1885. Een arbeiderspartij komt tot stand

Wie vandaag de sociaaldemocratische partijen SP.a en PS bezig ziet, heeft het moeilijk te geloven dat dit de uitlopers zijn van de machtige Belgische Werkliedenpartij, de partij die onder andere het algemeen stemrecht voor mannen en de 8-urendag afdwong. De BWP speelde een centrale rol in het behalen van grote stappen vooruit van de arbeidersbeweging, hoewel dat nagenoeg altijd eerder ondanks dan dankzij haar leiding was. De huidige sociaaldemocratische partijen spelen in tegenstelling tot de toenmalige BWP een centrale rol in de afbouw van die verworvenheden.

Het is zeer belangrijk om de degeneratie van deze partijen te bestuderen en er lessen uit te trekken. De belangrijkste nederlagen van de arbeidersbeweging kunnen op het conto van de leiding van deze partijen worden geschreven. Nergens kwamen die leidingen zelfs maar aan de enkels van vele van hun leden wanneer het op strijdlust, vastberadenheid en opofferingsbereidheid aankwam. Daarom noemde Lenin deze partijen dan ook “arbeiderspartijen met een burgerlijke leiding”. Vandaag echter zijn deze partijen steeds meer pure burgerlijke partijen geworden. Hun langdurige deelname aan het neoliberaal beleid, gecombineerd met hun werkmethodes, het schrappen van socialistische eisen uit hun programma en hun zoektocht naar een nieuw middenklasse-publiek hebben hun arbeidersbasis verjaagd.

Dit is een proces die werd ingezet toen de uitzonderlijke economische bloeiperiode na WOII op zijn einde liep en de sociaaldemocratie voor de keuze werd gesteld van ofwel de neoliberale logica te aanvaarden of een anti-kapitalistisch en socialistisch programma aan te nemen. De Val van de Muur heeft door het elimineren van een alternatief op het kapitalisme dit proces versneld. Niets stond de volledige integratie in de kapitalistische elite nog in de weg. Willy Claes werd chef van de NAVO, Karel Miert maakte grote sier in de EU en meer en meer ex-“socialisten” deden hun intrede in de beheerraden van kapitalistische ondernemingen.

Het verdwijnen van deze partijen als arbeiderspartijen betekende een fundamentele stap achteruit voor de arbeidersbeweging. Arbeiders hebben nood aan hun eigen partij. Omdat het gebrek aan een partij ervoor zorgt dat syndicale eisen of eisen van de sociale bewegingen niet op het politieke terrein kunnen worden vertaald. Dat is een vaststelling die door steeds meer syndicalisten wordt gemaakt.

LSP/PSL voert al vanaf 1995 propaganda voor een nieuwe arbeiderspartij. Het objectieve gemis ervan werd duidelijk in de strijd tegen het besparingsprogramma van Dehaene uit ’93, het Globaal Plan. Deze strijd kon door de vakbondsleiding worden afgebroken door de stelling dat het geen zin had de regering (christen-democraten en sociaal-democraten) te laten vallen omdat die regering “de meest linkse regering mogelijk” was. Hoewel de woede van de arbeiders tegenover PS en (toen nog) SP (van af 1988 in de regering) in de jaren ’90 regelmatig uitbrak – o.a. tegen het Globaal Plan, de privatiseringen van Sabena en Belgacom en de drastische besparingen in het Franstalig onderwijs – zorgde het gebrek aan een alternatief dat ook veel bewuste en strijdbare syndicalisten voor het “minste kwaad” kozen en dan toch maar weer voor de sociaal-democratie stemden, vaak met de wasknijper op de neus.

In 2005 zorgde de strijd tegen de pensioenhervormingen van het Generatiepact en dan vooral de prominente rol die SP.a’ers als Freya Van den Bossche daarin speelden voor een heet debat in het ABVV. De leiding van de vakbond kon de discussie over haar band met de SP.a in een ongevaarlijke richting kanaliseren, maar een belangrijke breuk vond plaats in de geesten van veel syndicalisten en socialisten. Belangrijke verkiezingsoverwinningen voor formaties als SP in Nederland en Die Linke in Duitsland spraken ook in België tot de verbeelding en zorgen voor een eerste aarzelend initiatief in de vorm van het Comité voor een Andere Politiek, opgericht door Jef Sleeckx. Dit intiatief strandde vorig jaar maar het had de verdienste om voor het eerst enkele honderden syndicalisten, activisten, jongeren, oudere socialisten, … samen te brengen voor een discussie over de nood aan een nieuwe partij voor de arbeidersklasse.

In dit artikel willen de oprichting van de BWP bekijken om het proces te schetsen waarin deze arbeiderspartij tot stand kwam. Ondanks de enorme verschillen in de toenmalige en de huidige situatie zijn er rijke lessen te trekken voor vandaag.

De voorgeschiedenis: de ontwikkeling van arbeidersstrijd in België

De geschiedenis is een doorlopend en ingewikkeld proces, of beter gezegd een reeks van processen die met elkaar verband houden en elkaar voortdurend beïnvloeden. Het is ook op geen enkele manier uit te leggen als een eenzijdig proces voorwaarts. Stappen achteruit blijken vaak noodzakelijk om de omstandigheden te creëren voor nieuwe stappen vooruit. De oprichting van de BWP in 1885 is dan ook slechts één punt in dat proces. Belangrijke en grootschalige gebeurtenissen voordien en ook nadien hebben gemaakt dat de oprichting van een arbeiderspartij ook heeft geleid tot de ontwikkeling van zo’n partij en niet het lot onderging van haar voorlopers. De gegevens voor dit artikel komen nagenoeg allemaal uit het schitterende boek “Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn?” van Jaak Brepoels.

Vanaf 1800 doet het kapitalisme zijn intrede in wat later België zou worden en op dat moment onder het Franse keizerrijk valt. De traditionele nijverheid (steenkoolwinning, ijzerbewerking, laken- en katoenweverij en linnenindustrie) kende een enorme ontwikkeling door o.a. de Franse afscherming van de Britse concurrentie. Dit proces stopte niet wanneer na Napoleons nederlaag onze regio’s samengevoegd werden in het Koninkrijk der Nederlanden, dat de belangen diende van de handeldrijvende en koloniale burgerij. De grenzen werden opengesteld voor Engelse producten en de toenemende concurrentie zette een enorme druk op de arbeidsvoorwaarden: werkdagen van 14u waren niet meer ongewoon en kinderen vanaf 6 tot 7 jaar werden ingeschakeld. De lonen lagen beneden het levensminimum, gezien de patroons konden genieten van een nagenoeg onuitputtelijke arbeidsreserve op het platteland, naar de stad gestuwd door hongersnoden en lage prijzen voor landbouwproducten.

Naast de zich ontwikkelende industriële burgerij hadden de adel en de kerk als grootgrondbezitters nog een stevige vinger in de pap te brokken. Tijdens de volksopstand van 1830 nam de burgerij haar kans: ze leidde die beweging om tot een beweging “tegen de Hollandse bezetter”. Onder nauw toezicht van de toenmalige grootmachten wordt het onafhankelijke België opgericht, een bufferstaat tegen Frankrijk.

De wetgeving van deze staat blijft dezelfde als deze destijds ingevoerd door de Fransen: de brutale vrijheid van patronaat en landheer om het volk tot op het bot uit te buiten. Zo was er een wettelijk verbod op samenspanning. De baas kreeg bij betwisting over bedrag of uitbetaling van het loon automatisch gelijk volgens artikel 1781 van het burgerlijk wetboek. Het jonge koninkrijk België voerde ook het werkmansboekje terug in, dat in de Nederlandse tijd in onbruik was geraakt. De patroon kon bij ontslag het boekje inhouden, zodat de houder ervan geen ander werk kon vinden, en hij kon er een beoordeling in schrijven. Iedere beweging van de arbeiders werden bovendien onmiddellijk beantwoord met brute repressie vanwege de gewapende macht.

Het is dan niet overdreven als Karl Marx het België van 1869 in een tekst van de Algemene Raad van de Eerste Internationale als volgt beschrijft:
“Er is maar één land in de beschaafde wereld, waar men met begeerte en plezier iedere staking als voorwendsel aangrijpt om arbeiders te vermoorden. Dat unieke land is België, het modelland van het constitutionalisme, het knusse paradijs van de grondheer, de kapitalist en de priester…
“De Belgische kapitalist staat algemeen bekend om zijn vurige liefde voor de vrijheid van de arbeid. Hij is zo gesteld op de vrijheid van zijn arbeiders om gedurende heel hun leven voor hem te werken, zonder uitzondering van ouderdom of geslacht, dat hij iedere arbeidswet met verontwaardiging afwijst. (…)
Geef nu in handen van die bevende kapitalist, wreed uit lafheid, de onverdeelde en ongecontroleerde handhaving van de absolute heerschappij, wat het geval is in België, en gij zult er u niet langer over verwonderen, dat in dit land de sabel, de bajonet en geweer wettelijk en regelmatig functioneren als een instrument voor het neerdrukken van de lonen en het hooghouden van de winsten.”
(4 mei 1869, The Belgian Massacres).

Het leven van de arbeiders is als niets anders te beschrijven dan pure en uitzichtloze miserie. Periodieke economische crisissen, internationale concurrentie en de versnelde invoer van de machine lieten toe om lonen uit te betalen waarvan eigenlijk niet te leven viel, zelfs niet als het hele gezin werkte. Van de povere lonen ging zo’n 70% naar voedsel. Van de staat viel niets te verwachten. Hoewel de staat voortdurend tussenkwam in de economie ter ondersteuning van de ontluikende industriële burgerij, werd iedere interventie op het sociale vlak als uit den boze gezien. België liep op het einde van de 19e eeuw ver achter op andere kapitalistische landen op vlak van sociale rechten en arbeidswetgeving. De eerste arbeidersorganisaties namen dan ook de vorm aan van mutualiteiten, verzekeringen en coöperatieven, die – samen met liefdadigheid waarop enkel “gehoorzame” arbeiders konden rekenen – de plaats moesten innemen van een totaal ontbrekende sociale politiek vanwege de overheid.

Verzet bleef echter niet uit. Al in 1830 zien we op verschillende plaatsen spontane woede-uitbarstingen vanwege de arbeiders (in de Borinage, Lokeren, Brugge, Gent, Namen, Luik, Doornik,…), vaak gericht tegen de machines zelf en meestal leidend tot botsingen met de ordehandhavers. Een piek hierin was het “Katoenoproer” in Gent van 30 september tot 2 oktober 1839, waar het er bijzonder bloedig aan toeging met een dode en talrijke zwaargewonden. De mutualiteiten en hulpkassen allerhande, de enige arbeidersorganisaties die door de staat werden toegelaten, werden steeds meer gebruikt als verkapte strijdorganisaties.

Ondertussen maken ook socialistische ideeën hun intrede, vooral ontwikkeld binnen het kader van het burgerlijke radicalisme: liberalen die zich de noden van de arbeidersklasse aantrokken. Meer onder invloed van Saint-Simon en Fourier dan van Marx ontwikkelen ze een romantisch gevoelssocialisme dat zich vaak in dromerijen verloor. Ze waren pas gevaarlijk als ze ook in contact stonden met de massa van de arbeiders, wat voor het merendeel van hen niet het geval was. Een uitzondering was bijvoorbeeld Jakob Kats, onderwijzer-wever, ingeplant onder de Brusselse arbeiders, waar hij propaganda voerde voor gelijke rechten, algemeen stemrecht, progressieve belasting en veralgemeend onderwijs.

De voortschrijdende kapitalistische dominantie in België en het zich vanuit Parijs (waar Louis-Philippe werd afgezet) verspreidende oproer in 1848 maakte de Belgische burgerij echt klassenbewust. Vanaf 1848 probeert men de linksen en hun organisaties werkelijk te breken. In de bewegingen ontstaan nieuwe generaties leiders, die niet langer uit burgerlijke kringen kwamen, maar veeleer uit die van de ambachtelijke nijverheid. Vanaf 1870 begint het fabrieksproletariaat zelf de leidende rol te spelen in de beweging. Het arbeidersbewustzijn groeit, wat leidt tot een zoektocht naar nieuwe organisatievormen. Hierin toonden de Gentse textielarbeiders de weg vooruit met het ontstaan van de Broederlijke Wevers en de Maatschappij der Spinners. Onder de dekmantel van mutualiteiten vormden zij de eerste fabrieksvakbonden van het land. Ze organiseerden het arbeidersverzet dat tussen 1857 en 1861 uitbrak naar aanleiding van de crisis in de textielsector, die de patroons door loonsverlagingen op de arbeiders probeerden af te wentelen. Planning werd een onderdeel van de beweging en de solidariteit werd niet langer beperkt binnen één bedrijf. Ondanks de harde repressie, waarbij zware veroordelingen werden uitgesproken, de ordediensten provocatief optraden en steeds opnieuw de strijdkas in beslag werd genomen, ging de organisatie van de Gentse arbeiders met vallen en opstaan verder. In 1862 werd het Werkverbond afgesloten tussen wevers, spinners en metaalarbeiders.

Voor het eerst ontwikkelde de strijd ook rond politieke eisen, zoals de afschaffing van de wet op de samenspanning. Ook de eerste contacten tussen de arbeiderscentra van Gent, Antwerpen (de in 1862 opgerichte Algemene Werkersbond) en Brussel (de Association Générale Ouvrière), werden gelegd, waarbij een politiek minimumplatform werd ontwikkeld.  

In het Vlaanderen van 1860 had de sociale beweging een diepere bedding geschapen, hoewel ook daar de prille arbeidersorganisaties door repressie en ontmoediging vaak tot niets werden herleid om opnieuw te moeten worden opgebouwd. Ook in Wallonië brak ondertussen de strijd uit, minder georganiseerd, maar zeer explosief. Henegouwen werd tussen 1860 en 1870 het toneel van gewelddadige strijd tegen de mijnbazen, die poogden een gemeenschappelijk werkreglement erdoor te duwen. De beweging kreeg ook steun vanuit arbeiders van andere sectoren en de staking breidde zich voortdurend uit – ondanks de doden die vielen in de strijd – om uiteindelijk een overwinning te boeken in de vorm van het intrekken van het reglement.

In 1864 vond de zoektocht naar eenheid in de arbeidersstrijd een internationaal platform: de Internationale Associatie van Arbeiders, dat alle arbeidersorganisaties wou samenbrengen om gezamenlijke actie en tactiek te bespreken. In België kreeg de Internationale invloed via de Brusselse vereniging Le Peuple, opgezet onder invloed van Proudhonistische ideeën (1), en haar leider César de Paepe, die in de meningsverschillen tussen enerzijds Marx en anderzijds de anarchisten in de Eerste Internationale een tussenpositie probeerde te ontwikkelen.

De invloed van het Proudhonisme remde het actievoeren af, maar de Internationalisten schoten wakker na nog een harde stakingsbeweging tegen ontslagen in de mijnen, de steeds verder dalende hongerlonen en de hoge voedselprijzen, waarbij het leger de streek bezette en verschillende doden vielen onder de arbeiders. Het principe van de staking werd vanaf dan erkend en de Internationalisten begonnen zich in te schakelen in de echte strijd. Ze ontwikkelden kernen in Gent, Antwerpen en Verviers.

In de economische groeiperiode van 1871 tot ’72 boekte de arbeidersstrijd haar eerste successen: in Verviers en Brussel dwongen de metaalarbeiders de 10-urendag af, in Brussel werd door de timmerlui en de marmerbewerkers na vijf maanden staking een ernstige loonsverhoging bekomen. Het bewustzijn onder de arbeiders en de solidariteit maakte reuzensprongen.

De nederlaag van de Parijse Commune (1871) leidde echter tot enorme spanningen tussen marxisten en anarchisten binnen de Eerste Internationale. In de Belgische afdeling was de anarchistische vleugel veruit het sterkste. Toen in 1872 de anarchistische leider Bakoenin uit de Internationale werd gestemd, volgde de Belgische afdeling hem. De economische crisis van ’72-’73 deed de rest en in 1874 was de Internationale feitelijk dood.

Met vallen en opstaan: de oprichting van een Belgische arbeiderspartij

Na de val van de Internationale werd de ervaring van de vorige periode nog slechts meegedragen door enkele kleine groepjes. Vooral in Vlaanderen probeerden de oud-Internationalisten de verspreide krachten opnieuw te bundelen en te organiseren. Gent beet zich vast in een neutrale coöperatieve de Vrije Bakkers. In Brussel werd de uitgesproken neutrale organisatie Chambre du Travail opgericht (1875), een voorbeeld dat in Antwerpen wordt gevolgd met de Federatie van Antwerpsche Werkliedenvereenigingen. Het kapotslaan van de Parijse Commune had het socialisme tijdelijk de kop ingedrukt en pragmatisme kenmerkte de meeste initiatieven.

