Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties in Nederland tijdens WO 1

Ter gelegenheid van de jaarlijkse herdenking door het Sneevliet Herdenkingscomité van de moord op 10 vooraanstaande Nederlandse revolutionair-socialisten door de nazi´s in 1942 hielden zowel Dick de Winter als Ron Blom namens het comité op zondag 18 april 2004 een toespraak. We publiceren hieronder de toespraak van Ron Blom die ingaat op het onderwerp van het boek dat hij samen met Theunis Stelling schreef. Dit boek kan besteld worden via LSP en Offensief. Het telt 900 bladzijden en kost 40 Euro.

Geachte aanwezigen, kameraden,

Wat hadden wij onszelf op de hals gehaald met het kiezen van de combinatie Socialisme en Militarisme als onderwerp voor ons promotieonderzoek Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-’18. Socialisten moeten weinig hebben van het leger en vice versa. Bovendien wilden we ook nog eens in gaan op de situatie van november 1918, zoals die ontstond na de fameuze revolutie-oproep van SDAP-leider Troelstra. Een omwenteling in zo’n rustig en bezadigd landje als Nederland? Hier gebeurt toch nooit wat? Desalniettemin vonden we het de moeite waard om zo’n acht jaar geleden aan ons onderzoek te beginnen.

Een onderzoek dat niet alleen gepleegd werd uit een behoefte aan wetenschappelijke opheldering van eerdergenoemde kwesties. Het had evenzeer te maken met een politieke, een gevoelsmatige betrokkenheid. Ik moest dan ook regelmatig denken aan een motto van de door Italiaanse fascisten vermoorde marxist Antonio Gramsci: ‘De vergissing van de intellectueel bestaat hierin, dat hij gelooft dat men kan weten zonder te begrijpen en vooral zonder te voelen, zonder gepassioneerd te zijn (niet alleen voor het weten op zich, maar voor het object daarvan).’

Het idee voor ons gezamenlijke onderzoek kwam voort uit onze diensttijd en onze activiteiten binnen de soldatenvakbond VVDM. Zonder een daadwerkelijke mobilisatie mee te maken, of nog ernstiger een bloedige oorlog, konden we ons hierdoor veel voorstellen bij de gevoelens, de verwachtingen, de klachten en de hoop van de door ons onderzochte soldaten en matrozen en hun organisaties. Datzelfde geldt voor veel van de felle discussies die de linkse groepen en activisten onderling voerden.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog stortte heel links in een ideologische crisis. Overal in Europa vierde het nationalisme hoogtij. De Socialistische Tweede Internationale dreigde uit elkaar te vallen. Er bleef een kleine minderheid van revolutionair-socialisten over die een principiële strijd voerde tegen oorlog en voor volledige demobilisatie. Het bleek roeien tegen de stroom in. Bovendien zagen grote delen van de bevolking de Nederlandse mobilisatie juist als een middel om buiten de oorlog te blijven.

Al eerder sluimerende conflicten en meningsverschillen traden bij het uitbreken van de Grote Oorlog pijnlijk aan de oppervlakte. Socialisten mochten in het algemeen dan wel eensgezind zijn in hun afwijzing van oorlog en militarisme, maar een andere kwestie was hoe deze te bestrijden. Het ging hierbij om thema’s, die niet altijd even makkelijk te scheiden waren. De wapens neer of de wapens hier; hervormingen versus revolutie; wel of geen verdediging van het nationale grondgebied; moeten socialisten opkomen voor het volksleger; in hoeverre moet de jeugdbeweging de vrije hand krijgen om activiteiten te organiseren; moet om soldatenwerk te kunnen doen rekening gehouden worden met de aparte militaire wetten en verordeningen of niet en gaat het juist om ontmaskering van het verfoeilijke militarisme; komen socialisten ook op voor de belangen van beroepssoldaten en -matrozen of is het motto dat ze ‘geen schik in hun baantje’ moeten krijgen; en tenslotte: in hoeverre is er sprake van vermaatschappelijking van de krijgsmacht en niet van een militarisering van de burgermaatschappij?

De SDAP had een ambivalente houding ten aanzien van rode organisaties van militairen. Zo voerde de onder sterke sociaal-democratische invloed staande Bond voor Minder Marinepersoneel op dezelfde gematigde wijze actie als de sociaal-democratische mobillisatieclubs bij de landmacht. Geradicaliseerde stromingen als de hoofdafdeling in Indië, waar activisten als Brandsteder en Sneevliet een grote invloed hadden, trachtte het bestuur in Den Helder in te dammen. Met de minister van Marine, die voor de oorlog de activiteiten van de organisatie aan boord van de schepen had verboden, wenste de bond een betere relatie en door zijn houding ten aanzien van het Indische hoofdafdelingsbestuur lukte dit. Maar van een formele band met de sociaal-democratie kon geen sprake zijn. De matrozenbond organiseerde beroepsmilitairen, bestond permanent en zou na de demobilisatie niet verdwijnen.

De radicale politieke groeperingen waren klein en bovendien verdeeld. Om zich te onderscheiden van de SDAP moesten zij zich extra profileren en zich tegen haar afzetten. Een probleem daarbij was dat onder de bevolking de overtuiging heerste dat juist door de mobilisatie het land buiten de oorlog was gebleven. Het zou mede hierdoor moeilijk blijken een massabeweging op te bouwen. De eerste mobilisatiejaren kenmerkten zich dan ook door angstvallige pogingen dit toch te realiseren.

In het eerste oorlogsjaar boekten met name antimilitaristen, anarchisten en syndicalisten kleine successen. Met ondersteuning van de revolutionaire vakbeweging NAS, vormden zij in navolging van de moderne arbeidersbeweging eigen mobilisatieclubs. De meeste zoals in Deventer waren klein en niet levensvatbaar. In Deventer waren twintig gemobiliseerden bij de oprichting betrokken. Hendrik Jan Landman, landweerman bij het grensdetachement Gramsbergen,- leidde hier het secretariaat. Landman was een bekende figuur in het oosten van het land, vooral vanwege zijn rol in de geheelonthouders-beweging. Hij zou net als vele andere in mijn inleiding genoemde activisten later actief worden in de revolutionair-socialistische beweging rond Sneevliet. Het waren vooral de activiteiten in Leiden en Tilburg die de autoriteiten angst in boezemden. Hier betrof het grotere groepen militairen die ook acties organiseerden.

In deze laatste stad bezocht SDP-er Max Roodveldt meer dan eens de bijeenkomsten. Zo was hij er op 19 januari 1915 bij en debatteerde hij met gastspreker Lansink sr. over syndicalisme en socialisme. Kern van de discussie was of socialisme (in de betekenis van SDAP en SDP) automatisch tot verraad van de arbeidersklasse moest leiden. Volgens Lansink was dit het geval, gezien de ervaringen van augustus 1914. Het syndicalisme bood naar zijn inzichten de enige oplossing. Volgens De Tribune zou Lansink sr. ook gezegd hebben dat de brochure van Gorter Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaal-democratie aa-toonde dat werkelijk revolutionaire socialisten zich bij de syndicalisten moesten aansluiten. Roodveldt, in het dagelijks leven ‘bosjesmaker’ (sigarenmaker), een over het algemeen politiek bewuste beroepsgroep, ging hierover met hem in debat. De Tribune concludeerde:
“’t Wordt hoog tijd om onder de soldaten propaganda te maken voor het socialisme. Wij kunnen en mogen dit niet aan de SDAP overlaten, die zoals bekend is, de soldaten zoet houdt met voordrachten van Sternheim en toespraken van Kleerekoper; en evenmin aan anderen.”

De krant riep haar lezers op Tribunes, folders, brochures, maar ook geld te sturen naar de nog maar kort daarvoor in het soldatenpak gehesen kantoorbediende Pieter Abraham Secrève. Dit eveneens Amsterdamse SDP-lid was als gemobiliseerde landweerman van 7de Regiment Infanterie ingekwartierd op Emmastraat 4, Tilburg. Secrève schreef in een brief aan Wijnkoop over zijn plan om samen met de andere abonnees, sympathisanten en leden toe te treden tot de mobilisatieclub van de SDAP. Hierbinnen zouden zij dan een actie kunnen opstarten voor demobilisatie. Hij ging er bij voorbaat vanuit dat zo’n actie weinig succes zou hebben. Er zou wel propaganda voor de SDP gemaakt kunnen worden. Ook zou geprobeerd kunnen worden een eigen spreker op te laten treden. Secrève schreef daarover aan Wijnkoop: “Dit laatste zou uitstekend geschikt zijn om een beetje helderheid in de hoofden te brengen, want dat is zoals je weet, zeer noodig. De mobilisatieclub doet zijn best om door vermaken en toespraken à la Kleerekoper de soldaten zoet te houden. Dat kan en mag toch niet zoo doorgaan, ik vind, dat het onze plicht is om juist onder hen het socialisme te propageeren en hen uit den dommel wakker te schudden. Er zijn onder hen nog wel goede elementen, die voor onze zaak te winnen zijn, ik heb hier tenminste nog 3 menschen abonnee op de tribune kunnen maken, een dezer drie is lid van de SDAP, maar was door de intreurige taktiek dezer partij en ook door de internationale nederlaag moedeloos geworden. Ik heb echter hoop hem binnen korte tijd lid van onze partij te maken.”

Niet veel later, op 19 februari, figureerde het SDP-lid Roodveldt wederom op een vergadering van de Tilburgse onafhankelijke mobilisatie-club, waar de bestuurder van de Bouwvakarbeiders Kees de Klerk als spreker was uitgenodigd. Volgens De Tribune volgde “er een geanimeerd debat, waarbij Roodveld [sic] onzerzijds zijne 5 volgende vragen toelichtte, door onze Soc. Dem. meening tegenover de syndic. te plaatsen omtrent: 1e De politieke strijd als middel 2e Het duurder worden der levensmiddelen. 3e Dat vakstrijd en parlementaire strijd elkander moeten aanvullen. 4e De politieke algemeene werkstaking. 5e Het optreden der SDAP tegenover de SDP. Het kenmerkende in de antwoorden van De Klerk was dat het bleek, dat hij ’t met verschillende onzer argumenten eens was.”

De geheel uit militairen bestaande ‘SDP afdeling Tilburg’ beklaagde zich via De Tribune over het gebrek aan steun. Alleen de afdeling Den Haag had wekelijks 70 Tribunes opgestuurd. Op 23 februari zou Roodveldt opduiken op een bijeenkomst van de sociaal-democratische mobilisatieclub in Tilburg, waar hij de SDAP-er Hendrik Spiekman kapittelde en hem toevoegde dat een rechtgeaarde socialist achter de leus ‘geen cent en geen man voor mobilisatie of militarisme’ moest staan.

De activiteiten van de soldatenactivisten waren de autoriteiten een doorn in het oog. Het leidde tot repressieve maatregelen die uiteindelijk de ondergang van de clubs inluidden. Overigens maakten de activisten het de autoriteiten soms wel erg makkelijk. Er werd geen geheimhouding betracht bij het organiseren van de bijeenkomsten en de betrokken militairen waren vrij snel bekend bij de autoriteiten.

Na de doorvoering van de uitbreiding van de landstormwet ontwikkelden met name christen-socialisten het dienstweigermanifest, hetgeen het startpunt van een nieuwe beweging betekende. Velen tekenden en zetten zich daarmee over het principe van de massale weigering heen. Dat deed niet de leiding van de SDP, de latere CPN, die het meest aan het volkslegerideaal vasthield. Voor deze partij was persoonlijke dienstweigering slechts een item omdat nogal wat jongeren in de partij hier wel wat in zagen. De SDP poogde in de eerste jaren invloed te verkrijgen in het leger. Individuele leden zochten aansluiting bij de mobilisatieclubs en sommigen trachtten een eigen organisatie te stichten. Hiervan kwam het niet omdat de partij te klein was en zoals gezegd te weinig aantrekkingskracht had.

De gebeurtenissen in 1917 gaven revolutionair-links een nieuwe impuls. Het aardappeloproer in Amsterdam en de deels mislukte onderdrukking ervan door onder meer het leger maakte duidelijk dat weigerende soldaten voor de arbeidersklasse belangrijk waren. De omverwerping van het tsaristische regime in Rusland bracht de hoop dat het kapitalistische systeem kwetsbaar was en revolutie mogelijk. Het leidde tot het vormen van soldatenraden. Er ontstonden echter twee typen raden. Anarchisten vormden de Arbeiders- en Soldatenraden en er ontstonden Tribunistische Soldatenraden. Alle raden bleven klein en er ontstond geen sterke overkoepelende organisatie. In geen enkel geval was sprake zoals in Rusland van door soldaten gekozen organen. Meer was er sprake van geheime comités. Het gebrek aan interesse van de soldaten in politieke, laat staan revolutionaire activiteiten zal hier niet vreemd aan zijn geweest. Afgezien van de houding van de autoriteiten hadden de raden zich mogelijk beter kunnen ontwikkelen als ze behalve de revolutie ook verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de soldaat als doelstelling hadden gehad. Het zou er niet van komen. Dit toont aan dat het revolutionaire van links met name school in haar woorden en niet in haar daden. Van gecoördineerde activiteiten was in het geheel geen sprake. Hun kracht lag meer in het inspelen op concrete, plaatselijke situaties. Niemand verwachtte in oktober en november 1918 dat een mogelijkheid van een omwenteling zich zou voordoen. Nog minder hadden zij verwacht dat de gematigde concurrent daartoe het voortouw zou nemen.

Achteraf is natuurlijk altijd gemakkelijk vast te stellen, dat het er toch niet van gekomen is om een omwenteling door te voeren. Hoewel het er op het eerste gezicht nogal militant aan toe ging, bleek het in de praktijk allemaal niet zo’n vaart te lopen. Alle ronkende retoriek ten spijt, waren de autoriteiten door infiltratie, vooral waar het Amsterdam betrof, vrij goed op de hoogte. Ze boden zelfs de helpende hand bij de levering van wapens. Soms leken zij door de constante geruchtenmachine en overijverige informanten op het verkeerde spoor gezet te zijn. Zo hielden zij een locatie in Zeeland in de gaten waar wapens opgeslagen zouden liggen, maar dat uiteindelijk een bordeel bleek te herbergen. De dolle demonstratie van 13 november in Amsterdam, waarbij 3 doden vielen, had een heel ander verloop kunnen hebben. Tot grote geruststelling van een politie-infiltrant vonden de voorlieden van de Soldaten- en Arbeidersraad ‘zijn’ handgranaten beter dan die, welke zij aan de Artillerie-inrichting Hembrug hadden gestolen. Zijn handgraten mochten er dan wel echt uitzien, maar hadden geen explosieve lading.

Toen eind oktober 1918 de muiterij in de Harskamp en een twintigtal andere plaatsen plaatsvond en de situatie in Europa revolutionaire trekken begon te vertonen, was de toestand in het Nederlandse leger en op de vloot niet dusdanig dat een omwenteling viel te verwachten. Er was geen revolutionaire voorhoede met massa-aanhang in de maatschappij en zeker niet in de krijgsmacht. De verschillende soldatenraden waren erg klein en oprichting en opheffing volgden elkaar in den regel snel op. Slechts zijdelings had een enkele raad iets met onlusten te maken. Dat was ook niet primair hun doelstelling, al hadden zij er wel gaarne op in willen spelen. De marinebonden waren evenmin betrokken bij onlusten en ondersteunden deze ook niet. Voor zover bekend waren er geen raden op de vloot, al waren er wel radicale matrozen. Alleen in Indië deed de situatie revolutionair aan. De koloniale autoriteiten hadden het moeilijk om het gezag binnen leger en marine te handhaven. Juist deze instituten waren van belang om voor orde in de koloniën te zorgen. Ook de gematigde bondsleiding in Den Helder verloor haar invloed. Daarnaast was er de Soldatenbond die belangenbehartiging en revolutie hand in hand wenste te laten gaan. Maar het waren vooral de Nederlanders die hierbij betrokken waren. Integratie van de inheemse militairen had nog maar nauwelijks plaatsgevonden.

Het is belangrijk hier wat langer stil te staan bij de rol van Sneevliet en Brandsteder in de opbouw van de matrozen en de Soldatenbond in Indië. De ISDV was hierbij cruciaal. ISDV-voorman Sneevliet sprak regelmatig voor de soldaten en matrozen. Zo ging hij op 11 december 1917 in Soerabaja in op de betekenis van het werk De Opstandelingen van Henriëtte Roland Holst en droeg hij eruit voor. In dit treurspel komt een relaas voor van een soldaat, die de revolutionaire leiders op de hoogte stelt van de in zijn regiment heersende ontevredenheid. Ongeveer 140 matrozen waren hier getuige van, onder wie het bestuurslid van de ‘Regentes’ W.F. Kruisheer. Na zijn terugkomst in Nederland speelde Kruisheer als bouwvakker een rol in het NAS, waar hij in contact kwam met mensen als M.I. Roodveldt en lid werd van de RSAP. In 1938 zou hij breken met Sneevliet en zich aansluiten bij de trotskistische ‘groep Luteraan’. Precies 27 matrozen hadden anderhalf uur van hun fort moeten lopen om Sneevliet te horen spreken. Na afloop was er een collecte voor de seinwachter J.C. Alders, die in juli 1917 weigerde een trein met militairen door te laten op weg naar het aardappeloproer in Amsterdam. Het was slechts een zijn vele speeches.

De situatie in de Indische strafgevangenissen en de protesten daartegen bevorderden het revolutionaire elan. Brandsteder ging in Het Vrije Woord van 10 januari 1918 in op de strafgevangenis voor soldaten en matrozen te Tjimahi. Onder de soldaten bestond een gezegde: “Als soldaat zit je met je eene been in het graf en met je andere in Tjimahi.” Een ander berucht militair strafkamp was dat bij Ngawi. In Tjimahi heerste een streng regiem met enkele straffen die in Nederland allang waren afgeschaft, zoals kromsluiten en stokslagen. Het was vooral Brandsteder die hier tegen ageerde en was op grond van deze kwestie dat er een Soldatenbond ontstond die twee derde van de Europese KNIL-militairen organiseerde.

In november 1918 waren het juist de organisaties die zich immer voor het bevorderen van een dergelijke omwenteling hadden ingespannen, die meenden dat het tijdstip voor veranderingen nu niet was aangebroken. De soldatenraden kenden dan ook niet veel toeloop in de rode week. Activiteiten bestonden voornamelijk uit het organiseren van betogingen, agitatie tegen de gevolgen van de oorlog en propaganda voor de revolutie. De organisatie om te breken met het kapitalisme hadden ze echter nog lang niet voor elkaar. Veel linkse arbeiders hadden nog steeds vertrouwen in de sociaal-democratie en de aanhang van de revolutionairen was dan ook niet groot. Ondanks het uitblijven van een revolutionaire situatie moesten de radicalen wel iets doen toen de SDAP het initiatief nam. Onder de gegeven omstandigheden konden zij niet werkloos toekijken. Op verschillende plekken vonden massabijeenkomsten plaats waarbij ook militairen aanwezig waren. Leden van de Amsterdamse SAR waren betrokken bij de gebeurtenissen van 13 november. Zij liepen mee met de massa, waaronder 400 soldaten en matrozen. Aangekomen bij de cavaleriekazerne probeerden zij het toegangshek met een bijl te forceren. Eén SAR-lid trok een revolver om daarmee te schieten op de soldaten aan de kazernepoort. Daarna gooide hij de eerder genoemde handgranaat, die geleverd was door de inlichtingendienst en die dus ook niet afging.

Het afkondigen van de demobilisatie stelde de soldaten tevreden. De autoriteiten waren zich zeer bewust van de risico’s. Dat bleek niet alleen uit de zeer snel (op de dag van de wapenstilstand, de internationale situatie was zeer instabiel) afgekondigde demobilisatie, maar ook uit de ontwapening van de vloot in Den Helder. Het als rood bekend staande beroepspersoneel achtten regering en marineleiding dusdanig onbetrouwbaar dat actie nodig was. De bonden, voor welke deze actie als een verrassing kwam, speelden in op deze situatie door het stellen van eisen inzake arbeidsvoorwaarden. Aan een mogelijkheid van een omwenteling dachten zij nauwelijks. Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Nederland en de rest van Europa dachten soldaten en matrozen in Indië hier wel aan. Hier kwam het tot de spontane oprichting van raden die een opstand beraamden. De leidende revolutionairen, in principe voorstander hiervan, kenden bezwaren. Zij vonden het tijdstip te vroeg, temeer daar het gebied zeer geïsoleerd lag en de integratie van de inheemse bevolking in hun organisaties nog verre van voltooid was. Het aantal betrokken militairen was bovendien klein en hun onmacht groot. De autoriteiten traden op met harde hand. Sneevliet en Brandsteder werden uitgezet en terug naar Nederland gestuurd.

Na november 1918 spanden ook de revolutionairen zich opmerkelijk genoeg in voor de soldaten. Mogelijk realiseerden zij zich dat het propageren van een omwenteling alleen niet tot de gewenste massa-aanhang leidt. Na de demobilisatie probeerden de radicalen met kracht soldatenraden te formeren en discussieerden zij over doel en opzet hiervan. Verder trachtten zij gewapende rode gardes op te richten om zichzelf te kunnen verdedigen tegen paramilitaire groepen als de burgerwacht. Veelvuldig kregen de revolutionair-socialisten nu te maken met tegenwerking door de autoriteiten. Dat was ook het geval op 7 maart 1919 toen de afdeling Enschede van de CPN een bijeenkomst hield met als onderwerp ‘De Bolsjewiki een gevaar voor het Twentsche Kapitalisme’. Louis de Visser sprak de ruim 1.000 aanwezigen toe. Daarbij riep een vertegenwoordiger van het militair gezag hem verschillende keren tot de orde. De voorman van de communistische beweging eindigde zijn inleiding met een oproep om het leger onbetrouwbaar te maken. Hierna behandelde Henk Sneevliet de november-gebeurtenissen in Indië, waarbij hij wees op het detacheren van Molukse soldaten op Java, omdat de koloniale autoriteiten de Hollandse soldaten niet meer vertrouwden.

Zo oefende in Deventer de burgerwacht censuur uit op het Deventer Dagblad. Kolthek en het plaatselijk SP-lid Johan Roebers hadden, zich baserend op een ministeriële circulaire gericht aan de burgemeesters, gezegd dat de burgerwacht behalve voor de ordehandhaving ook gebruikt kon worden om stakende arbeiders te vervangen. De sectiecommandant van de burgerwacht ontkende dat door middel van een ingezonden brief in het Deventer Dagblad. Daarop diende Roebers de sectiecommandant van repliek. Hij zette uiteen hoe de berichten over de gevonden bommen in Amsterdam gebruikt werden om het draagvlak voor de burgerwacht te vergroten. Vervolgens greep de garnizoenscommandant in door het blad mede te delen dat indien het SP-lid nog eenmaal aan het woord zou worden gelaten, het blad verboden zou worden. Uiteindelijk dwong ingrijpen van hogerhand de garnizoenscommandant om zijn dreigement in te trekken.

Ook in andere plaatsen keerden de revolutionairen zich tegen de burgerwacht. Op een SP-bijeenkomst op 16 februari in het Friese Weststellingwerf sprak Harm Kolthek voor 130 mensen over de vakbeweging en socialisme. Zijn partijgenoot Johannes Mooij uit Noordwolde was hierbij betrokken. Kolthek ging in op de noodzaak om geweld te gebruiken als de burgerwacht tot gewelddadige acties zou overgaan. Volgens hem moest de maatschappij ‘gezuiverd worden nadat die eerst tot de grond toe zou zijn afgebroken’.

Voor de belangenbehartiging kwam een Bond van Gedemobiliseerden van de grond. In Deventer speelde de eerder genoemde Landman hier een belangrijke rol in. Zelfs bestond er korte tijd een radicale organisatie voor het beroepspersoneel bij de marine. In ieder geval hoopten zij dat indien een nieuwe kans zich zou aandienen, zij beter voorbereid zouden zijn en meer aanhang zouden hebben. Het zou niet zover komen. Zowel de raden en de gardes als de BvG bleven relatief klein en kenden slechts een kortstondig bestaan. De invloed van de revolutionairen op soldaten en matrozen in Indië taande. Een rumoerige periode kwam ten einde.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie