Communistisch Manifest: hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1 Bourgeois en proletariërs (5)

De geschiedenis van elke totnutoe bestaande maatschappij (6) is de geschiedenis van klassenstrijd.

Vrije en slaaf, patriciër en plebejer, baron en lijfeigene, gildenmeester en gezel, kortom: onderdrukkers en onderdrukten stonden in voortdurende tegenstelling tot elkaar, voerden een onafgebroken, nu eens bedekte, dan weer openlijke strijd, een strijd die telkens eindigde met een revolutionaire omvorming van de gehele maatschappij of met de gemeenschappelijke ondergang der strijdende klassen. In de vroegere tijdperken van de geschiedenis vinden we bijna overal een volkomen indeling van de maatschappij in verschillende standen, een veelsoortige rangschikking van de maatschappelijke posities. In het oude Rome waren er patriciërs, ridders, plebejers, slaven; in de Middeleeuwen feodale heren, leenmannen, gildenmeesters, gezellen, lijfeigenen; en bovendien in bijna ieder van deze klassen nog bijzondere rangschikkingen.

De moderne burgerlijke maatschappij, die voortgekomen is uit de ondergang van de feodale maatschappij, heeft de klassentegenstellingen niet opgeheven. Zij heeft slechts nieuwe klassen, nieuwe voorwaarden van onderdrukking, nieuwe vormen van strijd in de plaats van de oude gesteld.

Maar ons tijdperk, het tijdperk van de bourgeoisie, kenmerkt zich hierdoor dat het de klassentegenstellingen heeft vereenvoudigd. Meer en meer splitst zich de gehele maatschappij in twee grote vijandelijke kampen, in twee grote rechtstreeks tegenover elkaar staande klassen: bourgeoisie en proletariaat.

Uit de lijfeigenen der Middeleeuwen zijn de paalburgers van de eerste steden voortgekomen; uit deze paalburgerij ontwikkelden zich de eerste elementen van de bourgeoisie.

De ontdekking van Amerika en omzeiling van Afrika schiepen voor de opkomende bourgeoisie een nieuw terrein. De Oost-Indische en de Chinese markt, de kolonisatie van Amerika, de ruilhandel met de koloniën, de vermeerdering van de ruilmiddelen en de waren in het algemeen gaven aan de handel, de scheepvaart, de industrie een ongekende vlucht en daarmede aan het revolutionaire element in de in verval verkerende feodale maatschappij een snelle ontwikkeling.

De tot dan toe bestaande feodale of op het gildenwezen gebaseerde bedrijfswijze van de industrie was niet meer toereikend voor de met de nieuwe markten groeiende behoefte. De manufaktuur trad in haar plaats. De gildenmeesters werden verdrongen door de industriële middenstand; de arbeidsdeling tussen de verschillende corporaties maakte plaats voor de arbeidsdeling in de afzonderlijke werkplaats zelf.

Maar voortdurend groeiden de markten, voortdurend steeg de behoefte. Ook de manufaktuur was niet meer toereikend. Toen revolutioneerden de stoom en de machinerie de industriële productie, de plaats van de manufaktuur werd door de moderne grootindustrie, de plaats van de industriële middenstand door de industriële miljonairs, de aanvoerders van gehele industriële legers, de moderne bourgeois ingenomen.

De grootindustrie heeft de wereldmarkt in het leven geroepen, die door de ontdekking van Amerika werd voorbereid. De wereldmarkt heeft aan de handel, de scheepvaart, het verkeer tussen de landen een onmetelijke ontwikkeling gegeven. Deze werkte weer terug op de uitbreiding der industrie en naarmate industrie, handel, scheepvaart, spoorwegen zich uitbreidden, ontwikkelde zich in dezelfde mate de bourgeoisie, vermeerderde zij haar kapitalen, drong zij alle uit de Middeleeuwen overgeleverde klassen op de achtergrond.

Wij zien dus hoe de moderne bourgeoisie zelf het product is van een lange ontwikkelingsgang, van een reeks van omwentelingen in de wijzen van voortbrenging en verkeer.

Ieder van deze trappen van ontwikkeling van de bourgeoisie ging samen met een dienovereenkomstige politieke vooruitgang van deze klasse. Onderdrukte stand onder de heerschappij van de feodale heren, gewapende en zichzelf besturende associatie in de commune (7), hier onafhankelijke stedelijke republiek (zoals in Italië en Duitsland), daar derde belastingplichtige stand der monarchie (zoals in Frankrijk), dan, ten tijde van de manufaktuur, tegenwicht tegen de adel in de op standen berustende of absolute monarchie en voornaamste fundament der grote monarchieën in het algemeen, bevocht zij tenslotte voor zichzelf, sedert het grondvesten van de groot-industrie en de wereldmarkt, in de moderne parlementaire staat de ongedeelde politieke heerschappij. Het moderne staatsapparaat is slechts een comité, dat de gemeenschappelijke zaken van de gehele bourgeoisklasse

De bourgeoisie heeft in de geschiedenis een hoogst revolutionaire rol gespeeld.

Waar de bourgeoisie aan de heerschappij is gekomen, heeft zij alle feodale, patriarchale, idyllische verhoudingen vernietigd. Zij heeft de bont geschakeerde feodale banden, die de mens verbonden aan wie van nature boven hem waren gesteld, onbarmhartig verscheurd en geen andere band tussen mens en mens gelaten dan het naakte belang, dan de gevoelloze ‘contante betaling’. Zij heeft de heilige siddering van de vrome dweperij, van de ridderlijke geestdrift en van de kleinburgerlijke weemoed in het ijskoude water van de egoïstische berekening verdronken. Zij heeft de persoonlijke waardigheid opgelost in de ruilwaarde en in de plaats van de talloze, zwart op wit beschreven en verworven vrijheden, uitsluitend de gewetenloze handelsvrijheid gesteld. Zij heeft, in één woord, in de plaats van de met religieuze en politieke illusies bemantelde uitbuiting, de openlijke, schaamteloze, directe, dorre uitbuiting gesteld.

De bourgeoisie heeft alle, tot nu toe eerwaardige en met vroom ontzag beschouwde beroepen van hun heilige schijn ontdaan. Zij heeft de arts, de jurist, de priester, de dichter, de man van de wetenschap in haar betaalde loonarbeiders veranderd.

De bourgeoisie heeft de gezinsverhouding haar roerend-sentimentele sluier afgerukt en ze tot een zuivere geldverhouding teruggebracht.

De bourgeoisie heeft onthuld hoe de brute krachtpatserij, die de reactie zozeer in de Middeleeuwen bewondert, haar passende tegenhanger vond in de traagste dagdieverij. Eerst zij heeft bewezen wat de werkzaamheid van de mensen tot stand kan brengen. Zij heeft heel andere wonderen gewrocht dan de Egyptische piramiden, de Romeinse waterleidingen en de Gotische kathedralen; zij heeft heel andere tochten volbracht dan de volksverhuizingen en kruistochten. (8)

De bourgeoisie kan niet bestaan zonder de productie-instrumenten, dus de productieverhoudingen, dus alle maatschappelijke verhoudingen voortdurend te revolutioneren. Onveranderde instandhouding van de oude productiewijze was daarentegen de eerste bestaansvoorwaarde van alle vroegere industriële klassen. De voortdurende omwenteling der productie, de onafgebroken verstoring van alle maatschappelijke toestanden, de eeuwige onzekerheid en beweging onderscheiden het burgerlijke tijdperk van alle andere. Alle vaste, ingeroeste verhoudingen met hun nasleep van traditionele, eerwaardige voorstellingen en opvattingen vergaan, alle nieuw gevormde verouderen voordat zij kunnen verstenen. Al het feodale en vaststaande vervluchtigt, al het heilige wordt ontwijd en de mensen zijn eindelijk gedwongen hun plaats in het leven, hun wederzijdse betrekkingen met nuchtere ogen te beschouwen.

De behoefte aan een steeds uitgebreider afzet voor haar producten jaagt de bourgeoisie over heel de aardbol. Overal moet zij zich indringen, overal ontginnen, overal connecties aanknopen.

De bourgeoisie heeft door haar exploitatie van de wereldmarkt de productie en consumptie van alle landen kosmopolitisch gemaakt. Zij heeft tot groot leedwezen van de reactionairen de industrie de nationale bodem (waarop zij stond) onder de voeten weggetrokken. De oeroude nationale industrieën werden vernietigd en worden nog dagelijks vernietigd. Zij worden verdrongen door nieuwe industrieën, welker invoering een levenskwestie voor alle beschaafde naties wordt, door industrieën, die niet meer inheemse grondstoffen, maar grondstoffen afkomstig uit de verst verwijderde streken verwerken en welker fabrikaten niet alleen in het land zelf, maar in alle werelddelen tegelijk worden verbruikt. In de plaats van de oude, door de producten van het eigen land bevredigde behoeften, treden nieuwe, welker bevrediging de producten van de verst afgelegen landen en verstverwijderde klimaten vereist. In de plaats van de oude plaatselijke en nationale zelfgenoegzaamheid en afgeslotenheid treedt een alzijdig verkeer, een alzijdige afhankelijkheid van de naties van elkaar. En zoals het in de materiële productie is, zo is het ook in de geestelijke. De geestelijke voortbrengselen van de afzonderlijke naties worden gemeengoed. De nationale eenzijdigheid en bekrompenheid worden meer en meer onmogelijk en uit de vele nationale en lokale literaturen vormt zich een wereldliteratuur.

De bourgeoisie trekt door de snelle verbetering van alle productiewerktuigen, door de oneindig vergemakkelijkte communicaties alle, ook de meest barbaarse, naties binnen de civilisatie. De lage prijzen van haar waren zijn de zware artillerie waarmee zij alle Chinese muren plat schiet, waarmee zij de hardnekkigste vreemdelingenhaat van de barbaren tot capituleren dwingt. Zij dwingt alle naties zich de productiewijze van de bourgeoisie eigen te maken, indien zij niet te gronde willen gaan; zij dwingt hen de zogenaamde beschaving bij zichzelf in te voeren, d.w.z. bourgeois te worden. In één woord, zij schept zich een wereld naar haar eigen beeld.

De bourgeoisie heeft het land aan de heerschappij van de stad onderworpen. Zij heeft enorme steden geschapen; zij heeft het getal van de stedelijke tegenover de plattelandsbevolking in sterke mate doen toenemen en zodoende een belangrijk deel van de bevolking aan de afstomping van het landleven ontrukt. Zoals zij het land afhankelijk heeft gemaakt van de stad, zo heeft zij de barbaarse en halfbarbaarse landen van de geciviliseerde, de boerenvolken van de bourgeoisvolken, het Oosten van het Westen afhankelijk gemaakt.

De bourgeoisie heft meer en meer de versnippering van de productiemiddelen, van het bezit en de bevolking op. Zij heeft de bevolking opeengehoopt, de productiemiddelen gecentraliseerd en de eigendom in weinige handen geconcentreerd. Het noodzakelijke gevolg hier van was de politieke centralisatie. Onafhankelijke, slechts als bondgenoten tot elkaar staande provincies, met verschillende belangen, wetten, regeringen en invoerrechten werden samengedrongen in één natie, één regering, één wet, één nationaal klassenbelang, één douanetarief.

De bourgeoisie heeft in haar nauwelijks honderd jaar oude klassenheerschappij massaler en kolossaler productiekrachten geschapen dan alle voorgaande generaties tesamen. Onderwerping van de natuurkrachten, machinerie, toepassing van de chemie in industrie en landbouw, stoomvaart, spoorwegen, elektrische telegrafie, het ontginnen van gehele werelddelen, het bevaarbaar maken van rivieren, gehele uit de grond gestampte bevolkingen – in welke vroegere eeuw had men vermoed dat zulke productiekrachten in de schoot van de maatschappelijke arbeid sluimerden?

Wij hebben dus gezien: de productie- en verkeersmiddelen, op welker grondslag de bourgeoisie zich ontwikkelde, werden in de feodale maatschappij geschapen. Op een bepaalde trap van ontwikkeling van deze productie- en verkeersmiddelen beantwoordden de verhoudingen, waarin de feodale maatschappij produceerde en de producten ruilde, de feodale organisatie van de landbouw en de manufaktuur, in één woord, de feodale eigendomsverhoudingen niet meer aan de reeds ontwikkelde productiekrachten. Zij hielden de productie tegen in plaats van ze te bevorderen. Zij veranderden in evenzoveel kluisters. Zij moesten worden verbroken, zij werden verbroken.

In hun plaats trad de vrije concurrentie met de daarmee strokende maatschappelijke en politieke constitutie, met de economische en politieke heerschappij van de bourgeoisklasse.

Voor onze ogen voltrekt zich een dergelijke beweging. De burgerlijke productie- en verkeersverhoudingen, de burgerlijke eigendomsverhoudingen, de moderne burgerlijke maatschappij, die zulke ontzaglijke productie- en verkeersmiddelen heeft te voorschijn getoverd, gelijkt op de heksenmeester die de onderaardse machten die hij zelf heeft opgeroepen niet meer kan beheersen.

Sedert tientallen jaren is de geschiedenis van de industrie en de handel slechtst de geschiedenis van de opstand van de moderne productiekrachten tegen de moderne productieverhoudingen, tegen de eigendomsverhoudingen, die de levensvoorwaarde zijn van de bourgeoisie en van haar heerschappij. Het is voldoende de handelscrises te noemen, die in hun periodieke terugkeer steeds dreigender het bestaan van de gehele burgerlijke maatschappij in gevaar brengen. In de handelscrises wordt een groot gedeelte niet slechts van de voortgebrachte producten, maar ook van de reeds geschapen productiekrachten regelmatig vernietigd. In de crises breekt een maatschappelijke epidemie uit, die voor alle vroegere tijdperken iets onzinnigs zou hebben geleken – de epidemie van de overproductie. De maatschappij ziet zich plotseling in een toestand van tijdelijke barbaarsheid teruggebracht; een hongersnood, een algemene verdelgingsoorlog schijnen haar van alle bestaansmiddelen te hebben afgesneden; de industrie, de handel schijnen vernietigd, en waarom? Omdat zij te veel beschaving, te veel middelen van bestaan, te veel industrie, te veel handel bezit. De productiekrachten die tot haar beschikking staan, dienen niet meer tot bevordering van de burgerlijke eigendomsverhoudingen. Integendeel, zij zijn voor deze verhoudingen te ontzaglijk geworden, zij worden er door tegengehouden; en zodra zij deze belemmering overwinnen, brengen zij de gehele burgerlijke maatschappij in wanorde, bedreigen zij het bestaan van de burgerlijke eigendom. De burgerlijke verhoudingen zijn te eng geworden om de door hen geschapen rijkdom te omvatten. – Waardoor overwint de bourgeoisie de crises? Enerzijds door de gedwongen vernietiging van een massa productiekrachten; anderzijds door de verovering van nieuwe markten en de nog grondiger uitbuiting van oude markten. Waardoor dus? Door alzijdiger en geweldiger crises voor te bereiden en de middelen om crises te voorkomen te verminderen.

De wapens, waarmee de bourgeoisie het feodalisme te gronde heeft gericht, richten zich nu tegen de bourgeoisie zelf.

Maar de bourgeoisie heeft niet slechts de wapens gesmeed die haar de dood brengen; zij heeft ook de mannen voortgebracht die deze wapens zullen hanteren – de moderne arbeiders, de proletariërs.

In dezelfde mate waarin de bourgeoisie, d.w.z. het kapitaal zich ontwikkelt, ontwikkelt zich het proletariaat, de klasse van de moderne arbeiders, die slechts zo lang leven als zij arbeid vinden, en die slechts zo lang arbeid vinden als hun arbeid het kapitaal vermeerdert. Deze arbeiders, die zichzelf stuksgewijs moeten verkopen, zijn een waar als ieder ander handelsartikel en daarom evenzeer aan alle wisselvalligheden van de concurrentie, aan alle schommelingen van de markt blootgesteld.

De arbeid van de proletariërs heeft door de uitbreiding van de machinerie en door de arbeidsdeling elk zelfstandig karakter en daardoor iedere bekoring voor de arbeider verloren. Hij wordt niets dan een aanhangsel van de machine, van wie slechts de eenvoudigste, eentonigste, gemakkelijkst te leren handgreep wordt verlangd.

De kosten, die de arbeider veroorzaakt, beperken zich daardoor bijna uitsluitend tot de levensmiddelen die hij voor zijn onderhoud en voor de voortplanting van zijn ras behoeft. De prijs van een waar, dus ook van de arbeid (9), is echter gelijk aan de productiekosten. Naarmate het weerzinwekkende van de arbeid toeneemt, vermindert dus het loon. Sterker nog: naarmate de machinerie en de arbeidsdeling toenemen, neemt ook de massa (10) van de arbeid toe, hetzij door vermeerdering van de arbeidsuren, hetzij door vermeerdering van de in een gegeven tijd vereiste arbeid, versnelde loop der machines, enz.

De moderne industrie heeft de kleine werkplaats van de patriarchale meester in de grote fabriek van de industriële kapitalist veranderd. Arbeidersmassa’s, in de fabriek opeengedrongen, worden militair georganiseerd. Zij worden als gewone soldaten van de industrie onder toezicht van een volledige hiërarchie van onderofficieren en officieren geplaatst. Zij zijn niet alleen de knechten van de bourgeoisklasse, van de bourgeoisstaat, zij worden iedere dag en ieder uur geknecht door de machine, door de opzichter en vooral door de afzonderlijke, fabricerende bourgeois zelf. Deze dwingelandij is des te kleingeestiger, hatelijker en wekt des te meer verbittering, hoe openlijker zij het winst maken als haar doel proclameert.

Hoe minder vaardigheid en krachtsinspanning de handenarbeid eist, d.w.z. hoe meer de moderne industrie zich ontwikkelt, des te meer wordt de arbeid van de mannen door die van vrouwen en kinderen verdrongen. Onderscheid van geslacht en leeftijd heeft voor de arbeidersklasse geen maatschappelijke betekenis meer. Er bestaan nog slechts arbeidsinstrumenten, die naar gelang van leeftijd en geslacht verschillende kosten meebrengen.

Is de uitbuiting van de arbeider door de fabrikant zover gevorderd dat hij zijn arbeidsloon in contanten krijgt uitbetaald, dan storten de andere delen van de bourgeoisie zich op hem: de huisbaas, de winkelier, de lommerdhouder enz.

De tot dusverre bestaande kleine middenstand, de kleine industriëlen, kooplieden en renteniers, de handwerkers en boeren, al deze klassen dalen af tot het proletariaat, ten dele doordat hun kapitaaltje voor het bedrijf van de grootindustrie ontoereikend is en in de concurrentie met de grotere kapitalen het onderspit delft, ten dele doordat hun vaardigheid door nieuwe productiemethoden waardeloos wordt gemaakt. Zo wordt het proletariaat uit alle lagen van de bevolking gerecruteerd.

Het proletariaat doorloopt verschillende trappen van ontwikkeling. Zijn strijd tegen de bourgeoisie begint met zijn bestaan. Aanvankelijk strijden de arbeiders afzonderlijk, dan de arbeiders van één fabriek, dan de arbeiders van een tak van bedrijf in één plaats tegen de afzonderlijke bourgeois die hen rechtstreeks uitbuit. Zij richten hun aanvallen niet alleen tegen de burgerlijke productieverhoudingen, zij richten ze tegen de productie-instrumenten zelf; zij vernielen de vreemde, concurrerende waren, zij slaan de machines stuk, zij steken de fabrieken in brand, zij trachten de verloren gegane positie van de middeleeuwse arbeider opnieuw te veroveren.

Op deze trap van ontwikkeling vormen de arbeiders een over het gehele land verstrooide en door de concurrentie verbrokkelde massa. Massale aaneensluiting van de arbeiders is nog niet het gevolg van hun eigen vereniging, maar het gevolg van de vereniging der bourgeoisie, die voor het bereiken van haar eigen politieke doeleinden het gehele proletariaat in beweging moet brengen en daarin voorlopig nog slaagt. Op deze trap van ontwikkeling bestrijden dus de proletariërs niet hun vijanden, maar de vijanden van hun vijanden, de overblijfselen van de absolute monarchie, de grootgrondbezitters, de niet-industriële bourgeoisie, de kleinburgers. De gehele historische beweging is aldus in de handen van de bourgeoisie geconcentreerd; iedere overwinning die aldus wordt bevochten is een overwinning van de bourgeoisie.

Maar met de ontwikkeling van de industrie neemt het proletariaat niet alleen in aantal toe; het wordt in grote massa’s opeengehoopt, zijn kracht groeit en het wordt zich die meer bewust. De belangen, de levensomstandigheden binnen het proletariaat worden onderling steeds meer gelijk doordat de machine al meer de verschillen in de arbeid uitwist en bijna overal het loon tot hetzelfde lage peil neerdrukt. De groeiende concurrentie tussen de bourgeois onderling en de daaruit voortkomende handelscrises maken het loon van de arbeiders steeds wankeler; de zich steeds sneller ontwikkelende, onophoudelijke verbetering van de machinerie maakt hun gehele levenspositie steeds onzekerder; steeds meer nemen de botsingen tussen de afzonderlijke arbeiders en de afzonderlijke bourgeois het karakter aan van botsingen tussen twee klassen. De arbeiders beginnen coalities (vakbonden) tegen de bourgeoisie te sluiten; zij sluiten zich aaneen ter handhaving van hun arbeidsloon. Zij stichten zelfs duurzame organisaties om zich bij voorkomend verzet van voedsel te voorzien. Hier en daar breekt de strijd als oproer uit.

Van tijd tot tijd overwinnen de arbeiders, maar slechts voorbijgaand. Het eigenlijke resultaat van hun strijd is niet het onmiddellijke succes, maar de steeds verder om zich heen grijpende vereniging van de arbeiders. Deze wordt bevorderd door de toenemende verkeersmiddelen, die door de grootindustrie worden voortgebracht en de arbeiders van verschillende oorden met elkaar in verbinding brengen. Maar er is alleen nog maar verbinding nodig om de vele plaatselijke gevallen van strijd, die overal hetzelfde karakter dragen, tot een nationale, tot een klassenstrijd te centraliseren. Iedere klassenstrijd is evenwel een politieke strijd. En de vereniging waarvoor de burgers der Middeleeuwen met hun buurtwegen eeuwen nodig hadden, brengen de moderne proletariërs met de spoorwegen in enkele jaren tot stand.

Deze organisatie van de proletariërs tot klasse, en daarmee tot politieke partij, wordt ieder ogenblik weer verbroken door de concurrentie onder de arbeiders zelf. Maar zij ontstaat steeds opnieuw, sterker, steviger, machtiger. Zij dwingt tot de wettelijke erkenning van afzonderlijke belangen der arbeiders doordat zij van de onderlinge verdeeldheid van de bourgeoisie gebruik maakt. Bijvoorbeeld de tienurenwet in Engeland.

De botsingen in de oude maatschappij bevorderen in het algemeen op velerlei wijzen de ontwikkelingsgang van het proletariaat. De bourgeoisie bevindt zich in voortdurende strijd: aanvankelijk tegen de aristocratie; later tegen die delen van de bourgeoisie zelf, welker belangen in tegenstelling geraken met de vooruitgang van de industrie; steeds tegen de bourgeoisie van alle vreemde landen. In al deze gevallen van strijd ziet zij zich genoodzaakt een beroep te doen op het proletariaat, zijn hulp in te roepen en het zo bij de politieke beweging te betrekken. Zijzelf verschaft op deze manier aan het proletariaat de elementen voor zijn politieke en algemene ontwikkeling, d.w.z. de wapens tegen zichzelf.

Voorts worden er, zoals wij zagen, door de vooruitgang van de industrie gehele groepen van de heersende klasse in het proletariaat geworpen, of tenminste in hun levensomstandigheden bedreigd. Ook zij verschaffen het proletariaat een massa ontwikkelingselementen (11).

In tijden tenslotte waarin de klassenstrijd zijn beslissing nadert, neemt het ontbindingsproces binnen de heersende klasse, binnen de gehele oude maatschappij een zo heftig, zo fel karakter aan dat een klein deel der heersende klasse zich van haar losmaakt en zich bij de revolutionaire klasse aansluit, bij de klasse die de toekomst in haar handen draagt. Zoals dus vroeger een deel van de adel naar de bourgeoisie overging, zo gaat nu een deel van de bourgeoisie naar het proletariaat over, in het bijzonder een deel van de ideologen van de bourgeoisie, die zich hebben opgewerkt tot het theoretisch begrip van de gehele historische beweging.

Van alle klassen, die heden ten dage tegenover de bourgeoisie staan, is slechts het proletariaat een werkelijk revolutionaire klasse. De overige klassen raken in verval en gaan ten onder met de grootindustrie, het proletariaat is er het hoogsteigen product van.

De middenstanden, de kleine industrieel, de kleine koopman, de handwerksman, de boer, zij allen strijden tegen de bourgeoisie om hun bestaan als middenstand voor ondergang te behoeden. Zij zijn dus niet revolutionair, maar conservatief. Erger nog, zij zijn reactionair, want zij trachten het rad der geschiedenis terug te draaien. Zijn ze revolutionair, dan zijn ze het met het oog op de hun wachtende overgang naar het proletariaat; dan verdedigen zij niet hun tegenwoordige, maar hun toekomstige belangen, dan verlaten zij hun eigen standpunt om zich op dat van het proletariaat te stellen.

Het lompenproletariaat, deze lijdelijke verrotting van de onderste lagen van de oude maatschappij, wordt door een proletarische revolutie hier en daar in de beweging geslingerd; door heel zijn levenspositie zal het eerder geneigd zijn zich voor reactionaire kuiperijen te laten omkopen.

De levensvoorwaarden van de oude maatschappij zijn reeds vernietigd in de levensvoorwaarden van het proletariaat. De proletariër heeft geen eigendom; zijn verhouding tot vrouw en kinderen heeft niets meer gemeen met de burgerlijke gezinsverhouding; de moderne industriële arbeid, het moderne knechtschap onder het kapitaal dat in Engeland en Frankrijk, in Amerika en in Duitsland overal hetzelfde is, heeft hem ieder nationaal karakter ontnomen. De wetten, de moraal, de godsdienst zijn voor hem evenzovele burgerlijke vooroordelen, waarachter zich evenzovele burgerlijke belangen verschuilen.

Alle vroegere klassen die de heerschappij voor zich veroverden, poogden hun reeds verworven levenspositie te verankeren door de gehele maatschappij aan de voorwaarden van hun toe-eigening te onderwerpen. De proletariërs kunnen de maatschappelijke productiekrachten slechts voor zich veroveren door hun eigen tot dusver gevolgde toe-eigeningswijze en daarmee de gehele tot dusver gevolgde toe-eigeningswijze af te schaffen. De proletariërs behoeven niets van het hunne te beveiligen; zij moeten alle tot nu toe bestaande waarborgen en beveiligingen van particuliere aard vernietigen.

Alle bewegingen waren tot dusverre bewegingen van minderheden of in het belang van minderheden. De proletarische beweging is de zelfstandige beweging van de overstelpende meerderheid in het belang van de overstelpende meerderheid. Het proletariaat, de onderste laag van de tegenwoordige maatschappij, kan zich niet verheffen, niet oprichten, zonder dat de gehele bovenbouw van de lagen, die de officiële maatschappij vormen, wordt opgeblazen.

Ofschoon niet naar zijn inhoud, is toch naar zijn vorm de strijd van het proletariaat tegen de bourgeoisie voorlopig een nationale strijd. Het proletariaat van ieder land moet natuurlijk het eerst met zijn eigen bourgeoisie afrekenen.

Terwijl we de meest algemene fasen van de ontwikkeling van het proletariaat tekenden, volgden we de min of meer verborgen burgeroorlog binnen de bestaande maatschappij tot het punt, waarop hij in een openlijke revolutie uitbarst en het proletariaat door de gewelddadige omverwerping van de bourgeoisie zijn heerschappij grondvest.

Elke vroegere maatschappij berustte, zoals wij hebben gezien, op de tegenstelling tussen onderdrukkende en onderdrukte klassen. Maar om een klasse te kunnen onderdrukken moet zij van voorwaarden verzekerd zijn, binnen welke zij tenminste haar slaafse bestaan kan rekken. De lijfeigene heeft zich in de lijfeigenschap opgewerkt tot lid van de commune zoals de kleinburger zich onder het juk van het feodale absolutisme tot bourgeois opwerkte. In plaats van zich met de vooruitgang van de industrie te verheffen, zinkt daarentegen de moderne arbeider steeds dieper beneden de levensvoorwaarden van zijn eigen klasse. De arbeider wordt pauper en het pauperisme ontwikkelt zich nog sneller dan de bevolking en de rijkdom. Hiermee treedt duidelijk aan het licht dat de bourgeoisie niet in staat is nog langer de heersende klasse van de maatschappij te blijven en de levensvoorwaarden van haar klasse aan de maatschappij als regelende wet op te dringen. Zij is tot heersen onbekwaam omdat zij niet in staat is haar slaaf, zelfs binnen het raam van zijn slavernij, een bestaan te waarborgen, omdat zij gedwongen is hem in een toestand te laten wegzinken waarin zij hem moet voeden, in plaats van door hem gevoed te worden. De maatschappij kan onder haar niet meer leven, d.w.z. haar leven en de maatschappij kunnen elkaar niet meer verdragen.

De belangrijkste voorwaarde voor het bestaan en de heerschappij van de bourgeoisklasse is de opeenhoping van de rijkdom in handen van particulieren, de vorming en vermeerdering van het kapitaal; de voorwaarde van het kapitaal is de loonarbeid. De loonarbeid berust uitsluitend op de concurrentie van de arbeiders onderling. De vooruitgang van de industrie, welker willoze en weerloze draagster de bourgeoisie is, stelt in de plaats van de isolering der arbeiders, veroorzaakt door de concurrentie, hun revolutionaire vereniging door middel van de associatie. Met de ontwikkeling van de grootindustrie wordt dus aan de bourgeoisie de grondslag zelf waarop zij produceert en zich de producten toeeigent, onder de voeten weggetrokken. Zij produceert vóór alles haar eigen doodgraver. Haar ondergang en de overwinning van het proletariaat zijn even onvermijdelijk.

Voetnoten

5.Onder bourgeoisie wordt de klasse van de moderne kapitalisten verstaan, die de bezitters van de maatschappelijke productiemiddelen zijn en loonarbeid uitbuiten. Onder proletariërs de klasse van de moderne loonarbeiders, die, daar zij geen eigen productiemiddelen bezitten, er op aangewezen zijn hun arbeidskracht te verkopen om te kunnen leven. (Opmerking bij de Engelse uitgave van 1888.)

6. Dit betekent nauwkeuriger gezegd: de schriftelijke overgeleverde geschiedenis. In 1847 was de vóórgeschiedenis van de maatschappij, de maatschappelijke organisatie die aan alle geschreven geschiedenis voorafging, nog zo goed als onbekend. Sedertdien heeft August von Haxthausen (1792-1866) het gemeenschappelijk grondbezit in Rusland ontdekt; Georg Ludwig von Maurer heeft aangetoond dat dit de maatschappelijke grondslag was, waarvan alle Duitse stammen historisch uitgingen, en allengs ontdekte men dat dorpsgemeenten met gemeenschappelijk grondbezit de oervorm waren van de maatschappij van India tot Ierland. Tenslotte werd de inwendige organisatie van deze oorspronkelijke communistische maatschappij in haar typerende vorm blootgelegd door Morgans allerbelangrijkste ontdekking van de ware natuur van de ‘ges’ en haar plaats in de stam. Met de ontbinding van deze oorspronkelijke gemeenschappen begint de splitsing in de maatschappij in bijzondere en tenslotte tegenover elkaar staande klassen. (Opmerking bij de Engelse uitgave van 1888 en bij de Duitse van 1890.)

7. ‘Commune’ was de naam, in Frankrijk door de opkomende steden aangenomen, zelfs voor dat zij op hun feodale heren en meesters plaatselijk zelfbestuur en politieke rechten als ‘derde stand’ hadden veroverd. In het algemeen gesproken is hier Engeland genomen als het typische land voor de economische ontwikkeling van de bourgeoisie en Frankrijk als voorbeeld voor haar politieke ontwikkeling. (Opmerking bij de Engelse uitgave van 1888). Zo noemden de burgers van de Italiaanse en Franse steden hun stedelijke gemeenten, nadat zij hun feodale heersers de eerste rechten op zelfbestuur hadden afgekocht of afgedwongen. (Opmerking bij de Duitse uitgave van 1890.)

8. Kruistochten: hiermee wordt verwezen naar de militaire veroveringstochten in de 11de tot 13de eeuw geleid door de Kerk die Palestina wilde “bevrijden”.

9. Nadien hebben Marx en Engels het over de “prijs van de arbeidskracht” in plaats van de “prijs van de arbeid”. Marx legde immers uit hoe niet de arbeid zelf verkocht wordt, maar wel de arbeidskracht.

10. In de Engelse uitgave van 1888 in plaats van ‘de massa van de arbeid’: ‘de last van de arbeid’.

11. In de Engelse uitgave van 1888 staat in plaats van ‘ontwikkelingselementen’: ‘verlichtings- en vooruitgangselementen’

> Inhoudstafel

Geef een reactie

0
    0
    Je winkelwagen
    Er zit niets in je winkelwagenKeer terug naar de winkel