Op het politieke vlak stonden de zaken echter niet stil. In Gent werd sterk uitgekeken naar de Duitse sociaaldemocratie, die in de verkiezingen enkele zetels had veroverd. Ook in Brussel werden aarzelend de eerste stappen op het politieke terrein gezet. In Wallonië bleven daarentegen anarchistische tendenzen, die een brede ingang hadden gevonden via het werk van de Eerste Internationale, de overhand houden.

De ongeduldige Vlamingen en Brusselaars hadden geen andere uitweg dan zich te organiseren in een Vlaamse Socialistische Partij en een Parti Socialiste Brabançon. In 1879 brachten beide partijen enkele Waalse kernen samen en in april voldeed zich een fusie in de Belgische Socialistische Partij. Het programma was dat van de VSP en de PSB: een kopie van het programma van Gotha van de Duitse sociaaldemocratie. De basis van de partij bleef echter beperkt tot een aantal propagandaclubs, studiekringen en wat vakverenigingen. In Wallonië bleef men er huiverachtig tegenover staan en de meer neutrale arbeidersorganisaties werden afgeschrikt door het etiket socialistisch. Ze bleven in hun actie dichter staan bij de progressistische vleugel van de Liberale Partij en haar strijd voor de uitbreiding van het stemrecht. De BSP raakte niet van de grond.

In de jaren ’80 vonden de verschillende stromingen elkaar o.b.v. een pragmatisch radicaal-democratisch programma. De kiesnederlaag van de liberaal-progressistische Ligue de la Réforme électorale, met heel wat steun vanuit de Brusselse ambachtelijke milieus, in 1884 maakte de weg vrij voor de oprichting van een onafhankelijke arbeiderspartij. In april 1885 werd de Belgische Werkliedenpartij (BWP) een feit op een samenkomst in Brussel van 112 arbeiders die 59 basisgroepen vertegenwoordigden (zowel neutrale als socialistische vakbonden, coöperatieven en mutualiteiten).

Pragmatisme kenmerkt het programma en de acties van de BWP

Een zeer pragmatische geest was dominant in de partijleiding van in het begin. BSP-leider Anseele verdedigde op de samenkomst in Brussel wel het programma en de naam van de BSP, maar legde zich neer bij de schrik van de neutrale arbeidersorganisaties dat een radicaal programma en de term “socialistisch” de massa’s zou afschrikken. Theoretische discussies werden van de tafel geveegd en inzake doctrine vermelde het stichtingsdocument enkel dat de BWP zou trachten “door onderlinge verstandhouding het lot van de arbeidersklasse te verbeteren”.

Haar programma beperkte zich tot een radicaal-democratisch eisenpakket met o.a. eisen als algemeen stemrecht, verplicht en gratis neutraal onderwijs, gemeentelijke autonomie, afschaffing van de kinderarbeid onder 12 jaar, wetten i.v.m. arbeidsongevallen en veiligheid op de werkplaats, geleidelijke omvorming van de openbare weldadigheid tot een stelsel van sociale zekerheid, terugschroeven van alle privatisering van openbaar bezit (Nationale Bank, spoorwegen, mijnen, gemeentelijke goederen,…) en overdracht ervan naar de gemeenschap, vertegenwoordigd door gemeente en staat.

Het was niet zozeer een nieuwe organisatie, als wel een bundeling van bestaande organisaties. Het partijleven speelde zich hoofdzakelijk af rond de plaatselijke kernen, die grotendeels autonoom handelden. De eerste prioriteit was het lokaal uitbouwen van coöperatieven, mutualiteiten en vakbonden, naarmate de beweging groeide ook gevolgd door fanfares, turnclubs, cafés e.a. Slechts langzaamaan groeiden uit die basisgroepen federaties, die jaarlijks afgevaardigden stuurden naar het Kongres, dat een Algemene Raad verkoos om de leiding van de partij in handen te nemen. Die AR verkoos op zijn beurt een bureau van 9 leden, waaronder de secretaris en afgevaardigden van vakbonden, mutualiteiten en coöperatieven.

Met steun in ambachtelijke kringen in Brussel en Antwerpen was het onbetwistbare bolwerk Gent, waar de militanten haast uitsluitend fabrieksarbeiders waren. In het industrieel meer ontwikkelde Wallonië was de partij enkel echt vertegenwoordigd in Verviers en dat ondanks de elkaar opvolgende spontane en ongeorganiseerde strijdbewegingen van de Waalse arbeiders. Pas wanneer in ’86 een enorme massabeweging op een bloedige nederlaag zou uitdraaien, zal de noodzaak tot een permanente organisatie diep in het bewustzijn inzinken.

Wanneer in ’86 een staking in Luik beantwoord werd met een brutale bezetting van de stad door het leger, breidde de strijd zich snel uit naar Charleroi, iets later naar de Borinage en de Centre en nog later naar de steengroeven van Lessines, Soignies, Doornik en Dinant. De arbeiders bewapenden zich, machines werden stukgeslagen, fabrieken en kastelen van de patroons werden in brand gestoken. De reactie van de regering was bloedig. Het leger kleurde de straten rood met het bloed van tientallen doden en zwaargewonden. De kopstukken van de socialistische beweging, o.a. Anseele, kregen celstraffen of zware boetes (willekeurig opgepakte arbeiders kregen straffen die opliepen tot levenslang). Nochtans stond de beweging niet onder leiding van de BWP, die in de streek geen enkele inplanting had. De BWP-leiding deed er alles aan om een uitbreiding naar Vlaanderen te voorkomen. In Gent kon ze de arbeiders slechts met zeer veel moeite tot kalmte aanmanen. De stakers ontvingen wel steun in de vorm van brood van de coöperatieven, het opnemen van de kinderen van de stakers in Vlaamse gezinnen en in de verdediging voor de rechtbank van de aangehouden arbeiders.

De staking had in Wallonië de nood aan een solide organisatie sterk doen voelen. In 1887 stapten reeds heel wat Waalse arbeiders naast hun Vlaamse kameraden in een betoging voor het algemeen stemrecht. Steeds meer van hen traden toe tot de BWP, waar het snel tot botsingen kwam tussen de revolutionaire, anarchiserende Waalse tendensen – o.l.v. A. Defuisseaux – en de gematigde, op het parlement (en dus op de strijd voor het stemrecht) gerichte coöperatieven. De BWP-leiding sloot op het congres in 1887 de gebroeders Defuisseaux uit, waarop de gehele Henegouwse arbeidersklasse hen volgde naar de uitgang. Hun revolutionaire, maar avonturistische houding dreef de arbeidersklasse in Henegouwen tot de massale “grève noire” (waarbij opnieuw machines en fabrieken werden verwoest en o.a. aanslagen met dynamiet werden gepleegd), die echter bij gebrek aan actieve steun van de BWP geen uitbreiding kende. Totaal geïsoleerd zakte de beweging ineen.

Later kwam aan het licht dat de stakingsleiding geïnfiltreerd was door de staatsveiligheid en dat deze verantwoordelijk was voor de dynamietontploffingen. De arbeidersbeweging reageerde ontzet en er kwam een verbroedering tot stand. De gematigde tactiek van de BWP-leiding haalde de bovenhand. En toch werd met de Henegouwse arbeiders een oppositionele stroming in de partij opgenomen, die zich in de latere periode steeds opnieuw zal laten horen in de verdediging van de algemene staking als strijdmiddel, in het propageren van strijdbaarheid tegen de gematigde leiding en haar bereidheid tot compromis met de patroons en samenwerking met de “progressieve” burgerij, in het verzet tegen de latere regeringsdeelnames van de BWP (voor de eerste maal in de – onverkozen – regering die werd opgezet tijdens de Eerste Wereldoorlog),…

Geen ideaal instrument, maar wel een enorme stap vooruit.

Een zekere bureaucratisering van de vakbonden naarmate het sociale overleg ontwikkelde, de verwording van een aantal van de belangrijkste coöperatieven tot kapitalistische bedrijven, de druk voor een gematigde politiek vanuit de mutualiteiten én vanuit de eerste parlementaire vertegenwoordigers van de partij,… Het zijn zaken die in de kiem aanwezig waren in de BWP vanaf het begin. Op alle momenten van beslissende klassenstrijd bleken de arbeidersmassa’s steeds veel radicaler dan de BWP-leiding, die meestal achter de feiten van min of meer spontane uitbarstingen van arbeiderswoede aanliep om steeds opnieuw de beweging in veilige banen te leiden.

De BWP was zeer duidelijk wat Lenin noemde een arbeiderspartij met een burgerlijke leiding. Maar het bood de arbeidersbeweging wel een instrument om haar strijd nationaal te voeren en haar krachten zo te bundelen dat belangrijke overwinningen op het patronaat werden verworven. Dit zowel op het vlak van democratische rechten (stemrecht, maar ook recht op vereniging en stakingsrecht) als op het vlak van levensstandaard en werkomstandigheden (arbeidsduurvermindering, collectieve loononderhandelingen, minimumloon, sociale zekerheid,…).

Deze realiteit, gekoppeld aan de fouten van de Communistische Partij, die na de Eerste Wereldoorlog wordt opgezet, leidde tot een grote loyaliteit onder de socialistische arbeiders, die tot grote opofferingen voor hun partij bereid waren. Hun leiding echter ging resoluut voor haar eigen carrière in het parlement en later de regering en bestreed iedere uiting van radicaal socialistische ideeën. Zelfs met het steeds terugkerende verraad van de partijleiding op beslissende momenten heeft het tot zeer kort geleden geduurd vooraleer de partij, ondertussen regionaal gesplitst en SP.a en PS geworden, niet langer onder de massa van arbeiders als “hun” partij werd aanzien (voor de PS blijft dat gevoel tot op zekere hoogte tot vandaag nog rechtop onder lagen van de arbeidersklasse). Ze stroomden er tot einde jaren ’80 steeds naar terug en deden steeds nieuwe pogingen om de partij naar links te stuwen.

Een arbeiderspartij biedt de enorme massa van arbeiders de mogelijkheid samen ideeën te bespreken, een strategie en tactieken uit te werken, een eisenpakket voor vandaag en een programma op langere termijn collectief te verdedigen. Zo’n partij organiseert de solidariteit en het lange bestaan van de BWP op nationaal vlak is zeker een element geweest in het voorkomen van meer gewelddadige uitbarstingen van de nationale kwestie. Het is mét een arbeiderspartij – zelfs met haar burgerlijke leiding – dat de Belgische arbeidersbeweging in staat is geweest een ruim stelsel van sociale zekerheid, openbare diensten en centraal loonoverleg af te dwingen.

De laatste decennia van neoliberale erosie van de “welvaartstaat”, die het gevolg was van de opeenvolgende strijd van de arbeidersbeweging – de burgerij heeft nooit iets cadeau gegeven! – ging gepaard met de verburgerlijking van de sociaaldemocratische partijen.

Lessen voor de opbouw van een nieuwe arbeiderspartij

In de komende jaren zal België het rijtje landen vervoegen, waarin reeds nieuwe linkse of arbeidersformaties zijn ontstaan. Net zoals destijds met de oprichting van de BWP zal het een proces van vallen en opstaan zijn, van het collectief trekken van lessen uit de overwinningen en de nederlagen van massabewegingen van de arbeidersklasse.

Voorbeelden van hoe dergelijke formaties in het leven kunnen worden geroepen, zijn er vandaag in meerdere landen. Er is de P-Sol in Brazilië, maar ook in meerdere Europese landen doen zich al enkele jaren ontwikkelingen in die richting voor. De SP in Nederland, Die Linke in Duitsland (die dagdagelijks met hoge scores in de opiniepeilingen tonen dat een socialistische retoriek en “ouderwetse” linkse eisen als de nationalisering van belangrijke economische sectoren allesbehalve een belemmering hoeft te zijn voor het aantrekken van de sympathie van brede lagen van arbeiders), de PRC in Italië, Syriza in Griekenland,…

Geen enkele van deze ontwikkelingen leveren “ideale” situaties op en vele van deze nieuwe formaties zijn extreem wankel. De potentiële algemene struikelblokken zijn duidelijk geworden: in alle nieuwe formaties speelt zich in meerdere of mindere mate de discussie over regeringsdeelname af. Het kiezen van dit pad is de PRC in Italië bijna noodlottig geworden en in Duitsland wordt de ontwikkeling van Die Linke in een aantal voormalige Oost-Duitse deelstaten, zoals Berlijn, belemmerd door de aanwezigheid van de partij in de deelstaatregering en haar deelname aan de neoliberale politiek.

In deze partijen gaat een nauwe gerichtheid op verkiezingen, electoralisme, meestal samen met een zeer beperkte tussenkomst in de reële strijd, met de overschatting van de leidende figuren en de onderschatting van de uitbouw van een actieve basis, die enkel door tussenkomst in de reële beweging kan worden opgebouwd. Correct omgaan met de druk voor een meer sociale politiek, die zich kan uiten in neiging van deze linkse formaties om beleidscoalities te sluiten, meestal met de oude verburgerlijkte arbeiderspartijen, is een fundamentele kwestie. Een principiële weigering om in een neoliberale regering te functioneren, zal een bepalend element zijn in de ontwikkeling van een nieuwe arbeiderspartij en in haar vermogen blijvende wortels te schieten in de arbeidersklasse. Echte inspraak van haar leden via democratische structuren is van primordiaal belang om een nieuwe formatie op het pad te zetten van de ontwikkeling van een arbeiderspartij.

Na het falen van CAP, Comité voor een Andere Politiek, lijkt in België de kwestie van een nieuwe partij voorlopig van de agenda verdwenen (voor een evaluatie van de ontwikkeling van CAP: . Maar ze zal er door de gevolgen van de economische crisis met hardere kracht opnieuw op verschijnen. Om een kans op slagen te hebben, zal ieder initiatief moeten kunnen tonen aan de arbeiders en jongeren in strijd dat ze een meerwaarde te bieden hebben.

Zonder een aanhang in minstens delen van de vakbonden, eerst en vooral in de meest strijdbare sectoren, zal een initiatief in België weinig kans op slagen maken. Een dergelijke formatie zal de eisen van de syndicale beweging moeten verdedigen op politiek vlak, maar niet alleen de syndicale eisen. Een arbeiderspartij moet de strijd opnemen voor alle onderdrukte en uitgebuite lagen van de bevolking om zich fundamenteel te versterken in de strijd tegen het patronaat en de regering. Een regering die bij gebrek aan een arbeiderspartij, ongeacht haar samenstelling, ten dienste staat van het patronaat. Zo’n arbeiderspartij zal met andere woorden expliciet of minstens impliciet socialistische ideeën en waarden, zoals solidariteit en strijd tegen iedere vorm van discriminatie, moeten verdedigen.

Nieuwe initiatieven zullen genomen worden en LSP/PSL zal zoals in het verleden aan ieder initiatief die het potentieel en de wil heeft om tot een nieuwe formatie van de arbeidersklasse te komen haar steun en actieve medewerking verlenen. Maar we zullen – zoals we in CAP hebben gedaan – wijzen op de lessen van de geschiedenis. Op de noodzaak tussen te komen in de reële strijd en zoveel mogelijk arbeiders actief te betrekken bij de uitbouw ervan – zeker de beginperiode van de BWP leverde een enorme stapel verhalen op van hoe overal in het land duizenden en nog eens duizenden arbeiders zich politiek actief engageerden, hun leidingen steeds opnieuw onder druk zetten tot actie en tot het innemen van radicalere standpunten. Ook de noodzaak tot interne democratie, waarvan het gebrek eraan in de BWP zoveel schade heeft toegebracht, is na de negatieve ervaringen met het bureaucratische stalinisme, een essentiële voorwaarde voor een gezonde nieuwe arbeiderspartij. Ieder lid of elke groep van leden moet er de vrijheid krijgen hun programma te verdedigen, een echte discussie en confrontatie van ideeën moet er gevoerd kunnen worden.

Via de strijd tegen de neoliberale aanvallen van de komen jaren kan zo’n partij de komende jaren in België het daglicht zien. De syndicaal sterk georganiseerde arbeidersklasse in België zal er dan een machtig instrument bij krijgen om haar strijd niet enkel op het syndicale, maar ook op het politieke terrein te kunnen voeren.

 

Noot

1. De Franse Pierre-Joseph Proudhon (1809-1865) was de eerste (utopisch) socialist die zichzelf als anarchist beschreef. Hij werkte een zeer kleinburgerlijk “socialisme” uit, gebaseerd op coöperatieven, bank van de arbeid, enz. Hij en de stroming die zich bouwde op zijn ideeën (en vertegenwoordigd was in de Eerste Internationale) verzetten zich tegen stakingen van de arbeiders en zagen het nut van organisatie van de arbeidersklasse niet in. Binnen de Eerste Internationale werd een strijd gevoerd tussen deze stroming (ondertussen aangevoerd door Bakoenin) enerzijds en Marx en Engels anderzijds.

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie