De tsaar en de tsarina

Dit boek heeft allerminst tot doel om zich bezig te houden met psychologische onderzoeken die tegenwoordig zo vaak sociale en historische analyses vervangen. Voor alles bestuderen wij de grote levendige krachten van de geschiedenis, krachten die een bovenpersoonlijk karakter hebben. Een van deze krachten is de monarchie. Maar al deze krachten zijn door mensen werkzaam. De monarchie is naar haar wezen met het persoonlijk principe verbonden. Dit rechtvaardigt op zich  belangstelling voor de vorstelijke persoon die door de loop der gebeurtenissen met een revolutie in botsing kwam. Wij hopen bovendien in wat volgt minstens gedeeltelijk aan te tonen waar het strikt persoonlijke in een persoonlijkheid stopt – dat is doorgaans sneller het geval dan we denken – en hoe dikwijls het ‘bijzondere’ van een persoon slechts een individuele uitdrukking is als gevolg van een hogere wetmatigheid.

Aan Nicolaas II werd door zijn voorvaderen niet alleen het geweldige rijk maar ook de revolutie als erfenis nagelaten. Zij bedachten hem met geen enkele eigenschap die hem in staat gesteld zou kunnen hebben een rijk, of zelfs maar een gouvernement of een district, te besturen. Tegenover de historische branding die haar golven steeds dichter aan de poorten van het paleis deed rollen, stond de laatste Romanov met een doffe onverschilligheid. Het was alsof een doorzichtige, maar volkomen ondoordringbare, sfeer zijn bewustzijn en zijn tijdperk van elkaar scheidde.

De personen in de omgeving van de tsaar merkten na de omwenteling herhaaldelijk op dat de tsaar in de meest tragische ogenblikken van zijn regering – tijdens de overgave van Port Arthur en de ondergang van de vloot bij Zoessima, tien jaren later tijdens de terugtocht van de Russische troepen uit Galicië, en twee jaar later de dagen die aan de troonafstand voorafgingen – toen om hem heen alles teneergeslagen, verschrikt en geschokt was, enkel Nicolaas II kalm bleef. Als altijd vroeg de tsaar naar het aantal mijlen die hij tijdens zijn reizen door Rusland afgelegd had, herinnerde zich episoden uit vroegere jachtpartijen, anekdotes vanop officiële ontmoetingen. Hij toonde in het algemeen belangstelling voor het alledaagse terwijl boven zijn hoofd de donderslagen rolden en de bliksem flitste. “Wat is dat toch?” vroeg een van zijn vertrouwde generaals zich af. “Een verbazingwekkende, haast onwaarschijnlijke houding, verkregen door opvoeding? Geloof in een goddelijke voorzienigheid? Of gebrekkig denkvermogen?” Het antwoord zit min of meer reeds in de vraag vervat. De zogenaamde goede manieren van de tsaar, zijn zelfbeheersing in de meest ongewone omstandigheden, kunnen niet alleen door zijn opleiding verklaard worden. Het is in wezen een uitdrukking van een innerlijke onverschilligheid, een gebrek aan geestelijke kracht, zwakheid van wilsimpulsen. Het masker van onverschilligheid, in sommige kringen wordt dat omschreven als ‘goede manieren’, was voor Nicolaas een natuurlijk onderdeel van bij zijn geboorte.

Het dagboek van de tsaar is waardevoller dan alle getuigenissen. Dag in dag uit, jaar in jaar uit, volgen troosteloze aantekeningen van een onbeduidende ziel. “Ging lang wandelen en doodde twee kraaien. Dronk nog bij daglicht thee.” Een wandeling te voet, een boottocht. En weer kraaien en weer thee. Alles vrijwel fysiologisch. Kerkelijke feestelijkheden worden in dezelfde bewoordingen vermeld als een drinkgelag.

In de dagen voor de opening van de Rijksdoema – toen het hele land stuiptrekkend sidderde – schreef Nicolaas: “14 april. Ging wandelen in een lichte kiel en begon weer met kanoën. Dronk thee op het balkon. Stana nuttigde het middagmaal bij ons en ging met ons uit rijden. Heb gelezen.” Geen enkel woord over de inhoud van de lectuur: een sentimentele Engelse roman of een rapport van het departement van politie? “15 april. Aanvaardde het ontslag van Witte. Marie en Dmitrij aten bij ons. Hebben [bedoeld wordt steeds de tsaar en de tsarina] hen naar het slot vergezeld.”

De dag waarop tot de ontbinding van de Doema besloten werd, een beslissing die zowel het hof als de liberale kringen de schrik om het lijf joeg, schreef de tsaar in zijn dagboek: “7 juli. Vrijdag. Een zeer drukke morgen. Kwamen een half uur te laat aan het ontbijt met de officieren. Het onweerde en was erg warm. Gingen samen wandelen. Ontving Goremykin; ondertekende het bevel tot ontbinding van de Doema! Hebben gedineerd bij Olga en Petja. De hele avond gelezen.” Een uitroepteken naar aanleiding van de op handen zijnde Doemaontbinding was de enige uiting van zijn gemoedsbewegingen.

De afgevaardigden van de uiteengejaagde Doema riepen het volk op om hun belastingen niet te betalen. Er volgde een reeks militaire opstanden: in Sveaborg, Kronstadt, op schepen, in legereenheden. De revolutionaire terreur tegen hooggeplaatste ambtenaren leefde op als nooit te voren. De tsaar schrijft: “9 juli. Zondag. Het is gebeurd! De Doema is vandaag ontbonden. Aan het ontbijt na de mis waren er vele lange gezichten. Het weer was heerlijk. Ontmoetten op de wandeling oom Misja die gisteren uit Gatsjina overgekomen is. Tot het middagmaal en de gehele avond rustig gewerkt. Heb gekanood.” Dat hij juist gekanoëd had, wordt speciaal vermeld. Waarmee hij verder de rest van de avond bezig was, wordt niet gezegd. Zo is het voortdurend.

Vervolgens uit diezelfde tragische dagen: “14 juli. Nadat ik mij aangekleed had, reed ik op de fiets naar de badinrichting en baadde heerlijk in zee”, “15 juli. Tweemaal gebaad. Het was erg warm. Wij aten ’s middags met zijn tweeen. Het onweer is voorbij”, “19 juli. ’s Morgens gebaad. Ontving op de boerderij; oom Vladimir en Tsjagin waren er voor het ontbijt.” Opstanden en dynamietontploffingen worden slechts even aangestipt – “Fraaie gebeurtenissen!” – verbluffend van lage onverschilligheid die nooit het niveau van bewust cynisme bereikte.

“Om half tien ’s morgens reden wij naar het Kaspische regiment… Ging lang wandelen. Het weer was heerlijk. Baadde in zee. Ontving na de thee Lvov en Goetsjkov.” Geen woord erover dat deze zo ongewone ontvangst van twee liberalen samenhing met de poging van Stolypin om oppositionele politici in zijn ministerie op te nemen. Vorst Lvov, het latere hoofd van de Voorlopige Regering, vermeldde indertijd over de ontvangst bij de tsaar: “Ik had verwacht de keizer terneergeslagen door de rampen aan te treffen, doch in plaats hiervan kwam een lustig, monter kereltje in een frambozenrode kiel op mij af.”

De geestelijke horizon van de tsaar reikte niet verder dan die van een lagere politiebeambte, met dit verschil dat deze laatste de werkelijkheid dan toch beter kende en minder met bijgeloof belast was. De enige krant die Nicolaas gedurende vele jaren las en waaruit hij zijn wijsheid putte, was een weekblad dat op staatskosten uitgegeven werd door vorst Mesjtserski, een omkoopbare en minderwaardige, zelfs in de reactionaire bureaucratenklieken waartoe hij behoorde verachte journalist. Door twee oorlogen en twee revoluties heen bleef de geestelijke horizon van de tsaar onveranderd, altijd stond een ondoordringbare sfeer van onverschilligheid als een muur tussen zijn bewustzijn en de gebeurtenissen.

Niet zonder reden werd Nicolaas een fatalist genoemd. Men dient hieraan echter toe te voegen dat dit fatalisme het tegendeel was van een vast geloof in zijn “ster”. Nicolaas hield zichzelf veeleer voor een pechvogel. Zijn fatalisme was een vorm van passief zelfverweer tegen de historische ontwikkeling en ging gepaard met een willekeur die naar haar psychologische motieven klein, maar naar haar gevolgen echter monsterachtig, was.

“Ik wil het en daarom moet het zo zijn,” schrijft graaf Witte. “Dit lag ten grondslag aan alle handelingen van deze slappe heerser die alleen door zijn zwakheden dat kon doen wat zijn regering kenmerkte – een voortdurend en in de meeste gevallen volkomen nutteloos vergieten van meer of minder onschuldig bloed…”

Men vergeleek Nicolaas dikwijls met zijn half waanzinnige betovergrootvader Paul, die met goedvinden van zijn eigen zoon, Alexander de “Gezegende”, door iemand uit zijn hofhouding gewurgd werd. Deze twee Romanovs leken inderdaad op elkaar in hun wantrouwen tegen iedereen, dat uit een wantrouwen tegen zichzelf voortkwam; in de argwaan van een almachtige nul; in het gevoel van uitgestoten te zijn, men zou kunnen zeggen in het besef van gekroonde paria. Niettemin was Paul oneindig veel belangrijker. Er was in zijn waanzin een element van fantasie, al was het dan ook die van een niet toerekeningsvatbare. Aan zijn nakomeling is alles kleurloos, is alles mat.

Nicolaas was niet alleen onstandvastig, maar ook trouweloos. De vleiers roemden hem om zijn zachtmoedigheid tegen zijn hovelingen en noemden hem een charmeur. Bijzonder vriendelijk betoonde de tsaar zich vooral tegenover die waardigheidsbekleders die hij besloten had weg te jagen: een minister die bij de ontvangst bovenmatig gecharmeerd werd, kon bij thuiskomst zijn ontslagbrief vinden. Dit was een soort wraak van de tsaar voor zijn eigen minderwaardigheid.

Nicolaas wendde zich vijandig af van alle begaafde en veelbetekenende mensen. Hij voelde zich slechts behagelijk onder onbekwame, geestelijk minderwaardige mensen, schijnheiligen, zwakkelingen, naar wie hij niet moest opzien. Hij bezat eerzucht, een geraffineerde maar niet actieve eerzucht, die zonder een greintje initiatief slechts tot jaloerse zelfverdediging diende. Bij de keuze van zijn ministers volgde hij het beginsel steeds minderwaardige krachten te nemen. Mensen met geest en karakter koos hij slechts in het uiterste geval, wanneer er geen andere uitweg meer was, zoals men een chirurg haalt om het leven te redden. Zo ging het met Witte en later met Stolypin. De tsaar ging met beiden op een nauwelijks verholen vijandige manier om. Zodra de moeilijke situatie voorbij was, haastte hij zich die raadslieden weer kwijt te raken die evident zijn meerdere waren. De selectie geschiedde zo systematisch dat de voorzitter van de laatste Doema, Rodsjanko, het op de 7de januari 1917, toen de revolutie reeds voor de deur stond, aandurfde om tegen de tsaar te zeggen: “Majesteit, er is geen enkel betrouwbaar en eerlijk mens meer in uw omgeving, de besten zijn weggestuurd of weggegaan, slechts personen die een slechte reputatie hebben, zijn overgebleven.”

Alle pogingen van de liberale burgerij om met het hof tot overeenstemming te komen, faalden. De onvermoeide, razende Rodsjanko probeerde door zijn uiteenzettingen de tsaar te stimuleren. Tevergeefs! Deze negeerde stilzwijgend niet alleen alle argumenten, maar ook aanmatigingen en bereidde in stilte de ontbinding van de Doema voor. De grootvorst Dmitri, de toenmalige lieveling van de tsaar en latere medeplichtige aan de moord op Raspoetin, klaagde tegenover één van zijn medesamenzweerders, vorst Joessoepov, dat de tsaar in het hoofdkwartier met de dag onverschilliger tegenover zijn gehele omgeving werd. Volgens de mening van Dmitri gaf men de tsaar een of andere drank die hem geestelijk afstompte. “Er gingen geruchten,” schrijft de liberale historicus Miljoekov op zijn beurt, “dat de tsaar door een sterk gebruik van alcohol in een toestand van geestelijke en morele apathie gehouden werd.” Dit waren echter verzinsels of overdrijvingen. De tsaar behoefde niet zijn toevlucht tot narcotica te nemen, hij had het dodelijk “vocht” reeds in het bloed. De symptomen ervan leken slechts opmerkelijk tegen de achtergrond van de grote gebeurtenissen van oorlog en binnenlandse crisis in aanloop naar de revolutie. Raspoetin, die een psycholoog was, placht kortweg over de tsaar te zeggen dat hij “niets in zich had.”

Deze kleurloze, platte en “welopgevoede” man was wreed. Het was echter niet de actieve wreedheid van een Ivan de Verschrikkelijke of Peter die een historisch doel nastreefden. Wat had Nicolaas met hen gemeen? Het was wel een laffe wreedheid van de laatste telg die bevreesd was voor zijn lot. Op het begin van zijn heerschappij prees Nicolas het regiment van Fanagoritsi als bestaande uit ‘fijne kerels’ omdat ze arbeiders neerschoten. Hij “las met genoegen” hoe men kaalgeschoren meisjes sloeg of tijdens de joodse pogroms weerloze mensen de hersens insloeg. De uitgestotene op de troon had steeds een voorliefde voor het uitvaagsel van de maatschappij, voor de plunderaars van de Zwarte Honderd. Hij betaalde hen niet alleen royaal soldij uit de staatskas, maar hield er ook van zich met hen over hun heldendaden te onderhouden en hen gunsten te bewijzen, vooral wanneer zij toevallig bij een moord op de een of andere afgevaardigde van de oppositie betrapt waren.

Witte, die tijdens het neerslaan van de eerste revolutie aan het hoofd van de regering stond, schrijft in zijn memoires: “Wanneer nutteloze, gruwelijke excessen van de aanvoerders van strafexpedities aan de keizer bekend werden, juichte hij ze toe of nam hij deze aanvoerders in ieder geval in bescherming.” Als antwoord op een verzoek van de Baltische gouverneur-generaal om een zekere luitenant-kapitein Richter tot rede te brengen, nadat die “op eigen gezag zonder enige vorm van proces ook personen deed terechtstellen die geen tegenstand geboden hadden,” schreef de tsaar op het rapport: “Flinke kerel!” Zulke aanmoedigingen kwamen vaak voor. Deze ‘charmeur’, zonder wil, zonder doel, zonder fantasie, was verschrikkelijker dan alle tirannen van de oude en nieuwe geschiedenis.

De tsaar stond zeer sterk onder invloed van de tsarina. Deze invloed nam met de jaren en met de moeilijkheden voortdurend toe. Zij vormden om zo te zeggen samen een geheel. Deze verbinding toont reeds hoezeer het persoonlijke onder invloed van de omstandigheden door het collectieve aangevuld wordt. Eerst dient het een en ander over de tsarina meegedeeld te worden.

Maurice Paléologue, die tijdens de oorlog Frans gezant in Petrograd was en een verfijnde psycholoog was voor Franse academici en portiersvrouwen, geeft een zorgvuldig opgesmukt portret van de laatste tsarina. “Rusteloosheid, chronische droefheid, grenzeloze weemoed, afwisselend toenemende en afnemende krachten, kwellende gedachten over het hiernamaals, bijgeloof – zijn niet al deze trekken die bij de persoon van de tsarina zo scherp naar voren komen, de kenmerkende eigenschappen van het Russische volk?” Het kan raar lijken, maar in deze zoetsappige leugen zit een bron van waarheid. Niet voor niets heeft de Russische satiricus Saltykov de ministers en gouverneurs uit de kringen van Baltische baronnen “Duitsers met een Russische ziel” genoemd. Ongetwijfeld hebben vreemdelingen die door niets met het volk verbonden waren, de meest pure vorm van de “echt Russische” ontwikkeld.

Waarom toonde het volk zo’n openlijke haat tegen een tsarina die volgens Paléologue net de ziel van het volk zo volledig in zich had opgenomen? Het antwoord ligt voor de hand. Ter rechtvaardiging van haar nieuwe situatie, had deze Duitse vrouw zich met koele bezetenheid alle tradities en ingevingen van de Russische Middeleeuwen eigen gemaakt, de meest armoedige en ruwe van alle Middeleeuwen. En dit in een tijdvak waarin het volk heldhaftige pogingen ondernam om zich uit de eigen middeleeuwse barbarij te bevrijden. Deze Hessische prinses was letterlijk door de demon van het absolutisme bezeten. Ze was uit haar kleine nest opgeklommen tot de hoogten van een Byzantijns despotisme. Ze wilde in geen geval weer neerdalen. In het orthodoxe geloof vond zij de mystiek en de magie die bij haar nieuw lot pasten. Zij geloofde zonder enige flexibiliteit in haar roeping. Dit werd nog sterker naarmate de afschuwelijkheid van het oude regime openlijker bekend raakte. Met een sterk karakter en tot een dorre, gevoelloze verheerlijking in staat, vulde de tsarina de willoze tsaar aan door hem te beheersen.

Op 17 maart 1916, een jaar voor de revolutie, toen het ontwrichte land zich reeds in de greep van  nederlagen en verwoestingen bevond, schreef de tsarina aan haar man in het hoofdkwartier: “Je moet geen toegevendheid tonen, ministeriële verantwoordelijkheid en dergelijke – al wat zij willen. Het moet jouw oorlog en jouw vrede zijn, jouw eer en die van ons vaderland, in geen geval die van de Doema. Zij hebben geen recht ook maar een woord in dit vraagstuk mee te spreken.” Dit was in ieder geval een afgerond programma en dit haalde het op alle twijfels van de tsaar.

Na het vertrek van Nicolaas naar het leger in de hoedanigheid van fictieve opperbevelhebber, begon de tsarina openlijk de binnenlandse aangelegenheden te regelen. De ministers brachten aan haar rapport uit als aan een regentes. Met iemand uit haar hofhouding smeedde zij een samenzwering tegen de Doema, tegen de ministers, tegen de generaals van het hoofdkwartier, tegen de gehele wereld, gedeeltelijk zelfs tegen de tsaar. Op 6 december 1916 schreef de tsarina aan de tsaar: “Nu je gezegd hebt dat je Protopopov wilt behouden, hoe reageert hij [premier Trepov] op je? Sla met de vuist op de tafel, blijf standvastig, blijf de baas, luister naar je flink vrouwtje en naar onze vriend. Vertrouw op ons.” En drie dagen later wederom: “Je weet dat je gelijk hebt, houd het hoofd op, beveel Trepov met hem samen te werken… sla met de vuist op de tafel.” Dit alles lijkt verzonnen. Het is echter aan echte brieven ontleend. Men zou het zo ook niet kunnen verzinnen.

Op 13 december suggereert de tsarina aan de tsaar: “Alles maar niet dit verantwoordelijk kabinet waarop iedereen nu zo verzot is. Alles wordt rustiger en beter, maar men wil je sterke arm voelen. Hoe lang reeds, jarenlang al, zegt men mij steeds hetzelfde: Rusland houdt ervan de zweep te voelen, dat is zijn natuur!” De rechtzinnige Hessische met de opvoeding van Windsor en de kroon van Byzantium op het hoofd “belichaamt” niet alleen de Russische ziel, doch veracht deze ook diep. Haar natuur verlangt de zweep, schrijft de Russische tsarina aan de Russische tsaar over het Russische volk, twee en een halve maand voordat de monarchie in de afgrond stort.

Terwijl zij haar man wat karaktersterkte betreft de baas is, staat de tsarina in geestelijk opzicht niet boven hem, veeleer zelfs beneden hem. Meer nog dan hij zoekt zij het gezelschap van eenvoudigen van geest. De innige vriendschap die de tsaar en de tsarina vele jaren lang hadden met de hofdame Vyroebova, toont de geestelijke sterkte van het absolute vorstenpaar. Vyroebova noemde zichzelf een domkop en dit was niet uit bescheidenheid. Witte, van wie niet kan gezegd worden dat hij geen scherpe blik had, omschreef haar als “een heel gewoon, dom Petrograds vrouwtje, niet knap, huiselijk als een luchtbel in koekjesdeeg.” In gezelschap van deze persoon – voor wie oudere hoogwaardigheidsbekleders, gezanten en financiers eerbiedig door het stof kropen – die net voldoende verstand had om haar eigen zakken niet te vergeten, brachten de tsaar en de tsarina uren door. Ze overlegden met haar en correspondeerden met en over haar. Ze had meer invloed dan de Doema en zelfs dan de regering.

Vyroebova was echter slechts een instrument van de “vriend”, wiens autoriteit boven hen drieën stond. “Dit is mijn persoonlijke mening,” schrijft de tsarina aan de tsaar, “maar ik zal eens vragen wat onze vriend ervan denkt.” De mening van de vriend is niet persoonlijk, ze is beslissend. “Ik blijf erbij,” herhaalt de tsarina na enige weken, “maar luister naar mij, d.w.z. naar onze vriend, en vertrouw je in alles aan ons toe… Ik lijd voor je als voor een zacht, teerhartig kind dat leiding nodig heeft, maar naar slechte raadgevers luistert, terwijl de man die door God gezonden is hem zegt wat er gedaan moet worden.”

“…Gebeden en hulp van onze vriend – dan zal alles goed gaan.”

“Indien wij hem niet hadden, zou alles al lang afgelopen zijn, daarvan ben ik vast overtuigd.”

De vriend, de door God gezondene, is Grigori Raspoetin.

Gedurende de hele heerschappij van Nicolaas en Alexandra bracht men waarzeggers naar het hof, niet alleen uit Rusland maar ook uit andere landen. Er waren speciale officiële mediums die zich rond het orakel van het ogenblik groepeerden en een almachtig hogerhuis rond de tsaar vormden. Het ontbrak niet aan oude femelaarsters van grafelijke afkomst, aan waardigheidsbekleders die afgemat waren van het nietsdoen, en evenmin aan financiers die volledige ministeries in pacht hadden. De hogepriesters van de Orthodoxe kerk keken jaloers naar het opbod van tovenaars en hypnotiseurs, ze probeerden tegelijk hun eigen weg te vinden naar het centrale heiligdom van de intriges. Witte noemde deze heersende kliek, waarover hij zelf tweemaal struikelde, de “melaatse hofhouding.”

Hoe meer de dynastie zich isoleerde en hoe meer onbeschermd de vorst zich voelde, des te groter werd zijn behoefte aan bovenaardse hulp. Er zijn wilden die een aan een strik bevestigd bordje in de lucht rondzwaaien om mooi weer op te roepen. De tsaar en de tsarina namen bordjes te baat voor de meest uiteenlopende doeleinden. In de wagon van de tsaar bevond zich een slaapkamer die gestoffeerd was met grote en kleine heiligenbeelden en met andere godsdienstige voorwerpen, die eerst tegenover de Japanse en later tegenover de Duitse artillerie gesteld werden.

Het niveau van de hofkringen was eigenlijk van generatie op generatie niet noemenswaardig veranderd. Onder Alexander II, de “bevrijder”, geloofden de grootvorsten oprecht in huisgeesten en heksen. Onder Alexander III was het niet beter, alleen maar rustiger. “De melaatse hofhouding” bleef steeds bestaan, zij werd slechts anders samengesteld en vernieuwde haar methoden. Nicolaas II had de hofatmosfeer van de onbeschaafde Middeleeuwen niet geschapen, maar van zijn voorvaderen overgenomen. Het land veranderde in deze decennia, de moeilijkheden werden gecompliceerder, de cultuur steeg, doch het hof bleef ver achter. Al deed de monarchie onder druk van de nieuwe machten concessies, zo had zij toch geen tijd om zich innerlijk te moderniseren. Integendeel, zij sloot zich steeds meer af, de middeleeuwse geest werd sterker onder de invloed van vijandschap en vrees, totdat hij het karakter van een afschuwelijke nachtmerrie kreeg die zich van het land meester maakte.

Op 1 november 1905, d.w.z. op het meest kritieke ogenblik van de eerste revolutie, schrijft de tsaar in zijn dagboek: “Leerde een man Gods, Grigori uit het gouvernement Tobolsk, kennen.” Dit was Raspoetin, een Siberische boer met niet geheelde schrammen op zijn hoofd die afkomstig waren van slagen voor paardendiefstal. De man Gods die op het juiste ogenblik opgedoken was, vond spoedig hooggeplaatste helpers, of liever gezegd, zij vonden hem. Zo ontstond een nieuwe regerende kliek die de tsarina en door haar de tsaar vast in haar macht kreeg.

Sedert de winter van het jaar 1913/14 sprak men in hoge kringen van Petrograd reeds openlijk ervan dat alle hoge benoemingen, postjes en opdrachten afhankelijk waren van de Raspoetinkliek. Raspoetin zelf werd langzamerhand een staatsinstelling. Hij werd zorgvuldig bewaakt en door de rivaliserende ministeries niet minder zorgvuldig in het oog gehouden. De spionnen van het departement van politie hielden van uur tot uur een dagboek bij over zijn leven en verzuimden niet te vermelden dat Raspoetin bij een bezoek aan zijn dorp Pokrovskoje dronken met zijn vader tot bloedens toe op straat vocht. Op dezelfde dag, 9 september 1915, verzond Raspoetin twee vriendschappelijke telegrammen, het ene naar Tsarskoje Selo, naar de tsarina. Het andere naar het hoofdkwartier, naar de tsaar.

In een epische stijl tekenden de spionnen dag in dag uit de braspartijen van de “vriend” op. “Hij keerde vandaag om vijf uur ’s morgens naar huis terug, stomdronken.” “In de nacht van 25 op 26 overnachtte de toneelspeelster W. bij Raspoetin.” “Hij is met de vorstin D. [de vrouw van de kamerheer aan het hof] in hotel Astoria aangekomen…” Terstond hierop volgend: “Hij keerde om elf uur ’s avonds uit Tsarskoje Selo terug.” “Raspoetin kwam zeer dronken thuis met de vorstin Sch. Zij gingen spoedig samen weg.” De volgende dag ’s morgens of ’s avonds een reis naar Tsarskoje Selo. Op de vraag van de spion waarom hij zo in gedachten verzonken is, antwoordde Raspoetin: “Ik kan maar niet tot een besluit komen of de Doema bijeengeroepen moet worden of niet.” Dan weer: “Hij keerde om vijf uur ’s morgens naar huis terug, tamelijk dronken.” Zo werd maanden en jaren lang steeds weer dezelfde melodie in drie toonaarden gespeeld: “tamelijk dronken”, “zeer dronken”, “stomdronken”. De gendarmeriegeneraal Globatschev verbond deze berichten van staatsbelang tot een geheel en bekrachtigde ze met zijn handtekening.

De invloed van Raspoetin was groot gedurende zes jaren, de laatste jaren van de monarchie. “Zijn leven in Petrograd,” vertelt vorst Joessoepov die tot op zekere hoogte deelnam aan dit leven en later Raspoetin vermoordde, “werd een onafgebroken feest, de woeste orgie van een tuchthuisboef aan wie onverhoopt het geluk in de schoot gevallen was.” “In mijn bezit bevond zich,” schrijft de Doemavoorzitter Rodsjanko, “een massa brieven van moeders, wier dochters door deze schaamteloze woesteling misbruikt waren.” Tegelijkertijd hadden de Petrogradse metropoliet Pitirin en de aartsbisschop Varnava, die nauwelijks lezen en schrijven kon, aan Raspoetin hun ambten te danken. Door hem handhaafde zich ook lange tijd de opperprocureur van de Heilige Synode, Sabler, in zijn ambt en volgens de wens en krachtens de wil van Raspoetin werd de eerste minister Kokovzev ontslagen, nadat die geweigerd had Raspoetin te ontvangen. Raspoetin benoemde Sturmer tot voorzitter van de ministerraad, Protopopov tot minister van binnenlandse zaken, de nieuwe opperprocureur van de Synode Rajev, en vele anderen. De gezant van de Franse republiek, Paléologue, deed moeite om een ontmoeting met Raspoetin te krijgen. Zij kusten elkaar en hij riep uit: “Voilà un véritable illuminé!”, om zo het hart van de tsarina voor Frankrijks zaak te winnen. De Jood Simanovitsj, de bankier van Raspoetin die bij de criminele politie als een gokker en woekeraar gesignaleerd stond, dreef met behulp van Raspoetin door dat een volkomen eerloos sujet, Dobrovolski, tot minister van justitie benoemd werd. “Bekijk het lijstje eens,” schreef de tsarina aan de tsaar betreffende de nieuwe benoemingen, “onze vriend verzoekt dat jij dit alles met Protopopov bespreekt.” Twee dagen later: “Onze vriend zegt dat Sturmer nog enige tijd voorzitter van de ministerraad kan blijven.” En nog eens: “Protopopov vereert onze vriend eerbiedig en zal gezegend worden.”

Op een van die dagen waarop de spionnen het aantal flessen en vrouwen optekenden, schreef de tsarina vol weemoed aan de tsaar: “Raspoetin wordt ervan beschuldigd dat hij vrouwen gekust heeft, enzovoorts. Lees de apostels – zij hebben allen ter begroeting gekust.” De verwijzing naar de apostels zal voor de spionnen wel niet overtuigend geweest zijn. In een andere brief gaat de tsarina nog verder: “Tijdens de avonddienst heb ik zoveel aan onze vriend moeten denken: hoe de schriftgeleerden en farizeeërs Christus vervolgen en veinzen, als waren zij volmaakt… Ja waarlijk, geen profeet wordt in zijn land geëerd.”

De vergelijking van Raspoetin met Christus was in deze kring gebruikelijk en niet toevallig. De angst voor de machtige krachten van de geschiedenis was te sterk, dan dat het tsarenpaar zich met de onpersoonlijke God en de lichaamloze Christus uit het Evangelie kon vergenoegen. Een terugkeer van de “mensenzoon” was nodig. De uitgestoten, in doodstrijd verkerende, monarchie vond in Raspoetin een Christus naar haar evenbeeld.

“Was Raspoetin er niet geweest,” zei iemand van het oude regime, de senator Taganzev, “dan zou men hem hebben moeten uitvinden.” Deze woorden betekenen veel meer dan hun auteur bedoeld heeft. Indien men onder “hooligans” de meest antisociale, parasitaire wezens in de onderwereld van de maatschappij verstaat, dan kan men de Raspoetiniade met het volste recht het gekroonde “hooliganschap” in zijn hoogste vorm noemen.

 

Print Friendly, PDF & Email