Verschuivingen in de massa’s

Het Februaribewind verstikte reeds in de vierde maand van zijn bestaan in zijn eigen innerlijke tegenstrijdigheden. De maand juni begon met het Al-Russisch Radencongres, dat een politieke dekmantel voor het offensief aan het front moest vormen. Het begin van het offensief viel in Petrograd samen met een grote demonstratie van de arbeiders en soldaten. Deze demonstratie was door de verzoeningsgezinden tegen de bolsjewieken georganiseerd, maar het sloeg om in een bolsjewistische demonstratie tegen de verzoeningsgezinden. De toenemende verontwaardiging van de massa’s bracht twee weken later een nieuwe demonstratie teweeg. Deze demonstratie was zonder enige oproep van bovenaf spontaan begonnen en leidde tot bloedige botsingen. Dit zou  onder de naam “julidagen” in de geschiedenis bekend worden. De halve opstand van juli, die juist midden tussen Februari- en Oktoberrevolutie in ligt, sluit de eerste af en is in zekere zin de generale repetitie voor de tweede. Wij beëindigen dit deel op de drempel van de “julidagen”. Wij moeten echter voordat wij overgaan tot de gebeurtenissen die zich in juni in Petrograd afspeelden eerst de processen onderzoeken die zich in de massa’s voltrokken.

Lenin gaf aan een liberaal die begin mei beweerd had dat hoe linkser de regering was, des te rechtser het land werd – de liberaal verstond onder land vanzelfsprekend de bezittende klassen – als antwoord: “Ik verzeker U, burger, het “land” van de arbeiders en arme boeren is wel duizendmaal linkser dan de Tsjernovs en Tsereteli’s en wel honderdmaal linkser dan wij. Als jij zal blijven leven, zal je dit zien.” Lenin was van mening dat de arbeiders en boeren “wel honderdmaal” linkser waren dan de bolsjewieken. Dit moest op zijn zachtst gezegd zonderling lijken: de arbeiders en soldaten ondersteunden immers nog de verzoeningsgezinden en bleven voor het merendeel op een zekere afstand van de bolsjewieken staan. Lenin ging echter dieper met zijn onderzoek. De sociale belangen van de massa’s, hun haat en hun verwachtingen zochten nog naar een formulering. De verzoeningsgezinden vormden de eerste etappe voor hen. De massa’s waren veel linkser dan een Tsjernov en een Tsereteli, maar waren zich nog niet bewust van hun radicalisme. Lenin had ook hierin gelijk dat de massa’s linkser waren dan de bolsjewieken. Want de partij gaf zich voor het overgrote deel geen rekenschap van de kracht van de revolutionaire hartstochten die in het ontwaakte volk gistten. De verontwaardiging van de massa’s werd versterkt door het rekken van de oorlog, het economisch verval en de boosaardige passiviteit van de regering.

De oneindige Europees-Aziatische vlakte was slechts dankzij de spoorwegen tot een land geworden. De oorlog had juist deze het ergst getroffen. Het transport werd steeds slechter. Het aantal kapotte locomotieven steeg op sommige trajecten tot vijftig procent. Er werden in het hoofdkwartier door geleerde ingenieurs referaten gehouden over het feit dat het spoorwegvervoer op zijn langst binnen een half jaar volkomen lam gelegd zou zijn. Men had met deze berekeningen in niet geringe mate de bedoeling een paniek te verwekken. Niettemin had het verval van het transportwezen werkelijk verontrustende afmetingen aangenomen, versperde het de trajecten, desorganiseerde dit het ruilverkeer en deed het de duurte toenemen.

De voorziening van de steden werd steeds moeilijker. De agrarische beweging had zich reeds over drieënveertig gouvernementen uitgestrekt. De broodaanvoer voor leger en stad nam op catastrofale wijze af. Weliswaar waren er in de meest vruchtbare gebieden nog tientallen en honderden miljoenen pond overtollig graan, maar de inkooptransacties tegen gefixeerde prijzen leverden zeer onbevredigende resultaten op. En zelfs het beschikbare graan was  als gevolg van de ontwrichting van het transportwezen moeilijk naar de centra te brengen. Sedert de herfst van 1916 kreeg het front gemiddeld slechts de helft van de vooraf bepaalde proviandtoevoer. Petrograd, Moskou en andere industriecentra kregen niet meer dan tien procent van het noodzakelijke.

Er waren bijna geen voorraden. Het levenspeil van de massa’s in de stad schommelde tussen ondervoeding en honger. De komst van de coalitieregering werd aangekondigd door het democratisch verbod om wit brood te bakken. Het zal nu meerdere jaren duren vooraleer “Frans brood” weer in de hoofdstad opduikt. Er was gebrek aan boter. In juni werd het suikerverbruik door rantsoenering in het gehele land beperkt.

Het door de oorlog ontwrichte ruilwezen kon niet vervangen worden door een regeling van staatswege, als die waartoe de verst ontwikkelde kapitalistische staten hun toevlucht hadden moeten nemen en die het Duitsland mogelijk maakte om de oorlog vier jaar uit te houden.

Catastrofale symptomen van economisch verval deden zich op ieder ogenblik voor. De daling van de productiviteit van de bedrijven werd, afgezien van de ontwrichting van het transportwezen, veroorzaakt door slijtage van de machines, gebrek aan grondstoffen en materialen, fluctuatie van het mensenmateriaal, onregelmatige financiering en tenslotte door de algemene onzekerheid. De meest belangrijke bedrijven waren op de oude manier van voor de oorlog werkzaam. De orders waren voor twee, drie jaren van te voren geplaatst. De arbeiders wilden intussen niet in een voortduren van de oorlog geloven. Dagbladen brachten duizelingwekkende getallen betreffende oorlogswinsten. Het technisch en administratief personeel in de bedrijven sloot zich in bonden aaneen en stelde zijn eisen op; de mensjewieken en sociaal-revolutionairen hadden in deze kringen de overhand. De orde in de bedrijven werd slechter. Alle banden verslapten. De vooruitzichten van de oorlog en het economisch leven werden onzeker, de eigendomsrechten raakten aan het wankelen, de winsten daalden, de gevaren namen toe, de ondernemers verloren in de revolutionaire omstandigheden de lust tot produceren. De burgerij ging in het algemeen de weg op van het economisch defaitisme. Zij beschouwde de tijdelijke verliezen en nadelen tengevolge van de economische stilstand als onkosten van de strijd met de revolutie die de grondslagen van de ‘cultuur’ bedreigde. Tegelijkertijd beschuldigde de regeringsgezinde pers de arbeiders dag in dag uit dat zij moedwillig saboteerden, het materiaal plunderden, de brandstof misdadig verspilden, … om de bedrijven tot stilstand te brengen. De leugenachtigheid van de beschuldigingen ging alle grenzen te buiten. En daar het de pers van de partij was die feitelijk aan het hoofd van de coalitieregering stond, sloeg de verontwaardiging van de arbeiders natuurlijk over op de Voorlopige Regering.

De industriëlen waren de in de revolutie van 1905 opgedane ervaring niet vergeten. Toen had de goed georganiseerde uitsluiting met daadwerkelijke ondersteuning van de regering niet alleen de strijd van de arbeiders om de achturendag doen mislukken, het had de monarchie ook onschatbare diensten bewezen bij het neerslaan van de revolutie. De kwestie van de uitsluiting werd ook ditmaal in de Raad van Handel en Industrie – het strijdorgaan van het trust- en syndicaatkapitaal had deze onschuldige naam – aan de orde gesteld. Een van de leiders van de industrie, ingenieur Auerbach, verklaarde later in zijn memoires waarom de gedachte aan een uitsluiting verworpen was:

“Het zou de schijn gehad hebben van een dolkstoot in de rug van het leger… De meesten zagen de gevolgen van een dergelijke stap bij gebrekkige ondersteuning van de kant van de regering buitengewoon somber in.” Het ongelukkige was dat een “doeltreffende macht” ontbrak. De Voorlopige Regering was door de Sovjets en de verstandige sovjetleiders waren door de massa’s lam gelegd; de arbeiders in de bedrijven waren gewapend; bovendien had bijna iedere fabriek een bevriend regiment of bataljon in de buurt. De uitsluiting kwam onder zulke omstandigheden de heren industriëlen “uit nationaal oogpunt funest” voor. Toch zagen zij geenszins van de aanval af, maar pasten deze slechts aan de omstandigheden aan, waarbij ze de aanval niet gelijktijdig en ineens doorvoerden, maar er een meer slinks karakter aan gaven. De industriëlen kwamen, volgens Auerbach’s diplomatieke formulering, “tenslotte tot het resultaat dat het leven het aanschouwelijk onderricht zou geven: de onvermijdelijke, opeenvolgende sluiting van de fabrieken, om zo te zeggen na elkaar – hetgeen men dan ook inderdaad spoedig kon waarnemen.” De raad van de verenigde industriëlen raadde m.a.w., terwijl hij de uitsluiting afwees omdat deze “aan een reusachtig grote verantwoordelijkheid” verbonden was, zijn leden aan de bedrijven onder daartoe geschikte voorwendsels de een na de ander te sluiten.

Het plan van de geleidelijke uitsluiting werd op een opmerkelijk systematische wijze doorgevoerd. De vertegenwoordigers van het kapitaal, zoals de kadet Kutler die minister in het kabinet-Witte geweest was, hielden indrukwekkende verhandelingen over de vernietiging van de industrie, waarbij zij de schuld niet op de drie oorlogsjaren maar op de drie revolutiemaanden gooiden. “Nog twee à drie weken,” voorspelde de ongeduldige “Rjetsj”, “en de fabrieken en werkplaatsen zullen de een na de ander sluiten.” Dit was een dreigement in de vorm van een voorspelling. Ingenieurs, professoren en journalisten begonnen in de gewone pers zowel als in de vakorganen een campagne waarin de beteugeling van de arbeiders een voorwaarde voor de redding genoemd werd. Minister Konovalov, een industrieel, verklaarde op 17 mei aan de vooravond van zijn demonstratief ontslag uit de regering: “Indien er in de naaste toekomst niet een ontnuchtering zal komen, zullen wij getuige zijn van tientallen en honderden sluitingen van bedrijven.”

De Raad van Handel en lndustrie eist midden juni van de Voorlopige Regering een “radicale breuk met het systeem van verdere uitbreiding van de revolutie.” Wij hebben deze eis ook reeds van de zijde van de generaals gehoord: “Staakt de revolutie.” De industriëlen stellen het duidelijker en exacter: “De wortel van het kwaad ligt niet alleen bij de bolsjewieken, maar ook bij de socialistische partijen. Alleen een vaste, ijzeren hand kan Rusland redden.”

De industriëlen gingen, nadat zij de politieke situatie voorbereid hadden, van het woord tot de daad over. In maart en april werden 129 kleinere ondernemingen met 9000 arbeiders gesloten; in mei 108 ondernemingen met hetzelfde aantal arbeiders; in juni reeds 125 ondernemingen met 38.000 arbeiders; in juli werpen 206 ondernemingen 48.000 arbeiders op straat. De uitsluiting ontwikkelt zich in een geometrische reeks. Dit was echter pas het begin. De textielsector in Moskou volgde Petrograd, de provincie volgde na Moskou. De ondernemers beriepen zich op het gebrek aan brandstof, grondstoffen, rnaterialen en kredieten. De bedrijfscomités grepen in en constateerden in vele gevallen moedwillige desorganisatie van de productie met de bedoeling druk op de arbeiders uit te oefenen of subsidies van de staat af te dwingen. Buitengewoon onbeschaamd gedroegen zich de buitenlandse kapitalisten die door bemiddeling van hun gezantschappen optraden. De sabotage was in enkele gevallen zo duidelijk dat de industriëlen als gevolg van de onthullingen van de bedrijfscomités genoodzaakt waren om de fabrieken terug te openen. Zo kwam de revolutie, terwijl zij het ene sociale conflict na het andere aan het licht bracht, weldra tot het belangrijkste conflict: dat tussen het maatschappelijk karakter van de productie en het privaatbezit van de productiemiddelen. De ondernemer sluit om de overwinning over de arbeiders te behalen zijn fabriek, alsof het zijn tabaksdoos en niet een voor het leven van de gehele natie noodzakelijke onderneming betrof. De banken die met succes de vrijheidslening boycotten, keerden zich tegen de aanslagen van de fiscus op het grootkapitaal. De bankiers “voorspelden” in een aan de minister van financiën gerichte brief in geval van radicale financiële hervormingen een afvloeien van kapitaal naar het buitenland en een verdwijnen van de deviezen in de safes. De bankpatriotten dreigden m.a.w. met een financiële uitsluiting ter aanvulling van de industriële. De regering trok alle voorstellen direct in. De organisatoren van de sabotage waren immers deftige heren die door oorlog en revolutie hun kapitaal riskeerden. Het waren geen matrozen van Kronstadt die behalve hun eigen hoofd niets te riskeren hadden.

Het Uitvoerend Comité moest wel inzien dat de verantwoordelijkheid voor het economisch lot van het land, vooral nadat de socialisten zich openlijk bij de regering hadden aangesloten, in de ogen van de massa’s op de regerende Sovjetmeerderheid rustte. De economische afdeling van het Uitvoerend Comité werkte een verstrekkend programma tot regeling van het economisch leven van staatswege uit. De voorstellen van de zeer gematigde economisten bleken onder invloed van de dreigende toestand veel radicaler te zijn dan de auteurs zelf. “Voor sommige industrietakken,” luidde het programma, “is de tijd rijp voor een handelsmonopolie van staatswege (brood, vlees, zout, leder); de andere zijn rijp voor de vorming van van staatswege geregelde trusts (steenkolen, petroleum, metaal, suiker, papier), en tenslotte eisen in de tegenwoordige verhoudingen bijna alle takken van industrie een regulerende medewerking van de staat zowel aan de verdeling van de grondstoffen en de te bewerken producten alsook aan de vaststelling van de prijzen… Tegelijkertijd is het nodig alle kredietinstellingen onder controle te plaatsen.”

Het Uitvoerend Comité nam bij gebrek aan inzicht van de politieke leiders op 16 mei de voorstellen van zijn economen nagenoeg zonder discussie aan en bekrachtigde ze met een eigenaardige waarschuwing aan het adres van de regering: deze moest “de taak van een planmatige organisatie van de volkshuishouding en de arbeid” op zich nemen, bedenkende dat tengevolge van het niet vervullen van deze taak “het oude regime had moeten vallen en de Voorlopige Regering had moeten gewijzigd worden.” De verzoeningsgezinden maakten zichzelf bang om moed te verzamelen.

“Het programma is reusachtig,” schreef Lenin, “zowel controle over en nationalisatie van de trusts, alsook bestrijding van de speculatie en arbeidsplicht… Men is gedwongen zich uit te spreken voor het programma van het “afschuwelijk” bolsjewisme, want een ander programma, een andere uitweg uit de werkelijk dreigende verschrikkelijke catastrofe is er niet…” Het was alleen maar de kwestie wie dit reusachtig programma zou verwezenlijken! De coalitie misschien? Het antwoord volgde prompt. Daags na het aannemen van het economisch programma door het Uitvoerend Comité trad de minister van handel en industrie, Konovalov, met veel lawaai af. Hij werd voorlopig vervangen door de ingenieur Paltsjinski, een niet minder trouw maar meer energiek vertegenwoordiger van het grootkapitaal. De socialistische ministers waagden het niet eens om hun liberale collega in ernst het programma van het Uitvoerend Comité voor te leggen. Tsjernov had immers tevergeefs getracht het verbod van landverkoop door te zetten bij de regering!

De regering stelde in antwoord op de toenemende moeilijkheden van haar kant een programma op tot ontlasting van Petrograd, d.w.z. om fabrieken en werkplaatsen naar het binnenland te verplaatsen. Het programma werd zowel met militaire overwegingen – het gevaar van een bezetting van de hoofdstad door de Duitsers – alsook met economische overwegingen – de grote afstand tussen Petrograd en de vindplaatsen van brandstof en grondstoffen – gemotiveerd. Deze ontlasting zou de liquidatie van de Petrogradse industrie voor vele maanden en jaren betekend hebben. Het politieke oogmerk was de voorhoede van de arbeidersklasse over het gehele land te verspreiden. Parallel daarmee vond het militair gezag het ene voorwendsel na het andere om de revolutionaire troepenafdelingen uit Petrograd te verwijderen.

Palstjinski deed alle mogelijke moeite om de arbeiderssectie van de Sovjet van de voordelen van de ontlasting te overtuigen. Het was onmogelijk dit doel zonder de arbeiders of tegen hun wil te verwezenlijken; de arbeiders stemden er echter niet mee in. De ontlasting schoot even weinig op als de regeling van de industrie. Het verval nam toe, de prijzen stegen, de heimelijke uitsluiting breidde zich uit en tegelijk daarmee de werkloosheid. De regering schoot niet op. Miljoekov schreef later: “Het ministerie zwom eenvoudig met de stroom mee, doch de stroom voerde in het bolsjewistisch vaarwater.” Ja, de stroom voerde inderdaad in het bolsjewistisch vaarwater.

De arbeidersklasse was de voornaamste drijfkracht van de revolutie. Tegelijkertijd schoolde de revolutie de arbeidersklasse. En dit was het, wat ze juist zozeer nodig had.

Wij hebben de beslissende rol van de arbeiders van Petrograd in de februaridagen gezien. De bolsjewieken namen de sterkste posities in de strijd in. Na de omwenteling komen zij echter plotseling op de achtergrond. De verzoeningsgezinde partijen treden in het politiek voetlicht. Zij geven de macht aan de liberale burgerij over. Het patriottisme is de leuze van het blok. De invloed hiervan is zo sterk dat minstens de helft van de leiding van de bolsjewistische partij ervoor capituleert. Met de aankomst van Lenin wijzigt de koers van de partij radicaal en tegelijkertijd neemt haar invloed snel toe. In de gewapende aprildemonstratie proberen de vooruitstrevende groepen arbeiders en soldaten reeds de ketenen van de verzoeningsgezinden te verbreken. Zij trekken zich echter na de eerste inspanning weer terug. De verzoeningsgezinden blijven aan het woord.

Later, na de Oktoberomwenteling, is er niet weinig geschreven over het onderwerp dat de bolsjewieken hun overwinning te danken hadden aan het boerenleger dat oorlogsmoe was. Dit is een zeer oppervlakkige verklaring. De tegenovergestelde redenering komt dichter bij de waarheid: indien de verzoeningsgezinden in de Februarirevolutie een dominerende rol konden spelen, komt dit vóór alles door de bijzondere positie die het boerenleger in het leven van het land innam. Wanneer de revolutie zich in vredestijd ontwikkeld had, zou de leidende rol van de arbeidersklasse van het begin af aan een meer uitgesproken karakter gekregen hebben. Zonder oorlog zou de revolutionaire overwinning later gekomen en, afgezien van de oorlogsslachtoffers, duurder gekocht zijn. Maar zij zou geen mogelijkheid gelaten hebben aan de verzoeningsgezinde en vaderlandslievende stemmingen om de overhand te nemen. De Russische marxisten die lang vóór de werkelijke gebeurtenissen reeds een verovering van de macht door de arbeidersklasse als onderdeel van de burgerlijke revolutie voorspeld hadden, waren in elk geval niet uitgegaan van tijdelijke stemmingen in het boerenleger maar van de klassenstructuur van de Russische maatschappij. Deze prognose was geheel en al uitgekomen. De fundamentele klassenverhoudingen werden slechts verbroken door de oorlog en tijdelijk had er een verschuiving in deze plaats onder de druk van het leger, d.w.z. van de organisatie van gedeklasseerde en gewapende boeren. Deze kunstmatige sociale formatie had juist de positie van de kleinburgerlijke verzoeningsgezinden buitengemeen versterkt en hen in staat gesteld tot de experimenten die acht maanden duurden en het land en de revolutie verzwakten.

De vraag naar de oorsprong en wortels van het verzoeningsgezinde regime is echter niet afdoende beantwoord met een verwijzing naar het boerenleger. Men moet in de arbeidersklasse zelf, in zijn samenstelling, in zijn politiek niveau de bijkomende oorzaken van het tijdelijk overwicht van de mensjewieken en sociaal-revolutionairen zoeken. De oorlog had ontzaglijke veranderingen in de samenstelling en de stemming van de arbeidersklasse teweeggebracht. Terwijl de voorafgaande jaren een tijd van opkomende revolutionaire vloed waren, had de oorlog dit proces op krasse wijze onderbroken. De mobilisatie was niet alleen vanuit militair, maar in eerste instantie vanuit politioneel oogpunt opgezet en doorgevoerd. De regering had zich gehaast om de industriële districten te zuiveren van de meest actieve en meest onrustige groep arbeiders. Men mag als vaststaand aannemen dat de mobilisatie in de eerste maanden van de oorlog tot 40 procent voor het merendeel geschoolde arbeiders aan de industrie onttrok. Dit beïnvloedde de productie zeer sterk en het bracht de industriëlen tot des te hartstochtelijker protesten naarmate de oorlogsindustrie hogere winsten opleverde. De verdere vernietiging van de arbeiderskaders werd stopgezet. Men stelde arbeiders die in de industrie nodig waren vrij van militaire dienst. Men vulde het door de mobilisatie ontstane tekort aan met personen die uit het dorp gekomen waren, volk uit de steden, weinig geschoolde arbeiders, vrouwen en halfvolwassenen. Het percentage vrouwen in de industrie steeg van 32 tot 40.

Het vernieuwings- en verdunningsproces van de arbeidersklasse voltrok zich zeker in de hoofdstad op grote schaal. Het aantal grootbedrijven met meer dan 500 arbeiders in het gouvernement Petrograd steeg in de oorlogsjaren van 1914 -1917 bijna met het dubbele. Tengevolge van de liquidatie van de fabrieken en werkplaatsen in Polen en vooral in de Baltische landen, voornamelijk echter tengevolge van de algemene uitbreiding van de oorlogsindustrie, waren er in Petrograd omstreeks 1917 ongeveer 400.000 arbeiders in de fabrieken geconcentreerd. Daarvan waren er 335.000 van honderdveertig reuzenbedrijven. De meest strijdlustige elementen van de arbeidersklasse van Petrograd hebben aan het front een niet geringe rol bij het ontstaan van de revolutionaire stemming in het leger gespeeld. Doch degenen die hen vervingen, gisteren nog dorpelingen, dikwijls welgestelde boeren en kooplui, die zich in de fabriek schuil hielden voor het front, benevens de vrouwen en kinderen, waren veel makker dan de geschoolde arbeiders. Hieraan dient nog toegevoegd te worden dat de geschoolde arbeiders, wanneer zij dienstplichtig geworden waren – en dit was met honderdduizenden het geval, een buitengewone voorzichtigheid in acht namen vanwege het gevaar naar het front gestuurd te zullen worden. Dit is de sociale basis van de vaderlandslievende stemmingen die zich nog onder de tsaar van een deel van de arbeiders meester gemaakt hadden.

Dit patriottisme was echter niet bestendig. Meedogenloze militaire en politionele druk, verdubbelde uitbuiting, nederlagen aan het front en economische ontwrichting dreven de arbeiders in de strijd. Gedurende de oorlog hadden de stakingen echter voornamelijk een economisch karakter en werden zij gekenmerkt door grotere gematigdheid dan vóór de oorlog. De verzwakking van de klasse werd nog verergerd door de verzwakking van haar partij. Na de arrestatie en verbanning van de bolsjewistische afgevaardigden ging men met behulp van een tevoren georganiseerde provocateurs-hiërarchie over tot de algehele verplettering van de bolsjewistische organisaties, waarvan de partij zich tot de Februari-omwenteling niet kon herstellen. De verzwakte arbeidersklasse moest gedurende de jaren 1915 en 1916 een elementaire school van strijd doormaken, voordat de partiële economische stakingen en demonstraties van hongerende vrouwen in februari 1917 in een algemene staking konden overgaan en het leger in de opstand konden betrekken.

De arbeidersklasse van Petrograd ging zo de Februarirevolutie in. De arbeidersklasse was niet alleen op zeer verschillende wijze samengesteld en nog niet tot een geheel verbonden, maar ook met een lager politiek peil, zelfs van zijn meest vooruitstrevende groepen. In de provincie was het nog slechter gesteld. Slechts deze door de oorlog veroorzaakte terugval van de arbeidersklasse in politiek analfabetisme en gedeeltelijk analfabetisme schiep de tweede voorwaarde tot de tijdelijke heerschappij van de verzoeningsgezinde partijen.

Een revolutie leert en wel snel. Daarin is haar kracht gelegen. Iedere week bracht de massa’s iets nieuws. Iedere twee maanden waren een tijdperk. Eind februari – de opstand. Eind april – optreden van gewapende arbeiders en soldaten te Petrograd! Begin juli – een nieuw optreden op veel grotere schaal en onder veel positievere leuzen. Eind augustus – de poging tot een staatsgreep van Kornilov, afgeslagen door de massa’s. Eind oktober – machtsgreep door de bolsjewieken. Onder deze gebeurtenissen die verbluffend zijn door hun wetmatig verloop voltrokken zich diepgaande, interne processen die de verschillende delen van de arbeidersklassen samensmolten tot een politiek geheel. De beslissende rol werd daarbij wederom door de staking vervuld.

Geïntimideerd door de bliksem van de revolutie die midden in het bacchanaal van oorlogswinsten ingeslagen was, waren de industriëlen in de eerste weken tot toegevingen aan de arbeiders bereid. De fabriekseigenaren te Petrograd verklaarden zich zelfs onder zeker voorbehoud en met bepaalde reserves voorstander van de achturendag. De gemoederen werden hierdoor echter niet gekalmeerd, daar het levenspeil onafgebroken daalde. Het Uitvoerend Comité zag zich in mei genoodzaakt vast te steIlen dat de toestand van de arbeiders bij de toenemende duurte “voor vele categorieën aan chronische honger grensde.” De stemming in de arbeiderswijken werd zenuwachtiger en meer gespannen. Het ontbreken van gunstige vooruitzichten werkte het meest deprimerend. De massa’s zijn in staat de meest zware ontberingen te verdragen indien zij maar weten waarvoor. Het nieuwe regime deed zich echter voortdurend meer aan hen voor als een verdoezeling van de vroegere verhoudingen waartegen zij in februari waren opgestaan. Dit wilden zij niet langer dulden.

Het zijn vooral de stakingen onder de meest achtergebleven en meest uitgebuite groepen arbeiders die een woest karakter aannemen. Wasvrouwen, schilders, kuipers, handelsbedienden, bouwvakarbeiders, zadelmakers, stukadoors, dagloners, schoenmakers, kartonwerkers, worstmakers, schrijnwerkers staken telkens weer gedurende juni. De metaalarbeiders daarentegen beginnen remmend op te treden. De meest vooruitstrevende arbeiders kwamen steeds meer tot het inzicht dat economische gedeeltelijke stakingen onder de omstandigheden van oorlog, economisch verval en inflatie geen noemenswaardige verbetering konden brengen, dat veranderingen in de grondslagen zelf noodzakelijk waren. De uitsluiting maakte de arbeiders niet alleen ontvankelijk voor de eis van controle over de industrie, maar bracht hen ook op de gedachte van de noodzakelijkheid om de fabrieken in handen van de staat te doen overgaan. Deze conclusie leek des te natuurlijker waar het merendeel van de particuliere bedrijven voor de oorlog werkte en daarnaast reeds staatsondernemingen van die aard bestonden. Reeds in de zomer van 1917 komen er uit alle delen van Rusland arbeiders- en beambtendelegaties naar de hoofdstad met het verzoek om de bedrijven te doen overnemen door de staat omdat de aandeelhouders de betalingen gestaakt hadden. De regering wilde daarvan echter niets horen. Derhalve moet men van regering veranderen. De verzoeningsgezinden werkten dit tegen. De arbeiders keerden het front tegen de verzoeningsgezinden.

De Poetilov-fabriek met zijn 40.000 arbeiders scheen in de eerste revolutiemaanden een burcht van de sociaal-revolutionairen te zijn. Zijn garnizoen hield echter niet lang stand tegen de bolsjewieken. Aan het hoofd van de aanvallers kon men meestal Volodarski waarnemen. Volodarski, die vroeger kleermaker was, een jood die vele jaren in Amerika doorgebracht en de Engelse taal goed geleerd had, was een schitterend volksredenaar, logisch, slagvaardig en vermetel. Het Amerikaans accent maakte zijn heldere stem die duidelijk klonk in vergaderingen, die door vele duizenden personen bezocht waren, vol uitdrukking. “Met zijn verschijnen in de Narvskiwijk,” vertelt de arbeider Ninitsjev, “begon in de Poetilov-fabriek de grond aan de heren sociaal-revolutionairen te ontzinken, en na nauwelijks twee maanden gingen de Poetilov-arbeiders hand in hand met de bolsjewieken.”

De uitbreiding van de stakingen en van de klassenstrijd in het algemeen deed bijna vanzelf de invloed van de bolsjewieken toenemen. De arbeiders moesten in alle gevallen, waar het om directe levensbelangen ging, tot de overtuiging komen dat de bolsjewieken geen bijbedoelingen hadden, niets verborgen en dat men op hen vertrouwen kon. Alle arbeiders, partijlozen, sociaal-revolutionairen, mensjewieken, richtten zich tijdens conflicten tot de bolsjewieken. Hieruit is het feit te verklaren dat de bedrijfscommissies, die de strijd om het bestaan van hun bedrijven tegen de sabotage van de administratie en de bezitters voerden, lang voor de Sovjet tot de bolsjewieken waren overgegaan. Op het congres van de bedrijfscommissies van Petrograd en omgeving stemden begin juni 335 van de 421 afgevaardigden voor de bolsjewistische resolutie. Dit feit ging in de grote pers onopgemerkt voorbij. Intussen betekende het dat de arbeidersklasse van Petrograd, nog voordat het met de verzoeningsgezinden gebroken had, feitelijk in alle fundamentele vraagstukken van het economisch leven naar de bolsjewieken was overgegaan.

Op het junicongres van de vakverenigingen werd vastgesteld dat er in Petrograd meer dan vijftig vakbonden met een totaal van minstens 250.000 leden waren. De metaalarbeidersbond telde ongeveer 100.000 arbeiders. Zijn ledental was alleen in de maand mei reeds verdubbeld. Nog sneller nam de invloed van de bolsjewieken in de vakverenigingen toe.

Alle tussentijdse verkiezingen voor de Sovjets brachten een overwinning voor de bolsjewieken. Op 1 juni waren er in de Sovjet van Moskou reeds 206 bolsjewieken tegen 172 mensjewieken en 110 sociaal-revolutionairen. Dezelfde verschuivingen hadden in de provincie plaats, maar dan langzamer. Het aantal partijleden steeg onophoudelijk. De Petrogradse organisatie telde einde april ongeveer 15.000 en einde juni meer dan 32.000 leden.

De arbeiderssectie van de Sovjet van Petrograd had in deze tijd reeds een bolsjewistische meerderheid. Bij de verenigde zittingen van beide secties deden de soldatenafgevaardigden echter de bolsjewieken in de verdrukking komen. De “Pravda” stelde steeds dringender de eis van algemene verkiezingen: “500.000 Petrogradse arbeiders hebben in de Sovjet viermaal minder vertegenwoordigers dan 150.000 soldaten van het Petrograds garnizoen.”

Lenin eiste op het Radencongres strenge maatregelen tegen de uitsluiting, plundering en planmatige ontwrichting van het economisch leven van de kant van de industriëlen en bankiers. “Publiceer de winsten van de heren kapitalisten, arresteer 50 of 100 van de rijkste miljonairs. Het is voldoende om ze enkele weken in arrest te houden – zelfs al is het onder even gunstige voorwaarden als die van Nicolai Romanov – eenvoudig met het doel om ze te dwingen de draden, de bedriegelijke manoeuvres, de vuiligheid en de baatzucht aan het licht te brengen die ook onder de nieuwe regering miljoenen aan ons land kosten.” Lenins voorstel kwam de Sovjetleiders afschuwelijk voor. “Is het mogelijk door toepassing van geweld tegenover enkele kapitalisten de wetten van het economisch leven te veranderen?” De omstandigheid dat de industriëlen door middel van een samenzwering tegen de natie hun wetten dicteerden, gold als volkomen normaal. Kerenski, die woedend Lenin aanviel, was er een maand tevoren niet voor teruggedeinsd om vele duizenden arbeiders te arresteren omdat ze anders over de “wetten van het economisch leven” dachten dan de industriëlen.

Het verband tussen economie en politiek kwam steeds duidelijker aan het licht. De staat die als mystiek beginsel probeerde op te treden, werkte steeds vaker in zijn meest primitieve vorm, d.w.z. in de vorm van afdelingen van gewapende personen. Ondernemers die weigerden concessies te doen of zelfs maar onderhandelingen te voeren, werden door de arbeiders op verschillende plaatsen in het land nu eens aan gewelddadig voorgeleid voor de Sovjet, dan weer aan huisarrest onderworpen. Het behoeft geen verwondering te wekken dat de arbeidersmilitie bij uitstek door de bezittende klassen gehaat werd.

Het oorspronkelijk besluit van het Uitvoerend Comité betreffende de bewapening van tien procent van de arbeiders was niet uitgevoerd. De arbeiders slaagden er echter toch in om zich gedeeltelijk te bewapenen, waarbij de meest actieve elementen tot de militie toetraden. De leiding van de arbeidersmilitie was in handen van de bedrijfscommissies geconcentreerd en de leiding van de bedrijfscommissies ging steeds meer in handen van de bolsjewieken over. Een arbeider van de Moskouse fabriek Psotavsjtsjik vertelt:

“Op 1 juni, onmiddellijk nadat de nieuwe bedrijfscommissie die merendeels uit bolsjewieken bestond was gekozen, werd een afdeling van tachtig man gevormd die onder leiding van een oude soldaat, kameraad Levakov, bij gebrek aan wapens met stokken werd uitgerust.”

De pers beschuldigde de militie van gewelddaden, opeisingen en onwettige arrestaties. Ongetwijfeld gebruikte de militie geweld: zij was immers juist daartoe gevormd. Haar misdaad bestond echter daarin dat zij geweld gebruikte tegen vertegenwoordigers van die klasse die het niet gewoon was en ook niet wilde worden om zelf het voorwerp van geweld te zijn.

Er kwam in de Poetilov-fabrieken, die de leidende rol in de strijd tot verhoging van het arbeidsloon speelden, op 23 juni een congres bijeen waaraan vertegenwoordigers van de centrale Sovjet van de bedrijfscommissies, van het centraal bureau van de vakverenigingen en drieënzeventig fabrieken deelnamen. Onder invloed van de bolsjewieken nam het congres een resolutie aan volgens welke de staking van het bedrijf in de gegeven omstandigheden zou kunnen leiden tot een “ongeorganiseerde politieke strijd van de Petrogradse arbeiders.” Derhalve werd aan de Poetilov-arbeiders voorgesteld “hun gerechtvaardigde woede te bedwingen” en zich tot een algemeen gezamenlijk optreden voor te bereiden.

De bolsjewistische fractie van het Uitvoerend Comite waarschuwde aan de vooravond van dit belangrijk congres: “Een massa van veertigduizend man… kan elke dag in staking en de straat op gaan. Zij zou reeds de straat op gegaan zijn indien onze partij er haar niet van had teruggehouden, terwijl er geen garantie bestaat dat het ook verder zal lukken om er haar van te weerhouden. Het optreden van de Poetilov-arbeiders zou onvermijdelijk – daarover is er geen twijfel mogelijk – het optreden van de meerderheid van de arbeiders en soldaten tot gevolg hebben.”

De leiders van het Uitvoerend Comité beschouwden zulke waarschuwingen als demagogie of sloegen er eenvoudig geen acht op. Zij wilden niet in hun rust gestoord worden. Zelf waren zij er nagenoeg geheel mee opgehouden fabrieken en kazernes te bezoeken, daar de arbeiders en soldaten alleen nog maar vijanden in hen zagen. Enkel de bolsjewieken hadden dat gezag, waardoor het hen mogelijk was de arbeiders en soldaten van verbrokkelde acties te weerhouden. De massa’s keerden zich echter in hun ongeduld dikwijls ook tegen de bolsjewieken.

Er doken in de fabrieken en op de vloot anarchisten op. Deze toonden hun complete ongeschiktheid, zoals ze dat altijd doen bij grote gebeurtenissen en onder grote massa’s. Zij konden gemakkelijk het staatsgezag verwerpen omdat zij de betekenis van de Sovjets als organen van de nieuwe staat in het geheel niet begrepen. Overigens zwegen zij, in verwarring gebracht door de revolutie, meestal eenvoudig over het vraagstuk van de staat. Hun zelfstandigheid demonstreerden zij voornamelijk op het gebied van knaleffecten. Het economisch slop en de toenemende verbittering van de arbeiders van Petrograd verschaften enige steun aan de anarchisten. Terwijl zij niet in staat waren de machtsverhoudingen in de staat serieus te beoordelen en bereid waren iedere stoot van onderop als het laatste redmiddel te beschouwen, beschuldigden zij de bolsjewieken dikwijls van angstvalligheid en zelfs van verzoeningsgezindheid. Maar verder dan tot enig gemor kwamen zij gewoonlijk niet. De weerslag die de anarchistische acties in de massa’s hadden, was voor de bolsjewieken van tijd tot tijd een graadmeter van de druk van de revolutionaire spanning.

De matrozen die Lenin ontvangen hadden aan het Finse station verklaarde twee weken later onder invloed van de patriottische druk die langs alle kanten op hen uitgeoefend werd: “Indien wij geweten hadden… langs welke weg hij tot ons gekomen is, dan zouden in plaats van geestdriftig hoera-geroep onze verontwaardigde kreten geklonken hebben: “Weg! Terug naar het land waardoor je tot ons gekomen bent…” De soldatensovjets in de Krim dreigden de een na de ander het binnendringen van Lenin op het vaderlandslievend schiereiland waarheen hij absoluut niet van plan was te reizen, gewapenderhand te verhinderen. Het Nolynskiregiment, de coryfee van 27 februari, besloot zelfs in zijn enthousiasme Lenin te arresteren zodat het Uitvoerend Comité zich genoodzaakt zag maatregelen daartegen te nemen. Dergelijke stemmingen waren tot aan het junioffensief nog niet geheel en al verdwenen en zij vlamden na de julidagen nu en dan weer op. Tegelijkertijd sloegen de soldaten van de meest afgelegen garnizoenen en van de verst verwijderde gedeelten van het front steeds driester een bolsjewistische toon aan, meestal zonder dit zelf eigenlijk goed te beseffen. Er waren slechts enkele bolsjewieken in de regimenten, maar bolsjewistische leuzen drongen steeds meer door. Zij ontstonden als het ware vanzelf in alle delen van het land. De liberale waarnemers zagen daarin niets anders dan onbeschaafdheid en chaos. De “Rjetsj” schreef: “Ons vaderland verandert letterlijk in een gekkenhuis waar bezetenen het heft in handen hebben en bevelen geven/ De mensen die het verstand nog niet verloren hebben, treden verschrikt terzijde en trekken zich terug.” De “gematigden” van alle revoluties hebben altijd dezelfde woorden gebruikt om hun hart uit te storten. De verzoeningsgezinde pers troostte zich ermee dat de soldaten, ondanks alle misverstanden, niets van de bolsjewieken moesten hebben. Intussen vormde het onbewust bolsjewisme van de massa’s, dat de ontwikkelingsgang weerspiegelde, de onweerstaanbare kracht van de partij van Lenin.

Soldaat Pirejko vertelt dat er bij de verkiezingen aan het front na discussies die drie dagen duurden, enkel sociaal-revolutionairen voor het radencongres werden gekozen, maar dat tegelijkertijd de soldatenafgevaardigden ondanks protest van de leiders een resolutie aangenomen hadden betreffende de noodzakelijkheid om tot onteigening van het adellijk grootgrondbezit over te gaan zonder eerst de Constituerende Vergadering af te wachten. In het algemeen waren de soldaten in kwesties die zij begrepen linkser dan de radicaalsten van de radicale bolsjewieken. Ditzelfde meende ook Lenin toen hij zei dat de massa’s “wel honderdmaal linkser dan wij” waren.

De boekhouder van een motorrijwielenfabriek ergens in het Taurische gouvernement vertelt dat de soldaten meermalen na de lezing van de burgerlijke kranten op de onbekende bolsjewieken scholden en direct daarna tot discussies over de noodzakelijkheid van een beëindiging van de oorlog en een onteigening van het grootgrondbezit overgingen. Dit waren dezelfde patriotten die gezworen hadden Lenin niet in de Krim toe te laten.

De soldaten van de reusachtige garnizoenen in het achterland waren rusteloos. De enorme opeenhoping van feestelijke, vol ongeduld een wijziging in hun lot afwachtende mensen, bracht een nervositeit teweeg die tot uiting kwam in een voortdurende neiging om hun ontevredenheid op straat te uiten, in een bij massa’s rondrijden in de trams en in een algemeen knabbelen op zonnepitten. De soldaat met zijn omgeslagen mantel en de schilletjes van zonnepitten op de lippen werd een van de meest gehate figuren in de burgerlijke pers. Hij, die tijdens de oorlog zo grovelijk gevleid en altijd alleen maar held genoemd was – hetgeen niet belette de held aan het front te kastijden – hij die na de Februari-omwenteling als bevrijder verheerlijkt was, werd plotseling een lafaard, verrader, geweldenaar en Duitse huurling. Er was letterlijk geen gemeenheid die de patriottische pers niet aan de Russische soldaten en matrozen in de schoenen schoof.

Het Uitvoerend Comité deed niets anders dan zichzelf rechtvaardigen, tegen anarchie strijden, excessen tegengaan, angstige vragen en boetpredikaties rondsturen. De voorzitter van de Sovjet in Tsarizyn – deze stad gold als een nest van “anarchobolsjewisme” – beantwoordde de vraag vanuit het centrum over de toestand met deze kernachtige zin: “Hoe linkser het garnizoen wordt, des te rechtser wordt de burger.” De Tsarizynse formule kon men op het gehele land toepassen. De soldaat wordt linkser, de bourgeois rechtser.

Elke soldaat die moediger dan de anderen uitte wat iedereen voelde, werd zolang van hogerhand voor bolsjewiek uitgescholden dat hij het tenslotte zelf geloofde. De gedachten van de soldaat kwamen van vrede en land op het vraagstuk van de macht. De bijval aan verschillende leuzen van het bolsjewisme werd omgezet in bewuste sympathie voor de bolsjewistische partij. In het Wolynskiregiment dat in april Lenin had willen arresteren, sloeg de stemming twee maanden later om ten gunste van de bolsjewieken. Evenzo in het regiment jagers en het regiment Litouwers. Het korps Letse jagers was door het absolutisme opgericht om gebruik te maken van de haat van de kleine boeren en landarbeiders tegen de Lijflandse baronnen. De regimenten vochten uitmuntend. Maar de klassenvijandelijke geest waarop de monarchie wilde steunen, ging zijn eigen weg. De Letse jagers behoorden tot de eersten die met de monarchie en later met de verzoeningsgezinden braken. Reeds op 17 mei schaarden de vertegenwoordigers van acht Letse regimenten zich bijna unaniem achter de bolsjewistische slogan “Alle macht aan de Sovjets.” Zij zullen in het verdere verloop van de revolutie nog een grote rol spelen.

Een onbekend soldaat schrijft van het front: “Vandaag, op 13 juni, hield onze troep een kleine vergadering en men sprak over Lenin en Kerenski. De soldaten zijn meestal voor Lenin, maar de officieren zeggen dat Lenin zelf een bourgeois is.” Na de catastrofe van het offensief werd Kerenski’s naam bitter gehaat in het leger.

Op 21 juni marcheerden er door de straten van Peterhof jonkers met spandoeken: “Weg met de spionnen”, “Leve Kerenski en Broessilov”. De jonkers waren natuurlijk voor Broessilov. De soldaten van het 4de bataljon overvielen de jonkers, gaven hen een pak slaag en joegen de demonstratie uiteen. Het doek ter ere van Kerenski verwekte de meeste haat.

Het junioffensief had de politieke ontwikkeling van het leger buitengewoon versneld. De populariteit van de bolsjewieken, de enige partij die van tevoren haar stem tegen het offensief verheven had, nam snel toe. Weliswaar drongen de bolsjewistische kranten slechts met grote moeite in het leger door. Hun oplage was zeer klein, vergeleken met de oplagen van de liberale en in het algemeen van de patriottische pers. “Nergens is ook maar één van jullie kranten te zien,” schrijft een ruwe soldatenhand naar Moskou, “wij vernemen alleen maar geruchten over jullie krant. Wij worden hier overspoeld met gratis burgerlijke kranten, men verspreidt ze in pakketten over het gehele front.” Het was echter net de patriottische pers die de bolsjewieken buitengemeen populair maakte. Iedere kreet van de onderdrukten tot in bezitname van land, tot afrekening met de gehate officieren werd door de kranten aan de bolsjewieken toegeschreven. De soldaten trokken hieruit de conclusie: de bolsjewieken zijn rechtvaardige mensen.

Begin juli bracht de commissaris van het 12de leger aan Kerenski rapport uit over de stemming onder de soldaten: “Tenslotte wordt alles op de bourgeoisministers en de Sovjet die zich aan de bourgeois verkocht heeft, geschoven. In het algemeen is de grote massa volkomen onwetend. Ik moet helaas vaststellen dat de laatste tijd zelfs de kranten nauwelijks gelezen worden, dat er een volkomen wantrouwen tegen het geschreven woord bestaat: ‘zij schrijven mooi’, ‘zij praten naar de mond’, …”  De rapporten van de vaderlandslievende commissarissen waren in de eerste maanden gewoonlijk een lofzang op het revolutionaire leger, zijn ontwikkeling en discipline. Maar toen na vier maanden van voortdurende ontgoochelingen het leger zijn vertrouwen in de regeringsredenaars en dagbladschrijvers verloren had, ontdekten dezelfde commissarissen een volslagen onwetendheid onder de soldaten.

Hoe linkser het garnizoen wordt, des te rechtser wordt de burger. Onder invloed van het offensief verrezen in Petrograd contrarevolutionaire verenigingen als paddestoelen uit de grond. Zij kozen namen waarvan de één nog mooier was dan de ander: Bond van de eer van het vaderland, Bond van de dienstplicht, Vrijheidsbataljon, Organisatie van de geest, enz. Onder deze fraaie uithangborden gingen de wensen en strevingen van de adel, van de officierenstand, van de bureaucratie, van de bourgeoisie schuil. Sommige van deze organisaties als de Oorlogsliga, de Bond van ridders van het St. Georgekruis of de Vrijwilligersdivisie vormden directe cellen van een militaire samenzwering. De ridders van de “eer” en van de “geest” wisten, doordat zij als vurige patriotten optraden, niet alleen met gemak de deuren van de geallieerde missies voor zich te openen, maar verkregen bovendien ook soms regeringssubsidies die aan de Sovjet als een “particuliere instelling” onthouden werden.

Een telg uit de familie van de krantenmagnaat Soevorin begon intussen de “Kleine krant” uit te geven, die als orgaan van het “onafhankelijk socialisme” een ijzeren dictatuur predikte en als kandidaat admiraal Koltsjak aanbeval. De meer degelijke pers zorgde, zonder de puntjes op de i te zetten, op alle manieren voor de populariteit van Koltsjak. De verdere lotgevallen van de admiraal bewijzen dat er reeds vanaf de voorzomer 1917 sprake was van een grootscheeps plan waaraan zijn naam verbonden was en dat er invloedrijke kringen achter Soevorin stonden.

De reactie liet het volgens de meest eenvoudige tactische berekening en afgezien van enkele op zich zelf staande flaters voorkomen alsof zij haar slagen uitsluitend tegen de leninisten richtte. Het woord “bolsjewiek” werd synoniem met alles wat des duivels was. Net als de tsaristische bevelhebbers vóór de revolutie de verantwoordelijkheid voor alle tegenslagen, ook die door hun eigen domheid, op Duitse spionnen en vooral op de joden afwentelden, werd nu, na het mislukken van het Junioffensief, de schuld voor alle tegenslagen en nederlagen op de bolsjewieken geschoven. De democraten van het genre Kerenski en Tsereteli verschilden daarin nagenoeg niet van de liberalen van het genre Miljoekov en de openlijke aanhangers van de lijfeigenschap zoals generaal Denikin.

Zoals altijd wanneer de conflicten tot het uiterste gespannen zijn maar het ogenblik van uitbarsting nog niet gekomen is, kwam de politieke machtsgroepering onverhulder en duidelijker aan het licht in toevallige en bijkomstige kwesties en niet zozeer in het fundamentele. Kronstadt diende in die weken als één van de bliksemafleiders voor de politieke hartstochten. De oude vesting die de meest trouwe wachtpost aan de zeepoort van de keizerlijke residentie moest zijn, had in het verleden meer dan eens de vlag van de opstand omhoog geheven. Ondanks de onbarmhartige straffen doofde de vlam van de opstand in Kronstadt nooit. Zij ontbrandde angstwekkend na de omwenteling. De naam van de zeevesting werd in de kolommen van de patriottische pers weldra synoniem voor de slechtste kanten van de revolutie, d.w.z. het bolsjewisme. In werkelijkheid was de sovjet van Kronstadt nog niet bolsjewistisch: hij was in mei samengesteld uit 107 bolsjewieken, 112 sociaal-revolutionairen, 30 mensjewieken en 97 partijlozen. Dit waren echter Kronstadtse sociaal-revolutionairen en Kronstadtse partijlozen die onder hoge druk leefden: voor het merendeel gingen zij in belangrijke kwesties samen met de bolsjewieken.

De matrozen van Kronstadt waren op politiek terrein noch tot manoeuvres, noch tot diplomatie geneigd. Zij hadden hun eigen stelregel: zo gezegd, zo gedaan. Het behoeft daarom geen verwondering te baren, dat zij tegenover de schijnregering voor vereenvoudigde methodes van actie waren. Op 13 mei bepaalde de Sovjet: “De Sovjet van arbeiders- en soldatenafgevaardigden vormt de enige macht in Kronstadt.”

De verwijdering van de regeringscommissaris, de kadet Pepelajew, die de rol van vijfde wiel aan de wagen vervulde, werd in de vesting amper opgemerkt. Een voorbeeldige orde werd bewaard. Kaartspel werd in de stad verboden, de kroegen werden gesloten of opgeheven. De Sovjet verbood het op straffe van “in beslagname van de eigendom en onmiddellijk transport naar het front” om zich dronken op straat te vertonen. Deze straf werd meermalen toegepast.

De matrozen die onder het verschrikkelijk regime op de tsaristische vloot en in de zeevesting gestaald waren en gewoon waren aan zware arbeid, offers, maar ook excessen, zij spanden nu alle krachten in om de revolutie waardig te zijn. Ze deden dit nu een nieuw leven voor hen gestart was, een leven waarin zij zich als de toekomstige meesters voelden. Enthousiast stortten zij zich in Petrograd op vriend en vijand en sleepten deze bijna met geweld naar Kronstadt om te tonen hoe revolutionaire zeelui in werkelijkheid zijn. Een dergelijke morele spanning kon natuurlijk niet eeuwig duren, maar zij bleef lange tijd bestaan. De zeelieden van Kronstadt werden tot een soort van strijdorde voor de revolutie. Maar van welke? In elk geval niet van de revolutie die door minister Tsereteli en zijn commissaris Pepelajew werd belichaamd. Kronstadt stond daar als een verkondiger van de naderende tweede revolutie. Het werd daarom gehaat door al diegenen die meer dan genoeg aan de eerste hadden.

De afzetting van Pepelajev, die op vreedzame wijze en onopvallend had plaatsgevonden, werd door de ordelievende pers zo ongeveer als een gewapende opstand tegen de staatseenheid geschilderd. De regering beklaagde zich bij de Sovjet. De Sovjet zond terstond een delegatie om invloed uit te oefenen op de matrozen. Knarsend kwam de machine van de dubbele heerschappij in beweging. De Sovjet van Kronstadt verklaarde met medewerking van Tsereteli en Skobeljev op 24 mei, en op aandringen van de bolsjewieken, dat hij om de strijd voor de Sovjetmacht voort te zetten praktisch verplicht was om zich te richten naar de Voorlopige Regering, zolang de Sovjetmacht niet in het gehele land gevestigd was. De volgende dag verklaarde de Sovjet onder druk van de over deze positie verontwaardigde matrozen dat er slechts een “nadere toelichting” van het standpunt van Kronstadt aan de ministers gegeven was, maar dat dit standpunt geheel ongewijzigd bleef. Dit was stellig een tactische fout waarachter niets anders dan een revolutionair verlangen schuilde.

De leiding besloot dit toeval te benutten om de mensen van Kronstadt een lesje te geven en hen tegelijkertijd voor de vroegere zonden te laten boeten. Als aanklager trad vanzelfsprekend Tsereteli op. Met een pathetisch beroep op zijn eigen verblijf in gevangenissen donderde hij vooral tegen de matrozen van Kronstadt omdat zij in de kazematten van de vesting tachtig officieren gevangen hielden. De gehele regeringsgezinde pers viel hem bij. Weliswaar moesten ook de kranten van de verzoeningsgezinden, d.w.z. van de ministers, toegeven dat het hier “om echte plunderaars van de schatkist van de staat” en om “mensen die het vuistrecht op afschuwelijke wijze uitgeoefend hadden” ging. Zelfs volgens de “Izvestia” (“Mededelingen”), het officieuze blad van Tsereteli, legden matrozen die als getuige gehoord waren verklaringen af over “de onderdrukking van de opstand van 1906 (door de gevangen genomen officieren), over massale fusillades, over sloepen die volgepropt waren met lijken van terechtgestelde matrozen en op zee tot zinken gebracht waren en over andere gruwelen… zij deelden dit zo eenvoudig mee alsof het om de meest gewone dingen ging.”

De matrozen van Kronstadt weigerden hardnekkig om de gearresteerden uit te leveren aan een regering die veel dichter stond bij de adellijke beulen en plunderaars van de schatkist dan bij de in het jaar 1906 en in andere jaren doodgemartelde matrozen. Het is niet toevallig dat de minister van justitie Pereversev, die door Soechanov zo zacht mogelijk uitgedrukt “één van de meest verdachte figuren uit de coalitieregering” genoemd wordt, stelselmatig de gemeenste vertegenwoordigers van de tsaristische gendarmerie uit de Peter-en-Paulsvesting bevrijdde. De democratische parvenus streefden er in de eerste plaats naar als edelmoedig beschouwd te worden door de reactionaire bureaucratie.

De matrozen van Kronstadt beantwoordden de beschuldigingen van Tsereteli in hun oproep: “De door ons in de revolutiedagen gevangen genomen officieren, gendarmes en politieagenten hebben zelf aan de vertegenwoordigers van de regering verklaard dat zij zich niet over de behandeling van de kant van de opzichters in de gevangenis te beklagen hebben. Inderdaad zijn de gevangenisgebouwen in Kronstadt verschrikkelijk. Het zijn echter dezelfde gevangenissen die het tsarisme voor ons gebouwd heeft. Wij hebben geen andere. En als wij de vijanden van het volk in deze gevangenissen vasthouden, dan gebeurt dit niet uit wraak maar uit overwegingen van revolutionair zelfbehoud.”

Op 27 mei berechtte de Sovjet van Petrograd de matrozen van Kronstadt. In een toespraak om de matrozen te verdedigen, wees Trotski Tsereteli er waarschuwend op dat in geval van gevaar, d.w.z. “wanneer een contrarevolutionair generaal zou proberen de revolutie de strop om te doen, de kadetten de strop zouden gereed maken terwijl de matrozen van Kronstadt klaar zouden staan om samen met ons te strijden en te sterven.” Deze waarschuwende voorspelling kwam reeds drie maanden later met verrassende nauwkeurigheid uit: toen generaal Kornilov de opstand ontketende en troepen tegen de hoofdstad liet oprukken, riepen Kerenski, Tsereteli en Skobeljev ter bescherming van het Winterpaleis om de matrozen van Kronstadt. Wat is de conclusie daaruit? De heren democraten verdedigden in juni de orde tegen anarchie, argumenten en waarschuwingen hadden geen vat op hen. Met een meerderheid van 580 tegen 162 stemmen en 74 onthoudingen wist Tsereteli in de Sovjet van Petrograd de resolutie door te drijven waarin de afvalligheid van het “anarchistisch” Kronstadt van de revolutionaire democratie verkondigd werd. De regering verbrak, zodra het ongeduldig afwachtende Mariinskipaleis op de hoogte gesteld was van deze excommunicatie, alle telefonische verbindingen voor particulier gebruik tussen de hoofdstad en de vesting. Zo wilde het vermijden dat het bolsjewistisch centrum invloed op de matrozen van Kronstadt kon uitoefenen. Tegelijk werd bevel gegeven om onmiddellijk alle opleidingsschepen uit Kronstadt te verwijderen en werd gevraagd naar een “onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van de Sovjet.” Het congres van boerenafgevaardigden dat terzelfdertijd beraadslaagde, probeerde het met de bedreiging om “de matrozen van Kronstadt levensmiddelen te onthouden.” De achter de rug van de verzoeningsgezinden loerende reactie zocht naar een definitieve en zo mogelijk bloedige oplossing.

“De roekeloze stap van de Sovjet van Kronstadt,” schrijft de jonge historicus Joegov, “kon ongewenste gevolgen hebben. Men moest een behoorlijke uitweg uit de toestand vinden. Met dit doel reisde Trotski naar Kronstadt, waar hij in de Sovjet optrad en een verklaring opstelde die door de Sovjet en later door Trotski ingediend met algemene goedkeuring door de meeting op het Ankerplein werd aangenomen.” De matrozen van Kronstadt handhaafden hun principiële stellingname en gaven in praktische kwesties toe.

De vreedzame bijlegging van het conflict bracht de burgerlijke pers buiten zichzelf van opwinding: er heerste anarchie in de vesting, de matrozen van Kronstadt drukten eigen geld – fantastische afbeeldingen werden in de bladen gereproduceerd – staatseigendom werd gestolen, vrouwen gesocialiseerd, plunderingen en drinkgelagen georganiseerd. De zeelieden die trots op hun strenge orde waren, balden de eeltige vuisten bij het lezen van de kranten die in miljoenen exemplaren de laster over hen door geheel Rusland verspreidden.

De justitieorganen van Pereversev lieten de voor hen terechtstaande officieren van Kronstadt de een na de ander vrij. Het zou zeer leerzaam zijn eens vast te stellen wie van de vrijgelatenen later aan de burgeroorlog deelnam en hoeveel matrozen, soldaten, arbeiders en boeren door hen doodgeschoten en opgehangen werden. Wij zijn helaas niet in staat deze leerzame statistiek hier te verschaffen.

Het gezag van de regering was gered. De matrozen kregen echter spoedig genoegdoening voor de ondergane krenkingen. Van alle kanten van het land kwamen resoluties ter begroeting van het rode Kronstadt binnen: van afzonderlijke linkse Sovjets, van bedrijven, regimenten, meetings. Het eerste regiment mitrailleurs demonstreerde op volle sterkte in de straten van Petrograd om zijn eerbied voor de matrozen van Kronstadt te betuigen “voor hun standvastige houding tegen de door hen gewantrouwde Voorlopige Regering.”

Kronstadt bereidde zich echter op een meer ernstige revanche voor. De hetze in de burgerlijke pers maakte het tot een factor van betekenis voor de gehele staat. “Het bolsjewisme wierp,” schrijft Miljoekov, “terwijl het zich verschanste in Kronstadt, met behulp van voortreffelijk geschoolde agitators zijn net van propaganda over Rusland uit. Afgezanten van Kronstadt werden zelfs naar het front gezonden waar zij de discipline ondermijnden, naar het achterland en naar het platteland, waar zij pogroms tegen de landgoederen op touw zetten. De Sovjet van Kronstadt voorzag de afgezanten van bijzondere legimitatiebewijzen: “N.N. wordt naar het …gouvernement gezonden om met beslissende stem aan de zittingen van de rayons-, districts- en dorpscomités deel te nemen, alsook vergaderingen te bezoeken en deze op iedere willekeurige plaats naar eigen goeddunken bijeen te roepen met het recht wapens te dragen en kosteloos op alle spoorwegen en stoomboten vervoerd te worden.” “De immuniteit van de persoon van de voormelde agitator wordt hierbij door de Sovjet van de stad Kronstadt gegarandeerd.”

Miljoekov vergeet, terwijl hij de ondermijningsarbeid van de Baltische zeelieden onthult, alleen maar te verklaren hoe en waardoor het mogelijk was dat enkele matrozen, voorzien van het merkwaardig mandaat van de Sovjet van Kronstadt, ondanks het aanwezig zijn van alwijze autoriteiten, instellingen en kranten ongehinderd in het gehele land rondreisden, overal eten en onderdak vonden, tot allerlei volksvergaderingen toegelaten werden en overal met aandacht aangehoord werden en de stempel van hun matrozenknuist op de historische gebeurtenissen drukten. Bij de in dienst van de liberale politiek staande historicus komt deze eenvoudige vraag helemaal niet op. Het wonder van Kronstadt was intussen slechts mogelijk doordat de matrozen veel beter de behoeften van de historische ontwikkeling tot uitdrukking wisten te brengen dan de geleerde professor. Het halfanalfabetisch mandaat bleek, om met Hegel te spreken, “wirksam” omdat het “vernünftig” was. De plannen die subjectief het knapst waren, bleken echter illusoir want de objectieve geest van de geschiedenis was er in het geheel niet in te vinden.

De sovjets bleven achter bij de bedrijfscommissies. De bedrijfscommissies op hun beurt achter bij de massa’s. De soldaten weer achter bij de arbeiders. Nog meer bleef de provincie achter bij de hoofdstad. Dit is de onvermijdelijke loop van het revolutionair proces dat duizend conflicten teweegbrengt om deze daarna als het ware toevallig, in het voorbijgaan, spelenderwijs te overwinnen en tegelijkertijd nieuwe teweeg te brengen. Ook de partij bleef achter bij de loop van de revolutie, d.w.z. die organisatie die allerminst mag achterblijven, vooral niet in een revolutie. In arbeiderscentra als Jekaterinenburg, Perm, Toela, Nisjni-Novgorod, Sormovo, Kolomna, Joesovka hadden de bolsjewieken zich pas eind mei van de mensjewieken afgescheiden. In Odessa, Nikolajev, Jelissavetgrad, Poltava en op andere punten van de Oekraïne bezaten de bolsjewieken zelfs midden juni nog geen zelfstandige organisaties. In Bakoe, Slatoest, Besjezk, Kostroma scheidden de bolsjewieken zich pas einde juni definitief van de mensjewieken af. Deze feiten lijken verwonderlijk indien men bedenkt dat de bolsjewieken reeds vier maanden later de macht zouden grijpen. Hoever was de partij tijdens de oorlog bij het interne proces in de massa’s, en hoever was de leiding Kamenev-Stalin in de maand maart bij de grote historische taak achterop gebleven! De meest revolutionaire partij die de menselijke geschiedenis tot op de huidige dag gekend heeft, werd toch nog door de revolutionaire gebeurtenissen verrast. Zij vormde zich om in het vuur van de strijd en ordende haar gelederen onder de drang van de gebeurtenissen zelf. De massa’s bleken op het beslissend moment “honderdmaal” linkser dan de meest linkse partij te zijn.

De toename van de invloed van de bolsjewieken die zich met de kracht van een natuurproces voltrok, vertoont bij nadere beschouwing tegenstrijdigheden en bochten, op- en neergangen. De massa’s zijn niet homogeen en bovendien leren zij alleen maar met het vuur van de revolutie om te gaan door er zich de vingers aan te branden en dan terug te deinzen. De bolsjewieken konden enkel de scholing van de massa’s versnellen. Zij voedden geduldig op. De geschiedenis heeft overigens hun geduld ditmaal niet lang op de proef gesteld. Terwijl de bolsjewieken onophoudelijk werkplaatsen, fabrieken en regiment en wisten te veroveren, hadden de verkiezingen voor de democratische Doema een grote en ogenschijnlijk toenemende meerderheid van de verzoeningsgezinden tot resultaat. Dit was een van de meest krasse en meest raadselachtige tegenstrijdigheden van de revolutie. Wel was de Doema van de zuiver proletarische wijk Vyborg trots op zijn bolsjewistische meerderheid, maar dit was een uitzondering. De sociaal-revolutionairen wisten bij de stedelijke verkiezingen in Moskou in juni nog meer dan zestig procent van de stemmen achter zich te krijgen. Dit aantal verbaasde hen zelf: het kon hen niet ontgaan dat hun invloed snel dalende was. Voor een goed begrip van de verhouding tussen de werkelijke ontwikkeling van de revolutie en haar weerspiegeling in de spiegel van de democratie zijn de Moskouse verkiezingen van buitengewoon groot belang. De vooruitstrevende groepen arbeiders en soldaten haastten zich reeds om zich los te maken van de verzoeningsgezinde illusies, terwijl de brede massa’s van de stedelijke kleinburgerij nu pas in beweging begonnen te komen. De democratische verkiezingen vormden voor deze verbrokkelde massa wellicht de eerste mogelijkheid, in elk geval een zeldzame mogelijkheid, om zich politiek te uiten. Terwijl de arbeider, de mensjewiek of sociaal-revolutionair van gisteren, zijn stem aan de partij van de bolsjewieken gaf en de soldaat meesleepte, kwamen de huurkoetsier, de postbode, de portier, de koopvrouw, de handelaar en zijn bediende en de onderwijzer door een zo heldhaftige daad als het uitbrengen van hun stem op de sociaal-revolutionair voor de eerste maal uit hun politiek niet-zijn te voorschijn. Al was het laat, zo stemden nu de kleinburgerlijke groepen op Kerenski, omdat de Februarirevolutie die hen nu pas bereikt had in hun ogen in hem belichaamd was. De Moskouse Doema schitterde met zijn sociaal-revolutionaire meerderheid van 60 procent als een uitdovende ster. Met de andere organen van het democratisch zelfbestuur was het evenzo gesteld. Terwijl zij nauwelijks ontstaan waren, werden zij reeds door de onmacht van hun te laat geboren zijn getroffen. Dit betekent dat de verdere loop van de revolutie afhing van de arbeiders en soldaten, en niet van het menselijk stof dat door de revolutionaire stormen opgeworpen was en in de wervelwinden van de revolutie danste.

Dit is de diepe en tegelijkertijd eenvoudige dialectiek van het revolutionair ontwaken van de onderdrukte klassen. De meest gevaarlijke dwaling van de revolutie bestaat daarin dat de democraat die maar mechanisch optelt, verleden, heden en toekomst samenvoegt en hierdoor formele democraten ertoe brengt de kop van de revolutie daar te zoeken waar zich in werkelijkheid haar staart bevindt. Lenin leerde zijn partij om de kop en staart te onderscheiden.

Print Friendly, PDF & Email