Revolutie en burgeroorlog in Spanje

60 jaar geleden lokt de staatsgreep van generaal Franco tegen de Spaanse volksfrontregering de burgeroorlog uit.

 

 

Van ’31 tot ’37 zette een machtige revolutionaire beweging van de arbeiders en de boeren Spanje op zijn kop. De revolutie werd echter gewurgd door het volksfront met als motto dat “eerst de oorlog gewonnen moest worden” vooraleer de sociale kwesties aan bod konden komen (de landhervorming, arbeiderskontrole, nationalisatie,…). Gevolg: niet alleen werd de revolutie gewurgd, het Volksfront verloor ook de oorlog tegen Franco die het land sinds ’39 in een diktatuur onderdompelde.

Een naar het verleden gekeerde adel

In het begin van de jaren ’30 is Spanje een land dat zich op het eigen verleden richtte: de ontdekking van Amerika had het land verrijkt, maar daarna keerden de grote handelsroutes zich weg van het Iberische schiereiland.

De oude dominante klassen – de adel en de kerk – zijn in staat van ontbinding en de burgerij is nog steeds zwak. 70% van de aktieve bevolking werkt in de landbouw, waarbij het grootgrondbezit het grootste deel van de boeren in armoede dompelt. De kerk is één van de grootste grootgrondbezitters. De moderne industrialisatie beperkt zich tot het Baskenland. Het buitenlands kapitaal koloniseert er de winstgevende sektoren: de mijnen, de scheepsbouw, het spoor, de telekommunikatie,…

De eenmaking van het land is nog niet voltooid: het Baskenland en Catalonië – de rijkste regio’s – vertonen separatistische tendensen.

In 1930 krijgt diktator Primo de Rivera zijn ontslag van koning Alphonse XIII. Een jaar later moet de koning zelf het land ontvluchten na de republikeinse verkiezingsoverwinning. De republiek wordt uitgeroepen.

De Spaanse arbeidersorganisaties

De Spaanse arbeidersbeweging staat nog in haar kinderschoenen. Een van de belangrijkste organisaties is de in 1910 opgerichte Nationale Confederatie van de Arbeid (CNT): een mengeling van anarchisten en revolutionaire syndikalisten.

In ’21 nemen Andrès Nin en Joaquin Maurin in naam van de CNT deel aan de oprichting van de Rode Vakbondsinternationale (ISR) in Moskou. Verscheidene kaders van de CNT worden gewonnen voor het kommunisme. In ’22 echter, terwijl Nin in Moskou verblijft, zegt de CNT “tijdelijk” haar aansluiting bij de ISR op. Vanaf ’27 krijgt de FAI (Anarchistische Iberische Federatie) steeds meer invloed in de CNT en maakt er het instrument van haar anarchistische politiek van. In de verkiezingen van april ’31 roept de CNT op voor de burgerlijke republikeinse kandidaten te stemmen.

In ’17 ontwikkelt zich binnen de PSOE (de socialistische partij) een kommunistische vleugel. In ’23 wordt door verschillende kommunistische groepen de PCE (kommunistische partij) opgericht. Zoals in vele landen leidt de splitsing in de jaren ’20 tot een verrechtsing van de socialistische partij.

De kommunistische partij (PCE) duikt onmiddellijk na haar oprichting in ’23 in de klandestiniteit en bevindt zich in een diepe krisis: verscheidene federaties worden uitgesloten (o.a. de Catalaanse federatie o.l.v. Maurin). Bij de uitroeping van de republiek in ’31 telt de PCE niet meer dan 800 leden. Ze voert een ultralinkse politiek.

Wanneer Andrès Nin in ’30 naar Spanje terugkeert, richt hij Kommunistisch Links op. Trotsky die zich op dat moment in Prinkipo bevindt na zijn verbanning uit de USSR, onderhoudt een stevige korrespondentie met Nin.

De onmogelijke demokratie

De nieuwe voorlopige regering is samengesteld uit burgerlijke konservatieve katholieken en “respektabele” socialisten. Ondanks een heel aantal progressieve hervormingen, verandert de regering niets fundamenteel.

De groeiende werkloosheid en de konstante prijsstijgingen voeden het ongenoegen van de arbeiders en de boeren. Wanneer de CNT oproept tot een algemene staking, legt de regering de staat van oorlog op: 30 doden en 200 gewonden. In januari ’33 ontketenen anarchistische aktivisten (Oliver, Durruti) een opstand in verschillende steden in Catalonië, Levant, Rioja en Andalusië. De repressie is afgrijselijk: 14 opstandelingen worden geëxekuteerd, 30 anarchisten worden levend verbrand.

De deelname van de socialisten aan de regering maakte dat de CNT rondom zich de strijdbaarste en standvastigste militanten van de Spaanse arbeidersklasse kon verzamelen, maar de CNT had noch een revolutionair programma, noch een revolutionaire strategie. Hierin had de PCE kunnen tussenkomen. De PCE kan echter geen gebruik maken van deze kansen. Met haar ultralinkse slogans (de PSOE is “sociaal-fascistisch”, de anarchisten zijn “anarcho-fascisten”) isoleert de PCE zich van de strijdbaarste elementen die de eenheid van de CNT verdedigen.

Er is oppositie binnen de kommunistische beweging. Zo vormt Maurin het Arbeiders- en Boerenblok (BOC). In de lente van ’33 vormt zich een eerste eenheidsfront onder impuls van de BOC en Kommunistisch Links (Nin): de Arbeidersalliantie.

De PSOE en de UGT groeiden enorm aan maar de nieuwe rekruten weerspiegelden het ongenoegen van de massa’s. De breuk tussen de socialisten en de republikeinen wordt onvermijdelijk.

De onmogelijke reaktie

In de verkiezingen van ’33 boekt rechts – mede dankzij de elektorale procedure en de boycot van de anarchisten – een verkiezingsoverwinning. De nieuwe regering verlaagt de kredieten aan het openbaar onderwijs, werft een enorm aantal politie-agenten en schroeft een heel aantal sociale verworvenheden terug.

Caballero, die naar links evolueerde, besluit steun te geven aan de Arbeidersalliantie, die zich daarmee uitbreidt over heel Catalonië en in Madrid. De Arbeidersalliantie wordt desondanks verslagen door de CNT en de rechtervleugel van de socialisten en wordt door de PCE afgeschreven als “sociaal-fascistisch”.

In oktober ’34, wanneer de nieuwe regering geïnstalleerd wordt, roept de UGT op tot een algemene staking. De CNT doet alsof haar neus bloedt. In Asturië, waar de CNT wel de Arbeidersalliantie vervoegt, breekt een insurrektionele algemene staking uit: de politiemacht wordt ontwapend, de mijnwerkers organiseren milities die de macht overnemen en bezit nemen van de arsenalen. De generaals antwoorden met brute repressie: 3.000 arbeiders worden vermoord, 7.000 gewond, meer dan 40.000 gearresteerd, waarvan een groot deel gefolterd werden.

De POUM en het Volksfront

Trotsky dringt erop aan dat Kommunistisch Links de PSOE vervoegt om een verbinding tot stand te brengen tussen de revolutionairen en de linkervleugel van de zeer geradikaliseerde Jongsocialisten o.l.v. Santiago Carrillo. Nin weigert, breekt met Trotsky en fusioneert met de BOC van Maurin.

In september ’35 volgt daaruit de oprichting van de POUM (Arbeiderspartij van Marxistische Eenmaking). De POUM telt 8.000 militanten, een reële arbeidersbasis in Catalonië en minder solide groepen in de rest van het land. De leiders zijn figuren uit de arbeidersbeweging: Maurin, Nin, Portela, Andrade, Gorkin.

De Kommunistische Internationale neemt een radikale draai en gaat van ultra-gauchisme naar steun aan de volksfronten. De Jongkommunisten fusioneren met de Jongsocialisten. In Catalonië fusioneren de kommunisten met de socialisten om de PSUC te vormen die aansluit bij de Kommunistische Internationale.

Een pre-revolutionaire situatie

Op 16 februari ’36 wint het Volksfront (burgerlijke republikeinen, PSOE, PCE, UGT en POUM) de verkiezingen op basis van een gematigd progressief programma. Generaal Franco wordt naar Marokko gemuteerd, alle politieke gevangenen worden vrijgelaten.

Massale overwinningsbetogingen vinden plaats in alle steden en dorpen, de gevangenissen worden geopend nog voor het dekreet van amnestie er is, overal vinden stakingen plaats voor de reïntegratie van de voordien ontslagen arbeiders, voor de betaling van de loonachterstanden, voor loonsverhogingen, tegen de arbeidsdiscipline. Op het platteland bezetten de boeren de grond. De linkse socialisten staan vooraan in de betogingen waar ze de diktatuur van het proletariaat eisen.

In werkelijkheid heeft het revolutionair enthousiasme echter nog niet de middelen om de revolutie ook werkelijk door te voeren. Niemand heeft onmiddellijke perspektieven. Prieto, leider van de PSOE, vraagt de arbeiders “redelijk” te zijn en niet “het spel van de fascisten te spelen”. De PCE neemt een terughoudende houding aan.

De reaktie bereidt ondertussen een staatsgreep voor. De officieren verkrijgen van Hitler de verzekering van zijn steun. Mussolini zorgt voor wapens en geld. De republikeinse regering is op de hoogte van deze voorbereiding, maar reageert niet: het komplot van de generaals is een gevaar voor hun politiek regime maar tegelijkertijd is het het ultieme bolwerk voor de verdediging van het ekonomisch en sociaal regime.

De staatsgreep ontketent de revolutie

Op 17 juli ’36 denken de generaals een snelle overwinning te kunnen behalen. In de voormiddag van 19 juli, wanneer overal in het land de gevechten losbreken, treedt de regering af. De UGT en de CNT roepen op tot een algemene staking: honderdduizenden arbeiders bestormen de straten van Madrid en eisen wapens op. De nieuwe regering kan de bewapening van de arbeiders niet langer tegenhouden.

In Andalusië overwint de putsch. Overal elders lopen de putschisten een vernederende nederlaag op: de mariniers, die in raden georganiseerd waren, muiten, fussileren hun officiers en bezetten alle oorlogsschepen. In Barcelona bewapenen de arbeiders zich, winnen een deel van de Gardia Civile over en bestormen de kazernes. Een kolonne van de POUM marcheert samen met de kolonne van de CNT-FAI van Durruti naar Saragossa en bevrijdt Aragon. In Madrid zijn de kazernes bezet. In Valencia weigert het leger de strijd aan te gaan en geeft zich over.

In Catalonië is de echte macht in handen van het centrale komitee van de anti-fascistische milities. In Valencië wordt de autoriteit uitgemaakt door het eenheidskomitee van de CNT en het UGT. Revolutionaire tribunalen worden verkozen. Op enkele weken tijd tekenen nieuwe instellingen van een staatsapparaat van een nieuw type zich af: milities, brigades, volkspolitie. Deze organismen organiseren niet enkel de verdediging, maar ook de produktie, de justitie,…

Tegenover de militairen telde het initiatief. Veel militanten, libertairen, socialisten, kommunisten, anarcho-syndikalisten,… namen tijdens deze koortsachtige dagen initiatieven die ingingen tegen de ideeën van hun respektieve organisaties.

De volksfrontregering werd een schaduw van zichzelf: ze moest zich tevreden stellen met goed te keuren wat de komitees reeds hadden beslist en uitgevoerd. Een situatie van dubbelmacht ontstond. Enkel de overwinning van één van hen kon die situatie veranderen. Twee mogelijkheden: ofwel integreerden de komitees zich in de republikeinse wettelijkheid (standpunt van de rechtervleugel van de PSOE en de PCE), ofwel ontwikkelden ze zich tot een werkelijke arbeidersstaat. Geen enkele arbeiderspartij – ook niet de POUM – verdedigde echter op een serieuze manier de laatste mogelijkheid.

De PSOE en de PCE weigerden het perspektief van een socialistische republiek die volgens hen niet enkel onrealistisch was, maar ook gevaarlijk. De anarchisten weigerden de strijd voor de macht te voeren, want dat ging tegen hun principes in. De POUM stelde dat de diktatuur van het proletariaat reeds bestond. De revolutie eindigde dus ergens in het midden.

De demokratische reaktie

De revolutie, die al 5 jaar aan het broeden was, brak uit als reaktie op een militaire staatsgreep. De kontra-revolutie was echter niet verslagen: een derde van Spanje stond onder haar kontrole. Vanaf 21 juli zend Hitler vliegtuigen naar Franco. Een internationale koalitie tegen de revolutie wordt gevormd. De republikeinse regering zoekt steun bij Frankrijk waar de volksfrontregering o.l.v. Léon Blum (PS) echter haar grenzen aan de Pyreneeën sluit.

In die omstandigheden blijven de eerste suksessen van de milities zonder gevolg. Onverslaanbaar in straatgevechten konden ze zich zonder militaire opleiding niet op een serieuze manier verdedigen in een volbloed-oorlog. De nationalisten herroverden nieuw terrein en gingen over tot brutale slachtpartijen. Een moderne oorlogsmachine ging in aktie tegen de milities.

De volksfrontregering onderstreepte het belang “revolutionaire buitensporigheden” te vermijden. De PCE volgt hen daarin slaafs: “de verdediging van de republikeinse orde in het kader van respekt voor de eigendom”.

Uiteindelijk aanvaardt Largo Caballero de leiding te nemen in de volksfrontregering met burgerlijk, socialistische, kommunistische ministers, ministers van de UGT en 4 anarchistische ministers. Vanaf het in funktie treden van de regering (september ’36) worden alle komitees ontbonden en vervangen door gemeenteraden. Het magistratenkorps wordt terug in funktie hersteld als “technici van de justitie”. De revolutionaire milities van de achtergebleven gebieden worden per dekreet eengemaakt en onder de kontrole van de minister van binnenlandse zaken geplaatst. De soldatenraden worden ontbonden en de hiërarchie in het leger wordt hersteld.

De verworvenheden van de revolutie worden “gelegaliseerd”, wat wil zeggen dat hun uitbreiding wordt tegengegaan. De regering beslist de onteigende kapitalisten een schadeloosstelling te bezorgen en weigert het monopolie op de handel met het buitenland.

Het stopzetten van de revolutie door de volksfrontregering valt samen met de eerste veranderingen in de oorlog: materiële hulp van Rusland (vliegtuigen en pantserwagens) en de kontrole van de kommunistische partijen over de Internationale Brigades.

De stalinistische kontra-revolutie

Vanaf juli krijgt de leiding van de PCE versterking vanuit Moskou. Er zijn 2 prioriteiten: “eerst Franco verslaan” en daartoe de autoriteit van de volksfrontregering versterken en vechten tegen de “vijanden van het volk: de fascisten, de trotskisten, de anarchisten en de onkontroleerbaren”.

Met het prestige van de USSR achter zich én met belangrijke fondsen leggen de stalinisten hun wil op. Spanje is een belangrijke inzet voor de stalinisten geworden: de USSR wil, met de komende wereldoorlog in zicht, de westerse machten wil duidelijk maken dat ze een solide bondgenoot is. Daartoe moet ze uiteraard de revolutie in Spanje stilzetten.

In november verklaart de algemene consul van de USSR in Barcelona dat het blad van de POUM “in dienst van het internationale fascisme” staat. De politiek van de PCE versterkt haar gehoor bij de middenstand en de kleine industriëlen, de kleine grondbezitter, de magistraten, de officieren, de politie.

De CNT probeert de greep van de PCE losser te maken en stelt het bestaan van privé-gevangenissen van de politieke politie aan de kaak. De POUM roept opnieuw op tot de vorming van “komitees” en “raden”. Een gelijkaardige beweging speelt zich af binnen de CNT.

In de lente van ’37 stijgt de spanning tot een hoogtepunt. In Barcelona gaat het gerucht de ronde dat alle arbeiders die niet geïntegreerd zijn in de staatspolitie spoedig ontwapend zullen worden. De regering verbiedt elke 1 mei-betoging.

Sinds juli ’36 kontroleerden de anarchisten in Barcelona de telefooncentrale, ze kontroleerden dus ook de facto de konversatie van de regering. De PSUC beslist een konfrontatie uit te lokken en opent het vuur op de telefooncentrale. Een algemene staking breekt uit in Barcelona. De POUM, de jong-libertairen en de Vrienden van Durruti ondersteunen de staking. De CNT roept de arbeiders op de wapens neer te leggen: er zijn ondertussen 500 doden en 1.000 gewonden.

De stalinistische pers lost haar pijlen op de opstand en zegt dat die georganiseerd is door de POUM en de fascisten. Op 15 mei ’37 moet Caballero aftreden en wordt de POUM buiten de wet gesteld. Op 16 juni worden alle leiders van de POUM gearresteerd. Andrès Nin wordt overgeleverd aan de politieke politie, gemarteld en vermoord. In de daaropvolgende weken volgen talrijke trotskistische militanten in zijn voetsporen.

In september ’37 overmeesteren de regeringstroepen het hoofdkwartier van de CNT-FAI in Barcelona. De oproerpolitie bezet de redaktielokalen van de krant van Caballero. De leiders van de POUM worden veroordeeld. De priesters verlaten de gevangenissen. Censuur wordt opgelegd. De speciale politiedienst van 6.000 agenten wordt georganiseerd onder de kontrole van de PCE en Russische “technici”. De “niet-oproerige” onteigende grootgrondbezitters kunnen hun gronden terug opeisen.

Daarmee wordt de moraal van de massa van arbeiders en boeren gebroken. Zich verdedigen tegen Franco in dienst van hun voormalige – en nieuwe – onderdrukkers heeft steeds minder zin.

De nederlaag is de prijs

In de tweede helft van het jaar ’37 worden de eerste Russische raadgevers teruggeroepen naar de USSR waar de meerderheid van hen geëxekuteerd wordt. De wapenzendingen verminderen snel. Spanje is niet anders meer dan het toneel van een klassieke oorlog waarin één kamp minderwaardig is op militair en technisch vlak.

De lijdensweg van de nederlaag duurt nog tot in ’39 en eindigt met talrijke martelingen en exekuties en lange jaren gevangenschap. De “oorlog” van Spanje kon niet gewonnen worden zonder de revolutie te winnen.

Van de derde periode naar de volksfrontpolitiek

In de jaren ’30 karakteriseerde de politiek van Stalin en de stalinistische partijen zich door bruuske veranderingen. Tegenover de krisis van het kapitalisme in ’29 komen de stalinistische leiders tot de konklusie dat het einde van het kapitalisme in zicht is.

Ze voeren een ultra-linkse politiek (de derde periode). In Duitsland bestrijdt de machtige Kommunistische Partij in eerste instantie de sociaal-demokratische partij, die ze als sociaal-fascisten, de tweelingbroer van het fascisme bestempelde. Deze politiek die de arbeidersklasse hopeloos verdeelde tegenover het fascistische gevaar, speelde een belangrijke rol in de uiteindelijke overwinning van Hitler in ’33, waarna hij zowel de socialisten als de kommunisten likwideerde.

In ’34 maakte de Kommunistische Internationale een draai van 180E. In plaats van eenheid in de aktie tussen socialisten en kommunisten te kreëren (“laat ons niet ons programma samengooien, maar samen vechten tegen de fascisten en de burgerij”, zoals Trotsky in die periode voorstelde), sloten de kommunistische partijen echter de volksfronten af (programmatorische opportunistische akkoorden die binnen de wettelijkheid van het kapitalisme opereerden) met de socialisten, maar ook met de burgerlijke republikeinen (de zogenaamde “progressieve burgerij”). Zowel in Frankrijk als in Spanje bestrijden de volksfrontregeringen de revolutionaire vloed (juni ’36 in Frankrijk, juli ’36 tot mei ’37 in Spanje).

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie