Frankrijk op een keerpunt

Geschreven: 28 maart 1936. Bron: Nederlandstalige Trotski Bibliotheek 14. Revolutionair-Socialistische Publicaties, Groningen 2008. Door Karel ten Haaf. Facsimile-uitgaven van teksten van Trotski in het Nederlands. Overgenomen vanop marxists.org. Verder bewerkt voor deze uitgave.

 

Dit boek (1) is aan de verklaring van de methoden van de revolutionaire politiek van de arbeidersklasse in ons tijdperk gewijd. De uiteenzetting is van polemische aard, zoals de revolutionaire politiek zelf. Zodra de polemiek tegen de heersende klasse de onderdrukte massa’s aangrijpt, slaat zij in een bepaalde etappe in de revolutie om.

De theoretische grondslag van de revolutionaire politiek is het duidelijke begrip van de klassennatuur van de tegenwoordige maatschappij, van haar staat, haar recht, haar ideologie. De burgerij opereert met abstracte begrippen (“natie”, “vaderland”, “democratie”) om daarmee het uitbuiterskarakter van haar heerschappij te bemantelen. Le Temps, een van de vele eerloze bladen op de aardbol, leert de volksmassa’s van Frankrijk iedere dag patriottisme en onbaatzuchtigheid. Intussen is het voor niemand een geheim dat de onbaatzuchtigheid van de Temps zelf slechts beschikbaar is aan de vaste prijzen van de internationale markt.

De eerste daad van de revolutionaire politiek is de ontmaskering van de burgerlijke ficties die het bewustzijn van de volksmassa’s vergiftigen. Deze ficties worden bijzonder boosaardig wanneer zij met de ideeën van het “socialisme” en van de “revolutie” verbonden worden. Meer dan ooit geven de fabrikanten van dergelijke verbindingen in de arbeidersorganisaties van Frankrijk de toon aan.

De eerste uitgave van dit boek speelde een zekere rol bij het begin van de vorming van de Franse communistische partij (PCF): de schrijver ontving daarvan destijds niet weinig getuigenissen – de sporen hiervan zijn gemakkelijk in de Humanité van voor 1924 te vinden. In de daarop volgende 12 jaren heeft in de Comintern — na een reeks van koortsachtige zigzags — een radicale verandering plaats gevonden. Het is voldoende te zeggen dat deze publicatie nu op de lijst van de verboden boeken staat. Volgens hun ideeën en methoden onderscheiden de huidige leiders van de PCF (wij zijn gedwongen deze naam aan te houden, die in absolute tegenstelling met de werkelijkheid is) zich principieel in niets van Kautsky tegen wie dit werk gericht is: zij zijn slechts veel onontwikkelder en cynischer. De van de kant van Cachin & co. beleefde terugval in reformisme en patriottisme zou op zichzelf reeds een voldoende reden voor een nieuwe uitgave van dit boek zijn. Er zijn echter ook ernstiger motieven: zij wortelen in de diepe voorrevolutionaire crisis die het regime van de derde republiek door elkaar schudt.

Na een onderbreking van 18 jaar had de schrijver van dit boek de gelegenheid twee jaren lang (1933-1935) in Frankrijk te vertoeven, ofschoon slechts als provinciaal waarnemer die bovendien zelf onder geheime controle stond. Gedurende deze tijd speelde zich in het departement van de Isère, waar de schrijver woonde, een kleine, zeer gewone en alledaagse episode af die evenwel de sleutel tot de gehele Franse politiek levert. In een sanatorium dat aan het Comité des Forges behoort, veroorloofde een jonge arbeider, wie een zware operatie wachtte, het zich de revolutionaire pers te lezen (juister de pers die hij in zijn naïviteit voor revolutionair hield: de Humanité). De administratie stelde aan de onvoorzichtige zieke, en na hem aan vier anderen die zijn sympathie deelden, het ultimatum: óf afstand doen van het betrekken van de ongewenste publicaties óf direct op straat geworpen te worden. Het beroep van de zieken op het feit dat in het sanatorium toch geheel openlijk klerikaal-reactionaire propaganda gevoerd werd, hielp natuurlijk niet. Daar het om eenvoudige arbeiders ging die noch mandaten van afgevaardigden, noch ministersportefeuilles riskeerden, maar alleen gezondheid en leven, had het ultimatum geen succes; de vijf zieken, de een aan de vooravond van een operatie, werden uit het sanatorium geworpen. Grenoble had destijds een socialistisch gemeentebestuur met Dr Martin aan het hoofd, een conservatieve burger die zoals vaak de toon zet in de socialistische partij en wiens meest volmaakte vertegenwoordiger Léon Blum is. De weggejaagde arbeiders ondernamen een poging om bij de burgemeester bescherming te zoeken. Tevergeefs: ondanks alle bemoeiingen, brieven, voorspraak, werden zij niet eens ontvangen. Zij wendden zich tot het plaatselijke linkse blad La Dépêche, waarin de radicaal-socialisten en de socialisten een onafscheidelijk kartel vormen. Toen de directeur van de krant vernam dat het om een sanatorium van het Comité des Forges ging, wees hij zijn inmenging vierkant af: alles wat je wil maar dat niet. Wegens een dergelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van deze machtige organisatie waren de advertenties reeds eenmaal aan La Dépêche onttrokken met een bijhorend verlies aan inkomsten van 20.000 Frank. In tegenstelling met de arbeiders hadden de directeur van de “linkse” krant en de burgemeester wel iets te verliezen: zij deden daarom afstand van de ongelijke strijd en lieten de arbeiders met hun zieke darmen en nieren aan hun eigen lot over.

Eens per week of per veertien dagen houdt de socialistische burgemeester, wellicht geplaagd door droevige jeugdherinneringen, een rede over de voordelen van het socialisme boven het kapitalisme. Gedurende de verkiezingen ondersteunt La Dépêche de burgemeester en zijn partij. Alles is in orde. Het Comité des Forges vertoont tegenover dit soort socialisme dat de materiele belangen van het kapitaal niet in het minst schaadt liberale verdraagzaamheid. Door middel van advertenties voor 20.000 frank per jaar (zo goedkoop zijn deze heren te krijgen!) houden de feodalen van de zware industrie en van de banken een grote kartelkrant praktisch aan zich onderworpen. En niet alleen haar: het Comité des Forges heeft klaarblijkelijk genoeg directe en indirecte argumenten voor de heren burgemeesters, senatoren, afgevaardigden, waaronder ook de socialistische. Het gehele officiële Frankrijk staat onder de dictatuur van het geldkapitaal. In het woordenboek van Larousse heet dit systeem “democratische republiek”.

Aan de heren linkse afgevaardigden en redacteuren, niet alleen in het departement van de Isère, doch in alle departementen van Frankrijk, scheen het alsof hun vreedzaam samenleven met de kapitalistische reactie geen einde nam. Zij hebben zich vergist. De reeds lang vermolmde democratie voelde plotseling een revolverloop aan haar slaap. Zoals Hitlers bewapening — een rauw materieel feit — de tegenwoordige omwenteling in de betrekkingen tussen de staten veroorzaakte doordat zij openbaarde hoe ijdel en bedrieglijk het zogenaamde “internationale recht” is, zo brachten de bewapende benden van kolonel de la Rocque (2) de binnenlandse verhoudingen van Frankrijk in een gisting die alle partijen zonder uitzondering dwong zich om te vormen, van kleur te veranderen en zich te hergroeperen.

Friedrich Engels schreef eens dat de staat, dus ook de democratische republiek, bestaat uit afdelingen van gewapende mensen ter bescherming van het eigendom. Al het overige bedekt of maskeert slechts dit feit. De bespraakte verdedigers van het “recht”, van het slag van Herriot of Blum, zijn tegen een dergelijk cynisme steeds in opstand gekomen. Hitler en de la Rocque hebben elk op hun terrein opnieuw bewezen dat Engels gelijk heeft.

Daladier was in het begin van 1934 minister-president volgens het algemene, directe en geheime kiesrecht. In zijn zak droeg hij behalve zijn zakdoek de nationale soevereiniteit. Zodra echter de benden van de la Rocque, Maurras (3) & co. toonden dat zij durfden te schieten en de pezen van de politiepaarden door te snijden, maakte de soevereine Daladier plaats voor een politieke invalide, in wie de leiders van de gewapende benden vertrouwen hadden. Dat is een feit van veel groter betekenis dan elke verkiezingsstatistiek en het is een feit dat niet uit de jongste geschiedenis van Frankrijk uitgeschakeld kan worden. Bovendien is het een voorteken van de toekomst.

Natuurlijk is niet iedere met revolvers uitgeruste groep in staat op elk tijdstip de richting van het politieke leven van een land te veranderen. Slechts de gewapende afdelingen die organen van bepaalde klassen zijn, kunnen onder bepaalde omstandigheden een beslissende rol spelen. Kolonel de la Rocque en zijn aanhangers willen de “orde” voor schokken bewaren. Daar echter de orde in Frankrijk hetzelfde is als de heerschappij van het geldkapitaal over de midden- en kleinburgerij en heerschappij van de burgerij als geheel over de arbeidersklasse en de daarmee gelijk te stellen lagen, zo zijn de afdelingen van de la Rocque niets meer dan een gewapende stoottroep van het geldkapitaal.

Deze gedachte is niet nieuw. Men kan haar zelfs dikwijls in de Populaire en de Humanité tegenkomen, ofschoon zij door deze natuurlijk niet het eerst geformuleerd werd. Maar deze bladen spreken slechts de halve waarheid uit. De andere, niet minder belangrijke, helft zegt dat Herriot en Daladier met hun aanhangers eveneens een agentuur van het geldkapitaal zijn, anders zouden de radicaal-socialisten niet tientallen jaren lang de regeringspartij van Frankrijk hebben kunnen zijn. Wil men geen verstoppertje spelen, dan moet gezegd worden dat de la Rocque en Daladier een en dezelfde heer dienen. Dat betekent natuurlijk niet dat zij of hun methoden geheel gelijk zijn. Integendeel. Zij haten elkaar als twee gespecialiseerde agenturen waarvan ieder het geheim bezit van een bijzonder geneesmiddel voor alle kwalen. Daladier belooft de orde met behulp van de traditionele driekleur-democratie in stand te houden. De la Rocque is van mening dat het overleefde parlementarisme weggeveegd dient te worden ten gunste van een openlijke militaire en politiedictatuur. De politieke methoden staan lijnrecht tegenover elkaar, doch de sociale belangen zijn dezelfde.

De historische oorzaak van de tegenstelling tussen de la Rocque en Daladier — wij bedienen ons slechts van deze namen om de feiten eenvoudig te stellen — is het verval van het kapitalistische systeem, zijn ongeneeslijke crisis, zijn rotheid. Ondanks ononderbroken veroveringen van de techniek en omwentelingen die leiden tot vooruitgang van afzonderlijke takken van de industrie remt het kapitalisme als geheel de ontwikkeling van de productieve kracht af, waardoor het uiterste onzekerheid van de sociale en internationale betrekkingen in het leven roept. De parlementaire democratie is onafscheidelijk aan het tijdperk van de vrije concurrentie en van de internationale vrijhandel verbonden. De burgerij kon stakings-, vergaderings- en persvrijheid zolang dulden als de productiekrachten zich opwaarts bewogen, de afzetmarkten zich uitbreidden, de welvaart van de massa’s tenminste gedeeltelijk toenam en de kapitalistische naties leefden en konden laten leven. Met uitzondering van de Sovjetunie wordt het imperialistische tijdperk gekenmerkt door stilstand of teruggang van het nationale inkomen, chronische agrarische crisis en organische werkloosheid. Deze verschijnselen zijn zo eigen aan de huidige fase van het kapitalisme als voetjicht en aderverkalking aan een bepaalde ouderdom van de mens. De wereldeconomische chaos als een gevolg van de laatste oorlog verklaren, betekent een hopeloze oppervlakkigheid in de geest van de heer Caillaux, graaf Sforza, enz. aan de dag leggen. De oorlog zelf was niets anders dan een poging van de kapitalistische landen om het reeds dreigende bankroet op de rug van de tegenstander af te wentelen. De poging is niet gelukt. De oorlog heeft de verschijnselen van het verval slechts nog verdiept. In zijn verdere ontwikkeling bereidt dit verval een nieuwe oorlog voor.

Hoe slecht de Franse economische statistiek die opzettelijk de problemen van de klassentegenstellingen uit de weg gaat ook is, de verschijnselen van het eigenlijke sociale verval kan zij toch niet verbergen. Bij een algemene daling van het nationale inkomen, bij een waarlijk verschrikkelijke instorting van het inkomen van de boeren, bij het bankroet van de kleine lieden uit de stad, bij groeiende werkloosheid,… doen de reuzenondernemingen met jaarlijkse omzetten van 100 tot 200 miljoen schitterende zaken. Het geldkapitaal zuigt in de volle betekenis van het woord het Franse volk het bloed uit de aderen. Dat is de sociale grondslag van de ideologie en van de politiek van de “nationale unie”.

Verzachtingen en lichtstralen in het vervalproces zijn mogelijk, zelfs onvermijdelijk, maar zij blijven zuivere conjunctuurverschijnselen. De algemene tendens van ons tijdperk stelt Frankrijk na een reeks van andere landen gebiedend voor het alternatief: óf de arbeidersklasse moet de door en door verrotte burgerlijke orde ten val brengen, óf het kapitaal moet in het belang van zijn zelfbehoud de democratie voor het fascisme verruilen. Voor hoe lang? Op deze vraag geeft Mussolini’s en Hitler’s lot het antwoord.

De fascisten schoten op 6 februari 1934 in directe opdracht van de beurzen, banken en trusts. Van dezelfde commandoposten kreeg Daladier bevel aan Doumergue de macht af te staan. En als de radicaal-socialistische minister-president capituleerde — met die kleinmoedigheid die de radicalen in het algemeen kenmerkt — dan juist daarom omdat hij in de benden van de la Rocque de stoottroepen van zijn eigen heren erkende. Met andere woorden: de soevereine Daladier stond aan Doumergue de macht om dezelfde reden af waarom de directeur van La Dépêche en de burgemeester van Grenoble het van de hand wezen de afschuwelijke wreedheid van de agenten van het Comité des Forges aan de kaak te stellen.

De overgang van de democratie naar het fascisme is echter zwanger van het gevaar van sociale schokken. Vandaar het tactische zwenken en de meningsverschillen bij de kopstukken van de burgerij. Alle magnaten van het kapitaal zijn voor een verdere versterking van de gewapende afdelingen die in het uur van het gevaar een reddende reserve kunnen zijn. Maar welke plaats krijgen ze nu al aangewezen, of men ze toelaat tot de aanval over te gaan of voorlopig slechts als dreigement laten werken — deze vragen zijn nog onopgelost. Het geldkapitaal gelooft niet dat het de radicaal-socialisten nog mogelijk is de kleinburgerlijke massa’s achter zich aan te voeren en met haar druk de arbeidersklasse binnen het raam van de “democratische” discipline te houden. Maar het is er ook niet van overtuigd dat de fascistische organisaties, die het tot nu toe nog aan een werkelijke massabasis ontbreekt, in staat zouden zijn de macht te veroveren en een sterke orde te scheppen.

Niet de parlementaire welsprekendheid doch de verontwaardiging van de arbeiders, de weliswaar door Jouhaux’ bureaucratie in de kiem gesmoorde poging tot algemene staking en tenslotte de lokale opstanden (Toulon, Brest), overtuigden de leiders achter de coulissen van de noodzakelijkheid om voorzichtig te zijn. De fascisten werden zachtjes gewaarschuwd, de radicaal-socialisten ademden een klein beetje vrijer. Le Temps ging eerder in een aantal artikels zo ver om de ‘jonge generatie’ hand en hart aan te bieden, maar ontdekte nu opnieuw de voordelen van het bij de Franse geest passende liberale regime. Zo kwam een onbestendig, overgangs- en bastaardregime tot stand dat niet zozeer bij de geest van Frankrijk maar wel bij de ondergang van de derde republiek past. Aan dit regime vallen het duidelijkst zijn bonapartistische trekken op: onafhankelijkheid van de macht van partijen en programma’s, liquidatie van de parlementaire wetgeving door middel van buitengewone volmachten, een regering die zich boven de strijdende kampen, d.w.z. feitelijk boven de natie verheft als haar “scheidsrechter”. De kabinetten-Doumergue, Flandin, Laval, alle drie met onveranderde deelname van de gecompromitteerde en vernederde radicaal-socialisten, zijn slechts kleine variaties op één en hetzelfde thema.

Bij het ontstaan van het kabinet-Sarraut verkondigde Léon Blum, wiens scherpzinnigheid slechts twee in plaats van drie dimensies heeft:

“De laatste uitwerkingen van de 6de februari zijn op het parlementaire terrein vernietigd”. (4)

Dat noemt men de schaduw van het rijtuig met de schaduw van de borstel wassen! Alsof in het algemeen “op het parlementaire terrein” de druk van gewapende afdelingen van het geldkapitaal op te heffen zou zijn! Alsof het mogelijk was dat Sarraut niet voor deze druk zwicht en siddert! In werkelijkheid is de regering-Sarraut-Flandin een variant van hetzelfde half-parlementaire “bonapartisme”, slechts met een lichte neiging naar “links”. Sarraut zelf heeft op klachten over de door hem getroffen maatregelen in het parlement voortreffelijk geantwoord:

“Si mes mesures sont arbitraires, c’est parce que je veux être un arbitre”.

(“Indien mijn maatregelen willekeurig zijn, dan is dat omdat ik scheidsrechter wil zijn”).

Deze kernspreuk zou zelfs in de mond van Napoleon III niet slecht geklonken hebben. Sarraut voelt zich niet als gevolmachtigde van een bepaalde partij of een blok van partijen aan de macht, zoals het volgens de wetten van het parlementarisme behoort, maar als een scheidsrechter over klassen en partijen zoals het met de wetten van het bonapartisme overeenkomt.

De verscherping van de klassenstrijd en vooral het openlijke optreden van de gewapende benden van de reactie brachten ook de arbeidersorganisaties in opstand. De socialistische partij die vreedzaam de rol van het vijfde wiel aan de wagen van de Derde Republiek speelde, zag zich gedwongen half afstand te doen van haar traditie van kartelvorming en zelfs met haar rechtervleugel (de “Neo’s”) te breken. Juist in deze tijd maakten de communisten de omgekeerde ontwikkeling, doch veel grootscheepser. Meerdere jaren lang hadden deze heren gesproken over barricaden, over de verovering van de straat, enz. (het geklets had weliswaar een overwegend literair karakter). Na de 6de februari, toen zij begrepen dat het ernst werd, wierpen de meesters van de barricaden zich naar rechts. Deze natuurlijke reflex van de geschrokken fraseurs viel voortreffelijk samen met de nieuwe internationale oriëntatie van de Sovjetdiplomatie.

Onder de druk van het gevaar van de kant van Hitler-Duitsland wendde de Kremlin-politiek zich naar Frankrijk. Status-quo in de internationale betrekkingen! Status-quo in de binnenlandse verhoudingen van Frankrijk. Hopen op de socialistische revolutie? Hersenschimmen! In de leidende kringen van het Kremlin wordt over het Franse communisme niet anders dan met verachting gesproken. Men behoudt wat men heeft opdat het niet nog erger wordt. De parlementaire democratie in Frankrijk is zonder de radicaal-socialisten ondenkbaar: moeten de socialisten haar dus steunen, de communisten zal men bevelen het blok Blum-Herriot niet te hinderen: zo mogelijk moeten zij zichzelf bij dat blok aansluiten. Maar geen schokken, geen dreigementen! Dat is de koers van het Kremlin.

Als Stalin van de wereldrevolutie afstand doet, willen de burgerlijke partijen van Frankrijk dat niet geloven. Hoe verkeerd! Blind vertrouwen is in de politiek natuurlijk geer grote deugd. Maar ook blind wantrouwen is niet beter. Men moet het verstaan de woorden met de daden te vergelijken en de algemene ontwikkelingstendens over een tijdruimte van meerdere jaren te onderscheiden. Stalins politiek, die door de belangen van de bevoorrechte Sovjetbureaucratie bepaald wordt, is volkomen conservatief geworden. De Franse burgerij heeft alle reden Stalin te vertrouwen. Des te minder reden tot vertrouwen heeft de Franse arbeidersklasse.

Op het fusiecongres van de vakverenigingen in Toulouse vond de “communist” Racamond voor de politiek van het Volksfront een werkelijk onsterfelijke omschrijving:

“Hoe de verlegenheid van de radicale partij te overwinnen?”

Hoe de angst van de burgerij voor de arbeidersklasse te overwinnen? Heel eenvoudig: de verschrikkelijke revolutionairen moeten het mes dat zij tussen de tanden hielden, wegwerpen, gel in het haar doen en een lachje ontlokken aan de bekoorlijkste van alle slavinnen: dat zal het nieuwste type van een Vaillant-Couturier (5) opleveren. Onder de druk van de keurige “communisten” die uit alle kracht de naar links strevende socialisten naar rechts drongen, moest Blum weer de oriëntatie veranderen, gelukkig in de gewone richting. Zo ontstond het Volksfront, een verzekeringsmaatschappij tegen het bankroet van de radicaalsocialisten, ten koste van het kapitaal van de arbeidersorganisaties.

Het radicalisme is onafscheidelijk van de vrijmetselarij en daarmee is reeds alles gezegd. Gedurende de debatten over de fascistische bonden in het Huis van Afgevaardigden merkte Xavier Vallat op dat Trotski destijds de Fransen communisten “verboden” had tot de vrijmetselaarsloges te behoren. De heer Jammy Schmidt, een ogenschijnlijk grote autoriteit op dit gebied, verklaarde daar het verbod uit de onverenigbaarheid van het despotische bolsjewisme met de “geest van vrijheid”. Wij hebben geen reden om over dit thema met de radicalen afgevaardigde te strijden. Maar wij achten ook nu die arbeidersvertegenwoordiger die in de zoetelijke vrijmetselaars-godsdienst van de klassengemeenschap opwekking of troost zoekt niet het minste vertrouwen waardig. Het kartel ging niet toevallig vergezeld van brede deelname van de socialisten aan de maskerade van de loges. Nu is het de beurt aan de boetvaardige communisten om hun voorschoot aan te doen. Met het voorschoot zal het de nieuw bekeerde leerlingen overigens makkelijker vallen de meesters van het kartel te dienen.

Het Volksfront — antwoordt men ons niet zonder verontwaardiging — is echter geen kartel, het is een massabeweging. Gebrek aan hoogdravende definities is er natuurlijk niet, maar aan de zaak zelf veranderen zij niets. Het doel van het kartel was steeds de massabeweging te remmen door haar af te leiden naar de bedding van de klassengemeenschap. Dat is echter ook juist het doel van het Volksfront. Het onderscheid tussen hen — en het is niet van geringe betekenis — is dat het traditionele kartel zich in een betrekkelijk rustig en stabiel tijdperk van het parlementaire regime afspeelde. Thans echter, nu de massa’s ongeduldiger en opbruisend geworden zijn, was een betere rem nodig, een rem met deelname van de “communisten”. Gemeenschappelijke vergaderingen, paradeoptochten, eden, verbinding van de vlag van de Commune met die van Versailles, lawaai, geschreeuw, demagogie — alles dient één enkel doel: de massabeweging tot stilstand brengen en  demoraliseren.

Toen Sarraut zich in de Kamer voor de rechtsen rechtvaardigde, verklaarde hij dat zijn onschuldige toegevingen aan het Volksfront niets anders waren dan een veiligheidsklep van het regime. Deze openhartigheid mag onvoorzichtig schijnen. Zij werd echter door de uiterste linksen met stormachtig applaus beloond.

Sarraut had waarlijk geen reden om zich in te houden. In ieder geval gelukte het hem, misschien niet geheel bewust, een klassieke definitie van het Volksfront te geven: veiligheidsklep tegen de massabeweging.

De buitenlandse politiek is een voortzetting van de binnenlandse politiek. Volkomen afstand doend van het standpunt van de arbeidersklasse maken Blum, Cachin & co zich onder het masker van de “collectieve veiligheid” en van het “internationale recht” het standpunt van het nationale imperialisme eigen. Zij bereiden precies dezelfde politiek van kruipen voor die zij in 1914-18 voerden, slechts met de bijvoeging:

“voor de verdediging van de Sovjetunie”.

Tijdens de jaren 1918-1923, toen de Sovjetdiplomatie niet weinig te laveren en overeenkomsten te sluiten had, kon niet een van de Cominternsecties ook maar aan een blok met de eigen burgerij denken! Is dit alleen reeds niet een overtuigend bewijs voor de oprechtheid van Stalin toen hij afstand deed van de wereldrevolutie?

Met dezelfde overwegingen waarmee de Cominternleiders aan de hals van de democratie hangen in de periode van haar doodstrijd, ontdekten zij het stralende gelaat van de Volkenbond toen deze reeds de doodstuipen begon te vertonen. Zo ontstond een gemeenschappelijk platform in de buitenlandse politiek tussen de radicaal-socialisten en de Sovjetunie.

Het programma voor de binnenlandse politiek van het Volksfront is gebrouwen uit gemeenplaatsen die niet minder vrije uitleggingen toelaten dan het Geneefse Convenant. De algemene betekenis van het programma is: alles blijft bij het oude. Intussen willen de massa’s het oude niet meer. Daarin bestaat immers juist het wezen van de politieke crisis.

De arbeidersklasse politiek ontwapenend stellen Blum, Paul Faure, Cachin, Thorez er vooral belang in dat het zich niet fysiek bewapent. De agitatie van deze heren onderscheidt zich in niets van hetgeen priesters prediken over de superioriteit van de morele principes. Engels die leerde dat het probleem van de staatsmacht een probleem van gewapende afdelingen is. Marx die de opstand als een kunst beschouwde. Zij zijn voor de huidige afgevaardigden, senatoren en burgemeesters van het Volksfront zoiets als middeleeuwse barbaren. De Populaire drukt voor de honderdste keer de gestalte van een hongerige arbeider af met het onderschrift:

“Je zal nog eens begrijpen dat onze naakte vuisten solider zijn dan al uw gummiknuppels”.

Welk een verheven verachting voor de militaire techniek! Zelfs de Abessijnse Negus (6) heeft in dit opzicht moderner denkbeelden. De omwentelingen in Italië, Duitsland, Oostenrijk hebben voor deze lieden schijnbaar niet bestaan. Zullen zij ophouden de “naakte vuisten” te bezingen wanneer de la Rocque zelf hun de handboeien zal aandoen? Soms betreurt men het bijna dat de heren leiders deze ervaring niet alleen kunnen opdoen zonder dat de massa’s getroffen worden.

Van het standpunt van het burgerlijke regime vormt het Volksfront een episode in de concurrentiestrijd tussen radicaal-socialisme en fascisme om de aandacht en de gunst van het grootkapitaal. Door hun theatrale verbroederingen met socialisten en communisten willen de radicaal-socialisten de meester bewijzen dat het met de zaak van het regime volstrekt niet zo slecht staat als de rechtsen beweren, dat het gevaar van de revolutie volstrekt niet zo groot is dat zelfs Vaillant-Couturier het mes tegen de halsband verruilde, dat men door de tamme “revolutionairen” de arbeidersmassa’s kan disciplineren en dus het parlementaire systeem van de ineenstorting kan redden.

Niet alle radicaal-socialisten geloven op dezelfde wijze in dergelijk manoeuvre. Degenen die ernstiger zijn en meer invloed hebben, met Herriot op kop, geven de voorkeur aan een afwachtende houding. Maar ook zij kunnen tenslotte niets anders voorstellen. De crisis van het parlementarisme is vooral een crisis van het vertrouwen van de kiezers in het radicaal-socialisme.

Zolang het middel ter verjonging van het kapitalisme niet gevonden is, zal en kan er geen recept zijn voor de redding van de radicaal-socialistische partij. Zij heeft slechts de keuze tussen verschillende varianten van de politieke ondergang. Zelfs een relatief succes bij de aanstaande verkiezingen zal haar ineenstorting niet beletten en zelfs niet eens lang verschuiven.

De leiders van de socialistische partij, de lichtvaardigste politici van geheel Frankrijk, bekommeren zich niet om de sociologie van het Volksfront. Uit de eindeloze monologen van Léon Blum kan niemand iets leren. Wat de communisten betreft die buitengewoon trots zijn op hun initiatief met betrekking tot de samenwerking met de burgerij, zij stellen het Volksfront voor als een bondgenootschap van de arbeidersklasse met de middenklassen. Welke parodie op het marxisme! De radicaal-socialistische partij is volstrekt geen partij van het kleinburgerdom. Zij is niet eens een “blok van midden- en kleinburgerij”, volgens een onzinnige definitie van de Pravda. De middenburgerij buit niet alleen economisch, doch ook politiek het kleinburgerdom uit en is zelf een agentuur van het geldkapitaal. Een hiërarchische, op uitbuiting berustende, politieke verhouding met de neutrale naam “blok” aanduiden, betekent met de werkelijkheid spotten. Een cavalerist is geen blok van mens en paard. Wanneer de partij van Herriot-Daladier wortels in de kleinburgerlijke massa’s heeft en in zekere mate tot in de arbeiderskringen, dan is dat alleen om ze te duperen in het belang van het kapitalistische regime. De radicaal-socialisten zijn de democratische partij van het Franse imperialisme — iedere andere definitie is een leugen.

De crisis van het kapitalistische systeem ontwapent de radicaalsocialisten doordat zij hun de traditionele middelen voor het in slaap sussen van het kleinburgerdom ontneemt. De “middenklassen” beginnen te voelen en mogelijk zelfs te begrijpen dat de toestand met sjofele hervormingen niet te redden valt, dat een dappere breuk met de heersende orde nodig is. Maar radicaal-socialisme en dapperheid gaan samen als water en vuur. Het fascisme voedt zich vooral aan het groeiende wantrouwen van het kleinburgerdom in het radicaal-socialisme. Men kan zonder overdrijving zeggen dat het politieke lot van Frankrijk zich in aanzienlijke mate zal ontwikkelen naargelang de wijze waarop het radicaal-socialisme geliquideerd wordt en wie zijn opvolging zal opnemen, d.w.z. wie de invloed op de kleinburgerlijke massa’s zal overnemen: het fascisme of de partij van de arbeidersklasse.

Een elementaire waarheid van de marxistische strategie luidt dat het bondgenootschap van de arbeidersklasse met de kleine lieden van stad en het platteland slechts in onverzoenlijke strijd tegen de traditionele parlementaire vertegenwoordigers van het kleinburgerdom te verwezenlijken is. Om het boerendom naar de kant van de arbeidersklasse te trekken, is het zaak de boer aan de radicaal-socialistische beroepspoliticus te ontrukken, de politicus die de boer aan het geldkapitaal ondergeschikt maakt. In tegenstelling hiermee staat het Volksfront, het complot van de arbeidersbureaucratie met de ergste politieke uitbuiters van de middenklassen. Dat Volksfront is enkel in staat om het geloof van de massa’s in een revolutionaire weg te laten wegsmelten en hen in de armen van de fascistische contrarevolutie te drijven.

Het is nauwelijks te geloven, doch enige cynici trachten werkelijk de Volksfrontpolitiek met verwijzingen naar Lenin te rechtvaardigen. Lenin stelde immers dat men het “zonder compromissen” niet klaarspeelt en vooral niet zonder overeenkomsten met andere partijen. De hoon van de huidige Cominternleiders op Lenin is regel geworden. Zij treden de gehele leer van de stichter van de bolsjewistische partij met voeten, maar daarna gaan zij naar Moskou om hem in het mausoleum te eren.

Lenin begon zijn werk in het tsaristische Rusland, waar niet alleen de arbeidersklasse en de boerenklasse, niet alleen de intellectuelen maar ook brede kringen van de burgerij in oppositie tegen het oude regime stonden. Wanneer de Volksfrontpolitiek ergens met recht zou kunnen bestaan, dan zo schijnt het vooral in een land dat zijn burgerlijke revolutie nog niet voltrokken heeft. De heren vervalsers zouden er echter goed aan doen te tonen in welke etappe, wanneer en onder welke omstandigheden de bolsjewistische partij in Rusland iets als een Volksfront gevormd zou hebben. Laten zij hun verbeeldingskracht werken en in de historische documenten wroeten!

Het bolsjewisme sloot met de revolutionaire kleinburgerlijke organisaties praktische overeenkomsten, bijvoorbeeld voor gemeenschappelijk illegaal transport van revolutionaire literatuur, soms voor gemeenschappelijke organisatie van een straatdemonstratie, soms voor tegenstand tegen de Zwarte Honderd. Gedurende de verkiezingen in de staatsdoema namen zij onder zekere omstandigheden hun toevlucht tot een verkiezingsblok met de mensjewieken of met de sociaal-revolutionairen in tweede instantie. Dat is ook alles! Noch gemeenschappelijke “programma’s”, noch gemeenschappelijke permanente instellingen, noch afstand doen van kritiek op tijdelijke bondgenoten. Dergelijke tijdelijke, beperkte, streng concrete doeleinden, overeenkomsten en compromissen — daarvan en daarvan alleen sprak Lenin — hebben niets gemeen met een Volksfront dat een samenraapsel van verschillende organisaties is, een duurzaam bondgenootschap van verschillende klassen, verbonden voor een gehele periode — en wat voor een periode — aan een gemeenschappelijk programma en een gemeenschappelijke politiek, een politiek van parades, verklaringen en van zand in de ogen strooien. Bij het eerste ernstige op de proef stellen, zal het Volksfront in stukken uiteenvallen en al zijn bestanddelen zullen ernstige scheuren vertonen. De Volksfrontpolitiek is een politiek van het verraad.

De regel van het bolsjewisme in de kwestie van de blokken luidt: gescheiden marcheren, verenigd toeslaan! De regel van de huidige Cominternleiders is: verenigd marcheren om gescheiden verslagen te worden. Deze heren mogen zich aan Stalin en Dimitrov houden maar zij moeten alsjeblieft Lenin met rust laten!

Men kan niet zonder verontwaardiging de verklaringen van de snoevende Cominternleiders lezen, volgens welke het Volksfront Frankrijk van het fascisme “gevrijwaard heeft”. In werkelijkheid betekent dit slechts dat de wederzijdse aanmoedigingen de angstige helden voor overdreven angst “vrijwaarden”. Voor lange tijd?

Tussen Hitlers eerste opstand en zijn machtsverovering verliepen tien jaren. Deze jaren werden gekenmerkt door vele perioden van eb en vloed. De Duitse Blums en Cachins hebben destijds eveneens menig maal hun “overwinning” op het nazisme uitgeschreeuwd. Wij hebben hen niet geloofd en vergisten ons niet. Deze ervaring heeft de Franse neven van Wels en Thälmann echter niets geleerd. Weliswaar namen in Duitsland de communisten geen deel aan het Volksfront dat de sociaaldemocratie, de burgerlijke linksen en het katholieke centrum omvatte (“een bondgenootschap van de arbeidersklasse met de middenklassen”!). In die periode wees de Comintern zelfs strijdovereenkomsten van de arbeidersorganisaties tegen het fascisme van de hand. De resultaten zijn bekend. De warmste sympathie met Thälmann als gevangene van de beulen kan ons niet beletten uit te spreken dat zijn, d.w.z. Stalins, politiek tot Hitlers overwinning meer bijdroeg dan Hitlers politiek zelf. Na haar wending voert de Comintern nu in Frankrijk de voldoende bekende politiek van de Duitse sociaaldemocratie. Is het waarlijk zo moeilijk de resultaten te voorzien?

De komende parlementsverkiezingen, hoe zij ook mogen uitvallen, zullen op zich geen ernstige veranderingen in de toestand brengen. De kiezers blijft tenslotte de keuze tussen een scheidsrechter van het type Laval en een scheidsrechter van het type Herriot-Daladier. Daar Herriot vredelievend met Laval samenwerkte en Daladier beide ondersteunde, zo is het verschil tussen hen zeer gering als we het afmeten aan de door de geschiedenis gestelde taken.

Te menen dat Herriot-Daladier in staat zouden zijn de “tweehonderd families” die Frankrijk regeren de oorlog te verklaren, betekent het volk brutaal voor de gek houden. De 200 families (7) zweven niet in de lucht maar zijn de organische bekroning van het systeem van het geldkapitaal. Om de 200 families te overwinnen, moet men het economische en politieke regime ten val brengen. Maar Herriot en Daladier zijn niet minder geïnteresseerd in het rechthouden van dat systeem dan Flandin en de la Rocque! Het gaat niet om de strijd van de “natie” tegen enkele magnaten, zoals de Humanité het doet voorkomen, maar om de strijd van de arbeidersklasse tegen de burgerij, om klassenstrijd die alleen door de revolutie beslist kan worden. De voornaamste hindernis op deze weg werd het anti-arbeiderscomplot van de leiders van het Volksfront.

Hoe lang nog in Frankrijk half parlementaire, half bonapartistische kabinetten elkaar zullen aflossen en door welke concrete etappen in het algemeen het land in de komende periode zal gaan, is niet vooruit te zeggen. Dat hangt af van de internationale en de nationale economische conjunctuur, van de wereldsituatie, van de situatie in de Sovjetunie, van de graad van stabiliteit van het Italiaanse en Duitse fascisme, van de gang van de gebeurtenissen in Spanje, tenslotte — en dat is qua belang zeker niet de laatste factor — van de scherpzinnigheid en activiteit van de meest ontwikkelde elementen van de Franse arbeidersklasse. Stuiptrekkingen van de frank kunnen het einde bespoedigen. Nauwere samenwerking van Frankrijk met Engeland zijn in staat het te vertragen. De doodsstrijd van de “democratie” kan in Frankrijk in ieder geval veel langer duren dan in Duitsland de voorfascistische periode Brüning-Papen-Schleicher duurde. Maar dat betekent niet dat het niet om een doodstrijd gaat. De democratie zal weggevaagd worden. De vraag is slechts: door wie?

De strijd tegen de “200 families”, tegen fascisme en oorlog -voor vrede, brood, vrijheid en dergelijke schone zaken — is ofwel een leugen ofwel een strijd om de val van het kapitalisme. Het probleem van de revolutionaire machtsverovering is voor de werkenden van Frankrijk geen ver verwijderd doel, maar de taak van de periode die al begonnen is. Intussen doen de socialistische en communistische leiders niet alleen afstand van de revolutionaire mobilisatie van de arbeidersklasse, maar ze werken het ook met alle kracht tegen. Terwijl zij broederschap met de burgerij sluiten, maken zij jacht op de bolsjewieken. Zo sterk is hun haat tegen de revolutie en hun angst voor haar! De slechtste rol spelen hierbij de pseudo-revolutionairen van het soort van Marceau Pivert. Die beloven de burgerij ten val te brengen, maar enkel als het gebeurt met de toestemming van Léon Blum! Het gehele verloop van de Franse arbeidersbeweging in de laatste twaalf jaren heeft een taak op de dagorde geplaatst: de schepping van een nieuwe revolutionaire partij.

Raden of de gebeurtenissen voor haar formatie “voldoende” tijd zullen laten, betekent zich wijden aan de onvruchtbaarste bezigheid. De bron van de geschiedenis is quasi onuitputtelijk aan verschillende varianten, overgangsvormen, etappes, bespoedigingen en vertragingen. Het fascisme kan onder de invloed van economische moeilijkheden ontijdig het offensief openen en een nederlaag lijden. Lang uitstel zou het gevolg ervan zijn. Omgekeerd kan het uit voorzichtigheid te lang in de afwachtende positie blijven en daardoor aan de revolutionaire organisaties nieuwe kansen geven. Het Volksfront kan aan zijn tegenstellingen eerder te gronde gaan dan dat het fascisme in staat is de algemene aanval te openen. Dat zou een periode van hergroeperingen en splitsingen in de arbeiderspartijen en van de snelle aaneensluiting van de revolutionaire voorhoede kunnen betekenen. Spontane massabewegingen zoals te Toulon en Brest kunnen een grote omvang aannemen en een sterke druk uitoefenen op de revolutionaire hefboom. Tenslotte behoeft zelfs de overwinning van het fascisme in Frankrijk, die theoretisch niet uitgesloten is, niet zijn duizendjarig rijk te betekenen zoals Hitler het verkondigt, noch behoeft men het de termijn te garanderen waarover Mussolini beschikte. Te beginnen met Italië of Duitsland zou de avond van het fascisme ook in Frankrijk spoedig aanbreken. In dit, het meest ongunstigste geval, betekent de schepping van de revolutionaire partij het uur van de revanche verhaasten. De schrandere lieden die deze urgente taak afdoen met de woorden:

“de voorwaarden zijn niet rijp”,

bewijzen slechts dat zijzelf niet rijp voor de voorwaarden zijn.

De Franse marxisten moeten evenals die van de gehele wereld in zekere zin weer van voren af aan beginnen, maar dan wel op een onvergelijkelijk hogere historische trap dan hun voorgangers. De val van de Comintern is smadelijker dan de val van de Tweede Internationale in 1914. Deze val zal in de eerste tijd het voorwaarts schrijden aanzienlijk bemoeilijken. De vorming van nieuwe kaders zal langzaam plaats vinden in een verbitterde strijd tegen het eenheidsfront van de reactionaire en patriottische bureaucratie binnen de arbeidersklasse. Aan de andere kant vormen juist deze moeilijkheden die niet toevallig op de arbeidersklasse vallen een belangrijke factor voor een goede keuze en solide harding van de eerste voortroep van de nieuwe partij en van de nieuwe Internationale.

Slechts een zeer onbeduidend deel van de Cominternkaders begon zijn revolutionaire scholing bij het begin van de oorlog, voor de Oktoberomwenteling. Al deze elementen bevinden zich bijna zonder uitzondering buiten de Comintern. De volgende laag sloot zich reeds bij de zegevierende Oktoberrevolutie aan, dat was gemakkelijker. Maar ook van deze tweede laag is maar een klein deel overgebleven. De overweldigende meerderheid van de huidige Cominternkaders heeft zich niet bij het bolsjewistische programma, niet bij de revolutionaire vaandel, maar wel bij de Sovjetbureaucratie aangesloten. Dat zijn geen strijders maar volgzame beambten, adjudanten, loopjongens. Daarom gaat de Comintern zo roemloos tot ontbinding over in deze aan grootse revolutionaire mogelijkheden rijke historische situatie.

De Vierde Internationale (8) verheft zich op de schouders van haar drie voorgangsters. De slagen suizen op haar neer van voren, van terzijde en van achteren. Baantjesjagers, lafaards, filisters hebben in haar rijen niets te zoeken. Een in het begin onvermijdelijk deel van sektariërs en avonturiers verdwijnt met het groeien van de beweging. Laten de pedanten en sceptici hun schouders ophalen over de “kleine” organisaties die zulke “kleine” kranten uitgeven en aan de gehele wereld de handschoen toewerpen. Ernstige revolutionairen gaan deze pedanten en sceptici met verachting voorbij. De Oktoberrevolutie stond ook eens in haar kinderschoenen…

De machtige Russische partijen van de sociaal-revolutionairen en mensjewieken, die met de kadetten een Volksfront gevormd hadden, wentelden zich na enige maanden in het stof onder de slagen van het “hoopje fanatici” van het bolsjewisme. Een roemloze dood stierven later onder de slagen van het fascisme de Duitse sociaaldemocratie, de Duitse communistische partij en de Oostenrijkse sociaaldemocratie. Het tijdperk dat voor de Europese mensheid onvermijdelijk gaat beginnen, zal al het dubbelzinnige en rottende definitief in de arbeidersbeweging uitroeien. Al deze Jouhaux’, Blums, Cachins, Vandervelde’s, Caballero’s zijn slechts spoken. De secties van de Tweede en Derde Internationale zullen de een na de ander roemloos van het toneel verdwijnen. Een nieuwe grote hergroepering in de arbeidersrijen is onvermijdelijk. De jonge revolutionaire kaders zullen vlees en bloed krijgen. De overwinning is alleen denkbaar op de basis van de methoden van het bolsjewisme, aan wier verdediging dit boek gewijd is.

 

28 maart 1936

 

Voetnoten

  1. Deze tekst werd geschreven als nieuw voorwoord bij het boek ‘Terrorisme en communisme’.
  2. François de La Rocque (1885 – 1946) was tussen 1930 en 1936 voorman van de extreemrechtse Croix de Feu, aanvankelijk een groep van veteranen uit de Eerste Wereldoorlog maar onder de La Rocque omgevormd tot een paramilitaire groep. Het Croix de Feu werd in juni 1936 ontbonden door de Volksfrontregering. Hierop vormde de La Rocque de Parti Social Français (PSF), de eerste extreemrechtse massapartij in Frankrijk met tot 800.000 leden.
  3. Charles Maurras (1868 – 1952) was een Frans journalist, schrijver, dichter en nationalistisch politicus. Hij was de leider van de conservatieve reactionaire beweging Action Française. Hij was ook oprichter van de paramilitaire groep Camelots du Roi. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij veroordeeld wegens collaboratie.
  4. Populaire van 2 februari 1936.
  5. Paul Vaillant-Couturier (1892-1937) was een auteur, journalist en politicus. Hij was hoofdredacteur van L’Humanité tussen 1926 en 1929 en vervolgens opnieuw van mei 1934 tot aan zijn plotse dood in 1937.
  6. Wikipedia hierover: “Negus (vorst) (“Koning der Koningen”) is de benaming van een Ethiopisch koning. In 1928 nam Ras Tafari Makonnen, de Ethiopische regent (en latere keizer Haile Selassie) deze titel aan. In 1930 werd hij negusa nagast, dat wil zeggen ‘koning der koningen’ (ofwel keizer).”
  7. De uitdrukking ‘tweehonderd families’ verwijst naar de 200 grootste aandeelhouders van de Franse Nationale Bank in het interbellum. Voor de hervorming van 1936 vormden vertegenwoordigers van de 200 grootste aandeelhouders de Algemene Vergadering van de Nationale Bank.
  8. Als gevolg van het falen van de bestaande arbeiderspartijen in de revolutionaire mogelijkheden in Europa trokken Trotski en zijn medestanders de conlusie dat een nieuwe internationale beweging nodig was. Vanaf midden jaren 1930 werd daarom opgeroepen tot een Vierde Internationale. In 1938 werd die ook effectief opgericht.
Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie