2. ECONOMISCHE GROEI EN DE ZIG-ZAGS VAN DE LEIDING

1. “Oorlogscommunisme”, “Nieuwe Economische Politiek” (NEP) en de politiek tegenover de koelaks

De ontwikkeling van de Sovjet economie is alles behalve een ononderbroken en gelijkmatig verlopend proces, weer te geven in een mooi oplopende curve. In de eerste achttien jaar van het nieuwe regime kunnen we aan de heftige crisissen de verschillende fases hierin onderscheiden. Een korte schets van de economische geschiedenis van de Sovjet-Unie in verhouding tot het regeringsbeleid is absoluut noodzakelijk voor zowel een diagnose als een prognose.

De eerste drie jaar van de revolutie waren een periode van openlijke en wrede burgeroorlog. Het economische leven was volledig ondergeschikt aan de behoeftes aan het front. Het culturele leven zat in hoeken en gaten verscholen en werd gekenmerkt door een breed spectrum aan creatieve gedachten, niet in het minst in de persoonlijke gedachten van Lenin, in een periode van buitengewoon gebrek aan materiële middelen. Dat was de periode van het “oorlogscommunisme” (1918-21), dat een heldhaftige gelijkenis vertoont met het “militair socialisme” van de kapitalistische landen. De economische problemen van de Sovjet regering in die jaren kwamen hoofdzakelijk neer op het steunen van de oorlogsindustrie, de schaarse bronnen uit het verleden ten dienste stellen van militaire doelen en de stedelijke bevolking in leven proberen te houden. In essentie betekende het oorlogscommunisme de systematische rantsoenering van de consumptie in een belegerd fort.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat in de oorspronkelijke aannames grotere doelen werden nagestreefd. De Sovjet regering hoopte en streefde ernaar om de methodes van rantsoenering direct door te ontwikkelen in een systeem van geplande economie zowel op het gebied van distributie als in productie. Ze hoopte met andere woorden dat het ‘oorlogscommunisme’, zonder het systeem te hoeven vernietigen, geleidelijk zou ontwikkelen tot het ware communisme. Het in maart 1919 aangenomen beleidsprogramma van de Bolsjewistische Partij stelde: “Op het terrein van verdeling is het de taak van de Sovjet regering om op nationale schaal vasthoudend door te zetten om op een geplande en georganiseerde wijze de handel te vervangen door de distributie van producten.”

Maar meer en meer kwam de werkelijkheid in conflict met het programma van het “oorlogscommunisme”. De productie daalde steeds verder en niet alleen vanwege de vernietigende gevolgen van de oorlog maar ook vanwege de afname in de stimulans van persoonlijk belang voor de producenten. De stad eiste graan en grondstoffen van het platteland, maar gaf hier niets voor terug behalve veelkleurige stukjes papier, volgens oude overlevering geld genoemd. En de moezjiek begroef zijn voorraden in de grond. De regering zond bewapende arbeidersdetachementen uit op zoek naar graan. De moezjiek verminderde het zaaigoed. In 1921, direct na het einde van de burgeroorlog, bedroeg de industriële productie nog maar een vijfde van het vooroorlogse niveau. De staalproductie daalde van 4,2 miljoen ton tot 183.000 ton, een drieëntwintigste van wat het was geweest. De totale graanoogst daalde van 801 miljoen kilo tot 503 miljoen in 1922, het jaar van de verschrikkelijke hongersnood. De buitenlandse handel daalde tegelijkertijd enorm van 2,9 miljard roebel tot 30 miljoen. De ineenstorting van de productiekrachten overtrof alle voorbeelden uit de geschiedenis. Het land en met haar de regering, stonden aan de rand van de afgrond.

De utopische verwachtingen in het tijdperk van het “oorlogscommunisme” werden ingeruild voor bittere en in vele opzichten terechte kritiek. De theoretische fout van de heersende partij blijft onverklaarbaar, tenzij je in ogenschouw neemt dat alle vooruitzichten in die tijd rekenden op een snelle overwinning van de revolutie in het Westen. Het werd als vanzelfsprekend beschouwd dat de overwinnende Duitse arbeidersklasse Sovjet Rusland in ruil voor toekomstige voedingsproducten en grondstoffen zou voorzien van machines, halffabricaten en niet te vergeten tienduizenden hooggeschoolde arbeiders, technici en organisatoren. En het leidt geen twijfel dat wanneer de arbeiders revolutie in Duitsland was geslaagd, de economische ontwikkeling van zowel Duitsland en de Sovjet-Unie met zulke reuzensprongen vooruit was gegaan dat het lot van Europa en de rest van de wereld er onvergelijkelijk beter had voorgestaan. Het voortijdig afbreken van de Duitse revolutie is overigens enkel en alleen toe te schrijven aan de  sociaaldemocratie. Er kan evenwel met zekerheid gesteld worden dat het zelfs bij een geslaagde Duitse revolutie nog steeds noodzakelijk was geweest om de directie staatsdistributie te vervangen door commerciële methoden.

Lenin verklaarde de noodzakelijkheid om de markt te herstellen uit het bestaan van miljoenen geïsoleerde boerenbedrijfjes op het platteland. Deze bedrijven waren alleen gewend om via de handel hun economische relatie met de buitenwereld te onderhouden. Handelscirculatie zou een ‘band’ scheppen tussen de boeren en de genationaliseerde industrie, zo werd gezegd. De theoretische formule voor deze ‘band’ was eenvoudig. De industrie zou het platteland voorzien van de benodigde goederen en dit tegen een dusdanige prijs dat de staat niet gedwongen zou zijn de vruchten van de boerenarbeid met geweld te verzamelen.

Het herstel van de economische relatie met de plattelandsdistricten was ongetwijfeld de belangrijkste en meest urgente taak van de NEP. Een klein experiment toonde echter aan dat de industrie, ondanks haar gesocialiseerde karakter, zelf nog behoefte had aan de methodes van geldelijke betalingen zoals ontwikkeld door het kapitalisme. Een geplande economie kan niet alleen op intellectuele data draaien. Het spel van vraag en aanbod blijft nog voor lange tijd de noodzakelijke materiële grondslag en een onmisbare corrector.

Met behulp van een georganiseerde valuta en gelegaliseerd door de NEP, begon de markt haar werk te doen. Al in 1923, dankzij de initiële stimulans vanuit het platteland, begon de heropleving van de industrie. En vanaf het begin gebeurde dit met een enorm hoog tempo. Het volstaat om er op te wijzen dat de productie zowel in 1922 als in 1923 verdubbelde. En in 1926 had het al weer het vooroorlogse niveau bereikt. Er was met andere woorden sinds 1921 een vervijfvoudiging. En tegelijkertijd, hoewel met een beperkter tempo, groeide de oogst.

Beginnend in het kritieke jaar 1923, groeiden de eerdere tegenstellingen in de heersende partij over de relatie tussen industrie en platteland scherp. In het land dat haar voorraden volledig had opgebruikt, kon de industrie zich alleen nog maar ontwikkelen door graan en grondstoffen van de boeren te lenen. Maar te zware “geforceerde leningen” van producten zou de arbeidsstimulans afbreken. Niet vertrouwend op toekomstige welvaart, zouden de boeren de graanopeisingen door de stad beantwoorden met een zaaistaking. Aan de andere kant zou het economische leven stagneren als er te weinig verzameld werd. Als er te weinig industriële producten werden geleverd, zouden de arme boeren enerzijds naar de stad trekken om via loonarbeid haar behoeften te vervullen en anderzijds zou het een heropleving van de oude huisnijverheid betekenen. De onenigheid in de partij begon over de kwestie hoeveel er van het platteland onttrokken moest of kon worden ten behoeve van de industrie, om de periode van dynamisch evenwicht tussen beide te versnellen. Het meningsverschil werd direct bemoeilijkt door het vraagstuk van de sociale structuur van het platteland zelf.

Op een congres van de partij in de lente van 1923 schetste een vertegenwoordiger van de “Linkse Oppositie”, hoewel hij toen zelf nog niet wist dat het zo zou gaan heten, het uiteen lopen van de industriële en landbouwprijzen in de vorm van een onheilspellend diagram. Toen werd dat diagram voor het eerst “De Schaar” genoemd, een begrip met inmiddels bijna internationale bekendheid. Als de verdere stagnatie in de industrie, zo zei de spreker, de schaar verder open zet, dan is een breuk tussen de stad en het platteland onvermijdelijk.

De boeren maakten een scherp onderscheid tussen de democratische en agrarische revolutie die de Bolsjewistische Partij had doorgevoerd en haar programma om de fundamenten van het socialisme te leggen. De onteigening van de grootgrondbezitters en de staatslanderijen leverde de boeren een half miljard goudroebels op. Maar via de prijzen van de staatsproducten moesten ze een veel hoger bedrag weer terugbetalen. En zolang het nettoresultaat van de twee revoluties, de democratische en de socialistische, stevig samengeknoopt via oktober, voor de boeren terug te brengen was tot een verliespost van enkele honderden miljoenen, bleef de unie tussen de twee klassen uiterst dubieus.
Het verspreide karakter van de plattelandseconomie, geërfd uit het verleden, werd nog versterkt door de gevolgen van de oktoberrevolutie. Het aantal individuele boerenbedrijfjes steeg in de navolgende tien jaar van zestien naar vijfentwintig miljoen, wat natuurlijk het puur op eigen consumptie gerichte karakter van de meerderheid van de bedrijfjes vergrootte. Dat was een van de oorzaken voor het gebrek aan landbouwproducten.

Een economie van kleine gebruiksgoederen veroorzaakt onvermijdelijk uitbuiters. Naarmate de dorpen zich herstelden, nam de ongelijkheid tussen de boerenmassa’s toe. Deze ontwikkeling leidde naar oude platgetreden paden. De groei van de Koelak (rijke herenboer) overtrof de algemene groei in de landbouw in grote mate. Het beleid van de regering onder de slogan “Richt de blik op het platteland” betekende in feite een aanpassing aan de Koelak. De landbouwbelasting trof de armen veel harder dan de rijken, die bovendien ook nog de staatskredieten wisten af te romen. Het graanoverschot, over het algemeen in bezit van de bovenlaag in het dorp, werd gebruikt om de armen terug in slavernij te dwingen en voor speculatieve verkoop aan de burgerlijke elementen in de steden. Boecharin, de toenmalige theoreticus van de leidende fractie wierp de boeren zijn fameuze slogan toe: “Word rijk”. In de theorie was hiervan de bedoeling dat de Koelakken geleidelijk tot het socialisme zouden groeien. In de praktijk betekende het de verrijking van de minderheid ten koste van de overgrote meerderheid.

Gevangen in haar eigen beleid, werd de regering gedwongen stap voor stap terug te treden en tegemoet te komen aan de eisen van de landelijke kleinburgerij. In 1925 werd voor het platteland het inhuren van arbeidskrachten en het verhuren van land gelegaliseerd. De boerenbevolking raakte gepolariseerd tussen de kleine kapitalist aan de ene kant en de dagloner aan de andere. Tegelijkertijd werd de staat door het gebrek aan industriële producten weggedrukt van de boerenmarkten. Tussen de Koelak en de kleine handwerksman ontstond, alsof ze onder de grond vandaan kwamen gekropen, de middenmannen. Meer en meer moesten zelfs de staatsondernemingen met deze privé-handelaren omgaan. Het opkomende tij van het kapitalisme was overal zichtbaar. Weldenkende mensen zagen duidelijk dat een revolutie over de vorm van bezit het probleem van socialisme niet oplost, maar alleen aan de orde stelt.

In 1925, toen de wending naar de Koelak nog in volle gang was, begon Stalin met de voorbereidingen om het land te privatiseren. In antwoord op de vraag van een journalist of het in het belang van de landbouw niet gepast zou zijn om elke boer tien jaar lang het gebruiksrecht op het door hem verbouwde land te geven, antwoordde Stalin: “Jazeker, zelfs wel 40 jaar”. De Volkscommissaris van Landbouw in Georgië introduceerde een wetsontwerp over de denationalisatie van het land, op Stalins eigen initiatief. Het doel was de boer vertrouwen in zijn eigen toekomst te geven. Terwijl dit speelde in 1926 was bijna 60% van het graan bedoeld voor de verkoop in handen van slechts 6% van de landbezitters. De staat kwam niet alleen graan tekort voor de buitenlandse handel, maar zelfs voor de binnenlandse behoefte. De onbeduidendheid van de export maakte het noodzakelijk eerst industriële producten aan te leveren en de import van grondstoffen en machines tot het absolute minimum te beperken.

De politieke gevolgen van het beleid om de industrialisering te vertragen en een flinke dreun aan de meerderheid van de boeren uit te delen door de kaart van de gegoede boer te trekken, kwamen al binnen de twee jaar, tussen 1924-1926, scherp aan het licht. Het bracht een buitengewone toename van het zelfbewustzijn van de kleinburgerij in zowel de steden als op het platteland met zich mee, de controle over veel van de lagere Sovjets, een toename van de macht en het zelfvertrouwen van de bureaucratie, extra druk op de arbeiders en de volledige onderdrukking van de partij- en de sovjetdemocratie. De groei van de Koelakken alarmeerde twee eminente leden van de leidende groep, Zinoviev en Kamenev, allebei voorzitter van de twee belangrijkste arbeiderscentra, Leningrad en Moskou. Maar in de provincies en meer nog binnen de bureaucratie, stond men achter Stalin. De koers naar de gegoede boer won het. In 1926 sloten Zinoviev en Kamenev zich met hun aanhangers aan bij de Oppositie van 1923 (de “Trotskisten”).

Natuurlijk verklaarde de heersende groep niet dat ze ‘ín principe’ tegen de collectivisering van de landbouw was. Ze stelde het perspectief gewoon enkele tientallen jaren verder weg. De toekomstige Volkscommissaris van Landbouw, Jakovlev, schreef in 1927 dat, hoewel de socialistische reconstructie van het dorp alleen volbracht kon worden door collectivisering “dit de eerst komende twee of drie jaar natuurlijk niet het geval zal zijn, misschien zelfs niet binnen 10”. “De collectieve boerderijen en communes”, zo ging hij verder, “zijn eilandjes in de zee van individuele boerenbedrijven en zullen dit nog lang blijven”. En in werkelijkheid behoorde toen ook maar 8% van de boerenfamilies tot de collectieven.

De strijd in de partij over de zogenaamde “algemene lijn”, die in 1923 aan de oppervlakte was gekomen, werd in 1926 buitengewoon intens en gepassioneerd. In haar uitgebreide platform, dat alle problemen in de industrie en de economie behandelde, schreef de Linkse Oppositie:
“De partij zou zich moeten verzetten tegen en alle tendensen vernietigen die opkomen voor het terugdraaien of ondermijnen van de nationalisatie van het land, een van de pijlers van de arbeidersheerschappij”.

Over die kwestie behaalde de Oppositie de overwinning. Directe pogingen om de nationalisatie terug te draaien, werden gestaakt. Maar het probleem hield natuurlijk meer in dan alleen de eigendomsvormen van het land.

“Tegen de groei van keuterboertjes op het land (Fermerstvo) moeten we een snellere groei van de collectieve boerderijen zetten. Het is noodzakelijk om systematisch jaar na jaar een aanzienlijke som geld apart te houden om de arme boeren in de collectieven te ondersteunen. Het gehele werk van de coöperatieven moet doordrongen zijn van het doel om kleinschalige productie om te zetten in grootschalige collectieve productie”.

Maar dit brede programma van collectivisering werd eigenwijs afgedaan als utopisch voor de komende jaren. Tijdens de voorbereidingen van het 15e partijcongres – een congres dat zou dienen om de Linkse Oppositie te royeren – stelde Molotov, de aanstaande Voorzitter van de Raad van Volkscommissarissen, herhaaldelijk: “We moeten niet terugvallen tot de illusies van de arme boeren over de collectivisering van de grote boerenmassa’s. Onder de huidige omstandigheden is dat niet langer mogelijk”.

Volgens de kalender was het toen eind 1927. Zover stond de heersende groep toen af van haar toekomstige beleid tegenover de boeren!

In diezelfde jaren (1923-28) was er een strijd van de regerende coalitie van Stalin, Molotov, Rykov, Tomsky, Boecharin (Zinoviev en Kamenev stapten begin 1926 over naar de Oppositie) tegen de voorstanders van “superindustrialisatie” en geplande leiding. De toekomstige geschiedkundige zal niet zonder verbazing vaststellen hoezeer de regering van de socialistische staat vervuld was van een jammerlijk ongeloof in doortastende economische initiatieven. Een versnelling van het tempo van industrialisering vond empirisch plaats, onder invloeden van buitenaf, met een bot verwerpen van alle berekeningen en een buitengewone toename in de kosten van supervisie. Toen in 1923 de eis van een vijfjarenplan door de oppositie naar voor werd gebracht,  botste dit op spot in de geest van kleinburgers die bang zijn voor ‘de sprong in het duister’. Zelfs nog in april 1927 stelde Stalin op een plenaire bijeenkomst van het Centraal Comité dat het voornemen om de waterkrachtcentrale van Dnjeprstroy te bouwen voor ons hetzelfde zou zijn als voor een Moezjiek om een platenspeler te kopen in plaats van een koe. Deze gevleugelde vergelijking vat het hele programma samen. Het feit dat de burgerlijke pers van de gehele wereld en na haar de sociaaldemocratische pers, met sympathie het officiële stempel op de “Linkse Oppositie” van industriële romantici overnam, is dan ook niets waard.

Tussen de herrie van de partijdiscussies door beantwoordden de boeren het gebrek aan industriële goederen met een steeds koppiger staking. Ze wilden hun graan niet naar de markt brengen, noch hun zaaigoed verhogen. De rechtervleugel (Rykov, Tomsky, Boecharin), die op dat moment de toon zette, eiste een grotere invloed van de kapitalistische tendensen in het dorp via prijsstijgingen van graan, zelfs ten koste van een lager tempo in de industrie. De enige uitweg onder zo’n beleid zou de import van industriële goederen zijn in ruil voor de export van landbouwgrondstoffen. Maar dit zou het scheppen van een band betekenen, niet tussen de boereneconomie en de socialistische industrie, maar tussen de Koelak en het wereldkapitalisme. Voor zoiets was het niet de moeite waard de oktoberrevolutie door te voeren.

“Als we de industrialisering versnellen, met name door de Koelak zwaarder te belasten”, zo antwoordde een vertegenwoordiger van de Oppositie de partijconferentie in 1926, “zal de productie van massagoederen stijgen en de marktprijzen dalen. Dat zal in het voordeel van de arbeiders en het merendeel van de boeren zijn. (…) Een blik op het platteland betekent niet de rug naar de industrie keren. Het betekent de industrie naar het dorp te brengen. Want als het ‘gezicht’ van de staat geen industrie inhoudt, dan is dat voor het dorp nietszeggend”.

In zijn antwoord gaf Stalin een donderspeech tegen de “dromerige plannen” van de oppositie. De industrie moest niet “vooruit sprinten, los breken van de landbouw en het tempo van accumulatie in ons land verbreken”. De partijbesluiten gingen door met het herhalen van deze stelregels van passieve aanpassing aan de gegoede kringen van de boerenbevolking. Om definitief met de “super-industrialisatoren” af te rekenen, waarschuwde de bijeenkomst van het 15e partijcongres in december 1927 voor “een te grote betrokkenheid van staatskapitaal in grote bouwprojecten”. De toenmalige heersende fractie bleef weigeren om andere gevaren te zien.

In het economische jaar 1927-28 kwam de zogeheten herstelperiode ten einde, de periode waarin de industrie voornamelijk met voorrevolutionaire machines werkte en de landbouw met ouderwets gereedschap. Om verder te kunnen ontwikkelen, was industriële nieuwbouw op grote schaal noodzakelijk. Het was onmogelijk om zonder plan en op de tast een stap vooruit te maken.
De hypothetische mogelijkheden van socialistische industrialisering waren al in 1923-25 door de Oppositie geanalyseerd. De algemene conclusie was dat de Sovjet industrie op basis van socialistische accumulatie een groeitempo zou kunnen ontwikkelen welke onder het kapitalisme ondenkbaar zou zijn, zeker als de oude geërfde middelen van de burgerij zouden zijn uitgeput. De leiding van de heersende fractie maakte onze voorzichtige schattingen van groeipercentages van 15 tot 18% openbaar belachelijk als dromerige muziek van een onbekende toekomst. En daaruit bestond in essentie de strijd tegen het “Trotskisme”.

Het eerste officiële ontwerp van het vijfjarenplan, uiteindelijk in 1927 opgemaakt, was doordrenkt van een geest van gierig gepruts. De groei van de industriële productie werd voorgesteld in een jaarlijks afnemend tempo van 9 naar 4%. De individuele consumptie zou in die vijf jaar met wel 12% toenemen! De ongelofelijke terughoudendheid in de gedachtegang achter het eerste plan komt nog wel het meest duidelijk naar voren in het feit dat het staatsbudget aan het einde van de vijf jaar in totaal 16% van het nationale inkomen mocht bedragen, terwijl het budget van het tsaristische Rusland, die in het geheel geen intentie had om een socialistische samenleving te creëren, 18% van het nationale inkomen opslokte! Het is misschien waard hieraan toe te voegen dat de ingenieurs en economen die dit plan hadden ontworpen, enige jaren laten door de wet werden aangeklaagd en zwaar bestraft als bewuste saboteurs die handelden volgens de richtlijnen van buitenlandse mogendheden. Hadden ze het gedurfd, dan hadden de beschuldigden kunnen zeggen dat hun werk perfect aansloot bij de “algemene lijn” van het toenmalige Politbureau en volgens haar orders werd uitgevoerd.

De strijd tussen de tendensen werd nu vertaald in een rekenkundige taal. “Om de tiende verjaardag van de revolutie te moeten vieren met zo’n onbenullig en door en door pessimistisch plan, betekent in werkelijkheid tegen het socialisme werken”, zo stelde het Platform van de Oppositie. Een jaar later nam het Politbureau een nieuw vijfjarenplan aan, met daarin een jaarlijks industrieel groeipercentage van 9%. De feitelijke lijn der ontwikkeling liet echter een koppige neiging zien om de coëfficiënten van de “super-industrialisatoren” te benaderen. Na weer een jaar, toen het regeringsbeleid radicaal was veranderd, ontwierp de Staatsplanningscommissie een derde plan, waarin het groeipercentage veel dichter dan kon worden verwacht bij de hypothetische prognose van de oppositie in 1925 lag.
Zoals we dus kunnen zien, is de echte geschiedenis van het economische beleid van de Sovjet-Unie heel anders dan de officiële legende. Helaas besteden zulke vrome onderzoekers als het echtpaar Webb hier niet de minste aandacht aan.

2. Een scherpe wending: “het vijfjarenplan in vier jaar” en “complete collectivisering”

Besluiteloosheid ten aanzien van individuele boerenbedrijven, wantrouwen tegen grootse plannen, het verdedigen van een minimumtempo, het verwaarlozen van internationale problemen, al deze zaken bij elkaar vormden de essentie van de theorie van “socialisme in een land”. Deze theorie werd door Stalin voor het eerst naar voor gebracht in 1924 na de nederlaag van de Duitse arbeidersklasse. Niet te gehaast met de industrialisering, niet bekvechten met de moezjiek, niet rekenen op de wereldrevolutie en boven alles de macht van de partijbureaucratie gevrijwaard houden van alle kritiek! De verscheidenheid van de boerenbevolking werd afgedaan als een uitvinding van de Oppositie. De eerder genoemde Jakovlev ontsloeg het hele Centraal Statistische Bureau omdat haar rapporten de Koelak een grotere rol gaven dan de autoriteiten wenselijk vonden. En dat terwijl de leiding rustig durfde te beweren dat de goederenschaarste zich langzaam zelf oploste, dat “een vredig tempo van economische ontwikkeling gepast was”, dat de graaninzamelingen in de toekomst ‘gelijkmatiger’ zouden zijn, enzovoort. De sterker geworden Koelak trok de middenboer met zich mee en onderwierp de steden aan een graanblokkade. In januari 1928 stond de arbeidersklasse oog in oog met de schaduw van een opkomende hongersnood. De geschiedenis weet hoe ze een wrange grap moet uithalen. In dezelfde maand dat de Koelak de revolutie bij de strot greep, werden de vertegenwoordigers van de Linkse Oppositie in de gevangenis gezet of verbannen naar verschillende delen van Siberië als straf voor hun “paniekzaaierij” voor het spook van de Koelak.

De regering probeerde te doen alsof de graanstaking werd veroorzaakt door de openlijke vijandigheid van de koelak (waar kwam die vandaan?) tegen de socialistische staat, oftewel door ordinaire politieke motieven. Maar de koelak is nauwelijks geneigd tot zo’n soort van “idealisme”. Als hij zijn graan verborg, dan was dat omdat de prijs die hem geboden werd niet winstgevend genoeg was. Om diezelfde redenen wist hij grote delen van de boerenbevolking onder zijn invloed te brengen. Het werd noodzakelijk om het beleid te veranderen. Desalniettemin werd er veel tijd verspild door twijfels en getreuzel.

Rykov, toen nog hoofd van de regering, kondigde in juli 1928 aan: “het ontwikkelen van individuele boerderijen is nog steeds de hoofdtaak van de partij”.

En Stalin steunde hem: “Er zijn mensen die denken dat individuele boerenbedrijfjes hun nut hebben verloren, dat wij ze niet steunen. Deze mensen hebben niets gemeen met onze partijlijn”.
Minder dan een jaar later had de partij niets meer gemeen met deze woorden. De dageraad van de “complete collectivisering” vertoonde zich aan de horizon.

De nieuwe oriëntatie werd net zo empirisch bereikt als de voorgaande en via de weg van een verborgen strijd binnen het regeringsblok.

“De groepen op de rechtervleugel en in het centrum worden verenigd door een algemene vijandigheid tegenover de Oppositie”, zo waarschuwde het platform van links al een jaar eerder, “en het uitsluiten van links zal onvermijdelijk het komende gevecht tussen rechts en midden versnellen”.
En zo gebeurde het. De leiders van het uiteenvallende blok durfden natuurlijk nooit toe te geven dat deze voorspelling van de linkervleugel, zoals zovele daarvoor, was uitgekomen. Zelfs zo laat als 19 oktober 1928 verklaarde Stalin nog publiekelijk: “Het moet maar eens afgelopen zijn met het geroddel over het bestaan van een afwijking naar Rechts en een verzoeningsgezinde houding hiertegenover in het Politbureau van ons Centraal Comité”.

Beide groepen waren toen het water in de partij aan het testen. De onderdrukte partij leefde van roddels en achterklap. Maar binnen een paar maanden kondigde de officiële media, niet gehinderd door enig gevoel van schaamte, plotseling aan dat het hoofd van de regering, Rykov, “had gespeculeerd op de economische problemen van de Sovjet macht”, dat het hoofd van de Comintern, Boecharin, “een doorgeefluik van burgerlijk-liberale invloeden was”, dat Tomsky, voorzitter van de Alrussische Raad van Vakbonden “slechts een miserabel vakbondsmannetje was”. Alle drie, Rykov, Boecharin en Tomsky, waren leden van het Politbureau. Terwijl in de gehele voorgaande strijd tegen de Linkse Oppositie de wapens werden geleend van de rechtervleugel, kon Boecharin nu, zonder te liegen, Stalin terecht beschuldigen van het feit dat hij in zijn strijd tegen Rechts, delen van het veroordeelde Linkse Oppositie Platform gebruikte.

Maar op de een of de andere manier werd de omslag gemaakt. De slogan “word rijk” werd samen met de theorie van de Koelak die pijnloos het socialisme in zou ‘groeien’ verlaten en des te resoluter veroordeeld. Industrialisering werd bovenaan de agenda gezet. De zelfvoldane zwijgzaamheid werd vervangen door haastige paniek. De halfvergeten slogan van Lenin, “inhalen en overvleugelen”, werd ingevuld als “in de kortst mogelijke tijd”. Het minimalistische vijfjarenplan, in concept al goedgekeurd door een partijcongres, werd vervangen door een geheel nieuw plan waarvan de basiselementen volledig werden geleend van het platform van de uiteengeslagen Linkse Oppositie. Dnjeprstroy, eerst nog afgedaan als te futuristisch, kwam nu in het centrum van de belangstelling.

Na de eerste nieuwe successen werd de volgende slogan naar voren gebracht: “Bereik het vijfjarenplan in vier jaar”. De verbaasde empirici besloten nu dat alles mogelijk was. Zoals zo vaak in de geschiedenis was gebeurd, sloeg het opportunisme nu om in zijn tegendeel, het avonturisme. Terwijl het Politbureau in de periode 1923 tot 1928 bereid was geweest om Boecharin’s theorie van de “slakkengang” te accepteren, stapte ze nu lichtvoetig over naar een jaarlijkse groei van 20 of 30 procent. Daarbij pogend om elk gedeeltelijk of tijdelijk succes in een norm om te zetten, zonder rekening te houden met de onderlinge afhankelijkheid van de diverse takken van industrie. De financiële gaten in het plan werden gevuld met gedrukt papier. Tijdens de eerste jaren van het plan steeg het aantal bankbiljetten in circulatie van 1,7 miljard roebel naar 5,5 miljard en aan begin van het tweede vijfjarenplan liep dit op tot 8,4 miljard roebel. De bureaucratie wist zich niet alleen te bevrijden van de politieke controle door de massa’s, voor wie de gedwongen industrialisering een ondraaglijke last betekende, maar ook van de automatische controle door de tsjervonetz (munteenheid uit de NEP-periode, in theorie gelijkwaardig aan 5 dollar). Het valutasysteem, dat in de NEP periode op een solide basis was gezet, schudde weer op zijn grondvesten.

Het grootste gevaar, niet alleen in het bereiken van het plan, maar ook voor het regime zelf, kwam echter van de kant van de boeren.

Op 15 februari 1928 kon de plattelandsbevolking via een redactioneel in de Pravda met verbazing vernemen dat de dorpen er helemaal niet zo uitzagen zoals doorgaans door de autoriteiten werd beweerd, maar integendeel meer weg hadden van het beeld dat de verbannen Linkse Oppositie had geschetst. De media, die tot gisteren het bestaan van de Koelak nog hadden ontkend, wisten hem nu, na een signaal van bovenaf, niet alleen in de dorpen te ontdekken, maar ook in de partij zelf. Er werd bekend gemaakt dat de communistische kernen veelvuldig werden gedomineerd door rijke boeren, in het bezit van gecompliceerde machines, ingehuurde arbeidskrachten, duizenden tonnen graan verborgen houdend voor de regering en onverbiddelijk het “Trotskistische” beleid aanvallend. De kranten probeerden elkaar te overtreffen met sensationele onthullingen over Koelakken, die op posities als plaatselijke secretarissen, aan arme boeren en seizoenarbeiders de toegang tot de partij ontzegden. Alle oude criteria stonden opeens op z’n kop, minnen en plussen waren van plaats gewisseld.

Om de steden te kunnen voeden, was het noodzakelijk om het dagelijkse brood van de Koelak af te pakken. Dat kon alleen met geweld. De toeëigening van de graanreserves, niet alleen van de Koelakken, maar ook van de middelgrote boeren, werd in de officiële terminologie “buitengewone maatregelen” genoemd. Deze term is bedoeld om duidelijk te maken dat daarna alles weer volgens de gewone paden zou gaan. Maar de boeren wilden deze mooie woorden niet geloven en gelijk hadden ze. De gewelddadige graantoeëigeningen demotiveerden de rijkere boeren om meer te zaaien. De seizoenarbeiders en arme boeren kwamen hierdoor zonder werk te zitten. Opnieuw kwam de ontwikkeling van de landbouw in een doodlopende steeg te zitten en met haar, de staat. Het werd tegen ieder prijs noodzakelijk de “algemene lijn” bij te stellen.

Stalin en Molotov, die nog steeds aan de individuele boerenbedrijven de meest vooraanstaande plaats gaven, begonnen toch de noodzaak van een snellere ontwikkeling van de Sovchozen en Kolchozen te benadrukken. De bittere noodzaak aan voedsel maakte het onmogelijk de militaire expedities in het platteland te verminderen en zo kwam het programma van bevordering van individuele boerenbedrijven in het luchtledige te hangen. Het was noodzakelijk om “terug te vallen” tot collectivisering. De tijdelijke “buitengewone maatregelen” tot het vergaren van graan ontwikkelden zich onverwacht tot een programma ter “liquidatie van de Koelakken als klasse”. Uit deze stroom van tegengestelde bevelen, overvloediger dan de voedselrantsoenen, werd duidelijk dat de regering ten aanzien van het boerenvraagstuk niet alleen geen vijfjarenplan had, maar zelfs geen vijfmaandenplan.

Volgens het nieuwe plan, in allerijl opgezet onder druk van de voedselschaarste, moesten over vijf jaar de collectieve boerderijen 20% van het totaal beslaan. Dit programma, waarvan de omvang pas duidelijk wordt als je beseft dat gedurende de afgelopen tien jaar de collectivisering maar 1% van het totaal had bereikt, werd halverwege die vijf jaar al ruim overtroffen. In november 1929 nam Stalin zelf afstand van zijn aarzelingen en kondigde hij het einde van de individuele boerenbedrijven af. De boeren, zo zei hij, sluiten zich bij collectieve boerenbedrijven aan “met hele dorpen, streken en provincies tegelijk”. Jakovlev, die er twee jaar geleden nog op had gestaan dat de collectieven nog vele jaren alleen “een eiland in een oceaan van private boerenbedrijven” zouden blijven, kreeg nu als Volkscommissaris van Landbouw de opdracht om “de Koelakken als klasse te liquideren” en volledige collectivisering te vestigen “binnen de kortst mogelijke termijn”. In 1929 steeg het aandeel van de collectieve boerenbedrijven van 1,7 naar 3,9% van het totaal. In 1930 steeg het tot 23,6%, in 1931 tot 52,7% en in 1932 tot 61,5%. Tegenwoordig is niemand meer zo dom om de kletspraatjes van de liberalen te herhalen dat de gehele collectivisering alleen door bruut geweld werd gerealiseerd. In eerdere historische tijdperken hebben de boeren in hun strijd voor land dan weer gebruik gemaakt van opstanden tegen de landheren, dan weer door een stroom kolonisten naar onontwikkelde regio’s te sturen, dan weer door achter allerlei sekten aan te lopen die de Moezjiek een prachtige plek in de hemel beloofden ter compensatie voor hun kleine plekje op aarde. Nu, na de onteigening van de grote landgoederen en de extreme versnippering van het land, was de vereniging van deze kleine keuterboerderijen tot grote landbouwbedrijven een kwestie van leven en dood geworden voor de boeren, voor de landbouw en voor de gehele samenleving.

Het probleem werd natuurlijk niet opgelost door deze algemene historische overwegingen. De werkelijke mogelijkheden van collectivisering werden niet bepaald door de diepte van de impasse in de dorpen en niet door de administratieve energie van de regering, maar in de eerste plaats door de beschikbare productiebronnen. Oftewel, de mogelijkheden van de industrieën om de grootschalige landbouw te voorzien van de benodigde machines. Deze materiële voorwaarden ontbraken. De collectieve boerderijen werden opgezet met middelen die alleen geschikt waren voor kleinschalige landbouw. Onder deze omstandigheden kreeg de snelle collectivisering snel het karakter van een economisch avontuur.

Geheel verrast door het radicale in haar eigen beleidswending, was de regering niet in staat zelfs maar een elementaire politieke voorbereiding te treffen over de nieuwe koers. Zowel de boerenmassa’s als ook de lokale machtsorganen wisten niet wat er van hen werd verwacht. Boeren waren over de rooie door geruchten dat hun vee en bezittingen door de staat in beslag zouden worden genomen. En deze geruchten waren niet ver bezijden de waarheid. De bureaucratie “plunderde de dorpen” en maakte zo hun eigen eerder karikatuur van de Linkse Oppositie tot werkelijkheid. De collectivisering overkwam de boeren voornamelijk in de vorm van een onteigening van alle bezittingen. Ze collectiviseerden niet alleen paarden, koeien, schapen, varkens, maar zelfs pasgeboren kuikentjes. Volgens een buitenlandse waarnemer “ontkoelakten ze zelfs door de vilten schoenen aan de voeten van kleine kinderen af te pakken”. Met als gevolg dat het vee door de boeren voor een appel en een ei werd verkocht, of massaal geslacht voor vlees en huiden.
Op het congres in Moskou in januari 1930 schetste Andrejev, een lid van het Centraal Comité, een tweeledig beeld van de collectivisering. Aan de ene kant bevestigde hij een krachtige collectieve beweging die zich door het hele land ontwikkelde en “die elk obstakel op zijn weg zal vernietigen”. Aan de andere kant meldde hij een roofzuchtige verkoop door de boeren van hun uitrusting, voorraden en zaaigoed voordat ze tot de collectieven toetraden, waarbij deze verkoop “werkelijk een hoogst schadelijke omvang aanneemt”. Hoe tegenstrijdig deze generalisaties ook mogen zijn, ze tonen ondubbelzinnig het epidemische karakter van collectivisering als wanhoopsmaatregel aan. “De volledige collectivisering”, zo schreef dezelfde waarnemer, “maakte van de nationale economie een puinhoop zonder weerga, alsof er een driejarige oorlog had gewoed”.

Vijfentwintig miljoen geïsoleerde boerenego’s, gisteren nog de belangrijkste drijfveer achter de landbouw, zwak als een oud molenpaard, maar door het grote aantal toch een macht, moesten door een pennenvrucht van de bureaucratie onder bevel worden geplaatst van tweeduizend collectieve administratieve kantoren, die een gebrek hadden aan technische uitrusting, landbouwkennis en natuurlijk steun van de boeren zelf. De kostbare gevolgen van dit avonturisme lieten zich snel voelen en duurden een aantal jaren. De totale graanoogst, die in 1930 was gestegen ton 835 miljoen ton, viel in de volgende twee jaar terug tot onder de 700 miljoen ton. Dit verschil lijkt op zich niet catastrofaal, maar het was net dat verschil wat de steden boven de hongernorm hield. In de industriële landbouw stonden de zaken er veel slechter voor. Aan de vooravond van de collectivisering bedroeg de suikerproductie bijna 7 miljoen kilo. Op het hoogtepunt van de collectivisering was dit, als gevolg van een tekort aan suikerbieten, gedaald tot ruim 3 miljoen kilo, nog maar de helft. Maar het zwaarst getroffen werd de veestapel. Het aantal paarden daalde met 55% van 36,4 miljoen in 1929 tot 15,6 miljoen in 1934. De hoeveelheid gehoornd vee daalde van 30,7 miljoen tot 19,5 miljoen, oftewel 40% minder. Het aantal varkens daalde met 55% en het aantal schapen met 66%. De vernietiging van mensen, door honger, koude, epidemieën en onderdrukkingsmaatregelen is helaas minder nauwkeurig vastgelegd dan die van het vee, maar bedroeg zeker miljoenen. De schuld voor deze opofferingen ligt niet bij de collectivisering, maar de blinde, gewelddadige en het goklustige karakter waarmee deze werd doorgevoerd. De bureaucratie had niets voorzien. Zelfs de reglementen van de collectieven, die een poging vormden om de individuele belangen van de boeren samen te laten vallen met de welvaart van het bedrijf, werden pas gepubliceerd toen de onfortuinlijke dorpen al braak waren gelegd.

Het geforceerde karakter van deze nieuwe koers kwam voort uit de noodzaak om toch een bepaalde redding te vinden uit de gevolgen van het beleid tussen 1923 en 1928. Maar dan nog had de collectivisering een gematigder tempo en een beter omschreven vorm moeten en kunnen hebben. De bureaucratie had, omdat ze zowel de industrie als de macht in het land in handen had, het proces beter kunnen reguleren zonder het land aan de rand van de afgrond te brengen. Ze had een tempo moeten en kunnen aannemen, dat meer in overeenstemming was geweest met de materiële en geestelijke bronnen van het land.

“Onder gunstige interne en externe omstandigheden kunnen de materiële en technische voorwaarden voor de landbouw in een periode van tien tot vijftien jaar van onder tot boven worden veranderd en zo een productieve basis vormen voor collectivisering”, zo stelde het orgaan in ballingschap van de Linkse Oppositie in 1930.

“Maar in de tussenliggende jaren zal er voldoende tijd zijn om de Sovjet macht meerdere keren omver te werpen”.

Deze waarschuwing was niet overdreven. Niet eerder had de kille adem van vernietiging zo direct over het territorium van de oktoberrevolutie gehangen als in de jaren van volledige collectivisering.Ontevredenheid, wantrouwen en verbittering tastten het land aan. De ontwrichting van de munt, de opeenstapeling van stabiele, “conventionele” en vrijemarkt prijzen, de overgang van een bepaalde vorm van handel tussen de staat en de boeren naar een graan-, vlees- en melkheffing, de strijd op leven en dood tegen massale plundering van de collectieve eigendom en het massale verdonkeremanen van deze plunderingen, de puur militaire mobilisatie van de partij tegen koelaksabotage (na de ‘liquidatie’ van de koelak als klasse), samen met de terugkeer naar voedselbonnen en hongerrantsoenen en uiteindelijk de terugkeer van het pasjessysteem. Al deze maatregelen deden in het gehele land de atmosfeer van de schijnbaar zo lang geleden burgeroorlog herleven.

Seizoen na seizoen werd het steeds moeilijker de fabrieken van voedsel en grondstoffen te voorzien. Ondraaglijke arbeidsomstandigheden veroorzaakten een migratie van arbeidskrachten, ongeoorloofde afwezigheid, prutswerk, technische storingen, een hoog percentage ondeugdelijke producten en in zijn algemeenheid slechte kwaliteit. De gemiddelde arbeidsproductiviteit daalde met 11,7% in 1931. Volgens een toevallige aankondiging van Molotov, die in de gehele Sovjet pers werd afgedrukt, steeg de industriële productie in 1935 maar met 8,5% in plaats van de aangegeven 36% volgens het jaarplan. Het klopt dat niet veel later aan de wereld bekend werd gemaakt dat het vijfjarenplan was gerealiseerd in vier jaar en drie maanden. Maar dat betekent alleen dat het cynisme van de bureaucratie om de statistieken en de publieke opinie te manipuleren ongelimiteerd was. Dat is evenwel niet het belangrijkste. Niet het lot van het vijfjarenplan stond op het spel, maar het lot van het regime.

Het regime overleefde.

Dat is de verdienste van het regime zelf, want ze was al diepgeworteld in de algemene grond. En zeker niet in mindere mate was het te danken aan de gunstige externe omstandigheden. In deze jaren van economische chaos en burgeroorlog in de dorpen stond de Sovjet-Unie in feite aan de grond genageld in het gezicht van een buitenlandse vijand. De ontevredenheid van de boeren verspreidde zich door het leger. Wantrouwen en besluiteloosheid demoraliseerde het bureaucratische apparaat en de leidinggevende kaders. Een klap in het Oosten of het Westen had fatale consequenties kunnen hebben in die periode.

Gelukkig genoeg hadden de eerste crisisjaren in de handel en industrie in de kapitalistische wereld een stemming van onrustig afwachten geschapen. Niemand was klaar voor oorlog, niemand durfde het te proberen. Bovendien was er in geen van de vijandige landen een adequaat besef van de scherpte van deze sociale beroeringen die het land van de Sovjets deed schokken, verhuld onder het gedreun van de officiële muziek ter meerdere eer en glorie van de “algemene lijn”.

Ondanks de beknoptheid toont onze historische schets hopelijk aan hoezeer de werkelijke ontwikkeling van de arbeidersstaat afstond van het idyllische plaatje van de geleidelijke en voortdurende opeenstapeling van successen. Uit de crisissen van het verleden zullen we later belangrijke gevolgtrekkingen maken voor de toekomst. Maar daarnaast leek ons een korte geschiedkundige blik over het economische beleid van het Sovjet regime en haar zigzagpolitiek noodzakelijk om dat kunstmatig ingeprente individuele fetisjisme te vernietigen, dat haar bronnen van succes, zowel de echte als de voorgewende, vindt in de buitengewone kwaliteit van de leiding en niet in de omstandigheden van vermaatschappelijkte eigendom gecreëerd door de revolutie.

Uiteraard is de objectieve superioriteit van het nieuwe sociale regime ook af te leiden uit de methodes van de leiding. Maar evenzogoed weerspiegelen deze methodes in gelijke mate de economische en culturele achterstand van het land en de kleinburgerlijke provinciale omstandigheden waaronder de leidende kaders werden gevormd.

Het zou een zeer grote fout zijn om hieruit af te leiden dat het beleid van de Sovjet leiders maar van ondergeschikt belang zou zijn. Er is geen andere regering ter wereld in wiens handen het lot van het land in zo’n hoge mate is geconcentreerd. De successen en mislukkingen van een individuele kapitalist hangen voor een aanzienlijk deel en soms in beslissende mate af van zijn persoonlijke kwaliteiten. Mutatis mutandis neemt de Sovjet regering ten aanzien van het gehele economische systeem dezelfde positie in als de individuele kapitalist ten aanzien van zijn bedrijf. Het gecentraliseerde karakter van de nationale economie verandert de staatsmacht in een enorm belangrijke factor. Maar juist om die reden moet het beleid van de regering beoordeeld worden op de specifieke rol die het bewuste inzicht en planmatig leiden hebben gespeeld in plaats van kort samengevatte resultaten en naakte statistische data.

De vele wendingen in de koers van de regering zijn niet alleen een weerspiegeling van de objectieve tegenstellingen in de huidige situatie, maar ook van de tekortschietende vaardigheden van de leiding om deze tegenstellingen bijtijds te onderkennen en vroegtijdig hierop te reageren. Het is niet makkelijk om in boekhoudkundige grootheden de fouten van de leiding weer te geven, maar onze schematische weergave van de geschiedenis van deze wendingen laat de conclusie toe dat ze de Sovjet economie hebben opgezadeld met een enorme last aan algemene kosten die niet meteen op de productie betrekking hadden.

Het blijft natuurlijk onbegrijpelijk, in ieder geval met een rationele benadering van de geschiedenis, hoe en waarom een fractie die het minst begiftigd met ideeën en het meest belast met fouten was over alle andere groepen de boventoon kon gaan voeren en een welhaast ongelimiteerde macht in haar handen kon concentreren. Onze volgende analyse zal ook voor dit probleem de sleutel leveren. En tegelijkertijd zullen we zien hoe de bureaucratische methodes van autocratisch leiderschap meer en meer in botsing komen met de behoeften van de economie en de cultuur en met welke onafwendbare noodzakelijkheid nieuwe crisissen en ongeregeldheden in de ontwikkeling van de Sovjet-Unie zullen ontstaan.

Maar voordat we op de dubbele rol van de “socialistische” bureaucratie zullen ingaan, moeten we eerst de volgende vraag beantwoorden: wat is het netto resultaat van de voorafgaande successen? Is in de Sovjet-Unie het socialisme werkelijk bereikt? Of, iets voorzichtiger gesteld, zijn de huidige economische en culturele resultaten een voldoende garantie tegen het gevaar van kapitalistische restauratie, net zoals de burgerlijke samenleving op een zeker moment in haar ontwikkeling, als gevolg van haar successen, verzekerd was tegen de restauratie van horigheid en feodalisme?

> Inhoudstafel

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie