Zolang de grond eigendom van de gens was, bestond deze mogelijkheid niet. Toen de nieuwe grondbezitter echter de ketenen van het hoogste eigendomsrecht van de gens en de stam definitief afschudde, verbrak hij ook de band, die hem tot nu toe onverbrekelijk aan de grond had gebonden. Wat dit betekende werd hem duidelijk gemaakt door het gelijktijdig met de particuliere grondeigendom uitgevonden geld. De grond kon nu een waar worden, die men verkoopt en verpandt. Nauwelijks was de grondeigendom ingevoerd of ook de hypotheek werd uitgevonden (zie Athene). Zoals het hetaerisme en de prostitutie de monogamie op de voet volgden, zo volgt van nu af aan de hypotheek de grondeigendom op de voet. U hebt de volle, vrije, vervreemdbare grondeigendom willen hebben, welnu, daar hebt U hem – tu I’as voulu, Georges Dandin! (2)

Zo schreed met uitbreiding van de handel, met geld en geldwoeker, met grondeigendom en hypotheek de concentratie en de centralisatie van de rijkdom in handen van een weinig talrijke klasse snel voorwaarts en daarnaast ook de toenemende verarming van de massa’s en de toenemende massa van de armen. De nieuwe aristocratie van de rijkdom drong de oude stamadel, voor zover zij niet bij voorbaat met hem samenviel, voorgoed op de achtergrond (in Athene, in Rome, bij de Duitsers). En aan deze splitsing van de vrijen in klassen naargelang hun rijkdom ging voorat in Griekenland een geweldige vermeerdering gepaard van het aantal slaven (*), wier gedwongen arbeid de grondslag vormde, waarop zich de bovenbouw van de gehele maatschappij verhief.

* Voor het aantal slaven in Athene zie hierboven in deel V, in Korinthe bedroeg het aantal in de bloeitijd van de stad 460.000, in Aegina 470.000; in beide gevallen het tienvoud van de vrije burgerbevolking. (Noot van Engels)

Laat ons thans nagaan, wat er onder deze maatschappelijke omwenteling van de gensinrichting was geworden. Tegenover de nieuwe elementen, die buiten haar toedoen waren opgegroeid, stond zij machteloos. De gensinrichting toch ging er van uit, dat de leden van een gens of althans van een stam op hetzelfde gebied samenwoonden en dat zij dat gebied alleen bewoonden. Dat was al lang niet meer het geval. Overal waren gentes en stammen door elkaar geworpen, overal woonden slaven, beschermden en vreemdelingen midden tussen de burgers. De bestendigheid van woonplaats, die eerst aan het eind van de middentrap van de barbaarsheid was verworven, werd steeds weer doorbroken door de beweeglijkheid en de veranderlijkheid van verblijfplaats als gevolg van handel, verandering van bedrijf of verwisseling van grondbezit.

De leden van de gensinstellingen konden niet meer bijeenkomen om hun eigen gemeenschappelijke aangelegenheden te behartigen; alleen aan dingen van minder belang, zoals religieuze plechtigheden, werd nog enigszins de hand gehouden. Naast de behoeften en belangen, die de gensinstellingen geroepen en in staat waren te behartigen, ontstonden uit de omwenteling van de productieverhoudingen en de daaruit voortkomende verandering van de maatschappelijke structuur nieuwe behoeften en belangen, die niet alleen vreemd waren aan de oude gensorde, maar deze op alle mogelijke manieren doorkruisten. De belangen van de groepen handwerkslieden, die door de verdeling van arbeid ontstaan waren, en de bijzondere behoeften van de stad ten opzichte van het land maakten nieuwe organen nodig; ieder van deze groepen bestond echter uit mensen van de meest verschillende gentes, fratrieën en stammen, en bevatte zelfs vreemdelingen; deze organen moesten dus gevormd worden buiten de gens- inrichting om, naast haar en dus tegen haar. En ook binnen elke gensorganisatie deed zich deze tegenstrijdigheid van belangen gelden, die haar toppunt bereikte in de vereniging van rijken en armen, woekeraars en schuldenaars in dezelfde gens en dezelfde stam. Daarbij kwam nog de massa der nieuwe, buiten de gensgenootschappen staande bevolking die zoals in Rome een macht in het land kon worden en bovendien te talrijk was om geleidelijk in de op bloedverwantschap berustende geslachten en stammen te worden opgenomen. Tegenover deze massa stonden de gensgenootschappen als gesloten, bevoorrechte lichamen; de oorspronkelijke, primitieve democratie was omgeslagen in een verfoeilijke aristocratie. Tenslotte was de gensinrichting gegroeid in een maatschappij, die geen innerlijke tegenstellingen kende, en ook alleen aan zulk een maatschappij aangepast. Zij had geen ander dwangmiddel dan de openbare mening. Hier echter was een maatschappij ontstaan, die zich krachtens al haar economische levensvoorwaarden in vrijen en slaven, in uitbuitende rijken en uitgebuite armen moest splitsen, een maatschappij, die deze tegenstellingen niet alleen niet weer kon verzoenen, maar ze steeds verder moest verscherpen. Zulk een maatschappij kon alleen bestaan, hetzij in een voortdurende openlijke strijd van deze klassen tegen elkaar, hetzij onder de heerschappij van een derde macht, die, in schijn boven de met elkaar strijdende klassen staande, hun openlijke strijd onderdrukte en hen de klassenstrijd hoogstens op economisch gebied, in zogenaamd wettige vorm liet uitvechten. De gensinrichting had haar tijd gehad. Zij was uiteengereten door de verdeling van de arbeid en door het resultaat daarvan: de splitsing van de maatschappij in klassen. Zij werd vervangen door de staat.

De drie hoofdvormen, waarin de staat zich op de bouwvallen van de gensinrichting verheft, hebben wij hierboven in bijzonderheden onderzocht. Athene biedt ons de zuiverste, meest klassieke vorm: hier ontstaat de staat rechtstreeks en overwegend uit de klassentegenstellingen, die zich binnen de gensmaatschappij zelf ontwikkelen. In Rome wordt de gensmaatschappij een gesloten aristocratie te midden van een talrijk plebs, dat buiten haar staat en geen rechten maar wel plichten heeft; de overwinning van het plebs vernietigt de oude gensorganisatie en doet op haar overblijfselen de staat verrijzen, waarin gensaristocratie en plebs beide spoedig geheel opgaan. Bij de Duitse veroveraars van het Romeinse rijk tenslotte ontstaat de staat rechtstreeks uit de verovering van grote vreemde gebieden, voor welker beheersing de bestuursinrichting van de gens geen middelen biedt. Doordat deze verovering echter niet met ernstige strijd tegen de oude bevolking is verbonden en ook niet met meer ontwikkelde verdeling van de arbeid; doordat de trap van economische ontwikkeling van hen die veroverd werden en van hen die veroverden vrijwel dezelfde is en de economische grondslag van de maatschappij dus dezelfde blijft, daardoor kan de gensinrichting zich nog vele eeuwen lang in veranderde, territoriale vorm als mark-inrichting handhaven en zich zelfs in latere adels- en patriciërs- geslachten, ja zelfs in boerengeslachten zoals in Dithmarschen (3), een tijdlang in zwakkere vorm verjongen. (*)

* De eerste geschiedschrijver, die althans bij benadering een voorstalling had van het wezen van de gens, was Niebuhr, en dit – maar ook de vergissingen die zonder meet mee overgenomen werden – heeft hij te danken aan zijn bekend zijn met de geslachten van Dithmarschen.

De staat is dus volstrekt geen macht die de maatschappij van buiten is opgedrongen; evenmin is hij ‘de werkelijkheid van de zedelijke idee’, ‘het beeld en de werkelijkheid van de rede’, zoals Hegel beweert.(4)  De staat is veeleer een product van de maatschappij op een bepaalde trap van ontwikkeling; hij is de erkenning van de onoplosbare tegenspraak met zichzelf waarin deze maatschappij verward is geraakt, van de onverzoenlijke tegenstellingen waarin zij zich heeft gesplitst en die zij niet bij machte is te bezweren. Opdat echter deze tegenstellingen, klassen met tegenstrijdige economische belangen, zichzelf en de maatschappij niet in een vruchteloze strijd vernietigen, is een in schijn boven de maatschappij staande macht nodig geworden, die het conflict moet temperen, het binnen de perken van de ‘orde’ moet houden; en deze macht, die uit de maatschappij is voortgekomen, maar zich boven haar stelt en meer en meer van haar vervreemdt, is de staat.

In vergelijking met de oude gensorganisatie kenmerkt zich de staat ten eerste door de indeling van de staatsburgers naar het gebied. De oude, door banden des bloeds gevormde en bijeen- gehouden gensgenootschappen waren, zoals wij zagen, ontoereikend geworden; voornamelijk omdat zij vooronderstelden dat de genoten aan een bepaald gebied waren gebonden, terwijl dit reeds lang niet meer het geval was. Het gebied was gebleven, maar de mensen waren mobiel geworden. Men nam dus de indeling naar het gebied als uitgangspunt en liet de burgers hun publieke rechten en plichten daar vervullen waar zij gingen wonen, zonder rekening te houden met gens of stam. Deze organisatie van de staatsburgers naar de woonplaats hebben alle staten gemeen. Daarom komt zij ons natuurlijk voor; wij hebben echter gezien, welk een harde en langdurige strijd het gekost heeft eer zij in Athene en in Rome de plaats kon innemen van de oude organisatie volgens geslachten.

Het tweede kenmerk is de inrichting van een openbare macht, die niet meer onmiddellijk samenvalt met de zich als gewapende macht organiserende bevolking. Deze afzonderlijke openbare macht is nodig, omdat een zelfstandig optredende gewapende organisatie van de bevolking sinds de splitsing in klassen onmogelijk is geworden. De slaven behoren ook tot de bevolking; de 90.000 Atheense burgers vormen tegenover de 365.000 slaven slechts een bevoorrechte klasse. Het volksleger van de Atheense democratie was een aristocratische openbare macht tegenover de slaven en hield hen in bedwang; maar om ook de burgers in bedwang te houden werd een gendarmerie nodig, zoals eerder werd geschetst. Deze openbare macht bestaat in iedere staat; zij bestaat niet alleen uit gewapende mensen, maar ook uit zakelijk toebehoren – gevangenissen en allerlei dwanginrichtingen, waarvan de gensmaatschappij geen weet had. Zij kan zeer gering, bijna onmerkbaar zijn in maatschappijen met nog onontwikkelde klassentegenstellingen en in afgelegen streken, zoals tijdelijk en plaatselijk in de Verenigde Staten van Amerika. Zij wordt echter sterker naargelang de klassentegenstellingen binnen de staat zich verscherpen en de aan elkaar grenzende staten groter en dichter bevolkt worden – men zie slechts naar ons huidige Europa, waar klassenstrijd en veroveringsconcurrentie de openbare macht hebben opgeschroefd -tot een hoogte, waarop zij de gehele maatschappij en zelfs de staat dreigt te verslinden.

Om deze openbare macht in stand te houden zijn bijdragen nodig van de staatsburgers – de belastingen. Deze waren in de gensmaatschappij volkomen onbekend. Wij weten er echter tegenwoordig over mee te praten. Naarmate de beschaving voortschrijdt, zijn ook zij niet meer voldoende; de staat trekt wissels op de toekomst, sluit leningen, maakt staatsschulden. Ook daarvan kan het oude Europa heel wat vertellen.

De ambtenaren, die in het bezit zijn van de openbare macht en van het recht om belastingen te innen, staan nu als organen van de maatschappij boven de maatschappij. De vrije ongedwongen achting die de organen van de gensrichting genoten is hun niet genoeg, zelfs indien zij die konden krijgen; als dragers van een macht die vreemd wordt aan de maatschappij, moet hun respect worden verschaft door uitzonderingswetten, krachtens welke zij een bijzondere heiligheid en onschendbaarheid genieten. De meest onbehouwen politieagent in de beschaafde staat heeft meer ‘autoriteit’ dan alle organen van de gensmaatschappij tezamen; maar de machtigste vorst en de grootste staatsman of veldheer van de beschavingsperiode kan het kleinste genshoofd benijden om de ongedwongen en onbestreden achting die deze geniet. Want de één staat nu eenmaal midden in de maatschappij; de ander moet trachten iets voor te stellen buiten en boven haar. Omdat de staat uit de behoefte is ontstaan de klassentegenstellingen in bedwang te houden; omdat hij echter tegelijk midden in het conflict van deze klassen is ontstaan, is hij in de regel de staat van de machtigste, economisch heersende klasse, die door zijn tussenkomst ook de politiek heersende klasse wordt en zo nieuwe middelen verwerft om de onderdrukte klasse er onder te houden en uit te buiten. Zo was de antieke staat vóór alles een staat van slavenbezitters ter onderdrukking van slaven, zoals de feodale staat het orgaan was van de adel tot onderdrukking van lijfeigene en horige boeren, en de moderne parlementaire staat een werktuig is tot uitbuiting van de loonarbeid door het kapitaal. Bij uitzondering komen er evenwel perioden voor, waarin de strijdende klassen zo zeer met elkaar in evenwicht zijn, dat de staatsmacht voor korte duur als schijnbare bemiddelaarster een zekere zelfstandigheid tegenover beide krijgt. Zo b.v. de absolute monarchie van de 17de en 18de eeuw, die adel en burgerij tegen elkaar in evenwicht houdt; zo het bonapartisme van het eerste en vooral van het tweede Franse keizerrijk, dat het proletariaat tegen de bourgeoisie en de bourgeoisie tegen het proletariaat uitspeelde. De nieuwste prestatie op dit gebied, waarbij de heersers en beheersten een even komisch figuur slaan, is het nieuwe Duitse rijk van Bismarckse natie.(5)  Hier worden kapitalisten en arbeiders tegen elkaar uitgespeeld en beide gelijkelijk bedrogen ten voordele van de verlopen Pruisische kooljonkers.

In de meeste historische staten worden bovendien de aan de staatsburgers toegekende rechten afgemeten naar het vermogen en daarmee wordt ronduit gezegd, dat de staat een organisatie van de bezittende klasse ter bescherming tegen de niet-bezittenden is. Dat kwam reeds tot uitdrukking in de Atheense en Romeinse vermogensklassen. Eveneens in de middeleeuwse feodale staat, waar de politieke machtspositie van de omvang van het grondbezit afhing. Zo is het ook met het censuskiesrecht in de moderne parlementaire staten. Deze politieke erkenning van het verschil in bezit is overigens volstrekt niet van wezenlijk belang. Integendeel, zij duidt op een lage trap van ontwikkeling van de staat. De hoogste staatsvorm, de democratische republiek, die in onze moderne maatschappelijke verhoudingen meet en meet een onvermijdelijke noodzakelijkheid wordt en de staatsvorm is, waarin de laatste beslissende strijd tussen proletariaat en bourgeoisie alleen kan worden uitgevochten – de democratische republiek weet officieel niets meer van verschillen in bezit. Hier oefent de rijkdom zijn macht indirect, maar des te zekerder uit. Enerzijds in de vorm van rechtstreekse corruptie van de ambtenaren, waarvan Amerika het klassieke voorbeeld is; anderzijds in de vorm van een verbond tussen de regering en de beurs, dat des te gemakkelijker tot stand komt, naargelang de staatsschulden stijgen en de maatschappijen op aandelen niet alleen het transport, maar ook de eigenlijke productie in hun handen concentreren en op hun beurt in de beurs hun centrum hebben. Daarvan is behalve Amerika de nieuwste Franse republiek een treffend voorbeeld en ook het brave Zwitserland heeft op dit gebied zijne gepresteerd. Dat er echter voor dit broederlijke verbond tussen regering en beurs geen democratische republiek nodig is, bewijst behalve Engeland het nieuwe Duitse rijk, waar niet op te maken is wie door het algemene kiesrecht hoger werd verheven: Bismarck of Bleichröder. En tenslotte heerst de bezittende klasse rechtstreeks door middel van het algemene kiesrecht. Zolang de onderdrukte klasse, dus in ons geval het proletariaat, nog niet rijp genoeg is om zichzelf te bevrijden, zal haar meerderheid de bestaande maatschappelijke orde als de enig mogelijke erkennen en in politiek opzicht de staart van de kapitalistenklasse, haar uiterste linkervleugel vormen. Naargelang zij echter rijp wordt voor haar eigen vrijmaking, constitueert zij zich als eigen partij en kiest haar eigen vertegenwoordigers in plaats van die der kapitalisten. Het algemene kiesrecht is zo de graadmeter voor de rijpheid van de arbeidersklasse. Meer kan en zal het in de tegenwoordige staat nooit zijn; maar dat is ook voldoende. Op de dag waarop de thermometer van het algemene kiesrecht het kookpunt bij de arbeiders aanwijst, weten zowel zij als de kapitalisten waar zij aan toe zijn.

De staat is dus niet van alle eeuwigheid. Er zijn maatschappijen geweest die het zonder hem klaarspeelden, die van staat en staatsmacht geen begrip hadden. Op een bepaalde trap van de economische ontwikkeling, die noodzakelijk met de splitsing van de maatschappij in klassen verbonden was, werd door deze splitsing de staat nodig. Wij naderen thans met rasse schreden een trap van ontwikkeling van de productie, waarop het bestaan van deze klassen niet alleen opgehouden heeft noodzakelijk te zijn, maar ook een directe belemmering voor de productie wordt. Even onvermijdelijk als zij vroeger zijn ontstaan zullen zij ten onder gaan. Met hen valt onvermijdelijk de staat. De maatschappij, die de productie op grondslag van vrije en gelijke associatie van de producenten opnieuw organiseert, zal de hele staatsmachinerie een plaats inruimen die haar dan zal toekomen: in het museum van oudheden, naast het spinnewiel en de bronzen bijl

De beschaving is dus volgens het voorafgaande de trap van ontwikkeling van de maatschappij, waarop de verdeling van de arbeid, de daaruit voortkomende ruil tussen afzonderlijke personen en de deze beide samenvattende warenproductie tot volle ontwikkeling komen en de gehele vroegere samenleving omwentelen.

Op alle vroegere trappen van ontwikkeling der maatschappij was de productie in wezen gemeenschappelijk, evenzo had ook de consumptie plaats onder rechtstreekse verdeling van de producten binnen grotere of kleinere communistische gemeenschappen. Deze gemeenschappelijkheid van de productie bestond binnen de engste grenzen; maar zij ging gepaard met de heerschappij van de producenten over het productieproces en over het product. Zij weten wat er met dat product gebeurt: zij gebruiken het, het verlaat hun handen niet; en zolang de productie op deze grondslag bedreven wordt, kan zij de producenten niet over het hoofd groeien, geen spookachtige, hen vreemde machten voortbrengen, zoals dat in de beschaving geregeld en onvermijdelijk het geval is.

Maar in dit productieproces dringt de verdeling van de arbeid langzaam binnen. Zij ondermijnt de gemeenschappelijkheid van het produceren en van het toeëigenen, zij maakt de toeëigening door afzonderlijke personen tot heersende regel en brengt daarmee de ruil tussen de individuen voort – hoe, dat hebben wij hierboven onderzocht. Langzamerhand wordt de warenproductie de heersende vorm.

Met de warenproductie, de productie niet meer voor eigen gebruik, maar voor de ruil, gaan de producten noodzakelijk van de ene hand in de andere. De producent geeft zijn product al rui- lende uit handen, hij weet niet meer wat er van wordt. Zodra het geld en met het geld de koopman als bemiddelaar tussen de producenten treedt, wordt het ruilproces nog ingewikkelder en de eindbestemming van de producten nog onzekerder. Er zijn vele kooplieden en geen van hen weet wat de andere doet. De waren gaan nu al niet meer alleen van hand tot hand, maar ook van markt tot markt; de producenten hebben de heerschappij over het geheel der productie van hun levensomstandigheden verloren, maar de kooplieden hebben deze heerschappij ook niet verkregen. Producten en productie zijn aan het toeval overgelaten.

Maar toeval is slechts de ene pool van een onderling verband, waarvan de andere pool noodzakelijkheid heet. In de natuur, waar ook het toeval schijnt te heersen, hebben wij sinds lang op ieder afzonderlijk gebied de innerlijke noodzaak en wetmatigheid aangetoond, die in dit toeval tot uiting komt. Wat echter voor de natuur geldt, geldt ook voor de maatschappij. Hoe meer een maatschappelijke werkzaamheid, een reeks van maatschappelijke gebeurtenissen de bewuste controle van de mensen te boven gaat, hun over het hoofd groeit, hoe meer deze werkzaamheid louter aan het toeval schijnt te zijn overgelaten, des te meer zetten zich in dit toeval de voor deze werkzaamheid typische, innerlijke wetten als een noodzakelijke natuurkracht door. Zulke wetten beheersen ook de toevalligheden van de warenproductie en van de warenruil; voor de afzonderlijke producenten en ruilers zijn zij vreemde, in het begin zelfs onbegrepen machten, waarvan de aard eerst met moeite nagespeurd en doorgrond moet worden. Deze economische wetten van de warenproductie wijzigen zich met de verschillende trappen van ontwikkeling van de productievorm; in het algemeen beschouwd staat echter de hele periode van de beschaving onder hun heerschappij. En vandaag nog beheerst het product de producenten; vandaag nog wordt de totale productie van de maatschappij niet volgens een gemeenschappelijk opgesteld plan geregeld, maar door blinde wetten, die zich met elementair geweld doen gevoelen, in laatste instantie in de stormen van de periodieke handelscrises.

Wij zagen hierboven, hoe op een tamelijk vroege trap van ontwikkeling der productie de menselijke arbeidskracht het vermogen krijgt een aanzienlijk groter product te leveren dan voor het onderhoud van de producent nodig is en hoe dit in hoofdzaak dezelfde trap van ontwikkeling is, waarop de verdeling van de arbeid en de ruil tussen afzonderlijke personen opkomen. Het duurde nu niet lang meer of de grote ‘waarheid’ werd ontdekt, dat ook de mens een waar kan zijn; dat de menselijke kracht geruild en effectief gemaakt kan worden, doordat men van de mens een slaaf maakt. Nauwelijks waren de mensen begonnen te ruilen, of zij werden ook al zelf geruild. Het onderwerp werd lijdend voorwerp, of de mensen het wilden of niet.

Met de slavernij, die onder de beschaving tot haar volste ontplooiing kwam, begon de eerste grote splitsing van de maatschappij in een uitbuitende en een uitgebuite klasse. Deze splitsing bleef bestaan gedurende de hele beschaafde periode. De slavernij is de eerste, voor de antieke wereld typische vorm van uitbuiting; daarop volgt de lijfeigenschap in de middeleeuwen en de loonarbeid in de nieuwe tijd. Dit zijn de drie grote vormen van knechtschap, die kenmerkend zijn voor de drie grote tijdperken van de beschaving; daarmee gepaard gaat steeds een openlijke en, in de laatste tijd, verhulde slavernij.

De ontwikkelingstrap van de warenproductie, waarmee de beschaving begint, wordt economist gekenmerkt door de invoering: 1. van het metalen geld en daarmee van geldkapitaal, rente en woeker; 2. van kooplieden als bemiddelende klasse tussen de producenten; 3. van particuliere grondeigendom en hypotheek en 4. van slavenarbeid als heersende productievorm. De gezinsvorm, die met de beschaving in overeenstemming is en met haar definitief de heersende vorm wordt, is de monogamie, de heerschappij van de man over de vrouw, en het individuele gezin als economische eenheid van de maatschappij. De samenvatting van de beschaafde maatschappij is de staat, die in alle typische perioden zonder uitzondering de staat van de heersende klasse is en steeds in wezen een werktuig tot het onder de duim houden van de onderdrukte, uitgebuite klassen blijft. Kenmerkend voor de beschaving is nog: enerzijds het fixeren van de tegenstelling tussen stad en land als grondslag van de hete maatschappelijke verdeling van de arbeid; anderzijds de invoering van testamenten, waardoor de eigenaar ook voor na zijn dood over zijn eigendom kan beschikken. Deze instelling, die de oude gensinrichting rechtstreeks voor het hoofd slaat, was in Athene vóór Solon onbekend; in Rome is zij al vroeg ingevoerd, wanneer weten wij niet (*); bij de Duitsers voerden de priesters haar in, opdat de brave Duitser zijn erfdeel ongehinderd aan de kerk zou kunnen vermaken.

* Lassalles ‘System der etworbenen Rechte’ (Stelsel van de verkregen rechten) draait in het tweede deel voornamelijk om de sterling, dat het Romeinse testament zo oud zou zijn als Rome zelf en dat er in de Romeinse geschiedenis nooit ‘een tijd zonder testament zou hebben bestaan’; het testament zou veeleer in de voor-Romeinse tijd uit de eredienst der overledenen zijn ontstaan. Lassalle leidt als gelovig oudhegeliaan de Romeinse rechtsbepalingen niet af uit de maatschappelijke betrekkingen van de Romeinen, maar uit het ‘speculatieve begrip’ van de wil en komt daarbij tot deze volkomen onhistorische bewering. Men kan zich daarover niet verwonderen in een boek, dat op grond van hetzelfde speculatieve begrip tot de slotsom komt, dat de overdracht van her vermogen bij de Romeinse erfenis zuiver bijzaak zou zijn geweest. Lassalle gelooft niet alleen aan de illusies van de Romeinse juristen, vooral uit vroegere tijd, hij gaat zelfs nog verder dan zij.

Op deze grondslagen heeft de beschaving dingen volbracht, waartoe de oude gensmaatschappij bij lange na niet in staat was. Maar zij heeft ze volbracht door de smerigste drijfveren en hartstochten van de mensen in beweging te brengen en die ten koste van al hun andere gaven te ontwikkelen. Lage hebzucht was de drijfkracht van de beschaving, van haar eerste dag af tot heden toe; rijkdom, nog eens rijkdom en voor de derde maal rijkdom, rijkdom niet van de maatschappij, maar van het afzonderlijke, miserabele individu, was haar enige beslissende doel. Wanneer de beschaving daarbij de toenemende ontwikkeling van de wetenschap en in verscheidene perioden de hoogste bloei van de kunst in de schoot zijn gevallen, dan toch alleen, omdat het zonder deze niet mogelijk zou zijn geweest, de rijkdommen van onze tijd te verwerven.

Omdat de grondslag van de beschaving de uitbuiting van de ene klasse door de andere is, beweegt zich haar hele ontwikkeling in een voortdurende tegenstrijdigheid. Elke vooruitgang van de productie is tegelijkertijd een achteruitgang in de levensvoorwaarden van de onderdrukte klasse, d.w.z. van de grote meerderheid. Elke weldaad voor de enen is noodzakelijk een kwaad voor de anderen, elke nieuwe bevrijding van de ene klasse een nieuwe onderdrukking voor een andere klasse. Het meest treffende bewijs daarvoor levert de invoering van de machines, waar- van de uitwerking tegenwoordig algemeen bekend is. En als er, zoals wij zagen, bij de barbaren nog nauwelijks onderscheid kon worden gemaakt tussen rechten en plichten, dan maakt de beschaving het onderscheid en de tegenstelling tussen beide ook aan de onnozelste duidelijk, door aan de ene klasse vrijwel alle rechten en aan de andere daarentegen vrijwel alle plichten te geven.

Dit behoort echter niet zo te zijn. Wat voor de heersende klasse goed is, moet goed zijn voor de hele maatschappij waarmee de heersende klasse zich vereenzelvigt. Hoe verder dus de beschaving voortschrijdt, des te meer is zij genoodzaakt de misstanden, die onvermijdelijk door haar worden geschapen, met de mantel der lief de te bedekken, ze te vergoelijken of te loochenen, kortom een conventionele huichelarij in te voeren, die noch in vroegere vormen van de maatschappij, noch zelfs in de eerste periode van de beschaving bekend was en die tenslotte haar toppunt vindt in de bewering, dat de uitbuiting van de onderdrukte klasse door de uitbuitende klasse enkel en alleen in het belang van de uitgebuite klasse zelf bedreven wordt; en als deze dat niet inziet en zelfs rebels wordt, dan is dat de snoodste ondank ten opzichte van de weldoeners, de uitbuiters. (*)

* Ik was eerst van plan de schitterende kritiek van de beschaving, die verstrooid voorkomt in de werken van Charles Fourier, naast die van Morgan en mijn eigen kritiek te stellen. Helaas ontbreekt mij daarvoor de tijd. Ik merk slechts op, dat reeds bij Fourier monogamie en grondeigendom als de hoofdkenmerken van de beschaving gelden en dat hij haar een oorlog van de rijke tegen de arme noemt. Eveneens vindt men bij hem reeds het diepe inzicht, dat in alle onvolmaakte, in tegenstellingen gesplitste maatschappijen afzonderlijke gezinnen (les familles incohérentes) de economische eenheden vormen.

En nu tot slot Morgans oordeel over de beschaving: ‘Sedert de intrede van de beschaving is de rijkdom zo ontzaglijk toegenomen, werden zijn vormen zo veelsoortig, werd zijn toepassing zo veelomvattend en wordt zijn beheer zo handig in het belang van de bezitters gevoerd, dat deze rijkdom tegenover het volk een niet te overweldigen macht is geworden. De menselijke geest staat radeloos en verstomd voor zijn eigen schepping. Maar toch zal de tijd komen, dat het menselijke vernuft sterk genoeg zal worden om over de rijkdom te heersen, dat het zowel de verhouding van de staat zal vaststellen tot de eigendom die hij beschermt, alsook de grenzen van de rechten der eigenaars. De belangen van de maatschappij gaan onvoorwaardelijk voor de individuele belangen en beide moeten in een rechtvaardige en harmonische verhouding worden gebracht. De blote jacht naar rijkdom is niet de eindbestemming van de mensheid, althans indien vooruitgang de wet van de toekomst blijft, zoals hij die was in het verleden. De sedert het aanbreken van de beschaving verlopen tijd is maar een zeer klein deel van de voorbijgegane levenstijd der mensheid en slechts een zeer klein deel van de tijd die nog voor haar ligt. Het verval der maatschappij staat dreigend voor ons als het slot van een historische loopbaan die als enige einddoel de rijkdom heeft; want zulk een loopbaan bevat de elementen van haar eigen vernietiging. Democratie in het bestuur, broederschap in de maatschappij, gelijkheid van rechten, algemene ontwikkeling zullen de eerstvolgende hogere trap van de maatschappij inwijden, waarheen ervaring, verstand en wetenschap onophoudelijk drijven. Zij zal een vernieuwing zijn – maar in hogere vorm – van de vrijheid, gelijkheid en broederschap van de oude gentes.’ (Morgan, ‘Ancient Society’, blz. 552)

 

 


Voetnoten

(1) De slag bij Hastings vond in 1066 plaats tussen de troepen van de in Engeland binnengedrongen hertog van Normandië, Willem, en de Angelsaksers onder koning Harald. De Angelsaksers, die in hun militaire organisatie resten van de gensinrichting hadden overgehouden en primitieve wapens gebruikten, warden vemietigend verslagen. In plaats van de in de slag gedode koning Harald werd Willem – onder de naam Willem I de Veroveraar – koning van Engeland.

(2) ‘Je hebt het gewild, George Dandin!’ – uit ‘George Dandin, ou le mari confondu’, eerste akte, negende scène, van Molière.

(3) Dithmarschen – landschap in het zuidwestelijke deel van het tegenwoordige Sleeswiik-Holstijn. In de Oudheid bewoond door Saksers, in de 8ste eeuw veroverd door Karel de Grote, daarna het bezit van verscheidene geesteIijke en wereldlijke feodale heersers. In het midden van de 12de eeuw verwimen de bewoners van Dithmarschen, onder wie de vrije bocren overheersten, langzamerhand zelfstandigheid; vanaf het begin van de 13de tot halverwege de 16de ceuw waren zij in felte onafhankclijk. Ze verzetten zich met succes tegen herhaalde pogingen van Deense koningen en bertogen van Holstein dit gebied te onderwerpen. De maatschappelijke ontwikkejing van Dithrnarschen had en zeer origineel verloop: rondom de 13de eeuw verdween praktisch de plaatselijke adel; Dithmarschen vormde in de periode van zijn onafhankelijkheid een geheel van zich zelf besturende boerengemeenten, waarvan de grondslagen veelal de oude boerengentes waren. Tot de veertiende eeuw oefende de algemene vergadering van alle vrije grondbezitters de hoogste macht uit; daarna ging deze over in handen van een vertegenwoordigend stelsel – drie gekozen lichamen. In 1559 gelukte het de troepen van de Deense koning Frederik 11 en van de Holsteinse hertogen Johann en Adolf het verzet van de Dithmarsche bevolking te breken en dit gebied aan zich te onderwerpen. De gemeenteordening en het gedeeltelijke zelfbestuur handhaafden zich in Dithmarschen tot in de tweede helft van de 19de eeuw.

(4) Hegel, ‘Grundlinien der Philosophie des Rechts’, par. 257 en 360. De eerste uitgave van dit werk verscheen in 1821 in Berlijn.

(5) Woordspeling op de tot 1805 gebruikte benaming ‘Heiliges Römisches Reich deutscher Nation’; Engels gebruikte in zijn ‘De Duitse Boerenoorlog’ ook de variant: “Heiliges deutsches Reich preussischer Nation” ter karakterisering van de hegemonie van Pruisen sinds 1870/71

>> Inhoudstafel

Geef een reactie

0
    0
    Je winkelwagen
    Er zit niets in je winkelwagenKeer terug naar de winkel