De eigenaardigheden van de ontwikkeling van Rusland

De fundamentele, meest bestendige, karaktertrek van de geschiedenis van Rusland is zijn vertraagde ontwikkeling met de daaruit voortspruitende economische achtergeblevenheid, primitieve maatschappijvormen en laag cultuurniveau.

De bevolking van de reusachtige, barre, voor de oostelijke wind en Aziatische indringers openliggende vlakte was van nature tot een sterk achterblijven gedoemd. De strijd met de nomaden duurde bijna tot het einde van de 17de eeuw. De strijd met de winden, die in de winter ijzige koude en in de zomer droogte brengen, is ook nu nog niet beëindigd. De landbouw – de basis van de totale ontwikkeling – ontplooide zich op extensieve wijze. In het noorden werden de wouden omgekapt en neergebrand, in het zuiden werden de steppen opengelegd. Het in bezit nemen van de natuur voltrok zich in de breedte, niet in de diepte.

Terwijl de westelijke barbaren zich op de ruïnes van de Romeinse cultuur vestigden, waarbij ze vele oude stenen als bouwmateriaal konden gebruiken, vonden de slaven van het oosten in de troosteloze vlakte gee enkele erfenis, hun voorhangers stonden op een nog lager niveau dan zijzelf. De West-Europese volkeren die spoedig op hun natuurlijke grenzen moesten stuiten, schiepen economische en culturele centra: de handeldrijvende steden. De bevolking van de oostvlakte trok zich bij de eerste symptomen van begrensdheid in de wouden terug of trok weg naar de periferie, de steppen in. De initiatief- en ondernemingslust bezittende elementen onder de boeren werden in het westen stedelingen, handwerkers, kooplieden. De actieve en stoutmoedige elementen van het oosten werden enerzijds handelaren, maar anderzijds grotendeels Kozakken, grensbewoners, kolonisatoren. Het in het westen intensieve proces van sociale differentiatie werd in het oosten opgehouden en door het expansieproces vertroebeld. “De tsaar van de Moskovieten is dan wel christelijk, maar heerst over de mensen met een trage geest,” schreef Vico, een tijdgenoot van Peter I. De “trage geest” van de Moskovieten was een weerspiegeling van het langzame tempo van de economische ontwikkeling, van de primitieve vorm van de klassenverhoudingen, van de armoedige binnenlandse geschiedenis.

De oude beschavingen van Egypte, Indië en China hadden een voldoende zelfstandig karakter en deze volkeren beschikten over genoeg tijd om ondanks de laagstaande productiekrachten hun sociale verhoudingen tot een vrijwel gelijke, tot in details tredende volkomenheid te brengen, als waartoe de handwerkslieden van deze landen hun producten brachten. Rusland lag niet alleen geografisch tussen Europa en Azië, maar ook sociaal en historisch. Het onderscheidde zich van het Europese Westen, maar ook van het Aziatische Oosten en naderde in verschillende perioden in diverse opzichten nu eens tot het een, dan weer tot het ander. Het Oosten bracht het Tataarse juk, dat als een belangrijk element in de opbouw van de Russische staat overging. Het Westen was een nog gevaarlijker vijand, tegelijkertijd was het echter een leermeester. Rusland had geen mogelijkheid zich in de vormen van het Oosten verder te ontwikkelen, daar het gedwongen was zich steeds aan de militaire en economische druk van het Westen aan te passen.

Het bestaan van feodale betrekkingen, dat door de oude historici geloochend is, mag op grond van nieuwe onderzoekingen als absoluut zeker worden aangenomen. Nog sterker: de voornaamste elementen van het Russische feodalisme waren dezelfde als die in het Westen. Alleen reeds het feit dat het feodale tijdperk pas na langdurige wetenschappelijke twisten vastgesteld kon worden, levert reeds het bewijs van de onrijpheid van het Russische feodalisme, van zijn gebrekkige vorm en de armzaligheid van zijn cultuurmonumenten.

Een achtergebleven land neemt de materiële en geestelijke veroveringen van meer ontwikkelde landen over. Dit wil echter niet zeggen dat het deze slaafs volgt en alle fasen van hun verleden weer doorloopt. De theorie van het terugkeren van historische cycli – Vico en diens latere aanhangers – steunt op de bestudering van de kringloop van oude, vóórkapitalistische beschavingen, en gedeeltelijk ook op de eerste ervaringen van de kapitalistische ontwikkeling. Een zeker wederkeren van cultuurstadia op altijd weer nieuwe plaatsen was inderdaad met het plaatselijke en episodische karakter van het totale proces verbonden. Het kapitalisme betekent echter de overwinning op deze voorwaarden. Het bereidde voor en verwerkelijkte in zekere zin ook de universaliteit en de permanentie van de ontwikkeling van de mensheid. Dit sluit alleen reeds de mogelijkheid van een weerkeren van de ontwikkelingsvormen van afzonderlijke naties uit. Het achtergebleven land wordt gedwongen de landen die verder ontwikkeld zijn na te streven, waardoor het zich niet aan dezelfde volgorde kan houden. Het voorrecht van de historische achtergeblevenheid – en zulk een voorrecht bestaat – veroorlooft, of beter gezegd, dwingt het reeds bereikte vóór de eigenlijk daartoe bestemde tijd over te nemen en een reeks tussenfasen over te springen. De wilden ruilden de boog direct voor het geweer, zonder eerst de weg af te leggen die in het verleden tussen deze wapens lag. De Europese kolonisten in Amerika begonnen de geschiedenis niet van voren af aan. De omstandigheid dat Duitsland of de Verenigde Staten Engeland economisch ingehaald hebben, was juist door de achtergeblevenheid van hun kapitalistische ontwikkeling bepaald. Omgekeerd is de conservatieve anarchie in de Engelse kolenindustrie, evenals in de hoofden van Macdonald en zijn vrienden, een kwijting voor het verleden waarin Engeland te lang de rol van kapitalistische hegemoon gespeeld heeft. De ontwikkeling van een historisch achtergebleven volk leidt noodzakelijk tot een eigenaardige ineenvloeiing van verschillende stadia van het historische proces. De kringloop krijgt in zijn totaliteit een niet planmatig, gecompliceerd, gecombineerd karakter.

De mogelijkheid om fasen over te springen, is natuurlijk niet absoluut. Haar grens wordt in laatste instantie door de economische en culturele receptiviteit van het land bepaald. Een achtergebleven natie drukt bovendien de sociale verworvenheden, die zij kant en klaar van buiten overneemt, door aanpassing aan haar eigen meer primitieve cultuur neer. Het assimilatieproces krijgt daarbij een tegenstrijdig karakter. Zo bracht de importering van de elementen van westerse techniek en beschaving, vóór alles op het gebied van leger en manufactuur onder Peter I, de verscherping van het lijfeigenschapsrecht als basis van de organisatie van de arbeid mee. Europese bewapening en Europese leningen – het een zowel als het ander ongetwijfeld producten van een hogere cultuur -leidden tot een bevestiging van het tsarisme, dat van zijn kant weer de ontwikkeling van het land remde.

De historische wetmatigheid heeft niets gemeen met een verwaand schematisme. De ongelijkmatigheid, de meest algemene wet van het historisch proces, komt op de meest krasse en meest gecompliceerde wijze aan het licht in het lot van achtergebleven landen. Onder de zweep van een noodzakelijkheid van buitenaf is de achtergeblevenheid gedwongen sprongen te maken. Uit de algemene wet van de ongelijkmatigheid vloeit een andere wet voort, welke men bij gebrek aan een meer passende benaming de wet van de gecombineerde ontwikkeling kan noemen, in de zin van het tot elkaar komen van verschillende fasen, het doordringen van afzonderlijke stadia, het amalgaam van archaïsche en moderne vormen. Zonder deze wet, vanzelfsprekend opgevat in zijn gehele materiële inhoud, vermag men de geschiedenis van Rusland, evenals in het algemeen die van alle landen van een tweede, derde, en tiende cultuurklasse, niet te begrijpen.

Onder de druk van het rijkere Europa verslond de staat in Rusland een naar verhouding veel groter deel van het volksvermogen dan de staten in het Westen en veroordeelde daarmee niet alleen de volksmassa’s tot ergere armoede, maar verzwakte ook de grondslagen van de bezittende klassen. Daar de staat tegelijk de hulp van deze laatste nodig had, forceerde en reglementeerde zij haar ontwikkeling. Dientengevolge konden de gebureaucratiseerde geprivilegieerde klassen zich nooit ten volle oprichten en des te meer naderde de staat in Rusland tot de Aziatische despotie.

De Byzantijnse alleenheerschappij, die de tsaren van Moskou zich officieel in het begin van de 16de eeuw toegeëigend hadden, temde met behulp van de adel het feodale Bojarendom [feodale aristocratie, noot van de vertalers] en onderwierp de adel. Tegelijkertijd maakte het de boeren tot slaaf van de adel en ontwikkelde het zich op deze grondslag tot het Petrogradse keizersabsolutisme. De trage gang van dit proces wordt voldoende getypeerd door het feit dat het lijfeigenschapsrecht, dat in de zestiende eeuw ontstaan was, in de zeventiende eeuw tot ontwikkeling kwam en in de achttiende zijn bloei bereikt had, pas in 1861 door de wetgever afgeschaft werd.

Na de adel heeft de geestelijkheid bij de vorming van de tsaristische alleenheerschappij geen geringe, maar een uitsluitend dienende rol gespeeld. De kerk klom in Rusland nooit tot die hoge regeringspost op als in het katholieke Westen. Zij nam genoegen met de positie van geestelijke knecht bij de alleenheerser en rekende zich dit als een verdienste van haar deemoed aan. Bisschoppen en metropolieten bezaten slechts macht als gevolmachtigden van het wereldlijk gezag. De patriarchen wisselden met de tsaren. In de Petrogradse periode werd de afhankelijkheid van de kerk ten opzichte van de staat nog slaafser. Tweehonderdduizend priesters en monniken vormden in wezen een deel van de bureaucratie, een soort geloofspolitie. Als tegenprestatie werden het monopolie van de orthodoxe geestelijkheid in geloofsaangelegenheden, haar landerijen en inkomsten door de algemene veiligheidspolitie van de staat beschermd.

Het slavofilendom, dit Messianisme van de achtergeblevenheid, fundeerde zijn filosofie daarop dat het Russische volk en diens kerk door en door democratisch is, terwijl het officiële Rusland een door Peter geïmporteerde Duitse bureaucratie was. Marx merkte hierover op: “Evenals de Teutoonse ezels het despotisme van Frederik II enz. op de Fransen afwentelden, alsof achterlijke knechten niet altijd beschaafde knechten nodig hadden om gedresseerd te worden.” Deze korte opmerking geeft een afdoende verklaring niet alleen van de oude filosofie van de slavofilen, maar ook van de nieuwste openbaringen van de ‘rasmaniakken’.

De karigheid van het Russische feodalisme, maar ook van de gehele oud-Russische geschiedenis, komt het allerdroevigst tot uiting in het gemis aan echt middeleeuwse steden als ambachts- en handelscentra. Het ambacht had in Rusland geen tijd gehad zich van de akkerbouw af te scheiden; het behield veel meer het karakter van huisarbeid. De oud-Russische steden waren centra van handel, bestuur, leger en adel, derhalve consumerend, niet producerend. Zelfs de aan de Hanze verwante stad Nowgorod, die het Tataarse juk niet gekend had, was slechts een handelsstad en geen nijverheidsstad. Weliswaar deed de verspreidheid van de boerenbedrijven in verschillende districten de behoefte aan een handelsbemiddeling op brede basis ontstaan. Doch de zwervende handelaars vermochten in het openbare leven geenszins die plaats in te nemen, welke in het Westen aan de in handwerksgilden georganiseerde en handeldrijvende klein- en middenbourgeoisie toekwam, die met haar boerenomgeving onafscheidelijk verbonden waren. De hoofdwegen van de Russische handel leidden bovendien naar het buitenland, verzekerden de leidende positie van oudsher aan het buitenlandse handelskapitaal en verleenden de gehele omzet, bij welke de Russische handelaar bemiddelaar tussen de westerse stad en het Russische dorp was, een half koloniaal karakter. Dit soort economische betrekking kwam tot verdere ontwikkeling in het tijdperk van het Russisch kapitalisme en bereikte zijn hoogste vorm in de imperialistische oorlog. De geringe betekenis van de Russische steden, die de voornaamste oorzaak was van het ontstaan van het Aziatische staatstype, sloot in het bijzonder de mogelijkheid van een Reformatie, d.w.z. een vervanging van de feodaalbureaucratische orthodoxie door een of andere gemoderniseerde variëteit van een aan de behoeften van de burgerlijke maatschappij aangepast christendom, uit. De strijd tegen de staatskerk had geen ander gevolg dan het stichten van boerensecten, waarvan het orthodox schisma de machtigste was.

Anderhalf decennium voor de grote Franse Revolutie ontbrandde in Rusland de beweging van de Kozakken, boeren en lijfeigenen-arbeiders uit de Oeral, die naar de naam van hun leider Poegatsjov genoemd werden. Wat had aan deze grimmige volksopstand ontbroken, om zich in een revolutie om te zetten? De derde stand. Zonder de handwerkersdemocratie van de steden kon de boerenoorlog zich evenmin tot een revolutie ontwikkelen, als de boerensecten zich tot een reformatie konden opwerken. Integendeel, de Poegatsjovsjtsjina leidde tot een versterking van het bureaucratisch absolutisme als de in moeilijke ogenblikken wederom beproefd gebleken beschermer van de belangen van de adel.

De Europeanisering van het land, die onder Peter formeel begonnen was, werd in de loop van de volgende eeuw meer en meer een behoefte van de heersende klasse zelf, d.w.z. van de adel. In het jaar 1825 grepen de adellijke intellectuelen naar het middel van een militaire samenzwering om aan deze behoefte een politieke vorm te geven. Het doel van de samenzwering was een beknotting van de alleenheerschappij. Onder de druk van de Europees-burgerlijke ontwikkeling probeerde de vooruitstrevende adel derhalve de ontbrekende derde stand te vervangen. Toch wilde zij het liberale bewind in ieder geval met de grondslagen van haar standenheerschappij vermengen en was daarom bovenal beducht de boeren in beweging te brengen. Het is niet verwonderlijk dat de samenzwering een onderneming van heldhaftige, maar geïsoleerde, officieren bleef, die zich daarbij nagenoeg zonder strijd te pletter liep. Dit was de betekenis van de decabristenopstand.

Grootgrondbezitters die fabrieken bezaten, waren de eersten van hun stand die zich bereid toonden over te gaan tot de invoering van de vrije arbeid. In dezelfde richting dreef de toenemende export van Russisch graan naar het buitenland. In het jaar 1861 voerde de adellijke bureaucratie, steunend op de liberale grondbezitters, de boerenhervorming door. Het onmachtig burgerlijk liberalisme zong bij deze onderneming gehoorzaam in het koor mee. Het is overbodig te zeggen dat het tsarisme Ruslands voornaamste probleem, nl. de agrarische kwestie, nog bekrompener en benepener oploste dan de Pruisische monarchie in de loop van het volgend decennium Duitslands voornaamste probleem, d.i. zijn nationale eenwording, oploste. De voltooiing van de taak van de ene klasse door een andere klasse is juist een van de gecombineerde methoden die aan achtergebleven landen eigen zijn.

Het meest evident laat zich echter de wet van de gecombineerde ontwikkeling doorheen de geschiedenis en het karakter van de Russische industrie demonstreren. Terwijl deze laat ontstaan was, doorliep zij niet weer de gehele ontwikkeling van de verder vooruitgeschreden landen, maar schaarde zich in hun rij, doordat zij hun nieuwste veroveringen aan de eigen achtergeblevenheid aanpaste. Terwijl Ruslands economische ontwikkeling in haar geheel genomen over de tijdperken van het gildehandwerk en de manufactuur heen gestapt was, sprongen sommige industrietakken een hele reeks van technisch industriële fasen, die in het Westen over tientallen jaren liepen, over. Tengevolge hiervan ontwikkelde de Russische industrie zich in bepaalde perioden buitengewoon snel. Tussen de eerste revolutie en de oorlog steeg de productie van de Russische industrie ongeveer met het dubbele. Hierin zagen sommige Russische historici voldoende grond tot de gevolgtrekking, dat men “de legende van achtergeblevenheid en langzame groei moest laten varen.” [1] In werkelijkheid was zo’n snelle groei juist mogelijk door de achtergeblevenheid, die – helaas – niet alleen tot op het ogenblik van de liquidatie van het oude Rusland, maar, als zijn erfenis, tot op de huidige dag is blijven bestaan.

De voornaamste graadmeter van het economisch niveau van een natie is de productiviteit van de arbeid, die op haar beurt van de specifieke rol van de industrie in de totale volkshuishouding afhangt. Aan de vooravond van de oorlog, toen het tsaristisch Rusland het hoogtepunt van zijn welstand bereikt had, was het volksinkomen per hoofd acht tot tienmaal kleiner dan in de Verenigde Staten, hetgeen niet te verwonderen is wanneer men bedenkt dat 4/5 van de zelfstandig werkende bevolking van Rusland in de landbouw werkzaam was, terwijl er in de Verenigde Staten op elke in de landbouw werkzame persoon 2,5 in de industrie werkenden voorkwamen. Hieraan moet nog toegevoegd worden dat er aan de vooravond van de oorlog in Rusland op 100 km² 0,4 kilometer spoorweg was, tegenover 11,7 in Duitsland en 7 in Oostenrijk-Hongarije. Andere vergelijkende cijfers zijn dienovereenkomstig.

Juist op het gebied van de volkshuishouding komt echter, zoals reeds gezegd is, de wet van de gecombineerde ontwikkeling het sterkst tot uiting. Terwijl het boerenbedrijf tot aan de revolutie in hoofdzaak vrijwel op het niveau van de 17de eeuw gebleven was, stond Ruslands industrie wat betreft techniek en kapitalistische structuur op de trap van ontwikkelde landen en snelde deze in menig opzicht voorbij. Kleine bedrijven met een getal arbeiders tot honderd man omvatten in het jaar 1914 in de Verenigde Staten 35% van de gezamenlijke industriearbeiders, in Rusland daarentegen slechts 17,8%. Bij een ongeveer gelijke betekenis van de middel- en grotere ondernemingen met 100 tot 1000 arbeiders, omvatten in de Verenigde Staten reusachtige ondernemingen met meer dan 1000 arbeiders 17,8% van de totale arbeidersbevolking, in Rusland echter 41,4%. Voor de belangrijkste industriedistricten was dit percentage nog hoger: voor dat van Petrograd 44,4%, voor dat van Moskou zelfs 57,3%. Tot soortgelijke resultaten komt men indien men de Russische industrie met de Engelse of Duitse vergelijkt. Dit feit, dat wij voor het eerst in het jaar 1908 constateerden, is moeilijk in overeenstemming te brengen met de voorstelling van de economische achtergeblevenheid van Rusland. Intussen weerlegt het de achtergeblevenheid niet, maar is het haar dialectische aanvulling. De versmelting van het industriekapitaal met het bankkapitaal werd in Rusland ook weer zo volledig doorgevoerd als vrijwel in geen enkel ander land. Niettemin betekende de afhankelijkheid van de industrie van de banken tegelijk haar afhankelijkheid van de West-Europese geldmarkt. De zware industrie (metaal, steenkolen, olie) bevond zich bijna geheel en al onder de controle van het buitenlands geldkapitaal, dat zich een hulp- en bemiddelingssysteem van banken in Rusland geschapen had. De lichte industrie ging dezelfde weg op. Terwijl in totaal ongeveer 40% van het gehele aandelenkapitaal in Rusland aan buitenlanders toebehoorde, was dit percentage voor de leidende industrietakken nog aanzienlijk hoger. Men kan zonder enige overdrijving beweren dat de controlepakketten van de aandelen van de Russische banken, werken en fabrieken zich in het buitenland bevonden, waarbij het kapitaaldeel van Engeland, Frankrijk en België bijna tweemaal zo groot was als dat van Duitsland.

De ontstaansvoorwaarden van de Russische industrie en haar structuur bepaalden het sociale karakter van de Russische burgerij en haar politieke vorm. De buitengewone concentratie van de industrie betekende op zich wel dat er tussen de kapitalistische toppen en de volksmassa’s geen hiërarchie van overgangsklassen bestond. Daarbij komt nog dat de bezitters van de belangrijkste industrie-, bank- en transportondernemingen buitenlanders waren, die niet alleen de uit Rusland gevloeide winsten, maar ook hun politieke invloed in de buitenlandse parlementen realiseerden en de strijd om het Russische parlementarisme niet alleen niet begunstigden, maar deze zelfs herhaaldelijk tegenwerkten. Denk maar aan de schandelijke rol van het officiële Frankrijk. Dit waren de elementaire en onvermijdelijke oorzaken van het politiek isolement en het volksvijandig karakter van de Russische burgerij. Terwijl deze bij de dageraad van haar geschiedenis nog niet rijp genoeg was, om de Reformatie door te zetten, betoonde zij zich overrijp toen de tijd voor de leiding van de revolutie gekomen was.

In overeenstemming met de totale ontwikkelingsgang van het land werd niet het gildehandwerk, maar de landbouw, niet de stad, maar het dorp het reservoir waaruit de Russische arbeidersklasse voortkwam. Daarbij ontstond het Russische proletariaat niet geleidelijk gedurende eeuwen, bezwaard met de last van het verleden, zoals in Engeland, maar sprongsgewijs door een snelle verandering van de situatie van de betrekkingen en de verhoudingen en door een plotselinge breuk met het verleden. Juist dit feit maakte, samen met het geconcentreerde juk van het tsarisme, de Russische arbeiders toegankelijk voor de stoutste gevolgtrekkingen van het revolutionaire denken, net zoals de achtergebleven Russische industrie ontvankelijk was voor de laatste nieuwe vormen van kapitalistische organisatie.

De Russische arbeiders herhaalden de korte geschiedenis van hun ontwikkeling steeds opnieuw. Terwijl in de metaalindustrie, vooral in Petrograd, een groep van erfelijke proletariërs, die met het dorp definitief gebroken hadden, ontstond, overheerste in de Oeral nog het type van de halfproletariër-halfboer. De jaarlijkse stroom van nieuwe arbeidskrachten uit de dorpen in alle industriedistricten vernieuwde de band van het proletariaat met zijn sociaal reservoir.

De politieke ongeschiktheid van de burgerij was direct door het karakter van haar betrekkingen tot het proletariaat en de boeren bepaald. Zij was niet in staat het proletariaat te leiden, dat in het dagelijks leven vijandig tegenover haar stond en al heel spoedig leerde zijn taak ruimer op te vatten. Evenzeer toonde zij zich echter ongeschikt om de boeren te leiden omdat zij door een reeks van gemeenschappelijke belangen met de grootgrondbezitters verbonden en altijd voor de aantasting van eigendom in welke vorm ook beducht was. De vertraging van de revolutie was derhalve niet alleen een chronologische kwestie, maar ook een gevolg van de sociale structuur van de natie. In Engeland voltrok de puriteinse revolutie zich in een tijd dat de totale bevolking 5,5 miljoen zielen niet te boven ging, waarvan 0,5 miljoen in Londen woonde. Frankrijk had in de revolutietijd in Parijs ook slechts 0,5 miljoen inwoners op een totale bevolking van 25 miljoen. De bevolking van Rusland bedroeg in het begin van de twintigste eeuw ongeveer 150 miljoen, waarvan meer dan 3 miljoen op rekening van Moskou en Petrograd kwamen. Achter deze vergelijkende cijfers gaan grote maatschappelijke verschillen schuil. Noch het Engeland van de zeventiende, noch het Frankrijk van de achttiende eeuw hebben het moderne proletariaat gekend. Intussen telde de arbeidersklasse van Rusland in het jaar 1905 overal, in de stad en op het land, niet minder dan 10 miljoen zielen, hetgeen samen met de gezinnen meer dan 25 miljoen uitmaakte, d.i. meer dan de totale bevolking van Frankrijk in het tijdvak van de Grote Revolutie. Van de welgestelde ambachtslieden en onafhankelijke boeren van het leger van Cromwell – via de Sansculottes van Parijs – tot de industrieproletariërs van Petrograd had de revolutie haar sociale mechaniek, haar methoden en daarmee ook haar doeleinden ingrijpend gewijzigd.

De gebeurtenissen van het jaar 1905 waren een voorspel van de beide revoluties van 1917: van de Februari- en de Oktoberrevolutie. De proloog bevatte reeds alle elementen van het drama, alleen niet volledig doorgevoerd. De Russisch-Japanse oorlog had het tsarisme verzwakt. Met de volksbeweging op de achtergrond joeg de liberale burgerij met haar oppositie de monarchie angst aan. De arbeiders organiseerden zich onafhankelijk van de burgerij en tegenover haar in de sovjets, die in die tijd voor de eerste maal in het leven geroepen werden. Onder de slogan “grond” stonden de boeren van het gehele reusachtige platteland op. Evenals de boeren sympathiseerden ook de revolutionaire troepenafdelingen met de sovjets, die op het moment dat de vloed van de revolutie het hoogst was, openlijk de macht aan de monarchie betwistten. Dit was het eerste optreden van de gezamenlijke revolutionaire krachten; zij bezaten nog geen ervaring en het ontbrak hun nog aan vertrouwen. De liberalen deinsden demonstratief terug voor de revolutie juist op dat ogenblik waarop bleek dat het niet voldoende was het tsarisme te verzwakken, doch dat men het bovendien nog omver moest werpen. De krasse breuk van de burgerij met het volk, waarbij deze reeds toentertijd grote groepen van het democratisch intellect meesleurde, maakte het voor de monarchie gemakkelijk het leger te splijten, trouwe troepenafdelingen af te zonderen en onder de arbeiders en boeren een bloedbad aan te richten. Al werd het ook deerlijk gehavend, toch kwam het tsarisme nog levend en krachtig genoeg uit de beproeving van 1905 te voorschijn.

Welke veranderingen in de machtsverhoudingen bracht de historische ontwikkeling in de elf jaren die het voorspel van het drama scheiden? Het tsarisme kwam in deze periode nog scherper in tegenstelling tot de eisen van de historische ontwikkeling te staan. De burgerij werd economisch machtiger, doch deze macht steunde, zoals wij gezien hebben, op de grotere concentratie van de industrie en de meer betekenende rol van het buitenlands kapitaal. Onder invloed van de lessen van 1905 was de burgerij nog conservatiever en wantrouwender geworden. De specifieke betekenis van de kleine en middenburgerij, die ook vroeger reeds onbelangrijk was, daalde nog meer. Het democratisch intellect bezat geen enkel ook maar enigszins stevig sociaal steunpunt. Het kon tijdelijk politieke invloed krijgen, maar geen zelfstandige rol spelen. Haar afhankelijkheid van het burgerlijk liberalisme was sterk toegenomen. Slechts het jonge proletariaat kon onder deze omstandigheden een programma, vlag en leiding aan de boeren geven. De grandioze taken waarvoor het zo kwam te staan, schiepen een dringende behoefte aan een afzonderlijke revolutionaire organisatie waarmee de volksmassa’s begeesterd werden om onder leiding van de arbeidersklasse tot revolutionaire daden te komen. Zo kwamen de sovjets van 1905 tot een reusachtige ontplooiing in het jaar 1917. Dat de sovjets – wij willen dit hier direct zeggen – niet alleen maar een vrucht van de historische achtergeblevenheid van Rusland, maar veeleer een product van de gecombineerde ontwikkeling zijn, bewijst alleen reeds het feit dat het proletariaat van het meest geïndustrialiseerde land, Duitsland, tijdens de revolutionaire golf van 1918/19 geen andere organisatievorm dan die van de raden had weten te vinden.

Het eerste doel van de revolutie van 1917 was nog steeds de val van de bureaucratische monarchie. In tegenstelling tot de vroegere burgerlijke revoluties trad nu echter de nieuwe klasse als beslissende kracht naar voren, de klasse die op de grondslag van de geconcentreerde industrie ontstaan was en met een nieuwe organisatie en nieuwe strijdmethodes uitgerust was. De wet van de gecombineerde ontwikkeling vertoont zich hier in zijn meest volmaakte vorm: beginnend met het opruimen van het middeleeuwse afval brengt de revolutie na enige maanden het proletariaat, met de communistische partij aan de spits, aan de macht.

Naar haar oorspronkelijke doeleinden was de Russische revolutie derhalve een democratische revolutie. Zij stelde echter het probleem van de politieke democratie op een nieuwe wijze. Terwijl de arbeiders, de soldaten en gedeeltelijk ook de boeren meeslepend, in het gehele land sovjets stichtten, onderhandelde de burgerij nog altijd over de kwestie van het al of niet bijeenroepen van de Constituerende Vergadering. Bij de beschrijving van de gebeurtenissen zal deze kwestie concreter worden. Hier willen wij alleen de plaats aanduiden die de sovjets innemen in de historische opeenvolging van revolutionaire ideeën en vormen.

In het midden van de zeventiende eeuw hulde de burgerlijke revolutie in Engeland zich in het gewaad van een godsdiensthervorming. De strijd om het recht volgens een eigen gebedenboek te bidden, werd identiek met de strijd tegen koning, aristocratie, kerkvorsten en Rome. De presbyterianen en puriteinen waren er innig van overtuigd dat zij hun aardse belangen onder de onwankelbare bescherming van de goddelijke voorzienigheid gesteld hadden. De doeleinden waar de nieuwe klassen voor streden, groeiden in hun bewustzijn samen met de bijbeltekst en de vormen van kerkelijke ceremoniën. De emigranten namen deze door bloed bevestigde traditie over de oceanen mee. Vandaar de zeldzame taaiheid van de Angelsaksische uitlegging van het christendom. Wij zien, hoe de socialistische “ministers” van Groot-Brittannië ook nu nog hun lafheid met dezelfde magische teksten funderen, waarin de mannen van de zeventiende eeuw een rechtvaardiging voor hun stoutmoedigheid gezocht hadden.

In Frankrijk, dat de Hervorming niet gekend had, beleefde de Katholieke Kerk als staatskerk de revolutie. Deze vond niet in bijbelteksten, maar in democratische abstracties een formulering en rechtvaardiging voor de doeleinden van de burgerlijke maatschappij. Hoe groot de haat van de huidige regeerders van Frankrijk tegen de jacobijnen ook mag zijn, het blijft een feit dat zij juist dankzij het ruwe ingrijpen van Robespierre de mogelijkheid behouden hebben om hun conservatieve heerschappij met die formules te omhullen waarmee ooit de oude maatschappij werd opgeblazen.

Iedere grote revolutie heeft nieuwe fasen van de burgerlijke maatschappij en nieuwe bewustzijnsvormen van haar klassen. Zoals Frankrijk over de Hervorming is heengestapt, zo heeft Rusland de formele democratie overgeslagen. De Russische revolutionaire partij die het lot beschoren was om haar stempel op een tijdperk te drukken, zocht de formulering van de doeleinden van de revolutie niet in de bijbel, niet in het geseculariseerde christendom van de ‘zuivere’ democratie, maar in de materiële verhoudingen van de maatschappelijke klassen. Het sovjetstelsel gaf aan deze verhoudingen de meest eenvoudige, openlijke en duidelijke uitdrukking. De heerschappij van de arbeidersklasse vond voor de eerste maal haar verwezenlijking in dit systeem, dat, hoe ook zijn historische lotgevallen in de toekomst mogen zijn, even onuitroeibaar in het bewustzijn van de massa’s gedrongen is als het systeem van de reformatie of van de zuivere democratie dat in hun tijd deden.

 

[1] De bewering is afkomstig van Professor M.N. Pokrovski. Zie bijlage Nr. 1.

Print Friendly, PDF & Email